14 Instructies

 

De ruiters galoppeerden over de heerbaan.

Zo snel als ze konden, reden Owyn, Gorath en Ethan Graves over de Koningsheerbaan naar Krondor. Eén nacht hadden ze doorgebracht in Zwartheide, in een fatsoenlijke herberg met heuse veren matrassen, waar ze genoten hadden van een warme maaltijd en een fles goede wijn, waarvan Gorath schoorvoetend toegaf dat hij beter . was dan de fles die baron Cavell had geschonken. De rest van de reis was beduidend minder comfortabel geweest. Slapen deden ze onder de sterren, op enige afstand van de weg, opgerold in slaapmantels op de harde grond, tweemaal in de regen.

Ze waren flink opgeschoten en hadden de weg van Malachskruis naar Krondor in nog geen vijftien dagen afgelegd, zonder daarbij hun paarden te vermoorden. Nu hadden ze de stad in zicht.

Terwijl ze hun paarden inhielden tot stap, zei Graves: 'Ik moet mezelf onderwerpen aan de genade van de Tempel van Ishap en mijn zonden opbiechten.'

'Wat gaan ze met u doen?' vroeg Owyn.

'Terechtstellen, misschien, of verbannen. Ik weet het niet.' Hij slaakte een zucht. 'En het kan me eigenlijk ook niet schelen, maar eerst moet ik Kat de stad uit helpen.'

'Waar stuurt u haar naar toe?'

'Naar Kesh. Ik heb connecties daar. Oude handelsbetrekkingen in Durbin.'

'Voor zover ik heb gehoord gaat het er in Durbin gewoonlijk nogal ruig aan toe; wist Owyn.

'In Krondor ook, als je op straat moet leven,' merkte Graves op.

Owyn was nog steeds bezig alle betrekkingen in elkaar te passen die hij en zijn metgezellen hadden ontdekt sinds hij Joolstein had ontmoet. Meer dan eens miste hij de aanwezigheid van jonker Robert. 'En de wetten van de prins?' vroeg hij aan Graves.

Ethan Graves haalde zijn schouders op. 'Als de Ishapiërs me over dragen aan Arutha, hangt die me hoogstwaarschijnlijk op.'

Daar stond Owyn even bij stil. Tijdens de twee weken die hij in Graves' gezelschap had doorgebracht, was hij de norse oude man graag gaan mogen. Hij vluchtte niet weg voor zijn verleden, maar gaf ronduit toe dat hij betrokken was geweest bij smokkel en afpersing, en dat hij voor de Snaken meermaals had gedood. Zonder zijn gedrag ook maar één moment goed te praten, zei hij slechts dat hij een ander mens was geworden zodra hij de roeping van de tempel had ervaren.

Owyn geloofde hem, maar ondanks dat zou hij graag Graves aan zijn zijde hebben wanneer hij ergens in een gevecht verzeild raakte. Ondanks zijn grijze haar en gerimpelde gezicht was de priester nog steeds een krachtig gebouwd man.

De stadspoort werd bemand door bewapende wachters, van wie er een zijn hand opstak. 'Halt!'

'Problemen, wachter?' informeerde Owyn. De man wees naar Gorath. 'Wie is dat?'

'Praat gerust tegen mij,' zei Gorath. 'Ik spreek jullie taal.'

'Goed dan, wie ben jij?' vroeg de wachter op strenge toon. 'Wat kom je doen in Krondor?'

'Ik breng een boodschap van prins Arutha voor de magiër Puc,' antwoordde Gorath.

De man knipperde verrast met zijn ogen toen hij die namen hoorde. Hij wuifde hen opzij. 'We zullen zorgen voor een escorte naar het paleis.' Aan zijn toon was te horen dat ze hier geen keus in hadden. Een andere soldaat rende de stad in en kwam nog geen tien minuten later terug met zes potige kerels in het wapenkleed van de stadswacht. Aan het hoofd liep een lange man met een insigne op zijn wapen kleed. Hij overlegde een ogenblik met de sergeant aan de poort, en kwam toen voor Gorath staan. 'U beweert een boodschap van de prins te komen brengen aan de magiër Puc?'

'Dat heb ik net gezegd,' antwoordde Gorath.

'Ik ben de schout van Krondor. Is er iemand in het paleis die weet wie u bent?'

Gorath wierp een blik op Owyn, die zei: 'De meeste mensen die we daar hebben ontmoet, bevinden zich op dit moment met prins Arutha in het veld, maar als Puc in het paleis is kan hij onze identiteit bevestigen.'

Met een onheilspellende blik keek de schout het drietal nog even aan, en zei toen: 'Kom maar mee.' Hij vertrok richting paleis.

'Ik moet naar de tempel van Ishap,' zei Graves.

