6 Reis
De abt zwaaide een groet.
Aan het einde van het pad dat van het draken standbeeld naar de verbouwde herberg liep, zagen ze abt Graves naar hen staan zwaaien. 'Voordat je vertrekt, moest je maar eens een kijkje in de stad gaan nemen, Robert.'
'Waarom?' vroeg Robert, zoekend naar tekenen van ongerustheid in de houding van de abt.
'Koud waren jullie langs dat pad verdwenen, of er kwam hier een stoet ruiters voorbij, de stad in.'
Robert tuurde in de richting van het stadscentrum, alsof hij de ruiters alsnog probeerde te ontwaren. 'Er was iets bijzonders met hen, want anders zou je er niets over hebben gezegd. Vertel.'
'Ze droegen de kleuren van de koning. En als ik me mijn tijd als dief in Krondor nog goed herinner, reed de oude Gys van Bas-Tyra zelf aan het hoofd.'
'Dat is inderdaad iets om naar te gaan kijken,' gaf Robert toe. Hij beduidde Gorath en Owyn met hem mee te komen en liep het stadje in. We zijn zo terug, Graves.'
De abt wuifde hen gedag en ging weer naar binnen.
Vlug liepen ze de stad in over de brede boulevard, tot op het stadsplein. Daar was een voltallige ruitercompagnie bezig met het verzorgen van hun paarden, vóór een herberg met een uithangbord waarop een schaakstuk, een witte koningin, was afgebeeld. De soldaten waren allen getooid in het livrei van het Koninklijk Huis: zwarte broek en laarzen, grijze tuniek, met daarover een helrood wapenkleed met een witte cirkel. Op het wit stond een helrode klimmende leeuw met een gouden kroon en een opgeheven zwaard: het wapen van de koning. Aan de purperen rand rondom de cirkel en op de manchetten van de tuniek was te zien dat dit paleiswachters van de koning waren. Bij de deur stonden twee van hen op wacht, en de ene zei: 'Kalm aan, vriend. De Hertog van Rillanon maakt gebruik van de gelagkamer en er komt niemand in tot hij weg is of de hertog toestemming geeft.'
'Ga dan zelf maar naar hem toe, soldaat, en zeg hem dat jonker Robert van Krondor er is, op missie voor de prins.'
De soldaat nam Robert en zijn metgezellen taxerend op, maar besloot kennelijk dat de kwestie toch binnen enkele tellen door de hertog zou worden geregeld, dus deed hij maar wat hem was aangeraden.
Een ogenblik later verscheen er een rijzige man met grijs haar tot op de schouders en een zwarte lap voor zijn linkeroog. Even bleef hij staan, met zijn hand nog op de deur, en wuifde hen naar binnen.
In de gelagkamer zagen Robert en de anderen dat de soldaten van de koninklijke wacht de omgeving grondig aan het uitkammen waren.
Gys van Bas-Tyra, Hertog van Rillanon en Eerste Raadsman van de Koning der Eilanden, wenkte hen naar een tafel, waar hij neerplofte op een stoel. 'Geef me wat te drinken!' schreeuwde hij en de soldaat die als zijn bode was aangewezen, repte zich naar de kastelein, die geïntimideerd stond toe te kijken. De man liep bijna een stuk uit de tapkast, zo'n haast had hij om een dienblad met tinnen kroezen te pakken. Vlug schonk hij ze vol en rende ermee naar de hertog. De eerste kroes zette hij voor Bas-Tyra neer, waarop hij de anderen aan de tafel bediende. 'Zou mijn heer misschien iets willen nuttigen?' vroeg hij.
'Later,' zei Gys. Langzaam trok hij zijn zware leren handschoenen uit. 'Iets warms voor mij en mijn mannen. Braad maar een zij rundvlees.'
De herbergier maakte een buiging en liep achteruit weg, een stoel aan het tafeltje ernaast omver lopend, die hij vlug overeind zette.
Gys keek Robert aan en knikte.
Robert fronste zijn wenkbrauwen en knikte terug.
'Zo,' zei de hertog. 'Dus Arutha heeft jou naar het oosten gestuurd om te komen neuzen?'
'Zo zou u het ook kunnen omschrijven, excellentie,' zei Robert. Gys wees naar Gorath. 'Leg me nu dan maar eens uit waarom ik hem zijn hart niet uit zijn borst zou snijden en jou niet zou ophangen als ploertige schurk en verrader van de kroon.'
Goraths hand verstrakte rond het gevest van zijn zwaard, maar hij verroerde zich niet. Owyns gezicht verloor alle kleur, maar tot zijn verbazing zag hij Robert glimlachen.
'Omdat Arutha daar de pest over in zou krijgen?'
Gys begon te lachen. 'Die waffel ben je dus nog steeds niet kwijtgeraakt, hè, Robbie?'
'Die zal ik waarschijnlijk ook nooit kwijtraken,' antwoordde de jongeman. 'We hebben samen al zo veel doorgemaakt dat u nooit ernstig aan mijn trouw zou twijfelen, dus had ik het idee dat u uw boze bui op mij botvierde omdat u dat niet op Arutha kon doen. Waar heeft hij u zo mee ontstemd?'
