20 Vergelding
De grond was vochtig.
Puc kwam steunend op een elleboog overeind en zag dat Robert en Joolstein nog bewusteloos waren. Gorath was al bij, maar gedesoriënteerd. Owyn ging rechtop zitten, met zijn hoofd in zijn handen. 'Wat is er gebeurd?' kreunde hij.
'We zijn tegen een of andere barrière geslagen.' Puc deed zijn ogen dicht en voelde de pijn in zijn hoofd verdwijnen.
Langzaam kwam Robert bij bewustzijn. Hij kwam overeind, knipperde met zijn ogen en wist zijn blik uiteindelijk te richten. 'Waar zijn we?' vroeg hij.
Puc stond op en keek rond. 'In de oude binnenhof van kasteel Sethanon.' Hij wees naar het uitgebrande poortgebouw van de verlaten veste. 'Hier recht onder is ons doel.'
'Hoe komen we daar?' vroeg Gorath.
'Door de grenzen van de barrière af te tasten en een plek te vinden waar we in de oude tunnels onder deze stad kunnen komen. Ze kunnen niet die hele doolhof hebben afgesloten.'
'Waarom niet?' vroeg Owyn.
'Omdat zelfs zes Tsuranese Grootheden een dergelijke barrière niet dag in, dag uit in stand kunnen houden. Makala weet niet dat ik van Timirianya ben ontsnapt, dus heeft hij deze barrière geplaatst om niet door iemand te worden verrast, wat inhoudt dat zijn zes magiërs hem om beurten in stand houden. Dat hoeft hun niet zo veel moeite te kosten.'
'Klinkt logisch,' vond Joolstein. Hij stond op en kreunde.
'Eén plek die in ieder geval met de oude tunnels in verbinding staat, zal de onderste kelderverdieping van de verlaten veste zijn. Laten we daar maar gaan zoeken.'
'Ik zal iets halen om een fakkel van te maken,' zei Gorath.
Terwijl ze wachtten tot hij terugkwam, vroeg Puc aan Owyn: 'Hoe voel je je?'
'Moe, versleten en kwaad. Maar verder prima. En u?'
Puc plaatste zijn handen tegen elkaar en haalde ze een stukje van elkaar af. Er sprong een blauw vonkje van de ene hand naar de andere over. 'Ik voel mijn krachten langzaam terugkeren. Misschien komt dit oponthoud ons nog goed van pas ook.' Op zachtere toon sprak hij verder: 'Ik wil de anderen het niet laten weten, maar we staan straks tegenover zeven Tsuranese Grootheden, dus zelfs al zou ik op het hoogtepunt van mijn macht staan, dan nog zijn we geen partij voor hen. We moeten zien of we hen kunnen verrassen. Als we in de buurt van een magiër kunnen komen, en hem lichamelijk aanvallen, kunnen we voorkomen dat hij een bezwering doet. Bovendien werkt dat in ons voordeel. Het idee om lichamelijk te worden belaagd is volkomen vreemd voor een Grootheid, die zichzelf bijna als goddelijk in zijn macht beschouwd. Ze zijn er zo aan gewend om zonder aarzelen te worden gehoorzaamd, dat ze ons mogelijk eerst bevelen alvorens aan een bezwering te denken.'
'Het is nou ook niet direct zo dat ik sta te trappelen om deze confrontatie aan te gaan,' zei Owyn. 'Een deel van uw kennis begint zich in mijn hoofd te manifesteren, en ik denk dat ik wat dingen kan doen die ik gisteren nog niet zou hebben gekund, maar ik ben nog steeds onzeker.'
'Volg dan mijn voorbeeld.'
Gorath kwam terug met fakkels. 'Ik heb een bundeltje van deze dingen gevonden, daarginds in een verlaten voorraadschuur.' Ook hield hij een Koninkrijkse kruisboog en een koker met schichten omhoog. 'Dit lag er ook.' Hij wierp de kruisboog naar Joolstein, die hem opving en bekeek.
'Hij is vuil en in geen tien jaar meer geolied,' zei de jonker. 'Maar er zit nergens roest.' Hij zette de kop van de boog op de grond en stak zijn voet in de metalen beugel die was bedoeld om de boog tegen te houden terwijl hij werd gespannen. In tegenstelling tot de zware kruisbogen, die met een slinger moesten worden gespannen, kon deze lichte uitvoering met een trekbeweging schietklaar worden gemaakt. 'En ik heb niet veel vertrouwen in deze spandraad.'
Maar de oude boog liet zich spannen met een luide klik, en Joolstein legde een schicht in de lengterichting van de groef. 'Achteruit. Als die draad knapt, kan er iemand gewond raken.'
Hij mikte op een deur en haalde de trekker over. Met een bevredigende bons sloeg de schicht in het hout, en waarderend keek Joolstein naar het wapen. 'Ik geloof dat ze deze op de eeuwigheid hebben gebouwd.'
'Wil je hem nog een keer proberen?' vroeg Robert.
'Nee,' antwoordde Joolstein, 'je moet het lot niet verzoeken. Als ik er in ieder geval één verrassingsschot mee kan afvuren, scheelt dat al een heleboel.'
Robert knikte.
Puc nam zijn kleine troepenmacht in ogenschouw: 'Goed, dan gaan we.'
Puc bleef staan. 'Wacht.'
Ze stonden in een onderaardse tunnel, amper breed genoeg om er niet zijwaarts in te moeten lopen. Gorath schuurde steeds met zijn schouders tegen de ene of de andere zijwand. Ze hadden de ingang gevonden achter een trap, aan het einde van een oude stenen tunnel onder het kasteel.
'Wat is er?' vroeg Robert.
'Hier.' Puc wees naar een kale muur. 'Als ik het me goed herinner, moeten we hier een doorgang kunnen vinden naar de onderste zaal.'
Robert trok zijn dolk, en Gorath volgde zijn voorbeeld, terwijl de anderen een stap achteruit deden. Ze begonnen wat er in eerste instantie uitzag als een blinde aardwal met hun messen te bewerken, schrapend en kervend. Weldra baadden mens en moredhel in het zweet, en aan weerskanten van hen waren de anderen bezig met het wegwerken van de losgemaakte aarde. Plots raakte Roberts dolkpunt steen. Hij schraapte het zand weg.
'Ik geloof dat dit metselwerk is,' zei hij.
'Ga eens opzij,' zei Owyn en hield de fakkel dichterbij. Het bleken oude bakstenen.
Zonder acht te slaan op de hitte van de fakkel boog Gorath zich ernaar toe. 'Zo te zien is het al aan het verkruimelen.' Hij duwde hard tegen een steen, en die kwam knarsend in beweging. 'Achteruit,' zei hij.
Nadat ze een stukje terug de tunnel in waren gegaan, zette Gorath beide handen tegen de bakstenen en duwde zo hard als hij kon. Met een diep knarsend gerommel schoof er eerst een, toen twee, en daarna een groter aantal bakstenen uit de muur.
Gorath wist zijn evenwicht te bewaren en stapte terug toen de muur gedeeltelijk instortte. Er stoof fijn stof op, waarvan Joolstein en Owyn moesten niezen.
Gorath aarzelde geen moment. Hij griste de fakkel uit Owyns hand en stapte door het gat. Puc en de anderen volgden. De grot waarin ze kwamen was enorm en leeg, met het stof der eeuwen onaangetast op de vloer. Puc hield een hand omhoog en er schoot licht uit op, zodat ze het hele vertrek konden zien.