'Daar kunt u naar toe nadat u in het paleis bent geweest,' sprak de schout over zijn schouder. 'We hebben bevelen met betrekking tot het in- en uitgaan van verdachte personen, en jullie voldoen aan de beschrijving. Als de kapitein van de Koninklijke Wacht jullie laat gaan, dan is dat zijn beslissing.'

'Ik ben lid van de Orde van Ishap en sta onder hun bescherming,' wierp Graves tegen.

'Dan mogen ze je komen halen als de kapitein problemen heeft met jullie verhaal,' reageerde de schout op een toon die geen tegenspraak duldde.

Zonder verdere gesprekken bereikten ze het paleis, en bij de poort droeg de schout hen over aan de Koninklijke Wacht. Er kwam een sergeant, die zei: 'Jullie zien er best bekend uit, maar ik heb geen bevelen, dus laat me binnen even vragen wat we met jullie aan moeten.'

Weer wachtten ze, en na een tijdje kreeg de sergeant het bericht om de drie mannen binnen te laten. De sergeant gaf hun paarden mee aan de stalknechten, en hun bagage werd door paleis boden naar binnen gedragen. Daar ging de sergeant hen voor naar het kantoor van de Ridder-Maarschalk.

Een kapitein keek op toen ze binnenkwamen. Owyn kende zijn naam niet, maar toen ze de prins voor de laatste maal hadden gesproken was hij erbij geweest, en hij wist dus wie ze waren. 'Owyn,' zei hij groetend. 'U hebt een bericht voor de magiër Puc?'

'Ja,' antwoordde Owyn. 'Van prins Arutha. Hij verlangt dat de magiër zich bij hem voegt, want hij vreest dat er bij de komende invasie binnenkort magie in het spel wordt gebracht.'

De kapitein, een veteraan met vele dienstjaren, keek ronduit nijdig van frustratie. 'Ik zou niets liever dan mijn leenheer gehoorzamen, maar magiër Puc is momenteel afwezig.'

'Is hij terug naar Sterrewerf?' vroeg Owyn.

De kapitein schudde zijn hoofd. 'Niemand weet waarheen hij is. Een paar dagen geleden kwam zijn vrouw naar ons toe met het nieuws dat hij die nacht was verdwenen, met achterlating van een cryptisch berichtje. Meer dan dat weet niemand.'

'Kan hij ontvoerd zijn?' vroeg Gorath.

De kapitein schudde andermaal het hoofd. 'Van magie heb ik niet zo veel verstand, maar ik weet genoeg van hertog Pucs talenten om te weten dat het paleis één grote, rokende ruïne zou zijn geweest als hij niet uit eigen vrije wil was vertrokken.'

'Mogen we dat berichtje zien?' vroeg Owyn.

'Dat moet u opnemen met vrouwe Katala. Ik zal haar laten vragen of ze u wenst te ontvangen.'

Korte tijd later kwam er een hofjonker terug met de boodschap dat vrouwe Katala hen inderdaad wilde spreken. Ze repten zich ach ter de hofjonker aan naar de woonvertrekken van Puc en zijn gezin, waar Katala op hen wachtte.

Ondanks haar geringe lengte was het een opvallend mooie vrouw; met een donkere huidskleur en een heel klein beetje grijs in haar verder zwarte haar. Vanwege de kracht die ze uitstraalde, was haar ongerustheid des te kenbaarder. Ze was bijna in paniek, maar hield haar emoties in de hand. Haar accent was Owyn vreemd. Het leek op dat van Sumani en de andere Tsurani die hij in Yabon had ontmoet, maar net even anders.

'Ik heb begrepen dat u op zoek bent naar mijn man?' vroeg ze.

'Ja, vrouwe,' zei Gorath. 'We komen van de prins, die vraagt of hij zich bij hem wil voegen.'

'Waar is hij?' vroeg Owyn.

'Dat weet ik niet. U herinnert zich natuurlijk onze dochter.' Gorath knikte.

'Een paar dagen geleden was ze opeens verdwenen, en ik ging mijn man zoeken in zijn toren. Ook hij was verdwenen.'

'Misschien zijn ze samen ergens heen,' opperde Graves.

Katala keek de vreemdeling aan. 'Kennen wij elkaar?' Vlug stelde Owyn hen aan elkander voor.

'Heer abt, als dat het geval was geweest, dan zou mijn man nooit dit bericht hebben achtergelaten.' Ze hield een perkament omhoog, waarop stond geschreven: Naar Tomas! Het Boek van Macros! 

'Wat betekent dat?' vroeg Owyn.

'Tomas is Pucs jeugdvriend,' antwoordde Katala. 'Hij woont tegenwoordig in Elvandar.'

'De drager van het wit-met-goud?' vroeg Gorath.

'Dat zijn zijn kleuren,' bevestigde Katala.

'Bij mijn volk wordt verteld dat wanneer degenen die van het Hemelmeer naar het Groene Hart trekken te dicht bij de grens met het land van de eledhel komen, er soms iemand verschijnt in de kledij van een Valheru. Zijn macht moet verschrikkelijk zijn.'

