11 Ontsnapping
Er rolde een steentje over de heuvelhelling.
Gorath had zijn zwaard al getrokken voordat het steentje weer stillag en hij siste: 'Owyn!'
De jongeman uit Timons stond op en tuurde de nacht in, verblind door het kampvuur waarin hij had zitten staren. Vanuit de duisternis klonk een stem in een taal die Owyn niet verstond. Aan zijn voeten sloegen pijlen in de grond, ter benadrukking van wat er was gezegd.
'Geen weerstand bieden,' zei Gorath. 'We zijn omsingeld.'
Er verscheen een groep van mensen en moredhel in de lichtkring. Een van hen liep naar Gorath, keek hem even in de ogen en gaf hem met al zijn kracht een dreun in het gezicht. Owyn wist zeker dat hij de moredhel een keer had gezien, maar niet meer waar.
Toen kwam de moredhel op Owyn af en sprak in de Koninkrijkse taal: 'En jij hebt natuurlijk met dat wandelende stuk vuil onder één hoedje gespeeld om mijn broer te vermoorden.' Plotseling vlamde er pijn op in Owyns gezicht, toen hij werd geslagen.
Geschokt en duizelig van de klap bleef hij liggen op de grond. Hij begreep dat dit de broer van Nago moest zijn, de magiër die ze in Ezelgeel hadden verslagen.
'Met plezier zou ik je hoofd nu op een staak zetten, mens,' zei Narab, 'en het in de hoogte houden terwijl ik deze verrader achter me aan sleep naar Sar-Sargoth, maar dat genoegen gun ik Delekhan.' Hij draaide zich om naar de anderen. 'Drogeer hen, bind hen vast en neem hun paarden mee!'
Owyn werd ruw overeind getrokken en er werd een bittere drank in zijn mond gegoten. Hij probeerde het spul uit te spugen, maar kreeg als beloning een harde klap in het gezicht. Zijn hoofd werd onzacht naar achteren getrokken en terwijl zijn neus werd dichtgeknepen, werd het brouwsel in zijn keel gegoten. Hij moest wel slikken. Een paar ogenblikken daarna voelde hij zijn armen en benen loodzwaar worden. Zijn hoofd werd troebel en hij kon niet scherp meer zien. Zijn handen werden stevig vastgebonden op zijn rug en hij kreeg een blinddoek om. Daarna werd hij door ruwe handen in het zadel gehesen. Zijn voeten werden vastgebonden aan de stijgbeugels, en het paard werd weggevoerd. Er verschenen anderen, mensen zowel als zwarte elfen, en Narab beval hun op te stijgen.
De verschrikkelijke rit begon.
Menigmaal werd er van paarden gewisseld, en Owyn herinnerde zich een rustperiode - van enkele minuten of verscheidene uren, dat wist hij niet meer, maar wel dat er tijd was verstreken. Het drogerende middel was duidelijk bedoeld om zijn geest af te stompen, zodat hij eventuele magische vermogens niet meer kon aanwenden. Verscheidene malen werd hij zich bewust genoeg om te begrijpen dat het middel bijna was uitgewerkt, maar dan kreeg hij prompt weer wat te drinken. Eenmaal schoof hij uit het zadel en bleef in een ongemakkelijke houding hangen aan zijn vastgebonden voeten, zodat zijn overweldigers halt moesten houden om hem rechtop te zetten. Ze bonden hem vast met meer touwen.
Vaag was hij zich bewust van dorst en honger, maar dat waren slechts als van veraf beleefde ongemakken. Hij leefde voornamelijk in een grijze mist, telkens onderbroken door het voortdurende hoefgeklepper van het paard waarop hij reed. Later werd hij van het paard gehaald, door een koude, vochtige omgeving gesleept en neergekwakt op een stenen vloer. Daar bleef hij een tijdlang liggen, nog steeds vastgebonden en geblinddoekt.
Van tijd tot tijd verloor hij het bewustzijn, en als hij bijkwam, bemerkte hij zijn ongemakken, maar met het verdovende middel in zijn lijf beleefde hij die afstandelijk, tot het ene moment niet meer vergleed in het andere en hij wakker werd van de pijn. Hij bewoog zich langzaam en merkte dat zijn benen niet waren geboeid, al zaten zijn handen nog steeds vast op zijn rug en had hij de blinddoek nog om.
Overeind komend naar een zittende positie bewoog Owyn zijn pijnlijke en stijve benen. De binnenkanten van zijn benen waren flink gekneusd. Kennelijk hadden ze een lange afstand afgelegd zonder dat hij gemakkelijk had kunnen zitten, dus ook wanneer hij bij bewustzijn was geweest, zou hij de reis als slopend hebben ervaren. Het had minstens een dag of acht geduurd, voor zover hij het zich kon herinneren, en een aantal malen had hij een ander paard gekregen. Maar zoals hij had gereden, met afgestompte zintuigen vastgebonden in het zadel, had hij het uitsluitend aan de goden te danken dat hij nog leefde.
Er klonken voetstappen, zware laarzen op steen, die dichterbij kwamen, en het geluid van een sleutel in een slot kondigde de komst van zijn cipiers aan. Harde handen trokken Owyn overeind en onwillekeurig kreunde hij van de pijn.
De blinddoek werd hem afgedaan en zelfs in het weinige licht van een fakkel buiten de cel knipperde Owyn met zijn ogen. De touwen rond zijn polsen werden doorgesneden en toen hij zijn armen bewoog, schoot de pijn vlammend door zijn schouders. Bijna zakte hij ineen, maar hij werd overeind gehouden door twee bewakers.
Narab verscheen vlak voor hem. 'Hij hoort nog voldoende verdoofd te zijn om geen kwaad te kunnen.' Hij draaide zich om en ze brachten Owyn de cel uit. Vanuit de cel ernaast werd Gorath gebracht en Owyn zag dat hij er net zo slecht aan toe was, al had hij kennelijk wat minder last met lopen.
Het was een lange, donkere tunnel en Owyn voelde dat ze zich diep onder de grond bevonden. Ondanks zijn afgestompte magische zintuigen wist hij terstond dat hier ooit een grote macht had gehuisd. Er hing een oeroude, angstwekkende sfeer en ondanks zijn versufte geest was hij erg bang.
Via een reeks tunnels bereikten ze een brede trap, en boven aangekomen werden ze geleid door een ruime gang, die uitkwam op een immense zaal. In het midden van die zaal stond een enorme troon, momenteel onbezet. Rechts ervan stond een andere, kleinere troon, waarop een grote, krachtig gebouwde moredhel zat. Het kon alleen maar Delekhan zijn.
