13 Verraad

 

De trollen keken op.

'Gewoon doorrijden, alsof we weten wat we aan het doen zijn,' zei Robert.

'Weten we dat dan?' fluisterde Patrus.

'Niet naar vragen,' antwoordde Joolstein.

De trollen brachten hun wapens in de aanslag en verspreidden zich voor het gevecht. 'Gewoon door blijven rijden,' zei Robert, zijn paard inhoudend, 'maar blijf paraat.'

De trollen hadden een gedrongen menselijke gedaante, met amper een nek. Hun koppen staken naar voren, zodat ze eruit zagen alsof ze voortdurend hun schouders ophaalden. Robert wist dat hun wat komische voorkomen zeer bedrieglijk was. De laaglandtrollen waren weinig meer dan beesten, zonder taal of het vermogen werktuigen en wapens te hanteren. Hun bergverwanten waren intelligent, zij het oliedom naar menselijke maatstaven, maar zij wisten met wapens om te gaan. En goed ook. In menselijke oren klonk hun taal als gegrom en gekrijs, maar ze kenden een maatschappelijk systeem en konden vechten.

Toen de trollen naderbij kwamen, stak Robert zijn hand op ter begroeting. 'Waar is Narab?' vroeg hij op gemoedelijke toon.

De trollen staakten hun opmars en keken elkaar aan. Ze hadden een laag voorhoofd en een vooruitstekende onderkaak met grote tanden. De twee hoektanden staken een stukje over hun bovenlip heen. Een van hen hield zijn kop schuin, alsof hij luisterde, en zei: 'Geen Narab hier. Wie jij?'

'Wij zijn huurlingen, maar we zijn gestuurd om Narab te zoeken en om uit te pluizen waarom de trollen nog niet zijn betaald.'

Zodra het over betalen ging, begonnen de trollen opgewonden door elkaar te praten. Na een poosje nam de trol die als eerste had gesproken, en die naar Robert aannam de leider was, opnieuw het woord. 'Wij niet vechten als wij niet betaald.'

'Dat is het probleem,' zei Robert. Hij boog zich over de hals van zijn paard en zei gemeenzaam: 'Kijk, ik snap jullie best. Als ik jullie was en niet betaald kreeg, zou ik ook niet vechten. Ik zou misschien zelfs gewoon met mijn jongens naar huis gaan, gezien hoe Delekhan jullie heeft behandeld.'

'Jij betalen?' vroeg de trol, zijn krijgsknots ineens dreigend vasthoudend.

Vlug ging Robert weer rechtop in het zadel zitten, klaar om zijn paard te wenden zodra hij dat wapen op iets meer dan terloopse wijze zag bewegen. 'Ik denk het,' antwoordde hij en vroeg aan Joolstein: 'Hoeveel goud heb je bij je?'

'Mijn reisgeld!' siste Joolstein. 'Iets meer dan honderd gouden soevereinen.'

Robert glimlachte. 'Geef maar aan hen.'

'Wat?'

'Doe nou maar!' drong de jonker aan.

Joolstein maakte zijn beurs los en wierp hem naar de trol, die hem verrassend behendig opving. 'Wat dit?'

'Honderd gouden soevereinen,' antwoordde Robert.

'Goud is goed,' reageerde de trol. 'Wij werken nu voor jou.'

Robert grijnsde. 'Heel goed. Blijf dan hier tot wij terug zijn. En als iemand ons volgt, hou je hen tegen.'

De trol knikte en zwaaide zijn metgezellen opzij, zodat Robert kon passeren. Terwijl ze de trollen achter zich lieten, vroeg Joolstein: 'Waarom kopen we hen niet gewoon allemaal om en sturen hen naar huis?'

'Op de lange termijn zou het nog goedkoper zijn ook,' zei Robert. 'Maar de zwarte elfen zullen zo'n lage prijs vast niet hanteren.'

'Behalve dom zijn bergtrollen ook nog iets anders, jongens,' zei Patrus.

'Wat dan?' vroeg Joolstein.

'Hebberig. Dacht je dat die grappenmakers ons straks zomaar voorbij laten zonder om meer te vragen?'

'Nee,' antwoordde Robert, 'maar daarom heb ik hier ook nog een beurs, voor het geval ze dat doen.'

'Dus daarom moest je mijn goud hebben,' zei Joolstein, 'zodat je het jouwe op de terugweg kon gebruiken.'

'Nee,' zei Robert. 'Als we terug kunnen zonder te betalen, dan doen we dat zeker. Maar ik moest jouw goud gebruiken omdat ik hun het mijne niet wilde geven.'

Joolstein snoof en Patrus schoot in de lach. Ze liepen verder over de weg en na een tijdje zagen ze een groep ruiters op hun dooie gemak langs de horizon trekken. 'We komen zeker al in de buurt,' merkte Robert op.

'Ja,' zei Patrus, 'Raglam ligt net aan de andere kant van die heuvels.' Ze sjokten voort, zo onbezorgd en ontspannen als ze konden, het hart van het vijandelijk territorium in. Menigmaal in zijn jonge leven was Robert er al in geslaagd op plekken te komen waar hij niet thuishoorde, domweg door de indruk te wekken dat hij wist waar hij naar toe ging en een goede reden daarvoor had, en hij hoopte dat die truc bij zwarte elfen net zo goed opging als bij mensen.

Boven op de heuvelkam rondden ze een bocht en Robert bleef staan. 'Genadige goden!' riep hij uit.

Een enorm legerkamp spreidde zich voor hen uit, het krioelde er van de soldaten, en overal werd hard gewerkt aan belegeringstorens voor de muren van Noordwacht.