'Het zijn meer dan vertelsels,' zei Katala. 'Tomas bestaat echt, en hij is wellicht de enige op heel Midkemia met de macht om mijn man en dochter terug te vinden.'

'Hebt u iemand met het nieuws naar hem gestuurd?' vroeg Owyn. 'Nog niet. De prins heeft bijna het hele leger met zich meegenomen. Degenen die met de leiding belast zijn, zoals de kapitein van de Koninklijke Wacht en de schout van Krondor, zijn niet bereid beslissingen te nemen die buiten hun terrein vallen. De andere edelen zijn bijna allemaal mee met de prins of elders in het Westen bezet.' Ze scheen erg van streek. 'In feite is er niemand om te sturen, en ik weet niet eens zeker of deze boodschap wel voor Tomas is bedoeld.'

'Misschien wil Puc dat iemand dit Boek van Macros naar Tomas brengt?' opperde Gorath.

'Ik heb mijn man geholpen met het catalogiseren van de hele bibliotheek op het Tovenaarseiland, met inbegrip van de boeken die daar zijn achtergelaten en die naar Sterrewerf zijn verzonden. "Het Boek van Macros" kwam geen enkele keer als titel voor, dus betekent het misschien iets anders.'

Owyn keek van Graves naar Gorath. 'En als wij dit perkament eens naar Elvandar brachten?'

'Hoeveel ik jullie ook verschuldigd ben,' zei Graves, 'mijn leven hangt aan een zijden draadje. Ik moet op weg naar de tempel van Ishap om mijn straf in ontvangst te nemen.' Hij keek rond, alsof hij bang was voor luistervinken. 'Als degenen met gezag hier maar een tiende wisten van wat ik heb gedaan, zat ik nu al beneden in de kerker.'

Katala keek verward. 'Kunnen wij niet helpen?'

Owyn hief zijn hand op. 'Vrouwe, hij spreekt de waarheid. Hij werd gedreven door zijn liefde voor een ander, maar hij heeft zijn land en zijn tempel verraden.'

'Ik moet naar de tempel om te biechten,' zei Graves. 'Als u het mij toestaat, ga ik nu.' Hij pakte Owyn bij de arm en nam hem apart. 'Doe op weg naar het noorden de abdij van Sarth aan. Als er behalve Puc nog iemand anders van dit Boek van Macros weet, dan is het daar. Trouwens, ze horen te weten wat er is gebeurd.'

'Ik hoopte op een reis per schip.' Owyn wierp een blik op Katala. 'Als de vrouw van de magiër dat kan regelen.'

'Neem er dan maar een in Sarth,' hield Graves aan.

Owyn keek alsof hij geen beter idee had. 'Goed. Wat gebeurt er met u?'

Graves haalde zijn schouders op. 'Ik word in ieder geval oneervol geroyeerd. Misschien krijg ik de kans mezelf door jaren van boetedoening te zuiveren, maar ik denk dat ik op straat word gezet met de boodschap op te hoepelen. Wellicht krijg ik een korte periode van genade, en zo niet, dan brengen ze de Kroon van mijn verraad op de hoogte en staat de wacht al klaar wanneer ik de tempel verlaat.' Hij scheen vrij onverschillig over zijn eigen lot, maar zijn houding en stem veranderden toe hij zei: 'Maar eerst moet ik Kat veilig de stad uit helpen. Ik heb dit alleen maar gedaan om haar te beschermen, dus als ik dat niet voor elkaar krijg is alles voor niets geweest.'

'Denk je dat het haar zal lukken te ontkomen?'

Graves glimlachte. 'Mijn Kat is listig en bekwaam genoeg. Ze zal haar route uit de stad al hebben uitgestippeld, en als ik haar bericht stuur is ze morgenochtend al weg.'

'Kunt u haar een boodschap sturen?'

'Als ik iemand van de Snaken kan bereiken zeker wel.'

'Vaarwel dan, abt.'

'Vaarwel, Owyn.' Hij draaide zich om naar Gorath. 'En pas jij ook goed op jezelf.' Met een buiging nam hij afscheid van Katala. 'Vrouwe, het ga u goed.'

Hij vertrok.

Owyn keek Katala aan. 'Vrouwe, als u ons aan vervoer kunt helpen, brengen wij dit bericht naar Elvandar.'

'Wat hebben jullie nodig?'

'Geld, vrees ik, want we zijn bijna alles in het Noorden kwijtgeraakt. Verse paarden voor de rit naar Sarth. Daarvandaan moeten we per schip naar Ylith en vervolgens weer te paard naar Elvandar. Ik vrees dat ik veel van u verlang, terwijl u maar weinig van ons weet.'