De Hertog van Rillanon, de machtigste edelman van het Koninkrijk na de koninklijke familie, leunde achterover op zijn eenvoudige houten stoel en maakte een allesomvattend gebaar met zijn armen. 'Hiermee. Met het feit dat ik hier zit, in een stadje wiens enige reden van bestaan de ligging tussen Krondor en Salador is, en met het feit dat Lyam zich zorgen maakt over verslagen die naar het hof zijn gestuurd over vogelvrije moredhel' - zijn goede oog vestigde zich op Gorath - 'en wat andere onsmakelijke types die ergens tussen Romnee en hier loslopen.'
'Waarom u?'
'Om verscheidene redenen,' antwoordde de hertog en nam een ferme teug van zijn bier. 'Gewoonlijk drink ik niet zo vroeg op de dag, maar gewoonlijk heb ik ook niet de hele nacht gereden.'
'Die andere onsmakelijke types zijn toch niet per ongeluk Nachtraven, hè?' vroeg Robert.
'Zou best kunnen,' zei Gys. 'Wat heeft Arutha erover gehoord?'
'Niets, tot ik terug ben om verslag uit te brengen,' antwoordde Robert. 'Maar onderweg de stad in kwamen Jool en deze twee hier een stel neppers in de rol van het moordenaarsgilde tegen.'
Geruime tijd staarde Gys in de verte, alsof hij zijn woorden afwoog. 'Als jij de Nachtraven nieuw leven zou willen inblazen,' legde hij Robert voor, 'en je wilde iemand het tegendeel laten denken, zou het je dan niet goed van pas komen wanneer er een stel klungels als valse Nachtraven werden betrapt?'
Roberts ogen werden groot. 'Briljant! Dat zou de aandacht afleiden van wat ik werkelijk aan het doen was. Ik zou wat pionnen moeten opofferen, maar degenen over wie ik me het meeste zorgen maakte zouden me toch niet serieus nemen.'
'Goed zoeken, Robbie,' zei Gys. 'Kijk wie er werkelijk zit achter de problemen die we hebben. Er is een oud axioma, dat luidt: "Bij gebrek aan bewijs van het tegendeel moet men ervan uitgaan dat de vijand intelligent te werk gaat." De logische tegenhanger daarvan is: "Doe iets stoms en de vijand neemt je niet serieus."'
'U hebt nog steeds niet gezegd wat u hier komt doen,' merkte Robert op.
Gys knikte. 'De koning wilde dat ik me persoonlijk met dit gebied ging bemoeien. Het schijnt dat onze plaatselijke adel verdacht is.'
'Van hoogverraad.'
'Dat niet, al is de mogelijkheid niet uitgesloten.' Gys dronk zijn kroes leeg. 'Nee, ze worden eerder verdacht van incompetentie. Mijn heer de Graaf van Romnee zit met de dreiging van een gildeoorlog en schijnt er niets aan te kunnen doen. Vlak voor mijn vertrek heb ik een compagnie Koninklijke Lansiers die kant op gestuurd om hem te redden, dus die zullen ergens in de komende week wel arriveren.'
'Een gildeoorlog?' vroeg Robert.
'Ik ben niet op de hoogte van alle bijzonderheden, maar het schijnt dat de Broederschap der Riviertrekkers de prijzen heeft opgeschroefd tot het punt dat de kooplieden het zich niet meer kunnen permitteren om hun goederen per schuit te laten vervoeren, en de andere gilden stellen zich op tegenover de Riviertrekkers. Beide kanten hebben zwaarden ingehuurd, en voor zover ik weet heeft de Graaf van Romnee onderhand de staat van beleg afgekondigd. Maar ach, voor zover ik weet kan de stad inmiddels allang in lichterlaaie staan.' Ter benadrukking van zijn woorden sloeg hij met de vlakke hand op de tafel, alsof het hem niet kon schelen of Romnee in vlammen opging. 'En behalve deze tocht om de boel op orde te brengen, gaan we laten zien dat het de persoonlijke aandacht van de koning heeft. We zwaaien met banieren voor de neuzen van mensen die ze moeten zien, en ook is mij door Zijne Majesteit verzocht om vanavond een lezing te geven.'
'Een lezing?' vroeg Robert, nauwelijks in staat zijn lachen in te houden. 'Waarover? En voor wie?'
Gys slaakte een zucht. 'Over de Slag om Armengar, en voor iedereen die het maar wil horen.' Hij schudde zijn hoofd alsof hij zijn eigen woorden niet kon geloven. Je kent die vechtersbaas toch, die Graves, die door de Ishapiërs hierheen is gestuurd om een nieuwe abdij te beginnen?'
Robert knikte. 'Ik kende Ethan al voordat hij zich geroepen voelde. Het was een rauwe, in die tijd, een van de betere zware jongens bij de Snaken.'
'Ik kan het maar niet geloven. Maar hoe dan ook, hij heeft besloten - of liever gezegd: de Ishapische Tempel te Rillanon heeft besloten - dat er hier, in Malachskruis, een school moet worden gebouwd, "in het centrum van het Koninkrijk", waar jonge edellieden worden geschoold. Ze noemen het een collegium.' Op zachtere toon sprak hij verder. 'Volgens mij wantrouwen ze wat onze vriend Puc op Sterrewerf aan het doen is en denken ze er iets mee op te schieten door een gelijksoortig instituut op te richten om de jonge adel van het Koninkrijk te beïnvloeden. En ik denk dat het ze ook te doen is om een basis te stichten vlak bij -' Zijn ogen flitsten van Gorath naar Owyn en hij zweeg.