'Meester, ik heb een verrassing voor u.'
De bewakers duwden Owyn en Gorath naar voren, zodat ze languit aan Delekhans voeten op de grond vielen. 'Wat heeft dit te betekenen?' vroeg Delekhan, overeind komend uit zijn troon om bij Gorath te gaan staan.
'Gorath van de Ardaniën! Ik heb hem gevangengenomen. Gun mij de eer zijn hart uit te snijden om de dood van mijn broer te wreken.'
'Jouw broer was een imbeciel!' schreeuwde Delekhan. Owyn keek op naar de hoog optorenende gedaante en zag een breed gezicht met verrassend plompe trekken voor iemand van de elfenrassen. Het was vertrokken van razernij en daarmee het meest expressieve dat Owyn tot dusver van een zwarte elf had gezien. 'En jij ook,' voegde Delekhan eraan toe. 'Je hebt alles geruïneerd, stomme hond!'
Owyn keek naar Narab, die met een bleek gezicht bijna stond te sidderen van schrik en verontwaardiging. 'Maar... ik heb een verrader binnengebracht! We kunnen hem martelen om de namen van andere afvalligen te weten te komen.'
'Je bent een nul!' Delekhan wendde zich tot de bewakers. 'Breng die twee terug naar hun cellen beneden. Ik ondervraag hen later wel.' Toen wees hij naar Narab. 'Jouw leven hangt aan een zijden draadje. Als je nog één keer iets doet buiten mij om, dan zet ik je kop op een staak buiten de poort!' Hij draaide zich om naar een deur. 'En nu uit mijn ogen, prutser, en waag het niet mij te benaderen voordat ik je laat roepen.'
Owyn mocht dan weinig ervaring hebben in het herkennen van gelaatsuitdrukkingen van moredhel, maar op Narabs gezicht stond de moordzucht duidelijk geschreven. En die was gericht op Delekhans verdwijnende rug. Owyn werd hardhandig beetgepakt door. twee bewakers, die hem overeind trokken, en weer werd hij tot lopen gedwongen, terug naar de kerkers van Sar-Sargoth.
Voedsel noch water werd er gebracht, en Owyn vond dat niet eens relevant, aangezien ze over een paar uur toch dood zouden zijn. De tijd verstreek traag en Gorath was stil. Ook Owyn had weinig behoefte om te praten, zo vermoeid was hij. Vanwege de rit, het gebrek aan voedsel en slaap, en het verdovende middel kon hij weinig anders dan liggen op de ijskoude stenen in een poging te slapen.
De tijd kroop voort, nauwelijks gemarkeerd door een waas van gedachten die reeds vervlogen voordat ze werden herkend. Misschien was hij even ingedut.
Ineens zat hij rechtop, met kippenvel over zijn hele lichaam. Magie! Gestimuleerd door de onzichtbare uitwerking van iemand die ergens een bezwering aan het doen was, greep hij naar de tralies van zijn cel. Er klonk een metalen klik en de tralies gaven mee. 'Gorath!' zei hij, hard fluisterend.
Gorath keek op en zijn ogen werden groot toen hij Owyns cel zag opengaan. Owyn liep naar buiten, zijn verwondingen en vermoeidheid vergeten. 'Iemand gebruikt magie om ons te bevrijden!' Gorath probeerde zijn deur en merkte dat ook die was ontsloten. 'Wie dan?' vroeg hij zich verbaasd af.
'Ik heb geen idee,' zei Owyn. 'Misschien degene die jou de vorige keer heeft helpen ontsnappen?'
'Daar maken we ons later wel zorgen over. We moeten dit fort uit voordat we worden gemist.'
Ze liepen door de gangen van de kerkers. In de gang naar de brede trap vonden ze een dode bewaker in een plas van zijn eigen bloed. 'Hiervandaan zal die bezwering dan wel zijn gedaan,' meende Owyn.
'Daar,' zei Gorath, wijzend naar een tafel met daarop de spullen die van de twee gevangenen waren afgenomen. Gorath gordde zijn zwaard om en wierp Owyn zijn staf toe.
'Van mijn goud is zeker niets meer over?' vroeg Owyn.
'Inderdaad,' antwoordde Gorath.
Owyn knielde neer om de dode bewaker te fouilleren, en vond een kleine buidel. 'Nou, dit moet dan maar genoeg zijn.' In de richting van de trap lopend vroeg Owyn: 'Weet jij de weg naar buiten?'
'Verscheidene,' antwoordde Gorath. 'Deze stad is gebouwd voor tienduizenden van mijn volk. Als Delekhan er meer dan een paar honderd buiten het centrale paleisgebied heeft gehuisvest, zou me dat hogelijk verbazen. Bovendien zijn de meeste hier gelegerde stammen vreemden voor elkaar en er lopen ook meer dan genoeg vogelvrije mensen rond, dus als we het paleis eenmaal uit zijn, kunnen we met een list misschien wel zo naar buiten.' Hij liep de trap op. 'Maar alleen als we hier vandaan weten te komen voordat ze merken dat we weg zijn.'
Gorath ging Owyn voor de trap op en een gang door naar een donkere tunnel. Ieder moment verwachtten ze dat er achter hen alarm werd geslagen, maar er klonk nog geen piep of zucht.
Ineens stonden ze in de buitenlucht, op een binnenplaats waar geen levende ziel te bekennen was. Gorath gebaarde en Owyn volgde, tegelijkertijd door vrees en hoop gedreven, ondanks zijn verwondingen en zijn nog licht gedrogeerde staat.
Ze verstopten zich in struikgewas toen het begon te sneeuwen. 'Wordt het in dit land nooit voorjaar?' vroeg Owyn.
'Jawel,' zei Gorath langzaam. 'Erg laat, en onze warme dagen zijn erg schaars. Maar ja, we kennen lenteweer.'
'En ik maar denken dat het in Yabon koud was.'
'Hoe is het dan bij jou thuis?' vroeg Gorath.
'In Timons? Warm, meestal.' Owyn staarde in de verte. 'Het regent ook behoorlijk vaak, en af en toe drijft er een noodweer binnen vanaf zee, maar in de zomer is het best heet. Mijn moeder tuiniert en mijn vader fokt paarden. Pas nu besef ik hoeveel ik het eigenlijk mis.'
'Waarom ben je weggegaan?'