'Ik weet dat mijn dochter Goraths geest heeft afgetast, en ze zei dat ze geen wrok tegen ons heeft kunnen ontdekken.' Ze keek de zwarte elf aan. 'Al vind ik dat merkwaardig, want het enige dat ik ooit van uw ras heb vernomen is de eeuwige haat jegens ons.'

'Vrouwe,' zei Gorath, 'twee jaar geleden zou ik dat even merkwaardig hebben gevonden. Ik kan alleen maar zeggen dat het leven een wending heeft genomen en dat de dingen tegenwoordig anders zijn dan vroeger.' Hij staarde uit een raam met uitzicht over de stad. 'De wereld is veel groter dan ik eens dacht, of anders is mijn plaats daarin veel kleiner dan ik meende.' Hij haalde zijn schouders op, alsof het verschil niet van belang was. 'Maar hoe het ook zij, de wereld is veel ingewikkelder dan ik me in mijn jaren in het koude noorden ooit had kunnen voorstellen.' Hij liep naar het raam en legde zijn handen op het kozijn. Met zachte stem vervolgde hij: 'Ik zal u helpen omdat ik ook eens kinderen heb gehad. Meer kan ik over hen niet zeggen, want de pijn is er nog steeds, en die wond zal niet helen.' Hij keek Katala aan. 'Ik zal u helpen uw man terug te vinden, en ik zal u helpen uw kind bij u thuis te brengen.'

Katala, afkomstig van een ras van trotse krijgers, keek de moredhelse hoofdman met heldere ogen aan. Ze plengde geen tranen, maar het was Owyn duidelijk dat Goraths woorden haar diep hadden geraakt. 'Ik zal zien wat ik kan doen,' zei ze zacht. 'Blijf hier wachten.' Ze vertrok, en Gorath en Owyn namen plaats. 'Kan het geen kwaad wanneer jij naar Elvandar gaat?' vroeg Owyn.

Gorath glimlachte naar hem. 'Dat merken we vanzelf, nietwaar?'

 

De volgende dag werd er bericht van Graves op het paleis bezorgd. Er stond: 'We vluchten naar Durbin. Zeg Robbie dat het me spijt. Graves.'

Bij het briefje zat een vluchtig geschetste landkaart, met instructies over het openen van een geheime ingang van de abdij vanuit een verlaten dwergenmijn eronder. Onderaan stond gekrabbeld: 'Voor het geval jullie problemen hebben om binnen te komen.'

Katala zorgde voor paarden en voldoende goud voor een overtocht vanuit Sarth en voor nieuwe paarden in Ylith. De kapitein liet hen door een patrouille escorteren tot aan de weg die naar de abdij liep, en ze vertrokken de volgende dag.

Owyn prentte de kaart van Graves in zijn geheugen, en vroeg Katala ervoor te zorgen dat Robert hem kreeg als hij terugkwam.

De reis naar het noorden verliep zonder incidenten, hetzij omdat Goraths vrijheid voor Delekhan en zijn gezanten niet meer van belang was, hetzij omdat ze domweg niet langer wisten waar hij zich bevond. Onder aan de weg naar de abdij namen ze afscheid van de Koninkrijkse soldaten en reden de heuvel op.

'Dit moet eens een fort zijn geweest,' merkte Gorath op terwijl ze de heuvel beklommen.

'Ik geloof van wel, van een of andere roofridder of zo. De Prins van Krondor heeft destijds de burcht aan de Ishapiërs gegeven.'

Toen ze een bocht hadden gerond zei Gorath: 'Het moet een moordende slag zijn geweest om die positie te bestormen en in te nemen.' Hij wees naar de abdij, nu zichtbaar op de top van de berg. De hoge muren vlak langs de steile rotswanden boden een afschrikwekkende aanblik, en Owyn moest beamen dat hij niet graag een van de soldaten zou zijn die dit oude fort moesten bestormen.

'Hallo, daarbinnen!' riep Owyn toen ze bij de poort waren aangekomen.

Rechts van de poort verscheen er iemand op de muur. 'Hallo, reizigers. Wat komen jullie doen in de abdij van Ishap te Sarth?'

'Ik heb een boodschap van abt Graves, voorheen van Malachskruis.'

De man verdween en een ogenblik later zwaaide de grote poortdeur open. Nauwelijks waren ze naar binnen gereden, of hij zwaaide weer dicht. Achter hen stond een stokoude monnik met een enorme krijgshamer. 'Bij de baard van Tith! Een Onzalige Broeder, die de abdij binnenrijdt alsof hij hier thuishoort.'

Een andere monnik hief kalmerend zijn handen op. 'Broeder Mikha, deze heren zeggen dat ze bericht brengen van abt Graves uit Malachskruis.' Hij wendde zich tot de twee ruiters, die nu afstegen. 'Broeder Mikha is onze Hoeder van de Poort. Vroeger was hij krijger, en af en toe vervalt hij weer in zijn oude gewoonten.'