Robert wist wat hij had willen zeggen: vlak bij de Levenssteen in Sethanon. Hij knikte even en keek de kamer rond. 'Ik heb anders nog niet veel jonge adel in de buurt gezien, Gys.'
Gys boog zich over de tafel voor een mep tegen Roberts hoofd, die Robert echter behendig ontweek. 'Je bent altijd al een wijsneus geweest, Robbie, en een wijsneus zul je altijd wel blijven.'
Robert grijnsde.
'En zelfs als je op een dag je zin krijgt en zowaar tot Hertog van Krondor wordt benoemd, dan nog zul je een wijsneus zijn.'
Nu begon Robert te lachen. 'Misschien wel. Maar waar zijn nou die jonge edellieden?'
Gys zuchtte. 'Er zullen er best wat uit de omliggende landgoederen binnen komen zwerven. Daarom heb ik de hele nacht doorgereden om hier te kunnen zijn. Door dat pokkeweer was mijn schip twee dagen te laat in Salador, dus heb ik de hele nacht gereden om van mijn koning geen leugenaar te maken.' Hij keek in zijn lege kroes. 'En daarom moet jij vanavond naar de lezing komen. Het is in een huis aan de oostrand van de stad. Je kunt het niet missen: het is het huis met al die koninklijke wachters voor de deur.' Hij stond op en Robert ook. Een ogenblik later volgden Owyn en Gorath. 'Toen ik iets aan het regelen was langs de grens met het Westelijke Rijk, heeft Lyam me gevraagd dit te verzorgen, om de Ishapische Tempel een plezier te doen. En als de trouwe hertog die ik ben, kon ik natuurlijk geen nee tegen mijn koning zeggen. Jij bent vanavond op die lezing als mijn claque, jonker. Ik ga mijn mannen inspecteren en daarna wil ik nog wat slapen.' De hertog vertrok naar de kamers die op de bovenverdieping voor hem waren gereserveerd.
'Wat is een klak?' vroeg Gorath aan Robert nadat ze weer waren gaan zitten.
Robert schoot in de lach. 'Een claque. Die worden door theatereigenaars ingehuurd om bij de voorstellingen te klappen en te juichen, teneinde onnozele bezoekers in de waan te brengen dat het een briljante vertoning was. Soms is dat best grappig. Dan zitten er een mannetje of vijf uitbundig te juichen terwijl de rest van het publiek boe roept en met rotte vruchten naar de acteurs gooit.'
Gorath dronk zijn kroes leeg en schudde verbijsterd het hoofd. 'Mensen.'
De herbergier kwam naar hen toe. 'Verder nog iets, heren?' Een hele tijd bleef hij Robert recht aankijken en zei toen: 'Neem me niet kwalijk. Ik dacht dat u iemand anders was.' Zijn keel schrapend herhaalde hij: 'Verder nog iets?'
'Als ik niets eet bij dat biertje, val ik over een uur in slaap,' zei Owyn. 'Ik heb nog nooit eerder zo vroeg op de dag gedronken.'
Gorath liet een afkeurend gegrom horen, maar zei niets.
Robert keek de herbergier aan. 'Wat je maar te eten in huis hebt, eh...'
'Ivan is de naam, heer,' zei hij, maakte een buiging en liep weg. De deur van de herberg ging open en er kwamen drie mannen binnen. Behoedzaam vanwege hun missie, keken Robert, Gorath en Owyn alle drie op. Het waren stadsbewoners en één van hen had een schaakspel bij zich. Op een tafeltje zetten ze het schaakspel op en twee begonnen te spelen terwijl de derde toekeek.
Ivan kwam terug met het eten: koud vlees, kaas, gekruide groenten en zoete appels. 'Nog bier?' vroeg hij terwijl hij het dienblad op de tafel zette.
Robert knikte. Op dat moment werd de gelagkamer betreden door nog twee mannen, die eveneens begonnen aan een schaakpartij.
'Gebeurt dat veel, hier?' vroeg Robert.
Ivan knikte. 'De Witte Koningin, weet u wel? Dat schaakstuk op het uithangbord staat er niet voor niets. De oude Bargist, die deze herberg een jaar of dertig geleden opende, was een redelijk schaker, en sindsdien weet iedereen, of het nu een reiziger of een stadsbewoner is, dat je hier een partijtje kan komen spelen om te zien hoe goed je bent. Speelt u ook, heer?'
'Niet zo bijster,' antwoordde Robert. 'Mijn... werkgever echter wel. Van hem heb ik de regels geleerd.'
'Hier kunt u altijd wel iemand vinden voor een partijtje,' zei hij en vertrok om te zien wat de soldaten wilden bestellen.
De deur ging open en er kwam een haveloos oud besje binnen. Nauwelijks had ze de deur achter zich gesloten of ze kwam de gelagkamer door. Vlak bij Robert bleef ze staan. 'Ik dacht dat jij naar Lyton was, Lysle. Hoe kom je aan die kleren?' Ze betastte de stof van zijn tuniek. 'Zo te voelen gebietst van een baron.' Ze tuurde naar Robert, alsof ze hem maar moeilijk kon zien.