Het was geen natuurlijke grot. Het plafond was uitgehouwen, en de muren waren bedekt met reliëfs van draken, bereden door geharnaste wezens. 'Valheru!' fluisterde Gorath vol ontzag. 'Hier hebben zij ooit vertoefd.'
'Voordat we verder gaan, moet ik jullie voorbereiden op wat we gaan tegenkomen,' zei Puc. 'En dan bedoel ik niet alleen het gevaar dat van de Zes uitgaat, maar ook andere zaken. Hier vlakbij staat een voorwerp dat bekend is als de Levenssteen. Het is een relikwie, gemaakt door de Valheru, om in de Chaosoorlog als wapen te worden gebruikt tegen de goden. Het gaat mijn begrip ver te boven, ondanks dat ik het al bijna negen jaar heb bestudeerd, voor zover de tijd het toeliet. Maar één ding weet ik wel: het is gemaakt om enorme verwoesting aan te richten. En dit voorwerp was het doel van de valse Murmandamus tijdens de Grote Opstand van tien jaar geleden.'
'Valse Murmandamus?' vroeg Gorath, duidelijk verbaasd.
'Hij was geen echte moredhel. Het was een Pantathische serpentpriester, wiens gedaante met duistere magie was veranderd om jullie volk zover te krijgen hun levens voor hem te verspillen. En daarbij ving hij hun levensessentie op, zodat hij die macht als een sleutel kon gebruiken om de Levenssteen te activeren. Had hij zijn einddoel bereikt, dan vrees ik dat het resultaat de totale vernietiging van al het leven op Midkemia zou zijn geweest. Vergeleken bij de kale rots die deze wereld dan zou zijn, was de woestenij op Timirianya een vruchtbare tuin.'
Gorath keek moordlustig. 'Zo veel doden vanwege de Pantathiërs!'
Ook Owyn was verbaasd. 'Eén ding begrijp ik niet. Hoe zou een priester of zelfs een zeer kundig magiër iets kunnen activeren dat een wapen tegen de goden was? Als de Valheru zijn verdwenen, hebben ze het geheim van deze Levenssteen dan niet met zich meegenomen?'
'Nee,' antwoordde Puc. 'De zielen van de Valheru zijn gebonden in de steen, en als daaraan wordt geknoeid, kan dat hen bevrijden. Ook al hebben ze dan geen lichamen, de energie van hun gecombineerde geesten kan genoeg zijn om de Levenssteen te gebruiken. Zeker weten doen we het niet, maar we kunnen het risico niet nemen.'
'Dus Makala wil ons allemaal vernietigen?' vroeg Joolstein.
'Daar is hij niet gek genoeg voor,' antwoordde Puc. 'Maar in zijn blinde trouw aan het keizerrijk denkt hij dat het Koninkrijk een vernietigend wapen heeft gebouwd dat op een dag tegen zijn land kan worden ingezet. Koste wat het kost wil hij achter het geheim van dat wapen komen, opdat hij zich ertegen kan verdedigen, dan wel er ook een voor Tsuranuanni kan bouwen, om het Koninkrijk vanuit een machtspositie te kunnen benaderen.'
'De idioot!' spuwde Gorath. 'Wat een kleinzielige geest moet dat zijn.'
'In zijn visie op het universum misschien wel,' zei Puc, 'maar hij heeft macht en talent in de magie. Op mijn hoogtepunt kon hij niets tegen mij uitrichten, maar in mijn verzwakte staat kan hij mijn meerdere zijn. En daarom moeten we eerst zijn zes metgezellen uitschakelen, voordat we het tegen hem opnemen, Owyn en ik samen.' Hij keek naar Gorath en Owyn. 'Ik plaats een ontzaglijk vertrouwen in jullie beiden, een afvallige moredhel-hoofdman uit het Noordland en de jongste zoon van een oosters edelman. Alleen de koninklijke familie en enkelen die bij de Slag om Sethanon waren, zoals Joolstein en Robert hier, zijn op de hoogte van het geheim van de Levenssteen.'
'Ik sterf nog liever dan dat ik dit geheim aan iemand prijsgeef,' zei Gorath.
Owyn knikte slechts.
'Nu dan, deze kant op.' Puc ging hen voor door een lange gang, die kennelijk eens de ingang was geweest naar een uitgestrekte ondergrondse stad. 'De steden in het noorden, Sar-Sargoth en Sar-Isbandia, zijn gebouwd door de glamredhel, in navolging van deze. Eens was dit de Stad van Dreeken-Korin.'
'Ook in onze leer kennen we die naam,' zei Gorath. 'Zelfs de Valheru vonden dat hij gek was.'
'En toch was hij het die hen ervan overtuigde hun essenties aan de Levenssteen te geven.'
De tunnel was immens, en Owyn vroeg: 'Waarom is het hier zo groot?'
Puc glimlachte. 'Ooit een kleine draak gezien?'
'Nee.'
'Dit is nog steeds vrij krap voor een draak, en de Valheru bereden de grootste.'
Ze kwamen bij een paar massieve deuren, het hout zo oud dat het inmiddels was versteend. Scharnieren ter grootte van een volwassen man hadden in geen eeuwen meer gedraaid. Er was genoeg ruimte tussen de deuren om doorheen te lopen, en in de reusachtige zaal erachter bleven ze staan.
Ineens kwam Gorath in beweging. Zijn zwaard vloog als vanzelf uit de schede, en nog voordat Owyn of Puc een bezwering konden uitspreken, lagen er twee gnomen dood voor hun voeten.
'Dat betekent dat we in de buurt komen,' merkte Puc op.
'Het betekent ook dat Delekhan vlakbij is,' siste Gorath.
'Het is mogelijk dat Makala gebruik van hem maakt,' zei Puc, 'maar ik betwijfel of hij hem de diepste geheimen van de Levenssteen zou onthullen. Geen van jullie spreukenwevers zou hem hierheen kunnen transporteren. Hij zou een weg van buitenaf moeten zoeken.'
'Dit gangenstelsel zal heus wel meer dan één ingang hebben gehad; vermoedde Gorath.
'Dat is zo,' gaf Puc toe. 'Makala kan zich transporteren door middel van magie, als hij eenmaal weet waar hij moet zijn, maar de eerste keer dat hij hier kwam moet hij door iemand zijn geleid.'
Plotseling schoot Gorath iets te binnen. 'Nago,' zei hij. 'Die is bijna een jaar lang in het zuiden geweest voordat deze waanzin begon. Als we die Makala aan het praten kunnen krijgen, durf ik te wedden dat het Nago was die uw Tsuranu de weg naar deze grotten heeft gewezen.'
'Daar kunnen we later nog uitgebreid over speculeren,' vond Puc. 'Maar hoe ze elkaar ook hebben ontmoet, ze besloten dat hun doelen gemeenschappelijk genoeg waren om hun inspanningen te combineren.' Hij staarde door de duisternis, alsof hij iets probeerde te zien. 'Ik denk echter dat Makala nu Delekhan gebruikt, zoals de valse Murmandamus jouw volk heeft gebruikt, Gorath. Hij stuurt de krijgers van jouw volk hierheen om te strijden tegen de krijgers van mijn volk, teneinde het leger van de prins hiervandaan te houden.'
Ze begonnen weer te lopen, tot Puc ineens zei: 'Wacht!' Hij liep verder en stak zijn hand uit. 'Owyn, voel eens.'
Owyn kwam naast Puc staan en volgde zijn voorbeeld. Onder zijn handpalm voelde hij energie, een prikkelende gewaarwording die massiever werd wanneer hij duwde. 'Is dit de barrière?'