Gorath bekeek de oude grijsaard. Ondanks diens leeftijd stond hij nog steeds fier rechtop. Met een kleine neiging van zijn hoofd betoonde hij zijn eerbied. 'Als het zijn taak is waakzaam te zijn, kwijt hij zich er goed van.'

'Ik ben Dominicus, broeder prior van de abdij, en bij afwezigheid van de abt heb ik de leiding. Wat kan ik voor u doen?'

Owyn stelde zichzelf en Gorath aan hem voor. 'Op onze reis naar Romnee, met jonker Robert van Krondor, maakten we kennis met abt Graves. Dat is inmiddels enkele maanden geleden, en nog maar pas hadden we reden om abt Graves opnieuw te bezoeken. Hij is met ons meegereisd naar Krondor, om zichzelf te onderwerpen aan de genade van de tempel.'

'Kom binnen,' zei Dominicus. Hij beduidde een monnik hun paarden mee te nemen. 'Volgt u mij, alstublieft.'

Dominicus scheen een man van middelbare leeftijd, maar hij was nog kwiek van tred. Zijn donkere haar vertoonde reeds wat grijs, maar het leergierige licht in zijn ogen was verfrissend. Hij ging hen voor naar een kantoor. 'Neem plaats, alstublieft. Wilt u wellicht iets drinken?'

'Water, graag,' zei Gorath.

Dominicus vroeg een monnik twee bekers water te halen. 'Ik herinner me Robert nog van een bezoek van jaren geleden. Hij was toen een hele persoonlijkheid.'

'Dat is hij nog steeds,' zei Gorath.

Daarop glimlachte Owyn. 'Abt Graves vroeg me u te vertellen wat er zich heeft voorgedaan.' Hij somde op wat hij wist, en kwam met bijzonderheden wanneer Dominicus hem iets vroeg.

'Wel,' zei Dominicus uiteindelijk, 'dat is een kwestie voor de moedertempel te Krondor, maar ik vrees dat de abt de strengste straf zal ondergaan.'

'Waarom?' vroeg Gorath.

Dominicus keek de zwarte elf aan. 'Waarom? Omdat hij ons heeft bedrogen, natuurlijk.'

'Wie geeft u de schuld van slecht werk: het werktuig of de werker?'

'Wat bedoelt u daarmee?' vroeg de monnik.

'Uw orde heeft deze man gekozen. Jullie hebben hem onderworpen aan alle riten en plechtigheden die jullie mensenpriesters maar gebruiken. En toch hebben jullie een onwaardig man tot jullie gelederen toegelaten.'

Dominicus zuchtte. 'We zijn niet volmaakt. We maken nu eenmaal fouten. Het was een fout om Ethan Graves tot onze orde toe te laten, hoe dringend hij zijn roeping ook ervoer.'

'Nou ja,' zei Owyn, 'in ieder geval is hij teruggekomen om te boeten.'

Dominicus leunde achterover. 'Ik vraag me af...' Na een ogenblik van bedachtzaamheid stond hij op. 'Maar hoe dan ook, ik kan u niet helpen met dit Boek van Macros waarover u sprak. Puc heeft ons bepaalde boeken uit zijn bibliotheek laten kopiëren, in ruil voor kopieën van enkele boeken uit onze eigen verzameling.'

'Kan het Boek van Macros hier niet zijn opgeslagen zonder dat u het weet?' vroeg Gorath.

Dominicus beduidde hen met hem mee te lopen. 'Nee. Ieder boek in ons bezit is gecatalogiseerd en kan zonder moeite door onze meester-bibliothecaris worden teruggevonden.' Hij nam hen mee door het hoofdgebouw van de abdij. 'Rust uit en eet met ons mee. Ik zal een van de broeders de stad in sturen om te informeren naar het eerstvolgende schip naar Ylith. Als u uw paarden bij ons laat, kunt u ze ophalen wanneer u op de terugweg hierlangs komt.'

'Bedankt,' zei Owyn.

Ze werden naar een kamertje met twee smalle bedden gebracht.

Gorath ging liggen en viel al snel in slaap. Owyn strekte zich uit, maar kon de slaap niet vatten, omdat hij worstelde met vragen waarop hij geen antwoord had. Wat zou er gebeuren met Graves en zijn Kat? Waar waren Robert en Joolstein? En bovenal: wat was het Boek van Macros en waar konden ze het vinden?

 

Robert keek naar de landkaarten en schudde zijn hoofd. 'We hebben gewoon niet genoeg manschappen.'

Zijn in allerijl aangestelde staf stond verzameld rond de tafel. Op basis van enkele korte gesprekken met verscheidene soldaten in de veste had Robert tijdelijk nieuwe bevelhebbers benoemd, zodat hij nu beschikte over officieren, sergeants en herziene patrouille- en takenroosters. In de afgelopen week was er meer stabiliteit gekomen, maar nu kreeg hij verslagen binnen over troepenverplaatsingen in het noorden.