'Nou,' zei Joolstein, 'ik geloof niet dat we nog meer hoeven te zien om de baron ervan te overtuigen dat ze onze kant op komen, wel?'

Patrus liep verder. 'Laten we eens gaan kijken wat ze nog meer van plan zijn.'

Ze passeerden een verveeld groepje mensen, dat naast een enorme katapult zat. Er liep een moredhelse krijger op hen toe. 'Waar gaan jullie heen?' vroeg hij op strenge toon.

Robert keek hem zo onverschillig mogelijk aan. 'Waar is Shupik?'

'Wie?' vroeg de moredhel.

'Shupik. Onze kapitein. We moeten verslag bij hem uitbrengen, maar we kunnen zijn kamp niet vinden.'

'Ik heb nog nooit van die Shupik gehoord,' zei de moredhel. Voordat Robert kon reageren, zei Patrus: 'Het is jouw schuld niet dat je er niks van weet, puntorig stuk rozenwater! Ga uit de weg, zodat we onze kapitein kunnen zoeken, of jij mag straks uitleggen aan je hoofdman waarom hij de informatie niet kreeg die wij moesten gaan verzamelen!'

Kordaat stapte Patrus verder, en Robert en Joolstein volgden hem vastberaden. Robert keek de moredhel schouderophalend aan toen hij hem passeerde.

Terwijl ze verder reden, mompelde Joolstein: 'En ik dacht dat jij brutaal was.'

Robert kon zijn lachen amper inhouden. Ze kwamen langs verscheidene in aanbouw zijnde torens. 'Ze hebben hun veldwerk goed gedaan. Het zal moeilijk worden om die dingen de weg naar de veste op te duwen, maar als ze dat snel genoeg kunnen doen en ze weten de muren te bereiken, dan hebben ze binnen de kortste keren krijgers op de muren gezet.'

Joolstein knikte. 'Heel anders dan die grote logge monsters in Armengar.'

Ook Robert knikte, toen hij terugdacht aan de enorme krijgsmachines die over de vlakte van Sar-Isbandia naar de muren van Armengar waren gereden. Dankzij de genialiteit van Gys van Bas-Tyra was echter keer op keer voorkomen dat die machines de muren konden bereiken. Robert betwijfelde dat baron Gabot zich net zo'n briljant verdedigings-strateeg zou tonen.

Terwijl ze er langs reden zei Joolstein: 'Wat ondiepe geulen dwars over de weg op een halve mijl voor de muren zou hun best wat problemen opleveren.'

Robert grijnsde. 'Ernstige problemen, vooral als wij ook nog wat dingen op de weg zouden gaan strooien.'

'Zoals rotsblokken?' vroeg Patrus. Het lachje dat hij liet horen, kon alleen maar vals worden genoemd.

'Zou best een zooitje kunnen worden,' zei Joolstein ronduit opgewekt. Toen ze wat verder waren gelopen, vroeg hij: 'Zeg, Patrus, hoe bent u eigenlijk hierin verzeild geraakt?'

De oude magiër haalde zijn schouders op. 'De oude graaf Belefote heeft me Timons uitgeschopt omdat ik zijn zoon had "aangestoken", zoals hij het noemde. Alsof die jongen zonder mij nooit zou hebben ontdekt dat hij talent had. Maar goed, ik zwierf wat rond, tot in Salador, waar die hertog Laurie regelrecht gastvrij voor magiërs is. Maar ik verveel me nogal gauw als ik niets te doen heb, en Laurie zei dat Gabot iemand zocht met verstand van magie om hem te adviseren over die Machtswevers van de Onzalige Broeders, dus toen ben ik hierheen gegaan, en heb inmiddels al een jaartje voor de baron gewerkt.'

'Wat hebt u ontdekt over de moredhelse Machtswevers?' vroeg Robert.

'Ik heb in Noordwacht wat aantekeningen liggen. Een hoop kleine dingetjes. Veel lijn zit er niet in, voor zover ik de magie doorgrond, tenminste. Ik wou dat ik wat meer wist over de elfen in het westen, dan zou ik misschien beter begrijpen wat ik heb opgemerkt. Als we terug op het kasteel zijn, zal ik je laten zien wat ik heb ontdekt.' Hij wees vooruit. 'Maar voorlopig hebben we geloof ik een probleempje.'

Robert hield zijn paard in. Ze naderden twee groepen krijgers, met aan de ene kant mensen en aan de andere kant een gemengd gezel schap van mensen en moredhel. Ze waren verwikkeld in een verhitte discussie, en tegen de tijd dat Robert en zijn metgezellen hen bereikten, dreigde het al bijna op klappen uit te lopen.

'Het kan me niet schelen wat hij zegt,' riep de kennelijke woordvoerder van de mensenpartij. 'Je kan Kroldech nog niet het bevel laten voeren over de vlooien op een hond.'

'Je hebt een eed gezworen! Je hebt goud aangenomen, mens!' kaatste een moredhels krijgshoofd terug. 'Jij voert je bevelen uit, of je wordt als verrader aangemerkt.'

'Ik heb me aangemeld bij Moraeulf! Zijn goud heb ik aangenomen, ja. Waar is hij?'

'Moraeulf dient zijn vader Delekhan, net als wij allemaal. Moraeulf is in het westen omdat zijn vader dat heeft gezegd. Als Delekhan de leiding overdraagt aan Kroldech, dan doen wij wat hij zegt.' Schijnbaar ongeïnteresseerd reed Robert langs, maar hij luisterde naar ieder woord dat werd gesproken.