'Ja,' antwoordde Puc. 'Hier zijn we tegenop gebotst toen ik jou hielp om ons te transporteren naar de zaal op het niveau hieronder.'
Puc duwde wat en bewoog zijn handen eerst naar rechts, toen naar links. Even later was hij tevreden. 'Het is een bol, en daar moeten we omheen, tot we erachter komen wie hem heeft opgericht.' Hij liep helemaal naar links tot hij aankwam bij de muur, draaide zich om en kwam terug.
Aan de uiterste rechterzijde ontwaarde Gorath op korte afstand een deur. 'Laten we die eens proberen,' stelde de zwarte elf voor.
De deur liet zich zonder moeite openen. Ze betraden een tunnel en gingen dieper de aarde in.
De magie in de ruimte was zo krachtig dat zelfs Robert en Joolstein er kippenvel van kregen. 'Wat is dit hier?' vroeg Robert.
'Een schatkamer,' antwoordde Puc. 'Een van de vele. Niets aanraken. Sommige dingen zijn magisch, en als er per ongeluk eentje wordt geactiveerd, kan ik de gevolgen daarvan niet overzien.'
'Wat is dat?' vroeg Owyn, wijzend naar een grote jachthoorn met een vreemd runeteken erop.
'Die inscriptie komt me bekend voor,' zei Gorath. 'Naar dat soort tekens hebben we ons eigen schrift gemaakt. Het is Valheruaans.'
'Wat staat er?' vroeg Owyn.
'Het is het teken van de Tiran van de Windvallei.'
Puc probeerde zich te herinneren welke Valheru dat was. Tomas zou hem dat zo hebben kunnen zeggen, wist hij.
'Hier werd de buit bewaard,' begreep Gorath. 'Alle plunderschatten en trofeeën werden hier naar toe gebracht.' Zijn blik zwierf over de met een stoflaag bedekte schat van goud, edelstenen en veel andere voorwerpen, zowel bekend als vreemd.
Owyn hield zijn hand boven de jachthoorn. 'Puc, bekijk dit eens, alstublieft.'
Voorzichtig raakte Puc de hoorn aan en pakte hem op. 'Hij straalt magie uit,' zei hij zacht.
Ineens herinnerde hij het zich, of anders had het voorwerp het vermogen om de herinnering in zijn geheugen te plaatsen. Toen liet hij de hoorn vallen alsof hij plotseling gloeiend heet was geworden. 'Algoon-Kokoon! Verslagen door Asschen-Sukar.' Op zachte toon vervolgde hij: 'Tomas zou het zich beslist nog kunnen herinneren. Het is een jachthoorn, waarmee -' Zijn ogen werden groot. Hij pakte de hoorn weer op en hing hem aan het gouden koord om Owyns schouder. 'Als hij het nog steeds doet, kan ons dat goed van pas komen.' Puc keek om zich heen. 'Er liggen hier in Sethanon nog zo veel dingen die ik nog niet heb kunnen bestuderen. Er is nog zo veel wat ik niet weet.'
'Maar wel dat Makala daar ergens zit,' zei Owyn, 'en dat we hem moeten tegenhouden.'
Puc knikte en keerde de oude schatten de rug toe. Via een andere gang liepen ze verder.
Verderop lag een kleine zaal, waar licht gloeide. Gorath doofde de fakkel. Om energie te sparen, maakte Puc niet langer gebruik van zijn mystieke licht. Zijn kennis was volledig bij hem teruggekeerd, en Owyns macht was veel groter geworden dan de vermogens waarover de jongen had beschikt toen Joolstein hem maanden geleden had ontmoet, maar wel moesten ze het opnemen tegen zeven Grootheden uit Kelewan: Makala en de Zes.
Ze slopen de gang door en kwamen bij de grot. Gorath gluurde om de hoek en trok zijn hoofd terug. Hij hield drie vingers omhoog en wees naar Puc en Owyn. Ze knikten. In de grot bevonden zich twee magiërs, met ofwel een bediende, ofwel een bewaker. Puc had zijn hoofd gepijnigd over het probleem om zijn voormalige broeders te benaderen. Hij wist vrijwel zeker dat Makala hem niet het hele verhaal had verteld, en zelfs wanneer Makala dat wel zou hebben gedaan, zou het niet de waarheid zijn geweest, maar Makala's verwrongen visie erop.
Niettemin, had Puc uiteindelijk besloten, hadden ze met hun vermogens gebeurtenissen veroorzaakt die hadden geleid tot de dood van duizenden schepsels - mens, moredhel, trol en gnoom - en dat kon niet ongestraft blijven. Puc knikte, wees op zichzelf en gebaarde naar links, wees vervolgens naar Owyn en gebaarde naar rechts. Daarop wees hij op Joolsteins kruisboog en stak drie vingers op, waarmee hij de derde persoon aanduidde.
Hij hield zijn hand omhoog, en toen iedereen knikte, maakte hij een kapbeweging en liep de grot in.
Owyn en Puc waren al bezig met hun bezweringen toen de drie gedaanten opkeken. Twee van hen waren gekleed in zwarte gewaden, en de derde was een moredhelse krijger.
Joolstein hief zijn kruisboog, haalde adem, richtte zoals hem dat was geleerd en haalde de trekker over.
De schicht vloog door de lucht en trof de moredhel in de borst. Door de klap vloog de krijger naar achteren, en met een misselijkmakende smak sloeg hij tegen de muur en gleed naar beneden, met achterlating van een rode veeg op het metselwerk.
De twee Tsurani stonden roerloos, niet gewend aan gevaar of verrassingen. De twee immobilisatie-bezweringen waren vrijwel gelijktijdig voltooid, en de twee magiërs kreunden van pijn toen ze erdoor werden overweldigd. Gorath had zijn zwaard al in de aanslag en stapte naar voren om hen beiden te doden.
Binnen enkele tellen was het gebeurd.
Puc keek rond, hield zijn hand omhoog en luisterde naar tekenen van onraad.
Een volle minuut bleef het stil.
'Dat is nog vier, plus Makala,' zei hij.
'Het ziet er hier uit als een slaapkamer,' merkte Robert op. Hij wees naar twee matrassen op de vloer. 'Hier slapen ze terwijl hun broeders het schild rondom de Levenssteen in stand houden.'
Puc sloot zijn ogen en liet zijn gewaarzijn uitgaan. In de verte bespeurde hij een vertrouwde aanwezigheid. Hij reikte ernaar, maar kon geen contact leggen. 'Nog niet,' fluisterde hij.
'Wat nog niet?' vroeg Robert. Op zijn gezicht begon de vermoeidheid van de afgelopen weken zich kenbaar te maken.
Puc keek hem aan. Vervolgens ging zijn blik naar Joolstein. 'Hoe goed hebben jullie voor jezelf gezorgd sinds jullie uit Noordwacht zijn vertrokken?'
'Arutha's genezingspriester heeft ons kruiden gegeven om 's avonds thee van te drinken, en na een paar uur werden we weer uitgerust wakker.'
'Op de korte termijn werkt dat goed, maar als dit achter de rug is, zullen jullie enkele dagen rust moeten houden. Wees voorzichtig. Jullie zintuigen zijn verzwakt, en je bent niet meer zo snel als je denkt.' Joolstein keek Robert aan. 'Als hij ons probeert te vertellen dat we moe zijn, is dat niet direct een verrassing.'
Robert grijnsde en klopte zijn vriend onzacht op de wang. 'Hij probeert ons te vertellen dat we niet overmoedig moeten worden, Jool.'