'De problemen die wij met onze potsenmakerijen daar hebben veroorzaakt, schijnen inmiddels te zijn opgelost,' zei hij tegen Joolstein, die vlakbij stond. 'Het is duidelijk dat ze zich beginnen te verzamelen voor de mars naar het zuiden. Nog hooguit een maand en ze komen onze kant op.'

'Moeten we niet proberen nog een boodschapper zuidwaarts te sturen?'

'De Graaf van Dolth heeft een buitenpost aan de noordgrens van het Zwartwoud. Dat is zo ongeveer de enige plek waarheen we nog geen boodschapper hebben gezonden.' Hij keek de kamer rond. 'Nee, wij zitten hier, en zolang er geen hulp onderweg is, staan we er alleen voor. Blijf op uw posten en houd de moed erin. De mannen hebben het nodig.'

'Zal ik naar buiten rijden om nog een kijkje te nemen?' stelde Joolstein voor.

Robert schudde zijn hoofd. 'Nee, ze komen er echt aan. Dit verslag meldt dat er ook belegeringstorens en katapulten worden verplaatst.'

'Wat doen we dan nu?'

'Wachten,' antwoordde Robert. 'Stuur een patrouille naar het zuiden en het westen om ervoor te zorgen dat ons geen verrassingen uit onverwachte hoeken staan te wachten, en laat het nieuws uitgaan naar de dorpen in de omstreek.' Robert had de bereden soldaten uit het dorpje Dencamp-op-de-Tanden teruggeroepen en liet hen patrouilleren. Dat had hem tevens één sergeant met ervaring opgeleverd. 'Laat een burgerwacht verzamelen en hierheen komen. Degenen die niet kunnen of willen vechten, sturen we naar het zuiden.' Hij wees op de kaart. 'Morgenochtend beginnen we hier met het graven van valkuilen. Tegen de tijd dat ze er zijn, moeten hun geniesoldaten over de hele weg kuilen op te vullen hebben.'

Joolstein knikte. 'Zal ik vast laten beginnen met het ophalen van keien?'

'Ja.' Robert tikte met zijn vinger op de kaart. 'Hier loopt een richel met een overhangende rotswand boven een bocht in de weg. Bouw een houten stellage die je vol met keien laadt. Als we de steunen wegtrekken, regent het stenen op hun hoofden.' De situatie in ogenschouw nemend besloot hij: 'Als ze geen magiërs tegen ons inzetten, kunnen we die verrekte belegeringstorens misschien toch nog bij onze muren vandaan houden.'

'Ach, wat!' klonk een stem uit de hoek, en Robert en Joolstein zagen daar Patrus staan. 'Als ze hun spreukensmijters meenemen, zal ik ze wel eens wat laten zien.'

Robert glimlachte. 'Mooi. We rekenen op je.' Hij keek zijn oude vriend aan. 'Nog geluk gehad met het vinden van de moordenaars?'

Joolstein schudde zijn hoofd. 'En daar maak ik me zorgen over. Het kan iemand zijn in het garnizoen, in de staf, of iemand die stiekem binnen is gekomen en daarna weer is gegaan. Ik weet het niet. Twee van de kapiteins zijn vermoord in het veld terwijl ze in hun eigen tent lagen te slapen, en de baron is vergiftigd, terwijl niemand anders aan tafel ook maar het zuur heeft gekregen.'

'Dus er kunnen nog verscheidene Nachtraven onder ons zijn?'

'Ja,' antwoordde Joolstein. 'En ik wou dat we een manier hadden om die te ontmaskeren.'

'Laat mij maar eens een paar gevangenen boven een vuurtje roosteren,' zei Patrus met een vals lachje. 'Dan worden de anderen vanzelf zo bang dat ze alles opbiechten.'

Robert keek hem even zwijgend aan en Joolstein zei: 'Je denkt er toch niet over om dat voorstel serieus te nemen, hè?'

'Nee,' zei Robert, schuddend met zijn hoofd. Ineens keerde zijn grijns terug. 'Maar het brengt me wel op een idee.' Hij keek Patrus weer aan. 'Kan je een geheim bewaren?'

'Natuurlijk niet,' zei de oude man en meteen begon hij hartelijk te lachen om zijn eigen grap.

'Mooi, want ik heb een geheim dat je, nou, toch zeker op zijn minst een paar minuten moet bewaren.'

'Wat dan?' vroeg de oude magiër met de verrukkelijkste gemene grijns die Joolstein en Robert ooit hadden gezien.

Robert deed zijn plan uit de doeken en de magiër begon weer te grinniken.

 

Vanaf een balkon dat grensde aan wijlen baron Gabots vergaderruimte keken Robert en Joolstein neer op de gemeenschappelijke eetzaal, waar de soldaten zachtjes pratend de maaltijd gebruikten. 'Het gaat al rond,' zei Joolstein.

