2 Bedriegerij
De soldaat wuifde hen verder.
'Jullie mogen naar binnen,' liet hij Joolstein weten.
Joolstein nam zijn metgezellen mee naar de wachtruimte van het kasteel. Ze waren het kasteel te voet genaderd, na een ochtendklim over een lange kronkelweg vanaf de stad. Nu was hij dubbel zo blij dat ze de nacht in de stad hadden doorgebracht. Zijn ribben deden nog steeds pijn, maar na twee maaltijden en een nacht slapen in een relatief warm bed voelde hij zich dubbel zo fit als de vorige dag.
De kapitein van de kasteelwacht keek op toen ze binnenkwamen. 'Jonker Joolstein, nietwaar?'
'Klopt, kapitein Belford,' antwoordde Joolstein, de hand van de kapitein drukkend. 'We hebben elkaar ontmoet toen ik een paar maanden geleden op weg naar het noorden was.'
'Dat weet ik nog,' zei de kapitein met een besmuikt glimlachje. Hij had de geruchten omtrent de reden van zijn verbanning naar het noorden kennelijk vernomen. 'Wat kan ik voor u doen?'
'Ik zou de graaf graag even spreken, als hij tijd heeft.'
'Hij zou u vast met plezier willen ontvangen, heer, maar de graaf is er niet,' zei de legerveteraan. 'Hij is op stap met een troep mannen, allemaal van Tsuranese afkomst, en ik mag hier de zaken regelen.'
'En de gravin?' informeerde Joolstein naar Kasumi's vrouw.
'In de stad, winkelen en op bezoek bij haar familie.' Graaf Kasumi was getrouwd met de dochter van een van de welvarendste kooplieden van LaReu. 'Als u iets wilt regelen, mag u wachten tot een van beiden terugkomt, of u kunt het mij vragen, jonker. Zo lang het maar geen gewapend escorte betreft.'
Joolstein trok een grimas. 'Ik had willen vragen of we door een aantal mannen naar Ylith konden worden gebracht.'
'Ik wou dat ik u kon helpen, jonker, en als u een volmacht van de prins kon laten zien, zou ik een stuk of twaalf zwaarden voor u bij elkaar schrapen, maar de graaf is bezig met de opleiding van rekruten, ik heb mijn patrouilles langs de grens en de rest van de jongens zijn op zoek naar een zooitje Tsuranese vogelvrij en.'
'Vogelvrijen?' vroeg Owyn.
Joolstein had tegen zijn metgezellen niets over de grijze krijgers gezegd. 'Ik heb de geruchten gehoord,' zei hij slechts.
De kapitein beduidde hun plaats te nemen. Owyn moest blijven staan, aangezien Gorath en Joolstein de enige vrije stoelen in het kantoor in beslag namen. 'Waren het maar geruchten,' zei Belford. 'Kent u die Tsuranese magiër, die Makala?'
'Alleen van reputatie,' antwoordde Joolstein. 'Een paar weken na mijn vertrek, nu een paar maanden geleden, werd hij in Krondor verwacht. De andere Tsuranese Grootheden hadden het wel eens over hem, maar aangezien het niet erg spraakzame lieden zijn, heb ik niet veel over hem vernomen. Hij heeft veel invloed in hun Assemblee van Magiërs, zet zich in voor het stimuleren van de handel en wat de prins geloof ik noemt de "culturele uitwisseling" tussen het Keizerrijk Tsuranuanni en het Koninkrijk, en hij kwam persoonlijk op bezoek.'
'Ja, dat kwam hij inderdaad,' zei de kapitein. 'Een paar dagen geleden heeft hij de graaf een bezoekje gebracht. Dat doen alle Tsurani van enige rang, aangezien de vader van de graaf op de Tsuranese wereld een erg belangrijk persoon is, dus dat zien ze als een plicht.' Met een geschoeide hand wreef de oude kapitein over zijn stoppelbaard. 'De Tsurani hebben een erg sterk ontwikkeld plichtsgevoel, heb ik geleerd in mijn tijd bij de graaf. Maar hoe dan ook, ze zijn een paar dagen hier geweest; Makala, wat andere Zwarte Gewaden, een erewacht, dragers en de hele mikmak, en het schijnt dat sommige dragers eigenlijk geen dragers waren, maar een soort onteerde krijgers uit het keizerrijk.'