'Rob bie de Hand overmoedig?' reageerde zijn vriend droog. 'De hemel verhoede het!'
'Kom,' zei Puc. 'Een bezwering die zo krachtig is als deze barrière is geen kleinigheid. Hij lijkt veel op de barrière die de Timirianyaanse god rondom mij had aangelegd.'
Ze liepen door de gang naar een ruime zaal, waar in de verte iets bewoog. Puc beduidde zijn metgezellen zich te verspreiden.
Ineens scheen er licht in de spelonk.
Twee gedaanten in zwarte gewaden kwamen op hen toe, en vanaf de andere kant van de zaal sprak een stem: 'Er was ons al gezegd dat we jou konden verwachten, Milamber.'
'Verzet je niet tegen mij, Zatapek. Makala heeft jullie voorgelogen, en jullie staan tot aan je heupen in het bloed van onschuldigen. Hou op, nu je er nog niet in bent verdronken.'
'Milamber, Makala is niet de enige in onze academie die gelooft dat jij een valse Grootheid bent die meer geïnteresseerd is in het land van zijn geboorte dan in het welzijn van het keizerrijk. Waarom zou je anders dit machtige wapen voor ons hebben verborgen?'
De andere magiër, achter Zatapek, stapte opzij met in zijn handen een staf, die hij op Puc richtte alsof het een wapen was. Achter Puc klonk het geluid van een kruis boog die werd afgevuurd, en de tweede magiër tolde rond zijn as terwijl er uit zijn schouder een fontein van bloed spoot. Zijn arm was half van zijn romp gescheurd. Hij gilde van de pijn, en Zatapek reageerde.
De Tsuranese Grootheid hief zijn beide handen op, en uit zijn naar voren gerichte vingers flitste een blauwe energie straal, die Puc ongenadig trof. Alle spieren in zijn lichaam trokken zich tegelijkertijd samen, met als gevolg dat Puc verstijfde en omviel. Met een harde klap kwam hij op de grond terecht, waar hij bleef liggen kronkelen.
Owyn kwam in actie. Uit zijn hand schoot een grote bol van vuur die naar Zatapek snelde. Maar de Tsuranese magiër stond al klaar, en met een snelle draaibeweging van zijn linkerhand creëerde hij een energieschild waarop het vuur uiteenspatte en naar de vloer droop, waar het op de stenen verdween.
Het enige wat Owyn ermee opschoot, was dat de Tsuranu zijn beheersing over de betovering van Puc verloor, zodat de energie verdween en Puc trillend op de stenen bleef liggen, nog steeds lijdend aan de gevolgen van Zatapeks magie.
Iets anders wist Owyn zo gauw niet te bedenken, dus deed hij zijn ogen dicht en verliet zich op zijn reflexen. Hij stak zijn hand uit, en met een enkel woord zond hij een zuil van samengeperste lucht in de richting van de Tsuranese Grootheid. Heel even kon Zatapek niets bijzonders zien, en hij bereidde zich al voor op zijn volgende energieaanval, en toen hij besefte wat er gebeurde, was het al te laat. Door de klap van de luchtstoot vloog hij twintig voet achteruit over de stenen.
Gorath rende naar hem toe, en het laatste wat de versufte Tsuranese magiër zag was de boven hem uit torenende gedaante van de zwarte elf, klaar om toe te slaan. Met een enkele slag doodde Gorath de magiër.
Owyn rende naar Puc en zag dat de oudere magiër nog steeds te lijden had van de op hem losgelaten bezwering. Hij beefde, met zijn tanden stijf opeengeklemd en zijn lippen teruggetrokken in een grimas van pijn.
'Kan je iets doen?' vroeg Joolstein.
'Weet ik niet,' antwoordde Owyn. Hij stak zijn hand uit, en toen hij Puc aanraakte, vlamde de pijn via zijn vingers omhoog. Maar in plaats van terug te trekken, richtte hij zijn aandacht op de pijn en voelde de energie erachter. Die richtte hij naar de vloer en ineens was die verdwenen.
Puc zakte ineen. Toen haalde hij diep adem, bijna snikkend, en blies de lucht zuchtend uit.
'Puc' zei Robert. 'Kun je me horen?'
Zwakjes knikte Puc. 'Help me overeind, alsjeblieft! Hij sprak langzaam, omdat zijn gezichtsspieren nog steeds pijn deden. Met Roberts arm rond zijn middel kwam Puc op trillende benen overeind. 'Als ik loop, gaat het sneller over.'
'Ik ben blij toe,' zei Owyn. 'Dat was in vijf minuten meer magie dan ik tot nog toe in mijn leven had gezien.'
'Je deed het uitstekend. Je vertrouwde op je intuïtie. Als je dat blijft doen, komt de magie die je van mij hebt gekregen ons allebei goed van pas.' Puc maakte zich los van Robert en leek met iedere stap aan kracht te winnen. 'Dat waren er vier. Minstens één van de anderen is bezig met de bezwering voor de barrière, zo niet allebei. Als we hen kunnen vinden en uitschakelen, stort de bezwering rond de Levenssteen in en kunnen we bij Makala komen.'
Hij keek rond. De magiër die door Joolstein was neergeschoten, was gestorven aan bloedverlies. 'Achter die deuren daar ligt nog een schatkamer. Aan de andere kant daarvan zit een groot gat in de muur, waar de stenen kapot zijn geslagen tijdens een enorme vechtpartij van jaren geleden. Door dat gat in de stenen kunnen we naar de grot met de Levenssteen.'
'Dan moeten we ervan uitgaan dat de laatste twee Tsuranese bewakers en Makala door die deuren zijn gegaan,' zei Gorath.
'Kom,' zei Puc. Langzaam liep hij naar de deuren, en in het voorbijgaan wierp hij een blik op Zatapeks metgezel, een jonge Grootheid die hij niet kende. Die moest dan nog in opleiding zijn geweest toen ik op Kelewan woonde, dacht hij. Jammer. Met lege blik staarde de dode magiër omhoog naar het oeroude gesteente van een vreemde wereld. Zo zonde, dacht Puc.
Vlak bij de deur gebaarde Puc de anderen tot stoppen. Hij waagde een blik en zag twee gedaanten paraat staan, al meende hij dat zij hem nog niet hadden opgemerkt. Hun aandacht was twee kanten op gericht, enerzijds op Pucs nadering, en anderzijds op het in stand houden van de barrière achter hen. Op de lange termijn zou een dergelijke taak hen uitputten, wist Puc, maar hij maakte zich geen illusies over de tijd die hun voordien nog restte.
Delekhan en diens Machtswevers waren beslist ergens in de buurt, bezig om deze spelonk te lokaliseren, ofwel teneinde Murmandamus te bevrijden, als ze werkelijk geloofden dat die hier was, ofwel om zich de nalatenschap van diens macht eigen te maken. Maar hoe dan ook, als hij hier kwam, of als Makala de Levenssteen activeerde, zou dat een abrupt einde aan al hun inspanningen maken.
Puc deed een stap achteruit en sloot zijn ogen.
Ik heb u getracht te roepen, maar kon u niet bereiken, klonk een bekende stem in Pucs hoofd.
Hij keek Owyn aan. 'Het orakel.'
Owyn knikte.
We moeten de barrière verbreken en u bevrijden, zond Puc.