Owyn haalde zijn schouders op. 'Uit jeugdige onbezonnenheid. Mijn vader had een bediende, Patrus, een magiër uit het noorden, die een tijdlang bij ons woonde. Hij heeft me mijn eerste lessen gegeven. Toen ik een poosje op Sterrewerf had gestudeerd, kwam ik erachter dat hij voor een magiër niet bepaald machtig was, maar hij had wel een heel helder verstand. Hij begreep hoe de dingen in elkaar zaten. En volgens mij was ik eigenlijk daarnaar op zoek, om de wereld beter te kunnen begrijpen.'
Een tijdlang was Gorath stil. 'Ik denk dat we er allemaal veel beter van zouden worden als er wat meer lieden geïnteresseerd waren in begrip en wat minder op zoek naar macht.' Hij keek naar het tanende licht. 'Kom, het is tijd.'
Ze hadden gewacht tot het donker werd alvorens de omgeving van het fort te verlaten. Urenlang waren er moredhelse krijgers en vogelvrije mensen langs getrokken, zowel infanterie als bereden soldaten. Eerst waren ze ervan uitgegaan dat er naar hen werd gezocht, maar na een tijdje werd duidelijk dat het veel meer betrof dan een jacht op twee voortvluchtigen. Dit was een mobilisatie.
Gorath ging voor, door een reeks besneeuwde geulen, over een heuvel en vervolgens langs een lange, droge rivierbedding die uitkwam op een vlak stuk land ten zuiden van de stad. 'De vlakte van Sar-Sargoth,' zei Gorath. 'Volgens de legenden hebben de Valheru hier beraadslaagd. Grote groepen draken rustten hier uit terwijl hun berijders vergaderden.'
Owyn zag een zee van tenten en in het midden een groot paviljoen, met daarvoor een standaard met een gehurkte witte panter op een bloedrood veld. 'Hoe komen we rond dat kamp?'
'Niet,' antwoordde Gorath en nam hem mee recht het kamp in. 'Veel vrienden zullen we hier niet treffen, maar vijanden ook zeker niet.'
Verscheidene moredhelse krijgers wierpen een blik op Gorath en Owyn, die dwars door het kamp heen liepen. Geen van hen scheen zich erom te bekommeren dat Gorath en Owyn er waren, maar op een gegeven moment sprong er iemand op die vooruit rende. Tegen de tijd dat ze arriveerden bij het grote paviljoen, werden ze bij de ingang reeds opgewacht.
'Gegroet, Gorath van de Ardaniën. Waren de kerkers van Sar-Sargoth niet naar je zin?' Het was een opvallend mooie moredhelvromv, lang, met een koninklijk gezicht en lang donkerrood haar dat in een staart vanaf haar achterhoofd over haar rug viel. Ze droeg eenzelfde harnas als de mannen van haar stam, maar zelfs in haar krijgers tenue werd Owyn getroffen door haar schoonheid, vreemd van kwaliteit, maar daarom niet minder fascinerend. Ze stapte opzij, gebarend dat ze binnen konden komen. Ze wuifde hen naar een zitplaats nabij een klein vuur. 'Eet en rust wat. Ik dacht dat Delekhan jullie inmiddels wel zou hebben gedood. Je ontsnapping zal hem in grote verlegenheid brengen.'
'Zo te horen ben je blij met dat vooruitzicht, Liallan.'
'Toen mijn man opklom in de gelederen van macht, klom ik met hem mee, Gorath, maar ons huwelijk had weinig met genegenheid van doen. Het was een huwelijk tussen machtige stammen, teneinde de macht over de respectievelijke clans te grijpen opdat ze elkanders bloed niet langer vergoten. Voorlopig, tenminste. Verder niets.'
'Is dat de reden van deze schertsvertoning, Liallan? Jij gelooft net zo min in die waanzinnige plannen van Delekhan als ik, maar jij steunt hem openlijk. Jij beveelt een stam die net zo machtig is als die van hem, en in de raad heeft alleen Narab een grotere invloed dan jij.'
'Je bent te lang bij ons weg geweest, Gorath. Er is veel veranderd in korte tijd. Narab is zijn clan aan het verzamelen om zich tegen Delekhan te keren.' Ze nam plaats naast Gorath en haalde een stukje vlees uit een pruttelende pot naast het vuur. Met een ronduit verleidelijk gebaar stopte ze het tussen Goraths tanden, maar zelfs Owyn kon zien dat het eerder een rite betrof dan een openlijke uitnodiging. 'Onze nieuwe meester is misnoegd over Narab. Het heeft iets te maken met jouw gevangenname, geloof ik.'
Gorath accepteerde het rituele aanbod van voedsel en gaf Owyn een kom aan. Owyn trok een grote homp van een brood en schepte daarmee een mondvol hete stoofpot op.
'Waarom zou jouw man eigenlijk zo boos zijn over mijn gevangenname?' vroeg Gorath. 'Hij heeft zelf nog zo zijn best gedaan om te verhinderen dat ik naar het zuiden vluchtte.'
Liallan leunde achterover. Even keek ze zwijgend naar Gorath en zei toen: 'Je bent een eerzaam krijger, Gorath, aan je moed wordt niet getwijfeld, en je hebt altijd goed voor je clan gezorgd, maar soms ben je toch wel naïef.'
Gorath scheen daar aanstoot aan te nemen en bekeek de vrouw met toegeknepen blik. 'Dat is bijna een belediging.'
'Zo hoef je het niet op te vatten. In deze cynische tijden zijn jouw openheid en eerlijkheid verfrissend.' Ze gespte haar borstplaat los en trok haar harnas uit. Owyn zag dat ze daaronder een eenvoudige mouwloze tuniek droeg. Ze had een lange hals en slanke armen, al maakte ze geenszins een broze indruk. Haar bewegingen zinspeelden op snelheid en de spieren in haar armen en hals waren sterk. Naar de maatstaven van ieder willekeurig ras was dit een gevaarlijke vrouw.
'Wat wil je daarmee zeggen, Liallan?'
'Dat jij een bepaalde rol diende te spelen. En jij was de ideale clanhoofdman voor die rol.'
'Het was de bedoeling dat ik zou ontsnappen?'
'Wie dacht je dat jouw ontsnapping al die maanden geleden in scène had gezet?' zei Liallan. Even zweeg ze. 'Ik. En zo heb ik ook Delekhans soldaten de sneeuwvlakte op gestuurd terwijl Obkhars familie wegvluchtte naar de bergen bij het Hemelmeer. Als ze onderweg geen eledhel of dwergen zijn tegengekomen, zijn ze nu wellicht al veilig terug in het Groene Hart.'
'Waarom?' vroeg Gorath.