'Als een lopend vuurtje,' beaamde Robert.

'Wanneer komen ze in actie, denk je?'

'De Nachtraven kennende, zou ik zeggen dat ze op zoek gaan naar een weg naar buiten zodra ze denken dat de mogelijkheid van ontmaskering bestaat. Hoe langer ze dan nog wachten, des te groter wordt de kans te worden betrapt.'

'Denk je dat ze Patrus geloven?'

'Waarom zouden ze hem niet geloven?' vroeg Robert. 'Het merendeel van de soldaten heeft geen sikkepit verstand van magie. Stuk voor stuk zijn ze harde, goede strijders en niet al te intelligent. Anders zouden ze nooit hier aan de grens zitten.'

'Dat kan ik niet tegenspreken,' zei Joolstein, die meer tijd aan de grens had doorgebracht dan Robert. 'Gewoonlijk moet je knap stom zijn om hier naar toe te worden verbannen.'

'En als je vrijwillig gaat ben je nog dommer,' voegde Robert eraan toe.

'Worden er al een paar zenuwachtig?' vroeg Joolstein.

'Die drie daar, in de hoek.'

Joolstein zag drie soldaten die apart zaten, de koppen boven de tafel bij elkaar gestoken, om niet door anderen te worden gehoord. Een van hen scheen het niet eens te zijn met de andere twee, maar wat ze bespraken hielden ze strikt voor zichzelf.

Uiteindelijk leken de andere twee de andersdenkende te overtuigen van hun standpunt, en gedrieën stonden ze op. Een van hen keek telkens om zich heen, terwijl de andere twee een nonchalante indruk maakten.

'Is de poort dicht?' vroeg Robert.

'Natuurlijk, zoals je hebt bevolen.'

'Dan wordt het de achterpoort,' zei Robert.

'Waarom niet de uitvalsdeur?'

'Te dicht bij de hoofdpoort. Nee, ze zullen proberen weg te sluipen door de achterdeur. En trouwens,' voegde Robert er met een glimlach aan toe, 'die heb ik met opzet onbewaakt gelaten. Een "nalatigheidje" van een onervaren bevelvoerder.'

'Wat een vals secreet ben jij toch, Robbie de Hand.'

'Dank je, Jool!' zei Robert opgewekt.

Ze verlieten het balkon en renden een trap af naar twee mannen die als betrouwbaar waren aangemerkt. 'Ik zag net drie mannen weggaan, jonker,' zei de oude sergeant.

'Ken je ze goed?'

'Nee. Twee van hen zijn afgelopen zomer gekomen, als vervanging uit Romnee, en de ander is nog maar een paar weken hier.'

Robert knikte. 'Dat zijn ze. Als we het bij de anderen gaan controleren, durf ik te wedden dat een van hen in de keuken werkte op de avond dat de baron werd vergiftigd, terwijl de andere twee bij de vermoorde kapiteins waren.'

'Waar is de rest?' vroeg Joolstein.

'Er zijn tien man die ik zeker kan vertrouwen, jonker,' antwoordde de sergeant. 'De meesten zitten hier al jaren en een van hen is de zoon van mijn broer. Ze wachten in de buurt van de stallen.'

'Mooi,' zei Robert. 'We gaan.'

Met zijn vieren renden ze door een tunnel aan de achterzijde van de veste, die via een deur toegang gaf tot het stalerf. Zoals Robert al had verwacht, haastten de drie verdachten zich naar de stallen.

De oude sergeant stak twee vingers in zijn mond en floot schril. Uit de stal verschenen tien soldaten, die naar de drie Nachtraven renden.

Ogenblikkelijk draaide een van hen zich om en zag het tiental van achteren naderen. Toen ze merkten dat ze ver in de minderheid waren bleven ze staan, zonder hun wapens te trekken. Maar toen Robert dichterbij kwam, zag hij hen alle drie een hand naar de mond brengen. 'Hou ze tegen! Ze slikken gif!' riep hij.

De soldaten sprongen naar voren, maar het was al te laat. Tegen de tijd dat ze de drie Nachtraven hadden bereikt, vielen die al op de grond, hun lichamen stuiptrekkend, de ogen omhoog gedraaid.

'Verdomde fanatiekelingen!' schold Robert.

'Wie zijn het, jonker?' vroeg de sergeant.

'Echte Nachtraven. Misschien nog uit de Grote Opstand, of anders sindsdien toegetreden, maar in ieder geval bereid om voor duistere krachten te moorden en te sterven.'

Hij keek naar Joolstein, die knikte. 'Kijk of ze papieren bij zich hebben en verbrand dan de lijken,' zei Joolstein. 'Meteen.'

'Geen priester?' vroeg de sergeant. 'In het dorpje Putnee is een klein heiligdom gewijd aan Lims-Kragma.'

'Nee,' zei Robert. 'Verbrand ze binnen het uur. Ik wil er zeker van zijn dat ze dood blijven.'