De Zwarte Mantels slopen 's nachts binnen en verspreidden in de grot een nevel die mijn bedienden in slaap deed vallen en mij verzwakte. Daarop bonden ze mij met mystieke ketenen, die zelfs mijn macht niet kon breken. Het was mijn onvermogen mijn eigen toekomst te kennen dat me verblindde voor deze mogelijkheid. Mettertijd had ik mezelf wellicht kunnen bevrijden, maar tot dusver ben ik slechts een zwakke weerschijn van wat ik eens was.
Gezien de macht van het Orakel van Aäl was Puc onder de indruk van Makala's voorbereidingen. Hij mocht Makala nimmer onderschatten.
Makala is roekeloos en doelbewust, maar hij is niet wreed naar de maatstaven van zijn volk. Was hij uit geweest op uw dood, dan zou u al niet meer hebben geleefd. Hij zal er tevreden mee zijn u tijdelijk buiten gevecht te hebben gesteld. Ik acht het onwaarschijnlijk dat u blijvende schade hebt opgelopen.
'We moeten die twee resterende Grootheden snel uitschakelen,' zei Puc tegen Owyn.
'Lukt u dat?' vroeg Owyn.
'Ik zal wel moeten.' Hij draaide zich om naar Robert, Gorath en Joolstein. 'Ze mogen dan zijn voorbereid op magie, maar misschien niet op lichamelijk geweld. Zodra we door die deur zijn, ren je achter ons aan, maar blijf aan de kant voor het geval we worden getroffen.' Toen keek hij Gorath aan. 'Wat je straks te zien krijgt achter die deur zal je verbazen en schokken, maar maak je geen zorgen. Het is een grote draak, maar een heel andere dan alle andere die ooit op Midkemia hebben geleefd. Het is het Orakel van Aäl, en ze moet worden beschermd tegen Delekhan en andere bedreigingen, tot ze weer op krachten is. Als ik Makala niet kan overwinnen, is zij onze enige hoop.'
Gorath knikte. 'Begrepen.' Hij keek naar Joolstein en Robert. 'Dit zijn waardige metgezellen. Samen zullen we de draak beschermen terwijl jullie de magiërs uitschakelen.'
Owyn wilde al naar de deur gaan, maar Puc hield hem tegen. 'Er is één bezwering die ons de tijd kan geven die we nodig hebben om het tegen Makala op te nemen. Als de barrière instort, weet hij dat zijn magiërs onschadelijk zijn gemaakt.'
'Welke is het?'
'Als ze zo verzwakt zijn door hun arbeid als ik vermoed, kunnen ze met een milde bezwering bewusteloos worden gemaakt.' Puc wees. 'Als het lukt, houden ze de barrière nog een tijdlang in stand, net lang genoeg om door de grot heen naar dat grote gat in de muur te komen. Die tijd hebben we nodig, want om Makala te kunnen bereiken moeten we onszelf in de tijd verplaatsen.'
Owyn knikte. Hij deed zijn ogen even dicht en zei toen: 'Ik weet welke bezwering u bedoelt.' Met grote ogen keek hij Puc aan. 'Het is niet eens moeilijk.'
'Als we dit hebben overleefd, moet je me maar eens vragen hoe lang ik naar deze bepaalde magie heb gezocht,' merkte Puc op. Hij knikte, en ze stapten door de deur. De twee Tsuranese Grootheden hadden zich inderdaad hierop voorbereid, want allebei gingen ze door met het ophouden van de barrière, terwijl ze hun energie zodanig opsplitsten dat de ene hen tegen Puc kon verdedigen, terwijl de ander een bezwering van vuur op hem afstuurde.
'Kijk uit!' riep Owyn en hij dook uit de weg.
De Tsurani mochten dan op Puc zijn voorbereid, maar een tweede magiër hadden ze niet verwacht. Zowel Puc als Owyn schreeuwde zijn spreuk, en met hun bezweringen grepen ze de vermoeide geesten van de beide Tsurani, hen met even groot gemak bewusteloos slaand als wanneer ze een zware hamer hadden gehanteerd.
Puc zette het op een lopen, met Owyn op zijn hielen, terwijl de twee Grootheden roerloos bleven staan, als aan de grond genageld. Toen zakten ze in elkaar.
Toen de barrière viel, werd de ruimte erachter zichtbaar. Zelfs de wetenschap dat er zich daar een draak bevond, had Owyn niet kunnen voorbereiden op wat hij nu zag. De draak was immens, veel groter dan het grootste levende wezen dat hij ooit had aanschouwd. Haar kop, ter grootte van een wagen, rustte op de stenen. Maar wat Owyn pas echt aan zijn zintuigen deed twijfelen was de huid van dit wezen: die was bedekt met edelstenen. Duizenden diamanten sierden het reusachtige lijf, van neus tot staart, met inbegrip van de enorme vleugels. En tussen die diamanten zaten genoeg robijnen, smaragden en saffieren om de draak een sprankelend, regenboog-achtig aanzien te geven. Haar ogen waren half geloken, en haar witte slagtanden staken als zwaardklingen uit een wolfachtige grijns.
Dank u, magiërs.
Puc zag een apparaat van Tsuranese makelij waarmee de barrière was opgericht. Er staken kleine stukjes kristal uit, die hij bekeek. 'Nu weten we meteen waarom Makala die robijn per se terug moest hebben.' Hij wees naar de machine. 'Die stenen met ongewone eigenschappen waar jij het over had, Owyn, werden gebruikt om dit toestel aan te drijven, en de Zes hadden de taak om het operationeel te houden. Met eenvoudige magie kon het orakel onmogelijk worden overmand.' Puc richtte zich tot de draak. 'Gorath en de anderen houden de wacht terwijl Owyn en ik met Makala afrekenen.'
U moet voortmaken. Hij handelt onbesuisd.
Puc en Owyn renden naar het gat in de muur, geslagen tijdens de strijd die de draak had gevoerd met een van de verschrikkelijkste wezens die er bestonden, een opperdrocht. Het gevecht had plaatsgevonden tijdens het hoogtepunt van de veldslag die een einde maakte aan de Grote Opstand, waarmee Murmandamus het Koninkrijk bedreigde.
Puc aarzelde. Hij had een lege grot verwacht, waarin hij zichzelf en Owyn een ogenblik in de tijd moest verschuiven om hen in dezelfde tijdfase als de Levenssteen te brengen. 'Goden!' riep hij uit. 'Makala heeft de Levenssteen hierheen verplaatst!'
De Tsuranese Grootheid stond voor een grote smaragdgroene steen die tot zijn middel reikte. Aan de bovenkant stak er een gouden zwaard uit. Het witte gevest leek van ivoor, met het embleem van een gouden draak erop.
De man in het zwarte gewaad draaide zich om. 'Milamber, ik ben onder de indruk. Ik had niet verwacht dat je langs al mijn verdedigings-stellingen kon komen. Ik hoop dat Zatapek en de anderen niet onnodig lang hebben geleden in hun pogingen om jou tegen te houden?'
Puc wist zijn woede amper te beheersen. 'Ze zijn gestorven als trouwe Tsurani, eervol en gehoorzaam, en volstrekt onwetend van jouw schandelijke onbetrouwbaarheid!'