'Ik denk dat u mij verwart met iemand anders. Mijn naam is Robert-'
'Robert, hè?' onderbrak ze hem. 'Ook goed, dan is het nu Robert.'
Ze stootte hem aan met een elleboog en gaf hem een knipoog. 'Zoals toen je zeep had gevreten en schuimbekkend rondliep, hè, lieverd? En al die onnozele halzen maar aalmoezen geven. Maar als jij het zegt. Wees eens lief en koop iets te bikken voor ouwe Petrumh, wil je?' Pas toen zag ze Gorath. 'Wat doe je met een elf, jochie? Je weet toch dat die ongeluk brengen? Ze hebben mijn ouwe Jack ook al doodgemaakt en nou zorgen ze voor al die problemen in Sethanon. Wat haal je je in je hoofd?'
'Welke problemen in Sethanon?' vroeg Robert.
Ze boog zich voorover. Knipperend met haar ogen bekeek ze Roberts gezicht. 'Jij bent Lysle helemaal niet!' zei ze en gaf hem een pets op de schouder. 'Wat doe je met zijn gezicht?' Ineens bracht ze haar handen naar haar mond en deed een stap achteruit. 'O!' riep ze uit. 'Jij bent een boze toverfee, dat is het! Je hebt Lysles vorm aangenomen om mij ertussen te nemen!'
Robert hief zijn beide handen op. 'Mevrouw! Ik ben geen boze toverfee.'
'En ik ben geen elf!' gromde Gorath zachtjes.
De oude vrouw boog zich weer voorover. 'Wel, zo boos zie je er inderdaad niet uit, dat is zo. Maar je had Lysles tweelingbroer wel kunnen zijn, dat is ook zo.'
Robert wenkte Ivan en gaf hem een munt. 'Zorg dat ze wat te eten krijgt,' droeg hij hem op en keek Petrumh weer aan. 'Dus die Lysle is naar Lyton?'
'Een paar dagen geleden is-ie vertrokken,' beaamde ze. 'Voor een afspraak met een heer, zei die. Maar hij zal wel weer in de penarie zitten, helaas. Zo is Lysle. Altijd in de penarie, die jongen. En die gozer waarmee hij die afspraak heeft zal ook wel geen heer zijn.'
Ivan nam de vrouw bij de arm en stuurde haar naar een tafeltje in de hoek, waar hij haar eten al had neergezet. Zonder op te kijken viel ze op de maaltijd aan, en Robert richtte zijn aandacht wederom op zijn metgezellen.
'Een dubbelganger?' vroeg Gorath.
'Zou iemand een evenbeeld van jou vooruit naar Romnee hebben gestuurd?' opperde Owyn.
Robert haalde zijn schouders op. 'Misschien. Dat is vaker gebeurd. Jaren geleden heb ik een dubbelganger van de prins in het riool van Krondor gezien. Als hij geen modder op zijn laarzen had gehad, zou hij iedereen er misschien van hebben overtuigd dat hij Arutha was en een tijdlang de boel flink in het honderd hebben gestuurd.' Hij schudde zijn hoofd. 'Maar ik betwijfel het. Als ik dat oude vrouwtje goed begrijp, zit die Lysle al een tijdje hier, dus misschien is het gewoon toeval. Een poosje geleden wilden ze mij in Tannerus aldoor in elkaar slaan voor iets wat iemand anders had gedaan, tot ik duidelijk had kunnen maken dat ik die andere persoon niet was. Twee keer in nog geen jaar, dat doet me denken dat er iemand rondloopt die vreselijk veel op me lijkt, en tot dusver heeft hij me daar nog niet echt een plezier mee gedaan.' Hij wenkte de herbergier weer. 'Had jij me niet eens eerder gezien?' vroeg Robert.
'Niet dat ik weet, heer,' antwoordde Ivan.
'Maar net dacht je nog van wel.'
'Nee, toen zei ik dat ik dacht dat u iemand anders was.'
'Wie dan?' vroeg Robert.
'Lysle Rigger,' zei Ivan. 'De plaatselijke deugniet, om u de waarheid te vertellen. Neemt deel aan een hoop... twijfelachtige activiteiten. Maar toch, het is ook een goeie voor wanneer je iets gedaan wilt krijgen, als u begrijpt wat ik bedoel.'
'Ja, ik begrijp wat je bedoelt,' zei Robert. 'Woont die kerel hier al lang?'
'Af en aan, in de afgelopen tien jaar of zo. Hij komt en gaat. Soms zit hij een maand hier, dan is hij een jaar weer weg, of andersom. Je weet het nooit bij hem.' Hij keek hen om beurten alle drie aan. 'Kan ik nog iets voor u brengen?'
'Nee, dat was het,' zei Robert.
'En nu?' vroeg Owyn, geeuwend vanwege het bier dat hij zo vroeg op de dag had gedronken.
'Ik ga nog even terug voor een praatje met mijn oude vriend Graves,' zei Robert. 'Jij zou er goed aan doen om een uiltje te knappen. En vanavond gaan we luisteren naar de lezing die hertog Gys voor de plaatselijke jeugd afsteekt over de Slag om Armengar.'