Toen ze op redelijke afstand waren gekomen, zei Joolstein: 'Onenigheid in de gelederen.'

'Zonde,' merkte Robert droog op. Hij hield de teugels in.

'Wat is er?' vroeg Joolstein.

'Kijk die blijde eens.'

Joolstein keek naar de krijgsmachine. 'Wat is ermee?'

'Valt je er niets geks aan op?'

'Niet direct,' antwoordde Joolstein.

Patrus begon te lachen. 'Jij schopt het nooit tot generaal, jongen. Als jij dat ding wilde verplaatsen, waar zou je dan mee beginnen?'

'Nou, eerst zou ik hem ontladen -' Ineens werden Joolsteins ogen groot. 'Is hij geladen?'

'Dat wilde je scherpogige vriend je nu juist laten zien,' zei Patrus. 'En niet alleen is hij geladen, maar ook nog eens de verkeerde kant op gericht.'

'En als ik me niet ernstig vergis, staat dat apparaat zodanig afgesteld dat dat grote rotsblok precies terechtkomt op die herberg.' Robert wendde zijn paard en reed in de richting van de herberg in kwestie.

'Is dat wel een goed idee?' vroeg Joolstein.

'Waarschijnlijk niet,' antwoordde Robert.

Toen ze dichter bij de herberg kwamen, liepen er twee moredhelse krijgers op hen af. 'Waar ga je heen, mens?' vroeg de een.

'Is dat het hoofdkwartier?' vroeg Robert.

'Daar houdt Kroldech kamp.'

'Is Shupik bij hem binnen?'

'Ik ken niemand binnen die Shupik heet,' antwoordde de bewaker... 'Dan zal hij er wel nog niet zijn,' zei Robert en keerde zijn paard naar het centrum van het dorp. Terwijl ze wegreden, zei hij: 'Ze hebben echt iets tegen het idee dat Kroldech de leiding heeft.'

'Waar denk je aan?' vroeg Joolstein.

'Jool, mijn beste vriend, laten jij, Patrus en ik eens kijken of we een beetje tweedracht kunnen zaaien.'

Patrus grinnikte zijn valse lachje en ze gingen naar een andere herberg. Joolstein en Robert stegen af, bonden hun paarden aan een balk voor de herberg en gingen samen met de oude magiër naar binnen.

 

Puc zat vermoeid aan zijn werktafel, in het kleine woonvertrek dat Arutha voor hem apart hield voor de keren dat hij met Katala over was van Sterrewerf. Met onscherp wordende ogen las hij het zoveelste rapport van een van Arutha's patrouilles, aangaande een treffen met moredhel nabij Yabon.

Urenlang was hij al bezig met het doornemen van rapporten, geruchten en verslagen van soldaten, spionnen en omstanders, zoekend naar gegevens over de Zes, Delekhans geheimzinnige magische adviseurs. Na zijn gesprek met Owyn Belefote, over diens ontmoeting met Nago, en het lezen van de nu voor hem liggende berichten, raakte Puc langzaam overtuigd van een onrustbarende mogelijkheid.

Hij stond op en liep naar een raam dat uitzicht bood op de haven en de Bitterzee erachter. De langs de kust gierende noordenwind sloeg witte schuimkoppen op het water. In het late middaglicht zag hij schepen binnenvaren, op zoek naar een toevluchtsoord voordat de storm in alle ernst ontstak.

Op dergelijke momenten betreurde Puc het dat hij niet meer tijd had doorgebracht met het bestuderen van wat algemeen bekend stond als het Mindere Pad. Weermagie vormde een essentieel deel van die leerstelling. In zijn hoofd worstelde hij met een denkbeeld dat hij al jaren trachtte te formuleren, eigenlijk al sinds hij naar Midkemia was teruggekeerd als de eerste beoefenaar van het Grotere Pad, zoals de Tsurani hun magie noemden. Soms had hij het gevoel dat hij een ui aan het afpellen was, waarbij iedere schil alleen de schil eronder ontblootte, des te moeilijker te zien door de tranen in zijn ogen. Hij stelde zich voor hoe hij met magie hetzelfde deed, laag na laag wegtrekkend, op zoek naar de essentie. Toen drong het met een schok tot hem door: Hoeveel lagen je ook van een ui aftrekt, het blijft altijd een ui. 

Hij begon te lachen. 'Magie bestaat helemaal niet! Het zijn alleen maar uien!'

Eigenlijk was hij te moe om door te gaan, maar toch ging hij terug naar de tafel met de documenten. Al lezende was hij tot een beangstigende conclusie gekomen, een antwoord dat hij weigerde in overweging te nemen, maar het was de enige mogelijkheid. Ergens onderweg hadden de moredhel een nieuwe bondgenoot opgedaan.

Een zachte gongslag deed Puc opkijken. Het was een signaal, gezonden door een Tsuranese Grootheid, voorafgaande aan diens komst in de woning van een andere Grootheid, maar hij had dat geluid niet meer gehoord sinds hij negen jaar geleden Kelewan had verlaten. Hij had hier geen patroon, dus hoe zijn bezoeker hem had kunnen vinden was een raadsel.

Er begon iets in de lucht te schitteren en ineens stond Makala voor hem. 'Gegroet, Milamber,' sprak de Tsuranese magiër. 'Vergeef mij dat ik onaangekondigd langs kom, maar ik vond het tijd voor een openhartig gesprek.'

'Hoe heb je het voor elkaar gekregen om hier zonder patroon te komen?' vroeg Puc.