'Spreek me niet van onbetrouwbaarheid, Milamber! Je hebt gezworen het keizerrijk te dienen, en toch hou je het bestaan van deze verschrikkelijke leugen voor ons verborgen!' Makala deed een stap naar Puc en Owyn toe en schreeuwde: 'Tien jaar geleden hield je je bezig met een strijd om de Vijand van onze werelden te weren - dat heb je de Assemblee tenminste verteld. Hochopepa en Shimone hebben die leugen zelfs bevestigd. Om dat verheven doel te steunen, zijn er zonen van grote Tsuranese huizen gesneuveld op deze vreemde wereld. En toch weigerde je ons te verklaren waarom deze stad zo belangrijk was, en waarom wij hier Tsuranees bloed moesten verspillen.' Op zachtere toon sprak hij verder: 'Toen ik naar jouw wereld kwam, heb je mijn vragen almaar ontweken, en toen ik uiteindelijk zelf op zoek naar de redenen ben gegaan, ontdekte ik deze grotten, met al hun valstrikken en magische afweermechanismen, en dat reusachtige beest in de grot hiernaast. Alles om mij en ieder ander die niet met jou te maken had hiervandaan te houden!' Zijn vinger priemde naar de Levenssteen. 'Je hebt de Vijand helemaal niet van deze wereld geweerd! Je hebt hem in die steen gevangen gezet, om op een dag los te laten tegen je eigen vijanden, misschien wel het keizerrijk Tsuranuanni!'
'Dat geloof je zelf toch zeker niet?' zei Puc.
'Niet alleen geloof ik dat, maar ik ben ook van plan ervoor te zorgen dat die dag nooit zal komen. Ik heb dit ding al bijna ontsloten, en als ik de werking ervan volkomen heb doorgrond, neem ik het mee naar de Heilige Stad, waar het blijft staan tot het keizerrijk het· nodig heeft om zichzelf te verdedigen.'
'Puc, hij is gek,' zei Owyn.
'Jongen, dit is geen gesprek voor kinderen,' kaatste Makala terug. Hij maakte een wegwuivend gebaar met zijn hand en Owyn werd achteruit geslingerd, alsof hij was geslagen. Op het laatste moment herkende hij de bezwering als een variant op degene die hij op Zatapek had gebruikt, en beschermde zichzelf tegen ernstig letsel. Niettemin kwam hij met een smak terecht op de stenen, zodat alle lucht hem uit de longen werd geslagen.
Puc draaide zich om. 'Je bent een moordzuchtige hond, Makala. Ik heb je ontvangen in mijn huis, en jij hebt mij en mijn vertrouwen verraden. Je hebt mijn dochter behandeld als een pion in een spel, en haar leven ernstig in gevaar gebracht. Voor dat feit alleen al heb je de dood verdiend. Maar bovendien zijn er duizenden gestorven opdat jij dit punt kon bereiken.'
'Des te meer reden dat ik in mijn opzet slaag, Milamber, want anders zijn ze tevergeefs gestorven. Maar zodra dit relikwie veilig in het keizerlijk paleis staat, zijn ze gestorven voor het welzijn van het keizerrijk.'
In het volle besef dat hij te maken had met een van de meest begaafde magiërs van de Assemblee, verzamelde Puc al wat hem aan macht restte.
Makala deed echter een stap achteruit. 'Ik vecht niet tegen jou, Milamber. Ik was erbij toen jij in je eentje de grote arena in Kentosani verwoestte. Ik koester geenszins de illusie jouw gelijke te zijn, ook niet in je verzwakte staat.' Hij draaide zich half om en wenkte met zijn hand.
Vanuit de schaduwen naderden twee grote, dreigende gedaanten met enorme vleugels. 'Eén nuttig ding dat mijn ontdekking van de wereld Timirianya me heeft opgeleverd, was de staf van een oude priester, ene Rlyn Skrr. Daarmee kan ik deze wezens bevelen.' Makala wendde zich tot de twee elementalen. 'Dood hen.'
Puc keek om naar Owyn. 'Ik kan de ene nemen, jij de andere, maar we kunnen niet tegelijkertijd tegen hen én tegen Makala vechten. Blaas op de hoorn!'
Owyn aarzelde geen moment en bracht de jachthoorn naar zijn lippen. Hij blies, en er zweefde een lange, klaaglijke toon door de lucht, die zowel op het gejank van een hond als een klaroenstoot leek.
Er stak een kille bries op in de grot, duidelijk van magische oorsprong, en plots stonden er naast Owyn twee jachthonden, gigantisch van gestalte, met kwijlende kaken en slagtanden zo groot als dolken. Hun ogen waren rood, en rond hun halzen hingen halsbanden met ijzeren pinnen. Ze stonden te wachten.
'Beveel ze aan te vallen, Owyn!' riep Puc.
'Wie?'
Puc keek Owyn aan, en in zijn ogen las de jonge magiër woede en haat. 'Makala!' schreeuwde hij.
Owyn stond op en wees naar de plotseling onzekere Tsuranese magiër. 'Pak hem!' commandeerde hij.
De honden sprongen naar voren. Puc draaide zich weer om naar een van de windelementalen, die inmiddels al vlak bij hem was, en diep van binnen rakelde hij de bezwering op die hij op Timirianya reeds tegen dit soort wezens had aangewend. Net als toen werd het wezen overspoeld door rondtollende gekleurde energiekralen, en bleef het als aan de grond genageld staan, een spookachtige jammerkreet slakend.
Owyn betoverde het andere wezen, en ook dat bleef roerloos staan.
Toen richtten ze hun aandacht weer op Makala. De Tsuranese Grootheid had een beschermingsschild opgetrokken tegen de reusachtige honden, die om hem heen slopen, duwend tegen het schild om een weg erdoor of eromheen te zoeken. Makala trok zich terug, en zo lang de honden hem bleven bestoken, kon hij niets uitrichten tegen Puc of Owyn.
Puc liep om de Levenssteen heen om te zien of die was beschadigd. Even nam hij de tijd voor een dankgebedje. Kennelijk was Makala er nog niet aan toe gekomen om in direct contact met de edelsteen te komen.
Daarop draaide hij zich om naar Makala, die nog steeds terugdeinsde voor de naar hem uitvallende honden. Ze konden niet bij hem komen, maar hun herhaaldelijke aanvallen waren hoogst onrustbarend.
Puc kwam naast een van de enorme beesten staan en schreeuwde: 'Makala, niet alleen heb je mij en mijn familie verraden, maar ook je eigen broederschap, met je onnadenkende hang naar een blind Tsuranees credo. Je nam niet eens de moeite om te bepalen wat het welzijn van het keizerrijk precies was. Als je er ook maar iets van had begrepen, dan zou je hebben geweten dat je met je plan het keizerrijk in het grootste gevaar had gebracht sinds de Vijand de Naties over de Gouden Brug had gedreven. Duizenden schepsels zijn gestorven vanwege jouw arrogantie en ijdelheid. Voor dit alles verdien je de doodstraf.'
Met een handgebaar deed hij een bezwering, waarmee hij Makala's beschermingsschild afpelde. Op het allerlaatste moment besefte de oudere magiër wat Puc had gedaan. 'Nee!' gilde hij, maar de honden sprongen al op hem af en begonnen hem aan stukken te scheuren. Hij was vrijwel op slag dood. De honden bleven scheuren aan zijn lijk en slingerden de stukken door de grot.
Terwijl de twee windelementalen langzaam uit het zicht verdwenen, kwam Owyn naderbij. 'Zijn verdiende loon.'
'Roep de honden terug,' zei Puc.
'Afl' riep Owyn, en de honden hielden op. Hij keek Puc aan. 'Wat doe ik met ze?'
Puc schudde zijn hoofd. 'Ik denk dat je ze alleen maar hoeft te zeggen terug te gaan naar waar ze vandaan kwamen.'
Dat deed Owyn, en de twee jachthonden losten op in het luchtledige. Hij haalde de hoorn van zijn schouder en zette hem op de grond. 'Dit is een verschrikkelijke macht om in bezit te hebben.'