'Dood blijven?' vroeg de oude sergeant.

Robert gaf geen antwoord. Het had geen zin paniek onder de manschappen te zaaien, maar hij herinnerde zich maar al te levendig de Nachtraven uit de kelder van een bordeel in Krondor, die enkele minuten nadat ze waren gestorven, opstonden om door te gaan met moorden. Hij hoopte dat hij zoiets nooit meer hoefde mee te maken.

'Wat doen we nu?' vroeg Joolstein terwijl hij bij zijn vriend kwam staan.

Robert zuchtte. 'De zwaarden slijpen, onze harnassen oliën, en wachten op Arutha.'

 

Owyn had het nooit zo op zeereizen gehad, en Gorath gaf toe dat het een vreemde ervaring voor hem was. Beiden wisten zich echter goed te houden tijdens de snelle reis van Sarth naar Ylith. Door een gunstige wind en de afwezigheid van Quegse piratenschepen was de reis tot nog geen vier dagen beperkt gebleven.

In Ylith hadden ze met het goud van vrouwe Katala paarden gekocht, en na overleg met de plaatselijke garnizoenscommandant bleek dat het rustig in het Westen was geworden. Welke pogingen Delekhan ook had ondernomen om het Koninkrijk ervan te overtuigen dat de aanval in het Westen zou plaatsvinden, het was mislukt en de pogingen waren gestaakt. Owyn kwam tot de conclusie dat de vijand zich nu elders verzamelde.

Gorath wees. 'Aan de andere kant van die bergen ligt het Groene Hart. Daar houden anderen van mijn volk, die zich tegen Delekhan hebben verzet, zich verborgen. Van hen kunnen we hulp verwachten, als we hen vinden.'

'Volgens de kapitein in Ylith zitten we daar op het grondgebied van de dwergen, vlak bij het dorp Caldara,' zei Owyn. 'De dwergen zullen ons vast wel willen helpen om in Elvandar te komen.'

Op Goraths gezicht was duidelijk te zien dat hij dat als een onwaarschijnlijke wending der gebeurtenissen achtte.

Ze reden naar Zuen, waar ze de weg door de bergen zouden nemen. Nu het voorjaar naderde, moest die inmiddels vrij zijn van sneeuw: Ze waren onomwonden gewaarschuwd dat de korte weg naar Elvandar tevens de gevaarlijkste was. Als ze een veiliger route wilden, had de garnizoenscommandant aangedrongen, moesten ze noordwaarts naar Yabon, en dan in westelijke richting langs de rivier de Schrei, maar dat was een maand langer reizen. Owyn en Gorath hadden allebei het gevoel dat de tijd nu in hun nadeel werkte.

De aanval zou weldra worden geopend, want als Delekhan in de zomer met een leger in Sethanon wilde staan, dan moest hij binnenkort vertrekken. Welke route hij ook zou nemen, het was een tocht van honderden mijlen, waarlangs ze niet konden worden bevoorraad. Foerageren onderweg kon het beste in het voorjaar en de zomer.

Zelfs nu al, wist Owyn, kon de invasie op het Koninkrijk worden geopend.

 

'Waar zitten ze?' vroeg Robert zich af. Hij stond op de kantelen van Noordwacht, starend door de pas, alsof hij tot in het Noordland kon zien. Al een week geleden had hij de aanval verwacht, maar nog steeds was de vijand niet in zicht.

'Zal ik nog een keertje rond gaan kijken?' vroeg Joolstein.

'Nee. Het ziet er vast weer hetzelfde uit als de vorige keer: hopen krijgers die zich verzamelen en bewapenen.' Robert deed zijn best om zijn frustratie niet te tonen, maar dat viel hem moeilijk. 'Ze komen vanzelf wel, en daar kunnen we alleen maar op wachten.'

'In ieder geval kan Arutha er dan al zijn met de versterking,' zei Joolstein.

'Ja,' reageerde Robert, 'als Owyn en Gorath hem tenminste hebben bereikt.' Hij keek de weg weer af, in de richting van de vijand. 'Maar in dat geval had Arutha er allang kunnen zijn. Er moet hun iets zijn overkomen.'

'Dus je denkt dat we geen hulp krijgen?' vroeg Joolstein.

Robert schudde zijn hoofd. 'Er is in het Oosten geen troepenmacht van enige omvang in de buurt. Behalve die van de grens baronnen zitten al onze troepen in het zuiden, bij de Keshische grens, of in het Oosten, paraat om de oosterse koninkrijken te ontmoedigen.'

Joolstein slaakte een zucht. Hij keek Robert aan en glimlachte toen. 'Nou ja, het is niet de eerste keer dat we ons in een hopeloze situatie bevinden, wel?'

'Nee,' antwoordde Robert, 'maar wel de eerste keer dat we dan de leiding hebben.'

Joolsteins glimlach verdween.