'Jij bent niet het enige lid van de Assemblee -'

'Voormalig lid,' onderbrak Puc hem. Ondanks het feit dat zijn rang en macht hem na de Oorlog van de Grote Scheuring was teruggegeven, was hij nooit terug naar Kelewan gegaan om zijn positie onder de andere leden van de Assemblee der Grootheden op het Eiland der Magiërs weer in te nemen.

'Zoals je wilt. Voormalig lid van de Assemblee. Je bent niet de enige die weet uit te stijgen boven het niveau dat velen als de conventionele grenzen van onze vermogens beschouwen. Ik heb gemerkt dat je jezelf naar willekeur kunt verplaatsen naar een plek of een persoon, zonder de restricties van een patroon.'

'Een nuttige mogelijkheid,' zei Puc. 'Dat zou ik best eens willen leren.'

'Misschien doe je dat ook wel een keer,' zei Makala. 'Maar ik kwam hier voor een andere kwestie.'

Puc wees hem op een stoel. De Tsuranese magiër weigerde. 'Ik blijf niet lang. Ik kwam je waarschuwen.' Puc zei niets. Hij wachtte af, en even later sprak Makala verder: 'Samen met enkele andere broeders ben ik betrokken bij een onderneming waar jij je niet mee dient te bemoeien, Milamber.'

'Puc,' verbeterde hij. 'Op deze wereld heet ik Puc.'

'Voor mij blijf je altijd Milamber, de barbaarse Grootheid die naar onze wereld kwam om daar verwoesting te zaaien.'

Puc slaakte een zucht. Hij had gedacht dat die kwestie al tien jaar achter hem lag. 'Je komt niet hier om het verleden op te halen, Makala. Waar ben je mee bezig, en waar kom je me voor waarschuwen?'

'Waar wij mee bezig zijn gaat jou niets aan, Milamber. En mijn waarschuwing luidt als volgt: bemoei je er niet mee, op welke manier dan ook.'

Een tijdlang was Puc stil. 'Ik weet dat jij een van de grootste tegenstanders was van mijn opname in de Assemblee, al die jaren geleden toen Fumita me van het landgoed van de Shinzawai had gehaald.'

'Tegenstander?' Makala glimlachte. 'Ik was een van de leden die toen stemde voor jouw dood voordat je aan de opleiding begon. Toen achtte ik jou al een ernstig gevaar voor het keizerrijk, en naar mijn mening is dat vermoeden door verscheidene gebeurtenissen bevestigd.'

'Alles wat ik heb gedaan, was uiteindelijk voor het welzijn van het keizerrijk.'

'Misschien, maar de geschiedenis wijst uit dat zulke dingen vaak een kwestie zijn van perspectief. Maar dat maakt niet uit. Wat er nu gebeurt is zonder enige twijfel voor het welzijn van het keizerrijk, hetgeen ons mandaat is.'

'Dus wat ik op het punt stond te ontdekken, wordt nu bevestigd door jouw verschijning hier,' zei Puc.

'En wat zou dat dan zijn?'

'Dat de magiërs die Delekhan bijstaan, die zogenaamde Zes, Tsuranese Grootheden zijn.'

'Gefeliciteerd met het feit dat je tot die conclusie bent gekomen. Werkelijk indrukwekkend, Milamber, aangezien je niet beschikte over bewijzen uit de eerste hand. Maar Hochopepa zei altijd al dat je beschikte over een ongewoon brein.'

'Zo moeilijk was het anders niet, als je lang genoeg stilstond bij het gedrag van de deelnemers in deze gebeurtenissen. De moredhel? Die hebben altijd een diepe haat gekoesterd jegens alle andere rassen, en beschouwen alle buitenstaanders als indringers in hun domein. De trollen en gnomen zijn vaak hun instrumenten. Maar toen ik op het patroon begon te letten, zag ik edelstenen uit het keizerrijk naar Midkemia komen, en worden geruild voor goud. Was het goud terug naar Tsuranuanni gegaan, dan zou er geen twijfel zijn geweest, want daar is het goud honderdmaal meer waard dan hier. Maar dat was niet zo. Het goud was bestemd voor de aankoop van wapens, en die wapens gingen naar de moredhel. En tot dusver waren de Tsurani nergens bij betrokken, ogenschijnlijk tenminste. Maar toen de verslagen kwamen over de magie waarvan Delekhan zich bediende, klopte het niet meer. Sommige dingen die zijn vermeld, konden alleen zijn gepleegd door Tsuranese Grootheden. Dus rest mij nog maar één vraag: waarom?'

'Dat hoef jij niet te weten. Jouw oordeel is in twijfel getrokken, Milamber. Je hebt jezelf onthuld als niet een van ons, toen je het festival van de keizer verwoestte en de Krijgsheer dwong tot zelfmoord om zijn schande uit te wissen. Je woont hier, op je geboorte-wereld, en je hebt een Thuril tot vrouw genomen. Je hebt een dochter die van macht heeft blijk gegeven, maar toch laat je haar leven.'

Puc kneep zijn ogen tot spleetjes ten teken van zijn wankelende zelfbeheersing. 'Kalm aan een beetje, Makala! Je bent hier niet in het keizerrijk, en jouw woord is geen wet.'

'Aan beide kanten van de scheuring hebben we problemen,' zei de Tsuranese Grootheid. 'Andere broeders moeten nu zien om te gaan met de gevolgen van de vernietiging van het huis Minwanabi door het huis Acoma. De orde in het keizerrijk wordt bedreigd. En hier, op jouw geboorte-wereld, met die academie die je op Sterrewerf hebt gesticht... wel, zelfs sommigen van ons hebben ermee ingestemd om jouw leerlingen te komen onderwijzen.' Van woede verhief hij zijn stem. 'Onze vroegere vijanden!'