'Dan blijf ik misschien wel hier,' zei Gorath. 'Ik weet al genoeg over Armengar. Ik ben erbij geweest.'
Robert grijnsde. 'Ik ook. Maar we gaan toch. Het is ondiplomatiek om een hertog teleur te stellen, mijn vriend. Daar kan narigheid van komen.'
Goraths reactie was een onverstaanbaar gegrom, maar hij stond op en zei: 'Ik ga op verkenning uit. Als ik die oude vrouw goed heb begrepen, kunnen er anderen van mijn volk in de buurt zijn. Ik ga kijken of ik daar sporen van kan vinden.'
Goed,' zei Robert en stond ook op. 'Dan hebben we allemaal wat te doen.'
Toen Robert en Gorath waren vertrokken, ging Owyn naar Ivan, die achter de tapkast glazen stond te spoelen. 'Kan ik voor vannacht een kamer huren?'
'Normaal gesproken met genoegen,' antwoordde Ivan, 'maar de mannen van de koning hebben ze al allemaal.'
'Is er een andere herberg in de buurt?' vroeg Owyn.
'Er is er nog eentje op een halve dag rijden naar het westen, al kan ik je die niet aanraden. En ook nog eentje op een halve dag rijden naar het oosten, maar die raad ik evenmin aan.'
'Een plekje in de schuur dan, misschien?'
'Dat vinden de mannen van de koning niet goed, jongen. Het spijt me.'
Owyn draaide zich om en besloot achter Robert aan te gaan. Als hij geen dutje kon doen, was er misschien nog iets interessants te lezen in de Ishapische abdij.
Tot Roberts grote verrassing werd Gys' lezing over de Slag om Armengar redelijk bezocht. Owyn zat vlakbij, met een slaperig gezicht. Hij was teruggegaan naar de geïmproviseerde abdij en had wat boeken weten te vinden. In een ervan, dat zijdelings met magie te maken had, was hij verscheidene interessante dingen tegengekomen.
Tijdens de voordracht had Robert hem al tweemaal een por gegeven toen de jongeman in slaap dreigde te sukkelen. Terwijl het verhaal de afronding naderde, moest Robert toegeven dat de oude bevelvoerder over de verdediging van Armengar een waarlijk briljant tacticus was geweest. Alleen al het feit dat er een redelijk aantal vluchtelingen Yabon veilig had weten te bereiken, terwijl het in de Tanden van de Wereld wemelde van de gnomen en moredhel die naar hen zochten, was een hele prestatie.
Het publiek applaudisseerde beleefd toen Gys zijn bemerkingen besloot, en verscheidene jonge edellieden uit het gebied kwamen naar voren om de hertog te spreken. 'Wacht hier even,' zei Robert tegen Owyn en ging afscheid van Gys nemen. Toen hij terugkwam, zei hij: 'Kom mee.'
'Waarheen?' vroeg Owyn. 'We kunnen in de stad nergens slapen.'
'Dat doen we op de vloer van de abdij, zodat we morgen weer vroeg op kunnen.'
'Mooi,' zei Owyn geeuwend. 'Ik ben eraan toe.'
'Je moet eens een beetje leren drinken, Owyn,' merkte Robert grijnzend op.
Ze liepen de weg af en Robert schrok niet eens toen Gorath plotseling naast hen verscheen, al sprong Owyn bijna een gat in de lucht toen de zwarte elf vanuit het avondduister opdook.
'Iets gevonden?' vroeg Robert.
'Sporen. Er zijn hier kort geleden moredhel geweest.'
'En verder?'
'Ten noorden van de stad wordt aardig veel gereisd, niet erdoorheen.'
'Dan mogen we aannemen dat ze niet willen worden gezien. Welke kant gingen ze op, oost of west?'
'Allebei. Veel sporen in beide richtingen, maar uit het zicht.'
Ontsteld schudde Robert het hoofd. 'Verdomme, dat staat me helemaal niet aan.'
Zwijgend liepen ze verder, tot ze de abdij bereikten. 'En,' vroeg Graves toen ze de vroegere gelagkamer betraden, 'hoe was de lezing?'
'Jammer dat er geen zanger bij was,' antwoordde Robert met een uitgestreken gezicht.
'Volgende maand komt hertog Armand van Sevigny een lezing houden,' zei Graves. 'En Boudewijn van Troville de maand daarna.'
'Ik zal ervoor zorgen dat ik er dan ben,' verzekerde Robert hem. 'Heb je een plek waar we vannacht kunnen slapen?'
'De kamers boven zijn in gebruik door de broeders of voor de opslag, Robbie, maar jullie mogen gerust hier in de gelagkamer onder de tafels liggen.'
'Onder de tafels is prima,' zei Owyn en begon al met het uitrollen van zijn beddengoed uit zijn reis bundel. Zonder commentaar deed Gorath hetzelfde.
Robert nam plaats tegenover de voormalige dief die geestelijke was geworden. 'Waarom jij, Ethan?' vroeg hij met zachte stem.