'Om Delekhan bezig te houden,' antwoordde Liallan. 'Hij heeft zijn tijdschema en ik het mijne. Het komt me goed van pas om zijn aanval op het Koninkrijk nog wat langer uit te stellen. Zijn stommiteit om Narab zo aan te pakken levert me weer een maand op. Als Narabs hoofd eenmaal op een paal aan de poort van Sar-Sargoth staat, duurt het nog minstens een maand voordat Delekhan de nukkige clanleiders weer zodanig heeft bedreigd dat ze hem zonder meer gehoorzamen. Delekhan wil een voorjaarsoffensief. Ik heb dat liever later in het jaar.'
'Hebt u ons helpen ontsnappen?' vroeg Owyn.
'Dit keer niet,' zei Liallan. 'Dat komt me niet van pas. Wat jullie hebben gedaan, is aan jezelf te danken.'
'Nee, iemand anders heeft die kooi opengemaakt,' wierp Owyn tegen.
'Dan zal dat Narab zijn geweest. Dat zou wel precies iets voor hem zijn, om dat uit nijd te doen. Als Delekhan hem bedreigt omdat hij jullie gevangen heeft genomen, waarom zou hij jullie dan niet vrijlaten?'
'Help je ons weer?' vroeg Gorath.
'Ik zal het beschouwen als een investering in de toekomst van het Noordland, Gorath. Ik schiet er niets mee op om jou te doden of uit te leveren aan mijn man. Het kost me maar weinig om je te laten gaan, en in de toekomst kan jouw hulp nog nuttig zijn. Ik heb contactpersonen door het hele Noordland, dus ik zal bericht versturen dat jullie op je reis naar het zuiden moeten worden bijgestaan.'
'Ik zal doen wat ik kan om je te helpen, als het lot het toestaat,' zei Gorath.
Ze glimlachte, een volmaakt en wit gebit ontblotend. 'Rust wat, dan zal ik paarden voor jullie regelen. Houd westwaarts aan en mijd de wegen. De beste route is via de Neigerpas, zoals de mensen het noemen, ten zuiden van Sar-Isbandia. Maar kom niet in de buurt van Harlik, want daar houdt Moraeulf kamp, en die kent je goed.'
Ze rekte zich uit en weer werd Owyn getroffen door haar schoonheid en haar katachtige sierlijkheid. 'Ga slapen, want morgenvroeg wordt het tamelijk levendig buiten de stad. Narabs clan reageert op zijn roep en Delekhan zal ongetwijfeld de toorn van de Zes over zich afroepen. Het hoeft allemaal niet lang meer te duren.'
'Wie zijn die zes magiërs?' vroeg Gorath.
Op fluistertoon sprak Liallan verder, alsof er iemand mee kon luisteren: 'In principe raadgevers, maar ze doen meer. Tot diep in de nacht beramen ze hun plannen met Delekhan. Maar weinigen zien hen, en niemand weet wie ze werkelijk zijn. Zij waren het die Delekhan adviseerden jouw stam uit te roeien.'
'Maar waarom?' vroeg Gorath. 'Wij hebben ons nooit tegen Delekhan verzet, al dienden we hem met tegenzin.'
'Omdat jullie klein waren, en jouw stam had zich al heel lang afzijdig gehouden. Toen je vader stierf, nam jij je stam mee naar de koude bergen in het noorden. Verstandig, maar het maakte je wel verdacht. Daarna heb je jezelf gewroken, wat te verwachten was, maar onder degenen die je doodde, bevonden zich bloedverwanten, van Delekhan. Hij kon je daden niet negeren, want hij werd zelf scherp in de gaten gehouden, en hij werd gedreven door zijn behoefte aan sterke bondgenoten. Om kort te gaan: je hebt jezelf een bittere vijand gemaakt, en de vernietiging van jouw stam was een doeltreffende aanschouwelijke les - zoals ook Narabs dood zal zijn.'
'Hebben de Zes dat bevolen?'
Liallan haalde haar schouders op. 'Dat weet ik niet, maar het zou me niet verbazen als mijn man in de afgelopen maanden niet herhaaldelijk was gewaarschuwd voor Narab en Nago. In feite hebben jullie Delekhan een gunst bewezen door Nago te verslaan, want hij aarzelde om de ene broer aan te pakken zolang de andere nog leefde. Samen waren ze de twee machtigste spreukenwevers van ons volk en hun clan kan niet worden genegeerd.'
Een tijdlang at Gorath in stilte, tot hij vroeg: 'Waar komen die Zes vandaan?'
'Dat weet niemand. Er is zelfs niemand die weet tot welk ras ze behoren. Het zijn Machtswevers die over mogelijkheden beschikken die die van ons ras ver te boven gaan. Sommigen vermoeden dat het Pantathiërs zijn, die zich weer onder ons hebben begeven.'
'Murmandamus,' fluisterde Gorath.
'Ja,' zei Liallan. 'Zij die de Gemarkeerde hebben gediend.'
'Wonen ze in Sar-Sargoth?'
'Wanneer ze in overleg zijn met Delekhan. Momenteel zijn ze bij zijn zoon Moraeulf in Harlik. Ze zijn op zoek naar meer vluchtelingen uit jouw clan, die proberen te ontkomen naar het Groene Hart.'
'Dan heb ik nu nog dringender redenen om prins Arutha te gaan waarschuwen,' zei Gorath. 'Als ik zelf mijn handen niet rond Delekhans keel kan slaan, dan wil ik iemand helpen die hem wel kan verpletteren.'
'Ga voorzichtig te werk,' zei Liallan, en in Owyns oren klonk het alsof ze oprecht bezorgd was. 'Misschien komen al onze plannen uit. Als ik mijn Sneeuwpanter-banier op de muren van Sar-Sargoth laat wapperen, zijn jij en de rest van de Ardaniën welkom te midden van hun volk.'
Goraths gezicht stond gereserveerd. 'Jij bent net zo goed te vrezen als Delekhan, Liallan.'
Ze glimlachte en weer zag ze er gevaarlijk uit. 'Alleen door hen die mij of mijn stam kwaad willen doen, Gorath. Keer in vrede terug naar je noordelijke bergen, als die dag aanbreekt.' Ze stond op. 'Ga slapen. Voor zonsopgang staan er paarden buiten.' Bij de uitgang van het paviljoen keek ze over haar schouder. 'Blijf goed verborgen en reis snel, Gorath. Als ik je nogmaals onder ogen krijg voordat Delekhan ten val is gebracht, moet ik hem wellicht jouw hoofd aanbieden als blijk van goede wil.'
'Dat begrijp ik, Liallan. Je bent erg edelmoedig voor iemand die is vernederd door het lot.'