'Wij zijn jullie vijanden niet,' zei Puc, ineens overmand door zijn vermoeidheid. 'En dat weet Ichindar ook.'

'Het Hemelse Licht heeft niet het eeuwige leven. Uiteindelijk zal de Assemblee druk uitoefenen om terug te keren naar de orde die we reeds tweeduizend jaar hebben genoten. Maar om ons ervan te verzekeren dat jij, de allergrootste bedreiging voor onze plannen, je er niet mee zal bemoeien, hebben we je dochter overgebracht naar een plek waar ze blijft, totdat wij ervan zijn overtuigd dat je niet langer een bedreiging voor ons vormt.'

Pucs woede dreigde de overhand te krijgen. Amper in staat zijn razernij te bedwingen, siste Puc: 'Gamina! Wat hebben jullie met haar gedaan?'

'Haar mankeert niets. En dat blijft zo, zolang jij onze plannen niet in de weg staat.'

'Jullie plannen behelzen massamoord als jullie samenwerken met de moredhel, Makala! Denk je soms dat ik me daarbuiten zou houden, ook al kost het mijn dochter het leven? Denk jij nou werkelijk dat ik jullie mijn geboorteland laat vernietigen?' Hij kwam vlak voor de Tsuranese Grootheid staan. 'En denk jij je macht met de mijne te kunnen meten?'

'Nooit, Milamber. Jij bent de machtigste onder onze broeders, en daarom moet jij ook worden geneutraliseerd. Maar als jij mij vernietigt, zijn er anderen die doen wat er moet worden gedaan. We zullen je niet verhinderen je dochter te gaan zoeken.' Hij deed een stap opzij. 'In feite zullen we je zelfs voorzien van de middelen om naar haar toe te gaan, maar ik waarschuw je dat dat een vergissing zou kunnen zijn, aangezien zelfs jouw afschrikwekkende bekwaamheid je niet in staat zal stellen hier naar toe terug te keren.'

'Laat me naar haar toegaan,' zei Puc, zijn vermoeidheid vergeten door de vrees om zijn dochter. 'Zodra ik een briefje aan mijn vrouw heb geschreven.'

'Nee,' zei Makala. 'Als je gaat, ga je nu meteen.' Hij pakte een apparaat dat veel leek op een Tsuranese transportbol, maar toch net even anders was. 'Hij heeft maar één stand, Milamber. Die brengt je naar je dochter, maar wel binnen een minuut nadat ik hem heb aangezet.' Hij drukte op een schuif aan de zijkant en zette hem op tafel. 'En die minuut gaat nu in.'

Hij draaide zich om, liep weg en haalde nog een apparaat te voorschijn. Terwijl hij het in werking stelde, zei hij: 'Mijn motieven zijn voor het welzijn van het keizerrijk, Milamber. Op het persoonlijke vlak heb ik nooit iets tegen je gehad. Ik hoop dat jij en je gezin het goed maken wanneer dit allemaal voorbij is, maar als je je tegen mij verzet, zal ik jullie allemaal laten vernietigen, voor het welzijn van het keizerrijk.' Hij verdween.

Puc greep een schrijfveer, doopte hem in de inkt en veegde alle papieren en perkamenten van de tafel, op één na, een landkaart. Op de achterkant krabbelde hij haastig zes woorden. Daarop liet hij de veer vallen, greep een houtskoolstaafje en twee stukken perkament, en pakte het toestel dat Makala had achtergelaten. Met een mysterieus geluid, een hoog gezoem, werd het apparaat geactiveerd, en Puc verdween, met achterlating van dwarrelende papieren op de vloer, terwijl buiten de storm boven Krondor losbrak.

 

In de herberg was het druk, vies en rumoerig, en de bezoekers waren bij het minste of geringste tot vechten bereid. Grijnzend stond Robert aan de tapkast.

'Waarom kijk jij zo vrolijk?' fluisterde Joolstein. 'Ik ben thuis, Jool. Ik heb dit soort tenten gemist.'

'Je bent gek, jongen,' zei Patrus. 'Heb jij soms zin om jong te sterven?'

'Ik zal je nog wel eens vertellen over de plekken waar ik mijn jeugd heb doorgebracht, maar nu wil ik er gewoon even van genieten dat dit het zooitje ongeregeld is dat over een paar weken naar het zuiden komt.'

'Er klopt iets niet,' fluisterde Joolstein. 'Dit is geen leger, maar plebs.'

'Jool, we gaan even een luchtje scheppen.' Hij ging zijn metgezellen voor, de herberg uit, naar buiten. De avond was gevallen, koud en vochtig, met een nevel van regen. Toen hij zag dat ze niet konden worden afgeluisterd, zei Robert: 'Overal waar ik kijk, zie ik muurvlees, met een paar moredhel-clans die niet bepaald hoog op Delekhans lijstje met goede vrienden staan, wed ik.'

'Muurvlees,' grinnikte Patrus. 'Dat is een goeie.'

'Behalve als jij het bent die als eerste over de muur moet,' zei Joolstein, die samen met Robert op de muren van Armengar en van Hoogstein had gestaan, en de krijgers met die taak had zien sneuvelen.

'Waar is het leger?' vroeg Robert retorisch.

'In rap tempo hier naar toe op weg,' antwoordde Joolstein.