'Grijze krijgers,' verduidelijkte Joolstein. 'Ik heb het gehoord.' Dat verklaarde meteen hoe de grijze krijgers door de scheuring waren gekomen, dacht hij. Vermomd als dragers.
'En daar zijn mijn jongens naar op zoek. Ze zeggen dat ze naar het oosten zijn gevlucht. Als ze over de bergen in het Schemerwoud weten te komen, vinden we hen nooit meer terug.'
'Vanwaar al die ophef?' vroeg Owyn. 'Zijn het slaven of contractarbeiders?'
'Jonker?' zei de kapitein nadrukkelijk.
'Dit is de zoon van de Baron van Timons,' verklaarde Joolstein.
'Welaan dan, jonge heer,' antwoordde de kapitein, 'op hun eigen wereld zijn die mannen een soort vogelvrij verklaarden, wat ik op zich geen reden vind om mijn jongens achter hen aan te sturen, maar ze hebben hier iets waardevols van deze Makala gestolen, een zeldzame robijn, heb ik begrepen, en hij maakt zich daar zo druk over dat je haast zou denken dat hij hem van de goden zelf heeft geleend en dat hij hem volgende week terug moet brengen. Dus de graaf, gedeeltelijk uit beleefdheid en gedeeltelijk omdat hij als Tsuranu gewend is op te zitten en pootjes te geven zodra er een van die Zwarte Gewaden met zijn vingers knipt, laat ons de heuvels uitkammen naar die smeerlappen.'
Joolstein glimlachte naar Owyn, als om hem te vragen of zijn vraag voldoende was beantwoord.
De kapitein keek naar Gorath, alsof hij verwachtte dat deze iets zou zeggen, maar Gorath hield zijn mond. Joolstein wist niet of de kapitein hem als moredhel herkende of hem voor een elf hield, en zag er de noodzaak niet van in hem het een en ander uit te leggen. 'Waar heeft u een escorte voor nodig, als ik zo brutaal mag zijn?'
'We hebben wat problemen gehad; antwoordde Joolstein. 'Iemand heeft Quegse zwaarden gehuurd om te voorkomen dat wij Krondor bereiken.'
De kapitein wreef weer over zijn kin en dacht een tijdlang na. 'Eén ding kan ik wel doen. Er moet nog een patrouille naar de grens met de Vrijsteden. Jullie zouden mee kunnen reizen tot de jongens bijna halverwege LaReu en Zuen afslaan naar het westen. Dan zijn jullie een deel van de weg in veiligheid.'
Joolstein was een tijdlang stil. 'Ik heb een beter idee.'
'Wat dan?' vroeg kapitein Belford.
'Als u drie mannen kunt uitzoeken die in onze plaats opvallend door de zuidpoort de stad verlaten, gaan wij in oostelijke richting over de bergen en dan over de oostelijke bergweg, waar ze ons niet verwachten, naar Krondor.'
'Een list?' vroeg de kapitein.
'Eentje die ik heb geleerd van de prins,' zei Joolstein. 'Tijdens de Oorlog van de Grote Scheuring heeft hij er goed gebruik van gemaakt. Als u de lui die op ons loeren lang genoeg kunt afleiden, zodat wij aan de andere kant van de bergen kunnen komen, moeten we de rest van de reis veilig kunnen afleggen.'
'Dat kan ik wel regelen.' Hij wierp een blik op Owyn en Gorath. 'Ik heb wel een paar mannen die voor jullie door kunnen gaan, als de vent in de rol van uw elfenvriend hier zijn kap op houdt.' Hij stond op. 'Ik zal de avondpatrouille laten stoppen bij uw logement.' Vragend keek hij hen aan.