Ze vertrok en Gorath zei: 'Ze heeft gelijk, Owyn. We moeten slapen.'
Owyn ging liggen bij het vuur, tevreden met een volle maag en blij dat het middel dat hem al die dagen zo suf had gemaakt eindelijk was uitgewerkt.
Toch leek het maar heel kort nadat hij zijn ogen had gesloten, toen Gorath hem wakker schudde en zei: 'Het is tijd.'
Hij stond op, dwong zijn stijve, zere spieren tot gehoorzaamheid en sloeg een dikke moredhelse bontmantel rond zijn schouders. Buiten stonden paarden voor hen. Mogelijk vroegen de op wacht staande moredhel zich af wie deze gasten van Liallan waren, maar ze zeiden niets toen de twee vreemdelingen wegreden.
Het was een vervallen gebouw, maar er stonden wel twaalf paarden voor vastgebonden. 'Daar kunnen we wat te eten krijgen,' zei Gorath.
De beurs die Owyn had geritseld, bevatte een paar munten, Koninkrijkse, Quegse en zelfs een Keshisch zilverstuk, en bovendien wat edelstenen. Ze stegen af en Owyn vroeg: 'Wat is dat voor een gebouw?'
'Jij zou het een herberg noemen. Een van de gebruiken die door jouw volk naar het noorden is gebracht. Mijn ras heeft zoiets nooit bedacht, maar we zijn de voordelen ervan gaan waarderen.'
Ze betraden een donkere, kleine ruimte, waarin wel twintig mensen en moredhel stonden. Owyn vertrouwde op Goraths vermogen om in de massa op te gaan. Langs de achterwand van het gebouw liep een tapkast van lange, op tonnen neergelegde planken. Gorath schoof twee mannen opzij en bestelde bier en iets te eten.
De menselijke kastelein gaf hem een plank met kaas en brood, die verrassend goed smaakten, gezien de armetierige omgeving. Ze aten een tijdje in stilte, tot Owyn fluisterde: 'Waar zijn we?'
'Vlak bij de stad Sar-Isbandia, die door de mensen Armengar werd genoemd. In het hele gebied zijn dorpen. Ze drijven veel handel met het zuiden.'
'De meeste inwoners van het Koninkrijk zien de Tanden van de Wereld als een muur die onze volkeren gescheiden houdt,' merkte Owyn op.
'Een barrière tegen oorlogvoering is het wel, maar ondernemende lieden vinden altijd wel een weg voor de handel. Er zijn wel tien verschillende routes door de bergen ten zuiden van hier.'
'En allemaal zwaar bewaakt, Gorath,' klonk een stem achter hen zacht.
Met een ruk draaide Gorath zich om en zijn hand ging naar zijn zwaardgevest.
'Trek gerust je wapen als je wilt sterven,' zei de andere moredhel. 'Maar eet gerust je kaas als je wilt blijven leven.'
Gorath glimlachte niet, maar zijn gezicht ontspande. 'Ik zie dat je hoofd nog steeds vastzit aan je romp, Irmelyn.'
'Aan Delekhan heb ik dat anders niet te danken,' zei de andere moredhel. Met een hoofdknik beduidde hij hun mee te komen naar een tafeltje in de hoek. Owyn pakte de kaas en zijn bier en liep achter de twee zwarte elfen aan.
Zodra ze in de drukke gelagkamer plaats hadden genomen, zei Irmelyn: 'Tegen de tijd dat Delekhan klaar is, stroomt er pis in de rivieren en leggen de kippen gruis. Drink zolang het nog kan, mijn oude vijand.'
'Wat doe je hier, Irmelyn? Ik heb gehoord dat Obkhars stam was gevlucht.'
'De meesten wel, maar we zijn hier met een klein groepje achtergebleven in de hoop onze hoofdman te bevrijden.'
'Leeft hij dan nog?' vroeg Gorath op fluistertoon.
Irmelyn knikte. 'Hij leeft en hij is hier vlakbij. Hij wordt gevangen gehouden in de naftamijnen onder de verwoeste stad.'
'Gevangen?' Gorath keek verbaasd op. 'Waarom is hij niet dood?'
'Omdat Delekhan niet weet dat hij als slaaf in de mijnen werkt. Ze denken dat hij iemand van Liallans Sneeuwpanters is, genaamd Okabun.'
'En daarom blijven jullie in de buurt om hem te bevrijden,' begreep Gorath.
'Klopt. Maar daar hebben we hulp bij nodig. Zou jij daarvoor kunnen zorgen?'
'In ruil waarvoor?'
'Voor een weg naar het zuiden. Zoals ik al zei, de passen worden allemaal zwaar bewaakt, maar ik weet hoe je erdoor kan komen.'
'Wat moeten we doen?' vroeg Gorath.
'Kom mee naar buiten.'
Ze stonden op en verlieten de betrekkelijke warmte van de herberg. Buiten zei Irmelyn: 'We hebben een weg uit de mijnen ontdekt. Onbewaakt.'
'Waarom wandelt Obkhar dan niet gewoon naar buiten?' vroeg Owyn.
'Als ik jou wil horen, hond, dan schop ik je wel,' snauwde Irmelyn.
'Vertel mij dan eens, waarom wandelt Obkhar dan niet gewoon naar buiten?' vroeg Gorath.
'Vanwege de dampen die in de tunnels hangen. Toen de mensen vluchtten nadat ze de stad in brand hadden gestoken, zijn de tunnels vanuit de oude veste ingestort. Eentje echter niet, maar die is vrij klein, en door de dampen die er hangen vliegt de boel bij de minste vonk de lucht in. Bovendien kan je door die dampen niet ademen.'
'Maar je hebt een plan,' vermoedde Gorath.
'We hebben maskers gevonden, die de mensen vroeger gebruikten, gemaakt van been en membraan uit een drakenlong. De lucht gaat erdoorheen, maar de dodelijke gassen blijven buiten.'
'En nu heb je iemand nodig om naar binnen te gaan en Obkhar zo'n masker te brengen,' begreep Owyn.
De lange moredhel wierp de jonge mens een vuile blik toe. 'Ja, we hebben iemand nodig om Obkhar een masker te brengen en met hem mee te vluchten.'
'Waarom wij?' vroeg Gorath. 'Waarom niet gewoon een lid van jouw clan?'
'We zijn nog maar met weinigen, hier in het Noordland, en Moraeulfs soldaten kennen ons allemaal van gezicht. Jij echter mag dan een bekende naam hebben, maar lang niet iedereen weet hoe je eruitziet. De Ardaniën hebben jarenlang apart gewoond. Als jij je uitgaf als lid van een willekeurige clan, wie zou dat dan tegenspreken?'