'Daar zouden we een beter idee van hebben als we Kroldechs plannen kenden.'

'Nou,' opperde Patrus, 'waarom gaan we hem daar dan niet naar vragen?'

'Ik kan ook naar binnen glippen om te zien wat hij er aan bevelen heeft liggen,' merkte Robert op.

'Kan jij die moredhelse hanepoten dan lezen, jongen?' vroeg de magiër.

Roberts glimlach verdween. 'Nee. Daar had ik nog niet aan gedacht.' Bevelen van Delekhan aan zijn veld-commandant zouden beslist in die taal zijn opgesteld, en niet in het Koninkrijks.

Nu grijnsde Patrus. 'Ik wel.'

'Zo?' vroeg Joolstein. 'Wie heeft u dan moredhels leren lezen?'

'Niemand,' antwoordde de magiër alsof hij tegen een zeldzaam domme leerling sprak.

'O!' zei Joolstein toen het ineens tot hem doordrong. 'Magie!'

Zijn ogen ten hemel slaand zei Patrus: 'Juist, magie.' Met een plagerige mep tegen Joolsteins hoofd voegde hij eraan toe: 'Idioot.'

'Ik denk dat we toch nog een probleem hebben,' zei Robert.

'Hoezo?' vroeg Patrus. 'Jij glipt naar binnen, pakt de papieren, neemt ze mee naar buiten, ik lees ze, jij glipt naar binnen en legt ze terug, en we gaan.'

'Dat is het probleem,' zei Robert. 'Eén keer naar binnen en naar buiten moet me wel lukken, maar een tweede keer? En als ik de plannen weghaal en ze worden gemist, veranderen ze die vast en zeker.'

'Langs hoeveel wegen kunnen ze naar die pas en naar de muren van de veste?' vroeg Joolstein.

'Verscheidene,' antwoordde Robert, 'en als we er bij eentje klaar staan, en ze komen langs een andere weg, wel, dan zou zelfs dit plebs ons duur komen te staan.' Hij schudde zijn hoofd van frustratie. 'Verdomme.'

Ze liepen verder, om niet als treuzelaars op te vallen. Het dorp was grotendeels aan het slapen of aan het drinken in een van de vele taveernes in Raglam, maar er liepen nog genoeg soldaten rond om lanterfanters met een argwanend oog te bezien.

'En als we een reden hebben om daar tussen de papieren te snuffelen?' zei Joolstein.

'Hè?'

Joolstein grijnsde. 'Ik heb een idee.'

'Meestal heb ik later zwaar de pest in als je zoiets zegt,' wist Robert nog.

'Kom mee,' zei de jongere jonker echter. 'Dit is briljant.'

'O, wat heb ik er de pest aan als je zoiets zegt.'

Joolstein stak de hoofdstraat in het zuidelijke deel van het dorp over en liep door het open veld naar de blijde die gericht stond op het dorp. Rond de krijgsmachine lag een compagnie genie te slapen, en Joolstein gebaarde om stilte. Op zijn tenen sloop hij dichter bij het enorme gevaarte, en bleef op een paar voet afstand staan om het te bekijken. Daarop zocht hij de grond af, tot hij een steen vond ter grootte van zijn vuist. Wijzend naar de machine vroeg hij op fluistertoon: 'Denk je dat je die hefboom hiervandaan kunt raken?'

Robert keek er even naar. 'Nee, maar daarvandaan wel.' Hij wees naar een plek op dezelfde afstand van de blijde, maar onder een andere hoek. 'Ik neem tenminste aan dat het je bedoeling is hem zodanig te raken dat die machine afgaat.'

'Ja, dat bedoel ik,' zei Joolstein met geërgerde blik. 'Ga daar dan staan, en als ik het teken geef, tel je tot honderd en gooi je die steen tegen de hefboom.'

'En de touwen dan?'

'Daar zorg ik wel voor. Patrus, kom mee.' Joolstein nam de oude magiër bij de arm en wees naar een plek aan de andere kant van de slapende geniesoldaten. 'Loop rond tot je daar bent, en wacht op mij.'

Patrus vertrok om te doen wat hem was gezegd, en toen hij zag dat Robert nog steeds geen voet had verzet, stuurde Joolstein hem met een wuivend gebaar op weg. Robert schudde zijn hoofd, maar ging op de aangewezen plaats staan.

Joolstein sloop naar de blijde en keek naar het dikke touw dat als zekering rond de machtige arm van de machine was geslagen. Zonder dit touw was het overhalen van de hefboom voldoende om het enorme toestel zijn dodelijke lading te laten afschieten. Zo stil mogelijk trok Joolstein zijn dolk en begon het touw door te snijden. Het duurde enkele gespannen ogenblikken om door de dikke bundel vezels heen te zagen. Intussen lette hij op of een van de genie-soldaten zich verroerde.

Zodra de klus was geklaard, liep hij weg en cirkelde vlug rondom het kleine kamp. Bij Patrus aangekomen pakte hij de oude man weer bij de arm en nam hem mee de duisternis in. Vlak voordat hij uit het zicht verdween, gaf hij Robert een teken.

Robert, die nog steeds niet wist wat Joolstein met zijn plan wilde bereiken, begon te tellen. Toen hij bij de zeventig was, hoorde hij in de verte opgewonden stemmen. Bij de negentig hoorde hij rennende voetstappen zijn kant op komen. Zonder de honderd af te wachten, gooide hij bij tweeënnegentig. Met zijn scherpe oog en sterke arm wierp hij de steen precies op de goede plek, waardoor de hefboom los schoot. Met een hels kabaal veerde de enorme arm omhoog en sloeg aan de top van zijn boog tegen de dwarsbalk, het rotsblok lancerend. Van de klap schrokken de geniesoldaten wakker en ze sprongen schreeuwend overeind. 'Wat was dat? Hè? Wie deed dat?'