'Herberg Het Blauwe Wiel.'
Belford glimlachte. 'Bij Sumani. Laat u niet beetnemen door die vriendelijke glimlach van hem, het is een taaie rakker. Als. u in de gelegenheid bent, vraag hem dan maar eens naar zijn vechttrucjes. Voor een paar munten maakt hij wel tijd vrij. Zijn besluit om niet in dienst te blijven was een groot verlies voor ons.'
De kapitein vertrok en keerde korte tijd later terug. 'Het is geregeld. Ga terug naar de stad en laat mogelijke achtervolgers zien waar u heen gaat. Houdt u tot vanavond schuil in de herberg, dan zorg ik voor drie paarden in de stal.' Hij overhandigde Joolstein een stuk perkament. 'Dit is een vrijgeleide. Als een van onze jongens op de weg naar het oosten u tegenhoudt, wordt hij hiermee op andere gedachten gebracht.'
Joolstein stond op. 'Bedankt, kapitein. U hebt ons goed geholpen. Als ik iets voor u kan doen wanneer u de volgende keer in Krondor bent, laat het me dan maar weten.'
De oude kapitein glimlachte en wreef andermaal over zijn kin. 'Nou, u zou me misschien kunnen voorstellen aan die jonge koopmansvrouw door wier toedoen u hier terecht bent gekomen.'
Owyn grijnsde en Gorath bleef onbewogen toen Joolstein blozend een grimas trok. 'Ik zal zien wat ik kan doen.' Ze verlieten het kantoor.
'Gaan we lopen?' vroeg Owyn.
'We gaan lopen,' antwoordde Joolstein terwijl ze op weg gingen naar de hoofdpoort van het kasteel. 'Maar in ieder geval is het nu bergaf.'
'Dat is in feite nog vermoeiender,' merkte Gorath op.
Joolstein vloekte. 'Het was een grapje.'
'O ja?' zei Gorath, zo droog dat het even duurde voordat Owyn besefte dat hij Joolstein pestte. Owyn hield zijn lachen in en ze begonnen aan de terugweg naar de stad.
Joolstein glipte door de deur hun kamer binnen. Zonder te zijn geschrokken keek Gorath op, maar Owyn sprong van het bed. 'Waar heb je gezeten?'
'Ik ben wezen rondneuzen. Hierboven blijven zitten was misschien verstandiger geweest, maar er kietelt mij iets.'
Gorath keek hem aan, maar zei nog steeds niets.
'Er kietelt je iets?' vroeg Owyn.
Joolstein glimlachte. 'Het zal wel komen door al die jaren in verkeerd gezelschap, maar de meldingen over die grijze krijgers en een Tsuranese Grootheid die met alle geweld een gestolen edelsteen terug wil hebben, zetten mij aan het denken. Als ik iets op een andere wereld had gestolen, wat zou ik er dan mee doen?'
'Hangt ervan af wat het is, denk ik,' zei Owyn.
Gorath knikte even met het hoofd, maar bleef zwijgen.
'Dan zou er plaatselijk contact moeten zijn met iemand die wist waar je waardevolle voorwerpen kunt slijten.'
'En jij verwacht die persoon midden in deze drukke stad te vinden en via hem in contact met de dieven te komen?' vroeg Gorath.
'Nee,' antwoordde Joolstein, de vraag wegwuivend. 'De kapitein zei dat het gestolen voorwerp een edelsteen is, en op Kelewan hoeft dat niet zo'n schok te zijn. Er is op die wereld niet veel van waarde dat hier een hoge prijs oplevert en ook nog eens makkelijk te vervoeren is. Dus naar mijn idee is de beste manier om naar dat juweel te zoeken, eerst uit te vinden waar dat ding hoogstwaarschijnlijk terechtkomt.'
'Een heler?' vroeg Owyn.
'Nee, want als de robijn genoeg waard is om een bende wanhopige vogelvrij en een nieuwe start op een vreemde wereld te bieden, zou het iemand moeten zijn met een wettige onderneming, waarmee hij de verplaatsing van dergelijke goederen kan maskeren.'