De abt haalde zijn schouders op. 'Dat weet ik niet, Robbie. Je weet dat de orde dicht bij Sethanon wil zijn. Een paar mijl ten zuiden van de oude stad is er een primitieve nederzetting aan het ontstaan, zij het niets wat je een heus dorp zou kunnen noemen. Maar het blijft een goede handelsroute, en de mensen willen nu eenmaal profiteren van de langstrekkende karavanen en handelsreizigers. Het zou veel te veel in het oog lopen wanneer we daar een abdij zouden bouwen. Maar hiervandaan kunnen we onopvallend een broeder sturen om af en toe eens rond te neuzen, om er zeker van te zijn dat de huidige situatie niet wordt verstoord.'
'Het viel me op dat de volgende twee lezingen worden gehouden door vertrouwelingen van Bas-Tyra.'
Graves knikte. 'Vanwege al die rare dingen die er gebeuren. Sommige edelen... ' Hij haalde zijn schouders op. 'Die zijn gewoon niet zo goed te vertrouwen.'
'Je denkt toch niet aan hoogverraad, wel?'
'Ik weet niet wat ik moet denken,' zei Graves. 'Ik ben een gewezen dief die door de tempel in Rillanon is uitgekozen vanwege een mogelijk lastige opdracht, die misschien zelfs van vitaal belang zou kunnen zijn.' Hij sloeg zijn ogen neer, alsof hij bang was Robert recht aan te kijken. 'Ik weet niet of ik wel tegen die taak ben opgewassen.'
'Dat is dan voor het eerst dat jij je zo bescheiden opstelt, Ethan.'
Graves zuchtte. 'Er is een hoop wat jij niet weet, Robbie. Ik heb nog oude... bindingen, zou je kunnen zeggen. Die zijn niet zomaar te verbreken. Je weet hoe dat gaat.'
Robert begon te lachen. 'Beter dan menigeen. De Snaken hebben een doodshoofdje achter mijn naam staan voor wanneer ik me in hun territorium begeef, maar dat doe ik de hele tijd. En gemakshalve negeren ze mijn overtredingen zolang het hun uitkomt. Ik denk dat ik wel weet wat je bedoelt.'
'Ik hoop dat je het echt weet, wanneer het zover is.' Graves stond op. 'Ik moet naar boven. Er is hier een heleboel te doen. Welterusten, Robbie.'
'Jij ook een goede nacht, Ethan.'
Robert legde zijn bedrol neer naast Owyn, die al diep in slaap was.
Terwijl hij zelf indommelde, vroeg hij zich af wat Graves had bedoeld met: 'wanneer het zover is.'
De noordenwind sneed door de nacht. Robert zat ineengedoken in zijn mantel, evenals de andere twee dicht bij het vuur. De weg van Malachskruis naar Silden werd veel minder gebruikt dan de Koningsheerbaan naar Salador, maar het was een meer directe route. Achter hen stonden de drie paarden die Robert had aangeschaft kalm te eten van het graan dat hij voor hen had gekocht.
'Robert, ik maak me ergens zorgen over,' zei Owyn, 'en daar wilde ik je eigenlijk al over spreken sinds we uit Malachskruis zijn vertrokken.'
'Je maakte inderdaad een bezorgde indruk,' merkte Gorath op.
'Wat dan?' vroeg Robert.
'Ik weet niet precies wat, maar het is iets wat ik bespeurde bij het orakel... Een onheilspellend gevoel.'
'Gezien de omstandigheden is dat niet bepaald misplaatst,' vond Gorath.
'Hoe bedoel je?' vroeg Robert, Owyn ingespannen aankijkend.
'Het was alsof het orakel ongerust was.'
Een tijdlang bleef Robert stil. 'Veel weet ik er niet van en ik heb het orakel zelf nog nooit gezien, maar voor zover ik heb gehoord kan het orakel toekomsten zien, maar niet die van zichzelf.' 'Toekomsten?' vroeg Gorath.
Weer zweeg Robert een poos. 'Misschien zeg ik het verkeerd, maar de magiër Puc heeft me eens verteld dat de toekomst niet onwrikbaar vaststaat, maar het resultaat is van veel verschillende handelingen, en met het veranderen van een van die handelingen, verandert de toekomst.'
'Als jij bijvoorbeeld niet naar het zuiden was gekomen, Gorath,' verduidelijkte Owyn, 'dan zou Delekhan al veel verder met zijn plannen zijn.'
'Dat kan ik begrijpen,' zei Gorath. 'Maar als de toekomst veranderlijk is, wat heb je dan aan een orakel?'
Robert haalde zijn schouders op. 'Dit orakel heeft grote wijsheid, is me verteld.'
Owyn keek naar Gorath. 'Ik denk dat Robert gelijk heeft. Maar ik weet nog steeds niet wat ik met dat zorgelijke gevoel moet.'
'Misschien is het lot van het orakel verbonden aan wat wij doen,' opperde Gorath. 'Dan zou het moeilijk voor hem zijn om de toekomst te zien, als het klopt wat Robert zegt. Misschien is dat de reden van de bezorgdheid.'
Robert zei niets. Hij was een van de weinigen die op de hoogte was van het bestaan van de Levenssteen onder Sethanon. Slechts een handvol van de lieden die bij de slag waren geweest, wisten van het magische relikwie uit de tijd van de Drakenheersers, en dat het Orakel van Aäl zich bevond in een enorme grot onder de stad Sethanon om de Levenssteen te bewaken.