'Wat is je plan?' vroeg Gorath.
'Ga naar de slavenhandelaar, een mens genaamd Venutrier. Hij zegt dat hij uit de Koninkrijkse stad Ran komt, maar ik weet dat hij een Quegaan is. Zeg hem dat je die jongen wilt verkopen.'
'Wat -?' begon Owyn te protesteren.
Gorath hield een hand omhoog. 'Ga door.'
'Venutrier is zo corrupt als een mens maar kan zijn. Hij zal je beslist gevangen willen nemen. Laat hem zijn gang gaan. Twee van zijn bewakers worden op de hoogte gebracht en laten jullie de mijnen binnengaan met je bundels, die ze voor jullie opslaan. Als jullie naar beneden worden gebracht, komen ze met jullie bundels naar je toe en laten je onbewaakt achter. Obkhar zit ergens op het niveau ten westen van de grote galerij. Meer kunnen we je niet vertellen. Als je hem naar buiten weet te halen, zullen we jou en je metgezel veilig naar het zuiden brengen.'
'Voordat ik ja of nee zeg, wil ik eerst iets van je weten,' zei Gorath. 'Hebben jullie iets gehoord van Cullich?'
'Ja, ze is hier in de buurt,' antwoordde Irmelyn. 'In een hut halverwege het dorp Karne. Op weg naar het zuiden kunnen we haar bezoeken, als je dat wilt.'
Een tijdlang was Gorath stil. 'Ja, dat wil ik,' zei hij toen. 'En we doen het.'
'Ga dan naar de mijningang,' droeg Irmelyn hem op. 'Daar worden jullie tegengehouden. Zeg de wacht dat je Venutrier wil spreken. Ik neem jullie paarden en wapens mee en wacht op jullie op een plek die Obkhar bekend is.'
'Wil je ons dat niet even vertellen?' vroeg Owyn.
'Als jullie Obkhar niet bevrijden, hebben jullie je niet aan de afspraak gehouden, mens. Dan doen jullie je best maar zonder onze hulp.'
'Kom mee, Owyn,' zei Gorath. 'We gaan een eindje wandelen.' Zonder om te kijken, nam hij Owyn mee en vertrok naar de mijnen.
Venutrier was een enorme kerel, wiens dikke pens ternauwernood werd omsloten door een brede buikriem. 'Waar heb je die gevangen?' vroeg hij met een blik op Owyn.
'Niet,' antwoordde Gorath. 'Het is een weggelopen keukenwelp uit het Koninkrijk die dacht te komen vechten voor goud. Maar hij kan niet eens fatsoenlijk bikkelen, en het blijkt dat hij zijn gokschulden niet kan betalen.'
'Hij is wel een beetje schriel,' zei de slavenhandelaar. 'Kom mee.' Zonder te kijken of Gorath hem volgde, liep hij naar de mijningang. 'Wie ben jij, krijger?' vroeg hij, de mijn inlopend.
'Ik ben Gorath van de Balakhar, uit het Groene Hart.'
'Niet van hier, hè?' zei Venutrier. 'Mooi. We kunnen een potige werker als jij best gebruiken.'
De bewakers richtten hun speren en ineens waren Gorath en Owyn omsingeld. 'Was je van hier geweest, mijn vriend, dan zou je hebben geweten dat er niemand zonder bondgenoten naar mijn mijnen komt. Heer Delekhan heeft een onmogelijke hoeveelheid nafta besteld voor de invasie van het Koninkrijk, en ik heb arbeiders nodig. Breng hen naar beneden.'
Gorath en Owyn werden door de bewakers verder naar binnen geduwd en meegenomen naar het tweede niveau van de mijnen, zoals Irmelyn had voorspeld. Daar werden ze gebracht naar een grote lege spelonk. Een van de bewakers bleef nog even staan toen de andere wegliepen en fluisterde: 'Hier blijven.'
Geruime tijd waren ze alleen. De duisternis werd doorboord door slechts één zwak licht, uit een lantaren van een slim ontwerp, met een doorschijnend membraan over de vlam. 'Fakkels zullen we hier vast niet zo veel te zien krijgen,' merkte Owyn op.
'Als er naftadampen in de tunnels hangen, kon je daar wel eens gelijk in hebben.'
Kort daarop kwam er een bewaker met de bundels die van Owyn en Gorath waren afgepakt. Ook droeg hij een derde bundel. 'Hier. Neem die tunnel daar, dat is in westelijke richting. Als je je vriend gevonden hebt, ga je naar de plek waar je water hoort. Je moet zwemmend naar buiten.'
De bewaker verdween en Gorath pakte de nieuwe bundel op. Er zaten drie merkwaardige toestellen in, duidelijk bedoeld om over neus en mond te dragen. Ze pakten hun bezittingen en vertrokken.
De tunnel naar het westen liep omlaag en plotseling bleef Gorath stokstijf staan.
'Wat is er?' vroeg Owyn.
'We zijn vast onder de oude stad Sar-Isbandia.'
Owyn wist niet wat hij daarop moest zeggen, dus zweeg hij.
Gorath liep verder. Weldra arriveerden ze in een grote galerij, waar werd gewerkt. Een enkele bewaker liep er lamlendig rond om toezicht te houden op de stumpers die druk bezig waren de dikke aardolie die hier naar boven borrelde in emmers te versjouwen.
Owyns ogen begonnen te tranen. 'Als het nog erger wordt dan hier snap ik waarom ze die maskers nodig hebben.'
'Kijk uit naar iemand van mijn volk met zijn haar in een lange staart en een litteken van zijn voorhoofd tot aan zijn kin,' zei Gorath.
Toen de bewaker was aangekomen op het verste punt van zijn ronde slopen ze door de hoofdgalerij naar een andere tunnel. De zwoegende arbeiders gunden hun nauwelijks een blik, verzonken als ze waren in hun eigen ellende.
Gorath zag Obkhar nergens. 'We gaan verder naar het westen.' Ze liepen door een lange gang die uitkwam op een tweede galerij, waar een kleine groep moredhel werkzaam was.
Owyn keek rond. 'Ik zie nergens bewakers.'
'Ik denk dat die in de frissere lucht aan het einde van de tunnels blijven,' zei Gorath, tranen wegvegend. 'Waar kunnen die gevangenen per slot van rekening naar toe?'
'Nergens, Gorath,' klonk een stem achter hen.
Met een ruk draaiden ze zich om en ze zagen een lange, uitgemergelde moredhel met een litteken zoals Gorath had beschreven.