Puc legde een hand op Owyns schouder. 'Alle macht is verschrikkelijk als er niet wijselijk gebruik van wordt gemaakt.' Hij wierp een blik op het verminkte lijk. 'Dat was eens een man met grote macht en aanzien. Beide heeft hij misbruikt. Vergeet dat nooit.'
'Dat zal ik ook nooit doen,' zei Owyn. 'Ik denk niet dat ik geschikt ben voor het magiërsleven.'
Puc wist zowaar een lachje op te brengen. 'Geschikt of niet, ik denk niet dat je er nog iets aan kunt veranderen. Je bent een jongeman met grote macht, Owyn.'
'Ik? Ik ben gewoon een knul die wat van u en Patrus heeft geleerd.'
'Meer,' zei Puc. Weer legde hij zijn hand op Owyns schouder. 'Toen wij met elkaar in verbinding kwamen te staan, heb jij veel van mijn kennis ontvangen. Je zult merken dat veel ervan nog jaren zal blijven liggen sluimeren, maar andere delen zullen zich vanzelf bij je aandienen. Wat je ook met je leven gaat doen wanneer je teruggaat naar je vaders hof, je zult een van de begaafdere beoefenaars van de magie op deze wereld zijn.'
'Daar zal ik dan wel even aan moeten wennen,' zei Owyn. 'Ik-'
Hun gesprek werd onderbroken door het kletteren van zwaarden en geschreeuw uit de andere grot.
Magiër; kwamen de gedachten van de draak, ik kan hen niet tegenhouden. Ik ben nog te zwak.
Puc keek om naar het gat tussen de beide zalen en zag iemand erdoorheen rennen. Even dacht hij dat het Gorath was, maar te laat kwam hij erachter dat het een andere moredhel betrof. Deze had een staf, die hij op Puc en Owyn richtte. Door een energie stoot werden ze beiden door de grot geslingerd. Puc sloeg zo hard tegen de muur dat hij sterretjes zag, en Owyns lucht werd hem andermaal uit de longen geslagen. Hij zag dat de moredhelse Machtswever door iemand anders van achteren werd neergeslagen, en zag Joolstein de grot in struikelen en zich ternauwernood omdraaien om de zwaardslag op te vangen van een andere moredhel, een krijger, die tevergeefs had getracht Joolstein bij de Machtswever vandaan te houden.
Ineens werd er volop gestreden in de zaal. Joolstein bevocht de moredhel, terwijl Robert zich trachtte te storten op een tweede Machtswever, die hem zich van het lijf poogde te houden met een zelfde staf als die waarmee Puc en Owyn waren aangevallen.
Versuft probeerde Owyn zich te concentreren opdat hij de anderen te hulp kon schieten, maar hij kon zijn gedachten niet richten. Hij ging naar Puc, die nog steeds op de grond lag, en hielp hem overeind. 'Ik begin dit een beetje zat te worden. Mijn rug doet er pijn van.'
Puc schudde zijn hoofd. 'Wat?'
Gorath vocht tegen Delekhan. De leider der moredhel droeg de zwarte helm van Murmandamus en een opzichtig zwart harnas met edelstenen op de borstplaat.
Gorath struikelde en verloor zijn evenwicht, en Delekhan gaf hem met zijn vrije hand zo'n harde klap in het gezicht dat de hoofdman van de Ardaniën achterover sloeg en languit op de grond viel.
Delekhan zag het verminkte lichaam van Makala en gnuifde zowaar van genoegdoening. Toen zag hij de Levenssteen.
Meteen besefte Puc dat hij er niet eerder dan de moredhel kon zijn. Makala was gevaarlijk geweest vanwege wat hij wist, maar de man die zichzelf had uitgeroepen tot leider van de moredhel was gevaarlijk vanwege wat hij niet wist. Hij zag het gouden zwaard en zijn ogen werden groot. 'Valheru!' riep hij. 'Dat is een zwaard voor een koning!'
Hij dook erop af, maar Gorath sprong hem op de rug en klemde zijn arm rond Delekhans keel.
Delekhan sloeg een hand rond het gevest van het zwaard, en plots galmde er een zoemend geluid door de grot. Delekhans ogen werden groot en hij begon te reutelen, maar niet omdat Gorath hem de keel dichtkneep. Er trachtte zich een geweldige macht in de moredhel te manifesteren.
Het zwaard kwam omhoog, en Gorath staakte zijn poging om Delekhan te doden. In plaats daarvan greep hij het gevest om het zwaard terug in de steen te duwen.
Puc schudde zijn hoofd en zag dat Joolstein en Robert nog steeds de grootste moeite hadden met hun tegenstanders.
'Wat moeten we doen?' vroeg Owyn.
'Gorath!' schreeuwde Puc. 'Aan de kant!'
'Kan niet!' riep Gorath terug. 'Dan trekt hij het zwaard los.' Beide moredhel worstelden, hun spieren en pezen op armen en schouders bol van de inspanning. Delekhans ogen werden onmogelijk groot, alsof ze bijna uit zijn schedel ploften. Zijn gezicht was rood aangelopen en het zweet gutste van zijn huid. Er verschenen vreemde trekken in zijn gezicht, alsof zijn voorkomen nu werd gebruikt door een andere persoon. 'Hij transformeert!' schreeuwde Puc.
'We moeten hem tegenhouden!' zei Owyn.
'Raak hem niet aan!' riep Puc boven het steeds harder wordende lawaai uit.
'We moeten hem helpen!'
'Dat kunnen we niet,' zei Puc. 'Jij moet mij helpen. We moeten hen allebei vernietigen.'
'Dat kan ik niet!' wierp Owyn tegen.
'Je moet!' schreeuwde Gorath. 'Mijn leven wordt bedreigd door oude krachten! Red mijn volk, Owyn! Red mij!'
Owyn knikte, en terwijl de tranen hem in de ogen sprongen, bewoog hij zijn handen in een complex patroon boven zijn hoofd. Puc herhaalde zijn bewegingen, en allebei tegelijk wezen ze naar de twee moredhel, die voor de Levenssteen in een strijd op leven en dood waren verwikkeld.
Uit de handen van de magiërs schoot een vlaag van hitte, en de beide moredhel werden getroffen door een witheet licht. Even stonden ze gedompeld in een oogverblindend heldere schittering, zo fel dat Roberts tegenstander zijn hoofd afwendde. Meteen maakte Robert daar gebruik van. Hij stapte naar voren en stak zijn dolk diep in de borst van de magiër. Robert draaide zich om, maar kon niet tegen het licht in kijken. Zijn ogen afschermend met zijn ene hand, sloeg hij de moredhelkrijger met wie Joolstein in gevecht was achter op het hoofd, zodat hij wankelde. Joolstein maakte hem af.
Een diep gekreun ontsnapte aan de twee gedaanten in het licht, en toen verdwenen ze, oplossend in het niets. Een ogenblik later flitste het licht uit.
De steen werd niet langer aangeraakt, en het zwaard bleef op zijn plaats.
Een doodse stilte daalde neer over de grot, en de vier mannen in de ruimte zegen ter plekke ineen, overmand door uitputting.
Owyn huilde.
'Ik geloof dat ik het begrijp,' zei Puc. Robert keek de zaal rond. 'Gorath?' 'Hij heeft ons allemaal gered.'
Robert knikte, zijn gezicht verbitterd. 'Ik zal de moredhel voortaan heel anders zien.'
Joolstein ging zitten. 'Het was soms een moeilijke metgezel, maar hij was wel... een vriend.'