'Zo te horen heb jij meer verstand van dat soort ondernemingen dan goed is voor een edelman van jouw ras,' merkte Gorath op.
'Ik zei toch dat ik te lang in verkeerd gezelschap had vertoefd? Nadat ik een paar keer iets te drinken had gekocht, kwam ik erachter dat er een koopman met een verre van vlekkeloze reputatie is die handelt in juwelen, edelstenen en andere luxe artikelen. Zijn naam is Kiefer Alescook.'
'Van wie heb je dat gehoord?' vroeg Owyn.
'Van onze gastheer,' antwoordde Joolstein. Met een handgebaar gaf hij aan dat het tijd was om te vertrekken. Ze stonden op, pakten hun spullen en liepen de trap af naar de gelagkamer. Sumani gedag zwaaiend gingen ze de deur uit. Eenmaal buiten de herberg gaf Joolstein te kennen dat ze de hoek om moesten, naar het stalerf naast de herberg. Binnen troffen ze drie mannen, elk met de teugels van twee paarden in de hand.
'Vlug, mantels ruilen!' zei de een.
Ze waren van gelijke lengte als Joolsteins gezelschap. Als de man die de rol van Gorath op zich nam al enig idee had voor wie hij zich uitgaf, dan hield hij die gedachten voor zich. Hij overhandigde Gorath een wijde blauwe mantel en nam de donkergrijze van de moredhel in ontvangst. Ook de anderen wisselden van mantel en Joolstein pakte de teugels van een van de paarden.
Tegen de tijd dat de drie valse reizigers waren opgestegen, kondigde hoefgetrappel de komst aan van de patrouille die vanavond nog op weg ging naar Zuen. Van buiten de poort van het stalerf riep een sergeant: 'Hier is uw escorte naar het zuiden, jonker Joolstein!'
'We komen!' riep Joolstein keurig terug en knikte naar de drie in hun mantels gestoken mannen, die wegreden en zich aansloten bij de voorhoede van de colonne. Joolstein wachtte een paar minuten en zei: 'Owyn, rij naar buiten, sla linksaf en ga rechtstreeks de poort uit. Een mijl buiten de stad blijf je wachten. Gorath en ik komen iets later achter je aan.'
Gorath gromde goedkeurend. 'Zodat iemand die is blijven wachten geen drie ruiters ziet.'
Joolstein knikte.
'Hou even vast, alsjeblieft.' Owyn gaf zijn gevechtsstok aan Joolstein, klom in het zadel en nam de lange eikenhouten staf weer in ontvangst. Met een handige beweging slingerde hij hem over zijn schouder, stak hem in zijn gordel en draaide hem een stuk, zodat hij over zijn schouders en rug hing, zonder hemzelf of het paard te veel te hinderen.
Gorath steeg soepel op, al leek hij slecht op zijn gemak. 'Niet veel gereden?' vroeg Joolstein terwijl Owyn vertrok.
'Nee. Een tijd geleden alweer, een jaar of dertig.'
'Weinig paarden in het Noordland?'
'Weinig wat -dan-ook in het Noordland,' antwoordde Gorath zonder bitterheid.
'Dat weet ik nog.'
Gorath knikte. 'Armengar heeft ons veel gekost.'
'Niet genoeg,' zei Joolstein. 'Jullie konden nog steeds langs Hoogstein komen.'
Gorath wees met zijn kin. 'We moeten gaan.' Zonder op Joolstein te wachten gaf hij zijn paard de sporen en reed naar buiten.
Na een korte aarzeling ging Joolstein hem achterna en haalde de zwarte elf in, soepel rijdend door het voetverkeer van de stad. Mannen repten zich naar huis voor het avondmaal terwijl aan alle kanten de winkels werden gesloten. Reizigers, pas binnen van de heerbaan, haastten zich naar een herberg om zo spoedig mogelijk het reis stof weg te spoelen met bier. Op de straathoeken verschenen de eerste vrouwen van de nacht.