Precies op dat moment arriveerden Patrus en Joolstein met een groep moredhelse krijgers. 'Dat zijn ze!' riep Joolstein. 'Zij wilden Kroldech vermoorden!'

De krijgers stormden naar voren, terwijl de geniesoldaten nog steeds verbaasd om zich heen stonden te kijken. Dat duurde maar even, en ineens begonnen ze te schreeuwen tegen de moredhelse bewakers, die hen van verraad beschuldigden.

Joolstein nam Patrus weer bij de arm, en terwijl er aan de andere kant van het dorp in verwarring werd geroepen, repte hij zich naar Robert.

'Wat heb je hun gezegd, Jool?'

'Gewoon, dat deze ongeruste oude man op zoek was naar zijn kat, en bij toeval op dit verradersnest was gestuit, en dat hij niet wist waar hij met het nieuws naar toe moest, zodat ik hem maar naar dat groepje getrouwen had gebracht.'

'Zijn ze wel trouw?' vroeg Robert lachend.

Joolstein lachte terug. 'Weet ik veel. Ook al horen ze bij de partij die Kroldech een kopje kleiner wil maken, dan nog zitten ze die geniesoldaten meteen op de hals omdat ze niet hebben gewacht tot ze de opdracht kregen.'

'Wat kan jij een verdomd geniepige smeerlap zijn,' zei Robert op waarderende toon.

'Dat vat ik dan maar op als een groot compliment, gezien de herkomst,' grijnsde Joolstein.

Ze kwamen in het gebied rond Kroldechs hoofdkwartier. 'Ik geloof dat ik wel weet wat we moeten doen,' zei Robert. Hij baande zich een weg tussen verblufte soldaten en dorpsbewoners door. 'Opzij! Laat ons erdoor!'

Toen hij zover was dat hij de schade kon zien, bleef hij een ogenblik verbijsterd staan. De kei was midden op het dak ingeslagen, en de bovenverdieping was naar beneden gestort. De toegangsdeuren hingen uit de scharnieren. 'Wat zijn die lui verrekte goed, zeg,' mompelde Robert, de vakkundigheid van de geniesoldaten prijzend.

Plots besefte hij dat hij was blijven staan en riep: 'We moeten de commandant redden!' Hij zwaaide naar een paar nabij staande krijgers. 'Help ons zoeken naar de commandant!'

Ze liepen mee, en Robert ging hen voor, de verwoeste herberg in.

Op de vloer lagen verscheidene krijgers bewusteloos, en Robert moest zich bukken om onder de ingestorte plafondbalken door te komen. 'Waar is de commandant?' vroeg hij een van hen.

'Hij zat net nog daar, op zijn plek achter de gelagkamer,' antwoordde de moredhel, bij wie het bloed over zijn gezicht liep.

'Breng die krijgers in veiligheid,' zei Robert tegen de moredhel die hem naar binnen waren gevolgd. Vervolgens wees hij naar Patrus en Joolstein, als naar twee willekeurige omstanders in de menigte. 'Jij en jij, meekomen en helpen zoeken naar de commandant.'

Ze moesten onder een balk door kruipen. Na een ogenblik van desoriëntatie in het donker, kwamen ze bij de kamer van de commandant. Ook daar hing de deur uit zijn scharnieren, en ze moesten over een afgebroken balk klimmen om binnen te komen.

Bij de deur lagen twee moredhel, gedood door rondvliegende splinters ter grootte van pijlen. Maar achter een tafel zat nog een moredhel, jammerend van doodsangst, maar verder niet gewond. Aan de hand van de ringen om zijn vingers en de gouden amulet rond zijn hals leidde Robert af dat dit de commandant moest zijn. Hij had zich opgerold tot een bal en kon van schrik geen zinnig woord uitbrengen.

'Niet wat je zou verwachten van een moredhel-hoofdman,' merkte Joolstein op.

'Breng hem naar buiten, Jool,' zei Robert, 'maar neem de tijd. 'Patrus en ik gaan kijken wat we uit de vlammen kunnen redden.'

'Welke vlammen?' vroeg Joolstein.

Robert pakte een stuk papier en gaf het aan Patrus. 'Is dit belangrijk?'

De magiër sloot even zijn ogen, deed ze weer open en keek naar het document. 'Nee.'

Robert pakte een kapotte lantaren en stak het papier erin. Daarop haalde hij een vuursteen uit zijn buidel en sloeg een paar vonken op het papier. Het vloog in brand. 'Die vlammen.'

Joolstein grijnsde. 'O.' Hij trok Kroldech aan de arm. 'Commandant, we moeten vluchten! Brand!'

Dat scheen weer enig leven in de verdoofde moredhel te brengen. Hij liet zich door Joolstein overeind helpen en zei iets in zijn moedertaal.

'Kom maar mee, commandant,' herhaalde Joolstein en voerde Kroldech af.

Vlug namen Patrus en Robert alle papieren door en alles wat Patrus als onbelangrijk doorgaf aan Robert, stopte hij in het groter wordende vuur.

 

'Dit,' zei Patrus eindelijk. 'Dit is het aanvalsplan.'

'Lees hardop voor,' zei Robert. 'Snel.'

Terwijl Patrus dat deed, prentte Robert ieder woord in zijn geheugen. 'Hebbes. Grijp wat andere papieren en kom mee.'