'Obkhar!'
De moredhel bekeek Gorath van top tot teen. 'Eerst dacht ik dat de dampen me uiteindelijk toch parten gingen spelen, maar ik zie dat dat toch niet het geval is. Hoe kom je hier terecht? Ik heb gehoord dat jouw hoofd op een staak buiten Sar-Sargoth stond.'
Gorath sloeg zijn armen over elkaar. 'Niet iedereen die in het Noordland blijft, buigt voor Delekhans wil. En niet iedereen die zich tegen hem verzet, wordt gedood. Ik ben geholpen om te ontsnappen, net als jij nu. Anderen zijn gesneuveld opdat ik de vrijheid tegemoet kon.'
'Je hebt een grote schuld openstaan.'
'Des te meer reden om Delekhans regering tot een einde te brengen, Obkhar! Hij zal die schuld in bloed betalen.'
'Het merendeel van mijn verwanten zijn nu in het Groene Hart, maar mocht jij je banier oprichten tegen Delekhan, dan zullen wij je steunen, Gorath.'
Gorath glimlachte. 'Heb je me dan eindelijk dat litteken vergeven?'
'Nooit,' antwoordde Obkhar lachend. 'Daar zal ik je nog steeds op een dag om doden, maar voorlopig dienen we bondgenoten te zijn.' Owyn haalde de maskers te voorschijn. 'Waar is de tunnel met die dampen?'
'Deze kant op,' zei Obkhar en nam hen mee naar een zij tunnel.
Op het punt waar ze dreigden te stikken in de gassen, zei Obkhar: 'Zet je masker op. Het helpt geen bliksem voor je ogen, maar je kunt in ieder geval ademhalen. We hebben nog een heel eind te gaan, met een ijskoude zwempartij tot slot. De tunnel naar buiten staat half onder water en loopt naar een aftakking van de Isbandi.'
Ze zetten hun maskers op en tot Owyns verrassing deden ze het uitstekend. De damp brandde nog steeds in zijn ogen, maar door snel te knipperen kon hij toch zien. Bijna bezorgde hij Obkhar een hartaanval toen hij voor zichzelf en zijn metgezellen zijn magische licht ontstak. 'Ik dacht even dat je een vlammetje had gemaakt,' zuchtte de oude moredhelse hoofdman. 'Dan waren we nu mooi allemaal tot as verbrand, jongen.'
Ze bereikten de ondergelopen tunnel en stapten in ijskoud water dat tot hun knieën reikte. Verder lopend kwamen ze steeds dieper en al gauw stond het water tot hun borst. Obkhar gaf een teken en dook onder. Owyn en Gorath volgden zijn voorbeeld. Ineens werden ze meegesleurd in een ondergrondse stroming.
Schoppend met zijn benen zwom Owyn mee en toen hij omhoog kwam, stootte hij zijn hoofd tegen steen. Vechtend tegen paniek zwom hij een eindje verder, en zijn hoofd kwam boven water.
'Je kunt je masker afdoen,' zei Obkhar.
'Mooi,' reageerde Owyn, 'want ik ben het mijne onder water kwijtgeraakt.'
Gorath liet iets horen wat door kon gaan voor gegrinnik.
'We hoeven nog maar een klein stuk te zwemmen,' zei Obkhar.
Ze gingen op weg, en Owyn vreesde dat hij door het gewicht van zijn doorweekte kleren omlaag zou worden getrokken, maar hij verzamelde zijn krachten en zwom verder. Ineens zag hij sterren boven zich en besefte dat ze buiten waren.
Een stukje verder stroomafwaarts brandden fakkels en toen ze er naar toe zwommen, werd er zachtjes geroepen.
'Ik ben het, Irmelyn.'
Ze werden het water uit geholpen en naar een vuur gebracht, waar ze een dikke mantel kregen tot hun kleren waren gedroogd.
'Is er al ergens alarm geslagen?' vroeg Obkhar.
'Tot nog toe niet,' antwoordde een moredhel die Owyn onbekend was. 'De bewakers die we hebben omgekocht houden hun mond. Het kan heel lang onopgemerkt blijven dat je er niet meer bent. Regelmatig bezwijkt er iemand in de mijnen en de lijken blijven onopgemerkt in de tunnels liggen.'
'Goed dan,' zei Gorath. 'En Cullich?'
'Leeft ze dan nog?' vroeg Obkhar.
'Ja,' antwoordde Irmelyn, 'en ze woont vlakbij.'
'Je hebt gezegd dat ik haar op weg naar het zuiden kon bezoeken,' zei Gorath.
Obkhar keek naar Irmelyn, die knikte. 'Beloofd is beloofd,' zei de hoofdman. 'Ik moet nu op weg, en degenen van mijn stam die door de passen moeten, gaan met mij mee. Irmelyn brengt jullie naar Cullich en wijst jullie de weg over de bergen.'
'Blijf uit de buurt van Harlik,' waarschuwde Irmelyn. 'Daar zitten Moraeulf en de Zes.'
'Zal ik doen,' beloofde Obkhar terwijl hij droge kleren aantrok. 'Gorath, vaarwel, oude vijand. Laat mij het zijn die een einde aan je leven maakt.'
'Zorg dat je het overleeft,' zei Gorath, 'zodat jouw hoofd op een dag mijn trofee kan worden.'
Nadat ze waren vertrokken, zei Owyn: 'Het lijkt wel alsof jullie elkaar graag mogen.'
Gorath kauwde op een stuk gedroogd vlees dat hij van Irmelyn had gekregen. 'Natuurlijk. Vrienden kunnen je verraden, maar met een oude vijand weet je altijd hoe de zaken ervoor staan.'
'Zo had ik er nog nooit over nagedacht,' gaf Owyn toe.
'Wat een rare lui zijn het toch, hè, die mensen,' zei Irmelyn.
'Hele rare,' beaamde Gorath.
Het was een primitieve hut: vier muren van oude aan elkaar gespijkerde planken en een rieten dak. Uit een stenen schoorsteen kringelde wat rook, het enige teken van leven.
'Is ze binnen?' vroeg Gorath.
Irmelyn knikte. 'Ja.'
Gorath steeg af, evenals Owyn.
'Delekhan laat haar van tijd tot tijd in de gaten houden,' zei Irmelyn. 'Ik blijf wel hier. Als ik roep, kom dan meteen.'
Gorath knikte en opende de deur.
Als de vrouw die binnen zat schrok van zijn onverwachte verschijning, dan liet ze daar niets van blijken. Ze keek slechts op vanuit haar hoekje bij het vuur en zei: 'Doe de deur achter je dicht.'