Door de poortwachters genegeerd reden Joolstein en Gorath de stad uit en maanden hun paarden tot galop. Even later zagen ze Owyn langs de kant van de weg zitten.
Toen ze bij hem waren, draaide hij zich om en vroeg: 'En nu?'
Joolstein wees naar een groep bomen even verderop. 'Een koud kamp, helaas, maar bij het eerste licht rijden we een paar mijl naar het noorden. Daar ligt een mijnweg die door de bergen naar het oosten loopt. Die nemen we en aan de andere kant slaan we zuidwaarts af Met een beetje geluk zijn we de achtervolgers van onze vriend hier kwijt en kunnen we veilig over de Koningsheerbaan ten zuiden van Queesters Panorama.'
'Dan komen we toch uit in de buurt van Lorièl?' zei Owyn.
'Ja,' beaamde Joolstein met een glimlach, 'dus zijn we meteen in de gelegenheid voor een bezoekje aan ene Kiefer Alescook.'
'Waarom zouden we ons eigenlijk met deze kwestie bemoeien?' vroeg Gorath. 'We moeten zo snel mogelijk naar Krondor.'
'Dat gaan we ook, en een paar minuutjes praten met meester Alescook kan ons zeer ten goede komen. Mochten we die gestolen edelsteen ontdekken, dan komen we in de gunst bij prins Arutha, want ik wed dat hij zich graag een hoffelijk gastheer toont aan de magiërs van Kelewan.'
'En zo niet?' vroeg Owyn terwijl ze naar de bossen reden.
'Dan moet ik alsnog een overtuigende reden zien te verzinnen waarom ik zonder zijn toestemming Tyr-Sog heb verlaten om terug te komen met niet meer dan deze moredhel en een onwaarschijnlijk verhaal.'
Owyn slaakte een diepe zucht. 'Nou, verzin jij iets om aan mijn vader te vertellen als ik thuis kom, dan zal ik iets bedenken voor de prins.'
Hierop begon Gorath te grinniken.
Owyn en Joolstein keken elkaar aan en in de avondschemering schudde Joolstein zijn hoofd. Hij had nooit gedacht dat de onzalige elfen gevoel voor humor hadden.
De wind was koud in de passen. Met het naderen van de winter kleefde op de hoogten boven hen de sneeuw reeds vast aan de rotsen, en de gaten in de weg lagen al vol ijs, waardoor het glad was. Ze reden langzaam, Joolstein en Owyn allebei met hun mantel strak om zich heen geslagen. Gorath hield zijn kap op, maar scheen verder geen last van de kou te hebben.
'Hoe ver nog?' vroeg Owyn klappertandend.
'Nog maar een half uur minder dan de vorige keer dat je het vroeg,' antwoordde Joolstein.
'Jonker,' zei Owyn, 'ik heb het koud.'
'O ja? Wat raar.'
Gorath hief zijn hand op. 'Stil,' zei hij zachtjes, net verstaanbaar voor zijn metgezellen. Hij wees verderop. 'Tussen de rotsen,' fluisterde hij.
'Wat?' vroeg Joolstein op gedempte toon.
Gorath wees slechts en stak vier vingers op.
'Misschien zijn het bandieten,' fluisterde Owyn.
'Ze spreken mijn taal,' zei Gorath.
Joolstein zuchtte. 'Dus ze houden alle wegen in de gaten.'
'Wat doen we nu?' vroeg Owyn.
'Hen doden,' zei Gorath en trok zijn zwaard. Hij gaf zijn paard de sporen en vrijwel onmiddellijk reed Joolstein achter hem aan.
Vlug trok Owyn zijn staf los, stak hem als een lans onder zijn arm en zette zijn paard in beweging. Hij hoorde een schreeuw toen hij rond een bocht in het pad uitkwam op een verbreding in de weg, waar Gorath in galop langs een stervende zwarte elf reed.