Het standbeeld te Malachskruis was bedoeld ter misleiding van degenen die niets van de orakeldraak wisten. En mocht er iemand komen zoeken naar het orakel, dan was het standbeeld het middel om ermee in contact te treden zonder daadwerkelijk in haar nabijheid te zijn.
'Ik probeer wat dingen met elkaar in verband te brengen,' zei Robert. 'We zitten met Tsuranese Grootheden, wier kostbaarheden worden gestolen, die door Tsuranese vogelvrij en worden verkocht aan moredhel, die ze ruilen tegen wapens. We zitten met een vals moordenaarsgilde, mogelijk als dekmantel voor echte Nachtraven die het op een of andere manier toch hebben overleefd toen we hun hoofdkwartier in Krondor tot de grond aan toe lieten afbranden. En we zitten met een hoop valse sporen in het Westen, die wijzen op een invasie vanuit het noorden.'
'De moredhel zullen behoedzaam te werk gaan,' zei Gorath. 'Voordat ze de mars aanvaarden, zullen ze eerst van Delekhan een aanwijzing willen hebben dat Murmandamus daadwerkelijk nog leeft en in Sethanon tegen zijn wil gevangen wordt gehouden.'
'Met alle respect voor jouw volk, maar dat soort "bewijs" is gemakkelijk te vervalsen,' bracht Robert naar voren.
'Akkoord,' beaamde Gorath, 'en daarom probeert Delekhan ook iedereen die tegen hem is uit de weg te ruimen.'
Robert ging op zijn rug liggen en sloeg zijn mantel om zich heen. 'Wel, of we nou op antwoorden komen of niet, op dit moment heb ik meer behoefte aan slaap.'
'Wou je nog op zoek gaan naar die dubbelganger van je in Lyton?' vroeg Owyn.
'Dat ligt op onze route,' zei Robert, 'dus waarom niet, als we er toch langs komen?'
Owyn rolde zich op zijn zij om zich zo goed mogelijk aan het vuur te warmen zonder zich te verbranden. Gorath ging gewoon stilliggen, tot hij in slaap viel.
Nog lange tijd voordat de slaap hem kwam halen, lag Robert wakker, worstelend met alle gegevens en aanwijzingen die hij had. Ergens in heel deze ogenschijnlijke chaos bevond zich een patroon; op een of andere manier pasten al die stukjes informatie zinvol in elkaar. Hij wist alleen nog niet hoe.
De rit naar Lyton verliep zonder incidenten, tot ze tegen zonsondergang de buitenwijken van het stadje bereikten. Langs de weg stond een eenzame boerderij, zo te zien verlaten, met een bouwvallige schuur, waaromheen verscheidene in het zwart geklede gedaanten slopen.
Gorath zag hen als eerste en Robert zei: 'Ik zou ze niet eens hebben opgemerkt als je me er niet op had gewezen.'
'Het zijn er vier en ze schijnen erg nieuwsgierig te zijn naar de inhoud van die verlaten schuur,' zei de zwarte elf.
'Mijn narigheidsknobbel jeukt als een gek,' zei Robert. 'Volgens mij hebben we onze echte Nachtraven gevonden.'
'Wat doen we nu?' vroeg Owyn.
Robert trok zijn zwaard. 'Hen doden voordat ze ons in de gaten hebben, met een beetje geluk.'
Hij wendde zijn paard van de weg af en reed in draf verder. Het gras op de verlaten akker die ze overstaken, reikte tot de borst van de paarden, zodat hun nadering voorlopig nog niet werd opgemerkt, aangezien de in het zwart gehulde gedaanten hun volledige aandacht richtten op de schuur. Onopgemerkt bereikten Robert en zijn metgezellen de rand van de akker.
De moordenaar die hen het eerst in het oog kreeg gaf een schreeuw; en terwijl Robert zijn paard de sporen gaf keken twee anderen al om. Een van de zwarte figuren had een zwaard en maakte zich op om naar Robert uit te halen, terwijl een andere uit de weg sprong. Bij de hoek van de schuur stond een derde gedaante, die met een vloeiende beweging een pijl uit zijn koker pakte, die op zijn boog zette en de pees spande. Ineens spatte er een donkere stralenkrans van energie tegen de zijkant van de schuur en ondanks dat de man niet werd getroffen, was hij zodanig afgeleid dat hij zich terugtrok zonder te schieten.
Inmiddels was Gorath al bij de tweede, en hij sprong van de rug van zijn paard, terwijl Robert de eerste te lijf ging. Vloekend besefte Owyn dat hij het geheim van Nago's bezwering dan wel had ontrafeld en kon nadoen, maar dat hij er weinig controle over had. Met zijn staf boven zijn hoofd geheven reed hij op de boogschutter af om hem neer te slaan voordat hij zijn pijl kon afvuren.
Met de vlakke kant van zijn zwaard verbrijzelde Gorath de keel van zijn tegenstander, stond op en zag dat Robert moeite had met zijn mannetje, terwijl Owyn rondreed, meppend met zijn staf naar de derde. De boogschutter moest zo zijn best doen om Owyns klappen te ontwijken dat hij niet lang genoeg stil kon blijven staan om te schieten. Uiteindelijk liet hij zijn boog vallen en probeerde zijn zwaard te trekken.
Robert zag Gorath weifelen en schreeuwde: 'Ga de vierde zoeken!'