Puc was te suf om zich te verroeren. 'Ik denk dat ik een week lang ga slapen.'
'Kom toch maar even op adem, mijnheer de Hertog van Sterrewerf,' zei Robert, 'want er is nog werk te doen.'
'Werk?' vroeg Puc.
Met een gemene grijns keek Robert hem aan. 'Ben je soms vergeten dat de steen weer op zijn plaats in de tijd moet worden teruggebracht? En dat er nog steeds een leger moredhel in het Schemerwoud zit? En dat we omringd worden door Delekhans voorhoedetroepen?'
'Ik doe mijn best al,' verzuchtte Puc.
'Als ze nu komen ben ik er geweest,' zei Owyn. 'Ik kan geen vinger meer uitsteken.'
'Nou,' zei Joolstein, 'maar als we dit willen overleven, zal ik niet doodgaan omdat ik te moe ben om mezelf te verdedigen. Kan een van jullie magiërs niet iets bedenken?'
'Ja, ik,' zei Puc. 'Help me overeind.'
Robert bood hem een helpende hand. 'Wat ga je doen?'
'Met dat beetje kracht dat we nog hebben, mijn vrienden, gaan we een toneelstukje opvoeren.'
Joolstein knipperde met zijn ogen. 'Ik ben niet goed meer bij mijn hoofd. Ik dacht toch even dat ik je hoorde zeggen dat we een toneelstukje gingen opvoeren.'
'Dat zei ik ook,' zei Puc. 'Kom mee.'
Drie uitgeputte mannen keken elkaar verwonderd aan, en volgden de vreemde kleine man in het zwarte gewaad.
Moraeulf was furieus. Al twee dagen achtervolgde hij prins Caelin en Langboog, en nog steeds had het niet tot een treffen kunnen komen. De moredhel waren in de meerderheid, maar hier, in de dichte bossen, hadden de eledhel en hun duivelse mensenvriend niettemin de overhand.
Het enige voordeel van deze hele kwestie was dat ze tijdens de achtervolging dicht bij de stad Sethanon waren geraakt. Moraeulf wachtte op zijn vaders bevelen, en hij had gehoord dat de scheuringsmachine op een of andere manier onklaar was gemaakt. Daarvoor zou menig hoofd op een staak worden gezet, en Moraeulf was vastbesloten dat het zijne daar niet bij zou zijn.
'Meester, er komen koeriers aan.'
Hij verwachtte zijn eigen verkenners te zien, die het spoor van de eledhel hadden gevolgd, maar in plaats daarvan naderden er twee leden van zijn vaders erewacht, vies, moe, en duidelijk bijna in paniek. 'Wat is er?' vroeg hij hun.
'Een ramp! Op de muren van Sethanon!'
'Zeg op!' schreeuwde Moraeulf.
'Drie dagen geleden vonden we een weg de stad in, en liet onze meester ons alleen bij de achterpoort van het kasteel. Bijna een hele dag was hij verdwenen. Toen kwam er een geweldig geluid van diep in de aarde, en toen zagen we iets verschrikkelijks op de kantelen van het kasteel.'
Moraeulf greep een van de wachters bij het hemd. 'Zeg me wat je hebt gezien!'
De ander gaf antwoord. 'Op de kantelen zagen we uw vader, en hij had Murmandamus bij zich. Ik weet zeker dat hij het was, want hij droeg geen hemd, en hij had het drakenteken. Hij was broodmager, alsof hij uitgehongerd was, en bleek, alsof hij ondergronds was vastgehouden, maar hij was het wel. Daar viel niet aan te twijfelen. Hij schreeuwde, en we konden zijn stem horen, naar ons gedragen door magie, zoals we hem tien jaar geleden ook konden horen, heer, en het was zijn stem.'
'Ja,' beaamde de andere wachter. 'Het was Murmandamus. En tussen hem en uw vader stond de mensenprins, Arutha, als hun gevangene. Murmandamus zei dat hij nu eindelijk de profetie zou vervullen door de Heer van het Westen te doden, maar toen hij zijn zwaard ophief...'
'Wat?' schreeuwde Moraeulf. Hij sloeg de krijger, die op de grond viel. 'Zeg het me, of sterf,' zei hij tegen de andere.
'Mijn heer, achter hem verrees een grote draak, groter dan iemand ooit heeft gezien. Hij fonkelde van het licht in allerlei kleuren, en op zijn rug zat een magiër in het zwart. Die schreeuwde dat Murmandamus een valse profeet was, en dat de profetie eveneens vals was, en toen spuwde de draak een straal vuur, zo heet dat wij het op de grond nog konden voelen. Heer, uw vader en Murmandamus verschrompelden voor onze ogen, terwijl de Heer van het Westen, de mensenprins Arutha, daar ongedeerd bleef staan!'
Moraeulf brulde van razernij en gaf de man een dreun. 'Die vervloekte magiërs met hun profetieën!' Hij keek naar de zes krijgers uit zijn eigen gelederen die bij hem stonden. 'Verspreid het bericht,' beval hij hun. 'We keren terug naar het noorden. Deze waanzin is voorbij!'
De acht moredhel renden weg om het bevel door te geven. Moraeulf draaide zich om voor de terugweg naar zijn hoofdkamp.
Hij had nog maar een paar stappen gezet toen er iemand uit· de duisternis te voorschijn trad en vroeg: 'Mijn heer?'
'Wat?' snauwde Moraeulf. Te laat besefte hij dat hij de naderende man kende, en met die herkenning kwam de pijn van de dolk waarmee Narab de zoon van zijn vijand doodstak. Met open mond van ongeloof zakte Moraeulf op zijn knieën en viel voorover op de grond.
'Ons deel zit erop,' klonk een stem van verderop langs het pad.
Narab draaide zich om. 'En ik zal het mijne doen.'
Martin Langboog en de elfen kwamen tussen de bomen vandaan.
'Mijn familie is gewroken,' zei Narab, 'en ik zal ons volk naar huis leiden.'
'We zullen geen van jullie lastig vallen, zolang jullie noordwaarts trekken,' zei de Hertog van Schreiborg. 'Keer nooit meer in het zuiden terug.'
'Liallan en haar Sneeuwpanters en mijn eigen clan vormen nu de macht in het Noordland,' zei Narab. 'Zolang wij heersen, blijven we aan onze kant van de bergen.' Toen wees hij met een priemende vinger naar Martin en de elfen. 'En jullie zouden er goed aan doen om ook aan jullie kant te blijven.' Hij draaide zich met een ruk om en verdween.
Martin keek een van de elfen aan. 'Laten we naar Sethanon gaan om uit te zoeken welk mysterie er schuilgaat achter het wonder dat we zojuist hebben gehoord. Ik zou van Puc wel eens willen horen hoe het komt dat Murmandamus lang genoeg uit zijn graf is opgestaan om nog een keer gedood te worden.'
De elf knikte, en op zijn gezicht stond zijn eigen nieuwsgierigheid te lezen.
Martin begon in zuidelijke richting te lopen. 'Als mijn broer komt, treft hij in ieder geval zijn Koninkrijk heel aan. Ik denk dat hij daar wel blij mee zal zijn.'
Martin Langboog, broer van prinsen en koningen, hing het wapen waaraan hij zijn naam te danken had over zijn schouder en neuriede een deuntje. Hoe het precies was gebeurd wist hij niet, maar wel dat ze hadden gewonnen, en ook dat er voorlopig voor zijn vrouwen dochter weer een toekomst bestond. Dat was reden genoeg om een deuntje te neuriën. De bijzonderheden kwamen later wel.