Het vuur begon nu in ernst te branden, en tegen de tijd dat ze bij de balk kwamen waar ze onderdoor moesten kruipen, waren de vlammen al heet. Precies op het moment dat de vlammen uit het dak sloegen, kwamen ze veilig buiten, waar Joolstein de nog steeds wankele commandant ondersteunde.

'Meester!' zei Robert toen ze bij hen stonden. 'We hebben deze papieren kunnen redden.' Hij hield de bundel willekeurig bijeengegraaide documenten omhoog.

Kroldechs blik werd helder en eindelijk drong het tot hem door wat er was gebeurd. 'Moordenaars!' schreeuwde hij. 'Ze wilden me vermoorden!'

'Ze zijn in hechtenis genomen,' zei de moredhel-hoofdman die door Joolstein was gewaarschuwd. 'Deze huurlingen hebben u gered, meester.'

Kroldech griste de papieren uit Roberts hand en begon ze door te nemen. Even later kwam hij bij de bevelen voor de aanval en glimlachte. 'Mooi!' Hij gaf Robert zo'n harde klap op de arm dat het zeer deed. 'Jullie zijn helden!' Hij duwde het aanvalsplan onder Roberts neus. 'Weet je wat dit is?'

Robert veinsde onwetendheid. 'Nee. We hebben gewoon gepakt wat we konden, meester.'

'Als dit verloren was gegaan, had ik al onze plannen opnieuw op moeten stellen. Jullie hebben me dagen werk bespaard.' Kijkend naar de brand voegde hij eraan toe: 'En jullie hebben mijn leven gered. Ik sta bij jullie in het krijt.'

'Och, het mag geen naam hebben,' zei Robert.

'Onzin,' kaatste Kroldech terug. 'Kom morgen naar me toe, dan zal ik jullie belonen.'

'Dank u, meester,' zei Robert. 'Dat zullen we doen.'

Nog steeds wat bibberig liet de moredhelleider zich wegvoeren naar een nieuw onderkomen en Robert draaide zich om naar Joolstein. 'Waar is Patrus?'

'Die was bij jou. Misschien is hij naar de paarden?'

Ze liepen naar de plek waar ze hun rijdieren hadden achtergelaten. Daar was Patrus, met een derde paard, dat hij besteeg toen hij hen zag naderen.

'Kroldech zei dat we helden zijn,' zei Joolstein. 'Hij vroeg of we morgen even langs kwamen om een beloning op te halen.'

'Heb jij zin om daarop te blijven wachten, Robert?' vroeg de oude magiër.

'Als de trollen met Banapis op het ijs dansen. Morgenochtend wil ik alweer halverwege Noordwacht zijn.'

Terwijl alle blikken nog steeds gericht waren op de brandende herberg, glipten ze het dorp uit. Op de weg werden ze aangehouden door een verveelde huurling die vroeg wat ze zo laat nog buiten deden.

'De elfen kunnen de trollen in het zuiden niet meer aan,' verklaarde Robert, 'en wij zijn gestuurd om ze op hun plaats te zetten.'

'Ik heb gehoord dat er daar problemen waren,' zei de wacht. 'Veel geluk.'

'Bedankt,' zei Robert.

Nadat ze buiten gehoorsafstand waren gekomen, vroeg Joolstein: 'Patrus! Hoe kom je aan dat paard?'

'Heb ik geleend,' antwoordde de magiër met een kakelend lachje. 'Kroldech merkt er toch niks van totdat het ochtend is.'

 

Joolsteins enige genoegen op de terugweg was dat Robert zijn goudbuidel moest omkeren om langs de trollen te komen, maar in ieder geval zagen die hen nu als vrienden. Het was een zware rit, aangezien het erg koud en nat weer was geworden. De paarden werden moe en soms moesten ze de dieren aan de teugel meevoeren.

Uiteindelijk bereikten ze de weg naar de veste. 'Waar zijn onze soldaten?' vroeg Robert zich hardop af.

'Ik dacht dat de vooruitgeschoven posten misschien schuilden voor de regen,' merkte Robert op, 'maar je hebt gelijk. We hadden al lang iemand moeten zien.'

Robert gaf zijn paard de sporen en vertrok in galop, alles van het vermoeide dier eisend om de steile weg naar de veste te beklimmen. Toen ze het kasteel in zicht kregen, zagen ze dat de brug was opgehaald en het valhek was neergelaten. Op de muren brandden fakkels.

'Ze zijn naar binnen gekropen en hebben de boel dichtgedaan!' zei Joolstein.

Aan de rand van de slotgracht riep Robert: 'Hallo, daar in het kasteel!'

'Wie daar?' schreeuwde een schildwacht van boven.

'Jonker Robert, jonker Joolstein en Patrus. Laat ons binnen.'

Er volgde een discussie, maar uiteindelijk werd de zware brug neergelaten terwijl het ijzeren traliewerk van het valhek werd opgehaald. Robert en de anderen reden over de ophaalbrug.

In het poortgebouw stond een groepje soldaten te wachten. Robert steeg af. 'Wat is er loos?' vroeg hij.

'Moordenaars, jonker,' antwoordde een van de soldaten. 'Nachtraven in het kasteel.'

'Wat is er gebeurd?' vroeg Joolstein.

'Baron Gabot is dood, jonker. En twee kapiteins, en onze sergeant.'

'Goden,' zei Joolstein.

'Wie heeft de leiding?' vroeg Robert.

De soldaten keken elkaar aan en uiteindelijk antwoordde een van hen: 'U, jonker.'