Zonder een woord was Gorath al op weg, om de hoek van de schuur, waar hij een openstaande deur trof. Binnen was het donker genoeg om het menselijk oog te verwarren, maar voor de onzalige elf was het een patroon van duisternis en licht in verschillende donkere grijstinten. Hij zag beweging op de dakspanten boven en langs de muur links van hem. Hij wachtte.
Een ogenblik later gleed de gedaante op de dakspanten uit, waardoor er wat hooi naar beneden viel, en de andere gedaante bij de muur loste een pijl in de richting van het geluid. Gorath viel aan. Voordat de Nachtraaf zijn boog opnieuw kon spannen, was de zwarte elf al bij hem. Na een worsteling van slechts enkele tellen had Gorath de man gedood. Buiten wist Robert zijn tegenstander te verslaan en hij richtte zijn aandacht op de man die door Owyn werd belaagd. Toen de gevechten waren beslist, kwamen Robert en Owyn de schuur in. 'Wat is er hier?' vroeg Robert.
Gorath wees naar de dakspanten. 'Er heeft zich daar iemand verstopt.'
'Kom maar naar beneden,' zei Robert. 'We doen je geen kwaad.'
Er klom een man van de dakspanten, die even aan zijn handen bleef hangen alvorens zich op de harde zandvloer te laten vallen. Behendig landde hij op zijn tenen en keek zijn redders aan. 'Bedankt.' De man kwam naar hen toe en toen hij op een paar voet afstand bleef staan, snakte Owyn naar adem. 'Goden!'
Robert keek naar de man, die zijn tweelingbroer had kunnen zijn. jij bent vast Lysle,' zei hij.
'Waarom denk je dat?' vroeg de man.
'Omdat ik steeds voor jou word aangezien.' Robert wendde zich naar de deur, zodat het weinige licht van buiten op zijn gelaat viel. 'Een paar maanden geleden ben ik in Tannerus bijna vermoord door een aantal diep teleurgestelde mensen.'
De man begon te lachen. 'Neem me niet kwalijk, maar ze wachten tot ik terugkom met wat spullen die ik voor hen zou gaan kopen. Doordat ik het wat moeilijk heb gehad, ben ik te laat met de aflevering.' Hij zweeg even. je lijkt inderdaad genoeg op me om voor mij te worden aangezien. Ik ben Lysle Rigger.'
'Ik ben Robert, uit Krondor. En dit zijn mijn vrienden Owyn en Gorath. We zijn op weg naar Romnee en toen we in Malachskruis waren, kwamen we een oud vrouwtje tegen dat dacht dat ik jou was.'
'Oude Petrumh,' zei Lysle. 'Ze is een beetje getikt. Zo is ze al sinds haar man omkwam bij een brand. Meestal krijgt ze wel ergens wat te eten of mag ze in een schuur slapen. Om een of andere reden is het haar gewoonte geworden om iedereen te vertellen dat ze mijn oma is.' Hij schudde zijn hoofd.
'Zou je ons niet willen vertellen waarom dat stelletje Nachtraven zo hun best deed om jou te vermoorden?'
'Nachtraven?' vroeg Rigger en haalde zijn schouders op. 'Moordenaars? Ik zou het eigenlijk niet weten. Misschien dachten ze dat ik jou was.'
Gorath keek naar Robert, maar zei niets.
'Misschien -' begon Owyn.
Maar Robert onderbrak hem. 'Nee, iemand wil jou dood, Rigger. Laten we maar de stad in gaan, misschien dat het je weer te binnen is geschoten als we er zijn.'
Alsof hij de mogelijkheden om te vluchten of zich te verzetten overwoog, keek de man hen alle drie aan. Beide mogelijkheden kennelijk verwerpend, knikte hij. 'Kom maar mee. De Berm is een vrij fatsoenlijke herberg en na dit alles kan ik best een biertje gebruiken.'
'Ga de lijken controleren,' zei Robert. Gorath en Owyn gingen naar buiten. 'Moet je eerst nog iets gaan halen?'
'Nee,' antwoordde Rigger. 'Ik had een zwaard, maar dat ben ik ergens in de bossen kwijtgeraakt toen ik op de vlucht was voor die vier. Het was toch niet zo'n goeie. Ik neem er wel eentje van de doden buiten.'
'Waarom ook niet,' zei Robert en liep de schuur uit.
Owyn kwam hem tegemoet. 'Ze hebben niets bij zich, Robert. Geen papieren, geen geld, niets. Alleen wapens en die zwarte kleren.'
'En dit,' zei Gorath, die eveneens aan kwam lopen, met in zijn hand een medaillon met een raaf erop.
Robert nam het in ontvangst, bekeek het en smeet het op de grond. 'Dit zijn echte Nachtraven, geen neppers zoals in Krondor.'
'Neppers?' vroeg Rigger.
'Dat is een lang verhaal.'
'Mooi,' zei Rigger. 'Dat betekent dus een tweede biertje. Laten we gaan.' Hij vertrok in de richting van de lichtjes van de stad, terwijl de anderen opstegen.
Rijdend naast Robert zei Owyn: 'Voor iemand die bijna door moordenaars aan mootjes was gehakt, is het best een opgewekte kerel.'
'Ja, hè?' zei Robert.
Ze volgden hun nieuwe kennis het stadje in.