'Is dat je hartelijkste begroeting, Cullich? Je man is terug.' Owyns mond viel open.
Met soepele en krachtige bewegingen stond ze op, en ook al hing haar jurk aan flarden en waren haar haren vies en samengeklit, toch werd Owyn getroffen door de gelijkenis tussen deze vrouwen Liallan. Deze vrouw had gitzwart haar, terwijl dat van Liallan rood was, en in plaats van slank en lenig als Liallan, was Cullich rondborstig en breed in de heupen. Ook had ze brede jukbeenderen, maar toch had ze iets gemeen met de slanker gebouwde leidster van de Sneeuw-panter clan: beide vrouwen straalden macht uit.
'Mijn man?' zei de vrouw op spottende toon, haar blauwe ogen gevestigd op Gorath. 'Hoezo? Clanleider? Met welk recht? Legeraanvoerder? Niet meer. Vroeger bezat je die titels en had je die rang verdiend, met listigheid en moed, bekwaam en sterk als je was. Rondom jou lag de clan der Ardaniën opgerold als een slapende draak, wachtend op jouw bevel om op te staan en onze vijanden te verpletteren. Waar is die draak gebleven?'
'Weg, verspreid over het noorden, aan de andere kant van de Tanden van de Wereld, verstopt.'
'Noem jezelf dan niet langer clanhoofdman en echtgenoot, Gorath, want het recht op die titels ben je kwijtgeraakt toen je het bevel gaf Sethanon te ontvluchten, tegen mijn wijsheid in.'
'Wijsheid, oude heks? Jij stuurt aan op moord en waanzin. Droom je nog steeds van verovering, van al dat bombastische gedoe van Murmandamus? Heb je dan niets geleerd van de uitroeiing van ons volk in Armengar en Sethanon? Twee zonen heb ik onderweg zien sneuvelen. Een van hen was onze zoon.'
'Wat moet je van me, oude man?' vroeg de vrouw:
'Ik wil een einde maken aan de waanzin... Ben je bereid me te helpen?'
'Hoe dan, door dood te gaan en mijn kop buiten Sar-Sargoth op een speer te laten zetten?'
'Delekhan moet worden tegengehouden.'
'Waarom? Welke bestemming zou jij voor ons volk kiezen, Gorath? Zou jij ons weer laten buigen in het stof? Moeten we de eledhelse koningin gaan dienen, zoals eens de Valheru? Wij zijn een vrij volk! Of voel je soms de aantrekkingskracht van de Terugkeer?'
'Nee!' blafte Gorath, zijn ogen fonkelend van woede. 'Maar ik heb veel gezien, veel geleerd.' Wijzend naar Owyn zei hij: 'Niet alle mensen zijn onze vijanden.'
'Nee,' beaamde Cullich. 'Sommigen zijn bereid voor goud te werken.'
'Nee, ik bedoel dat er ook genoeg zijn die met ons als buren zouden willen leven, in vrede.'
'Vrede?' hoonde de vrouw. 'Sinds wanneer spreken de moredhel over vrede? Je begint te lijken op iemand die naar Elvandar is teruggekeerd. Eens dolle stieren, zijn het nu gecastreerde ossen die de koningin dienen als waren het slaven.'
'Dat is niet waar, vrouw,' zei Gorath. 'De glamredhel zijn naar de eledhel gegaan, maar niet als slaven, maar als welkome broeders.'
'De krankzinnige wilden!' riep de moredhelse vrouw uit. 'Als jij dat gelooft, moet je maar weggaan. Ik blijf hier. Hier woon ik, en uiteindelijk vind ik wel weer iemand die van mijn talenten en kennis gebruik kan maken, en dat zal een krijger zijn, die ik zal laten zien hoe hij aan de macht kan komen en blijven! En dan krijg ik weer zonen, zonen die blijven leven.'
Gorath zuchtte. 'Ik was al bang dat dat je antwoord zou zijn.'
'Waarom ben je dan gekomen? Toch zeker niet om de liefde tussen ons, die allang is uitgeblust, nieuw leven in te blazen?'
'Nee. Ik heb je hulp nodig. Voor korte tijd, daarna verdwijn ik uit je leven, op welke manier dan ook.'
'Omwille van die liefde, die nu niet meer bestaat, zal ik naar je luisteren,' zei ze, duidelijk verrast door Goraths bekentenis.
'Waar bevinden Delekhans troepen zich nu?'
Cullich keek uit haar berijpte venster. 'Verzameld langs de Koninkrijkse grens. De banieren van de Kriëda, de Dargelas en de Oeirdu zijn opgericht in Raglam. Zij zijn de reservetroepen. Ik heb gehoord dat ook de troepen van Liallan en Narab binnenkort op mars gaan.'
Gorath glimlachte. 'Narab heeft zich tegen zijn meester gekeerd, als een hondsdolle wolf.'
'Niettemin zijn er meer dan genoeg legers langs de grens om de oversteek moeilijk te maken.'
'We weten een weg,' zei Gorath.
'Wat wil je dan van me?'
'Jij weet dingen, heks. Wat weet je van de Zes?'
'Eén keer heb ik geprobeerd hen te bespieden, en als beloning heb ik anderhalve dag bewusteloos gelegen. Ik weet alleen dat hun krachten mijn begrip te boven gaan. Van alle dingen waar Delekhan mee bezig is, is dit misschien wel het gevaarlijkste. Hij denkt dat hij hen in de hand heeft, maar ik betwijfel het.'
Van buiten het huis riep Irmelyn: 'We moeten weg.'
'Ga,' zei de heks. 'Ik denk dat we elkaar nooit meer zullen zien, en daar ben ik niet rouwig om. Daar hebben we te veel verdriet voor gekend. Dit zijn onze laatste woorden als man en vrouw: Wanneer je door die deur gaat, is ons huwelijk beëindigd. Maar weet dit: ik wens je geluk in het leven dat je wacht.'
'En ik jou,' zei Gorath droevig. 'Vaarwel, vrouw.'
'Jij ook, man.'
Gorath verliet de hut en nadat de deur met een klap een einde aan zijn huwelijk had gemaakt, bleef hij nog even staan voordat hij samen met Owyn opsteeg. 'We moeten voor zonsondergang door de pas,' riep Irmelyn terwijl ze wegreden, 'want anders zijn degenen die de andere kant op kijken als wij voorbij komen inmiddels afgelost.'
Gorath zweeg, in gepeins verzonken. Het enige wat Owyn dacht, was dat hij met een beetje geluk toch nog levend in het Koninkrijk terug zou komen.