De andere drie lieten zich niet zo makkelijk overrompelen en zochten hoger terrein op, waar de paarden hen niet konden volgen. Joolstein aarzelde geen moment en met een beweging waar Owyn van schrok, zette hij zijn voeten op zijn zadel, sprong van zijn galopperende paard en sloeg een moredhel van het rotsblok dat hij aan het beklimmen was.
Rechts van hem zag Owyn een andere zwarte elf zich omdraaien, snel zijn boog spanklaar maken en een pijl pakken uit de koker aan zijn heup. Zijn paard tot grotere spoed manend zwaaide Owyn met zijn staf en trof de boogschutter onder de knie. De benen van de schutter werden onder hem vandaan gemaaid en hij sloeg met zijn achterhoofd tegen de rotsen. Owyns rijdier schrok van de plotselinge beweging vlak bij zijn hoofd en steigerde, en met een kreet viel Owyn achterover uit het zadel. Hij kwam terecht op iets zachters dan rotsen en de klap ging gepaard met een gesmoorde kreun, die hem zei dat hij boven op de reeds gewonde zwarte elf was beland. Alsof hij door vlammen werd geschroeid, sprong hij overeind en kroop achteruit weg. Ineens kreeg hij een schop van zijn paard. Het dier was gekeerd en vluchtte het pad af. 'Hé!' riep Owyn, alsof hij zijn ros kon bevelen te blijven staan. Toen besefte hij dat er een gevecht gaande was. De tweemaal getroffen moredhel probeerde al op te staan. Owyn keek rond naar een wapen en zag de boog van de gevallen schutter. Vlug raapte hij hem op, pakte hem vast als een knuppel en gaf de moredhel uit alle macht een dreun op zijn hoofd. De boog sloeg stuk en het hoofd van de krijger schoot met een ruk naar achteren. Owyn was er zeker van dat hij niet meer op zou staan.
De jonge magiër keek om en zag Joolstein overeind komen van een gedode zwarte elf. Ook Gorath stond bij een gesneuvelde vijand. Hij draaide zich om en keek naar alle kanten, alsof hij een nieuwe vijand zocht. Even later borg hij zijn zwaard op. 'Ze waren alleen.'
'Hoe weet je dat?' vroeg Joolstein.
'Ze zijn van mijn volk,' antwoordde Gorath, ogenschijnlijk zonder bitterheid. 'Het is zeer ongebruikelijk om met zo veel samen zo ver ten zuiden van onze gebieden te trekken.' Hij gebaarde naar een kampvuurtje. 'Ze hadden ons niet verwacht.'
'Maar wat deden ze dan hier?' vroeg Joolstein.
'Op iemand wachten?'
'Op wie dan?' vroeg Owyn.
In het late middaglicht keek Gorath rond alsof hij iets zag op de toppen in de verte of tussen de rotsen aan weerszijden van het pad. 'Weet ik niet. Maar ze zaten hier wel te wachten.'
'Waar is je paard, Owyn?' vroeg Joolstein.
Owyn keek over zijn schouder. 'Daarginds ergens. Ik ben eraf gevallen.'
Gorath glimlachte. 'Ik zag je neerkomen op hem daar.' Hij knikte naar het lijk.
'Ga vlug het pad af om te zien of je hem kunt vinden,' zei Joolstein. 'Als hij terug naar LaReu is, moeten we om beurten rijden. Ik wil geen onnodige vertraging oplopen.'
Terwijl Owyn wegrende, opperde Gorath: 'Waarom laat je hem hier niet achter?'
Joolstein bestudeerde het gezicht van de moredhel als om hem te peilen. 'Zo gaan wij niet met elkaar om,' zei hij tenslotte.
Gorath lachte spottend. 'Mijn ervaring met jouw soort heeft me anders geleerd.'
'Dat kan dan wel zijn, maar zo ga ik niet met hem om.'
Gorath haalde zijn schouders op. 'Daar kan ik mee leven.' Hij begon het lijk aan Joolsteins voeten te onderzoeken. 'Dat is interessant,' zei hij en hield Joolstein iets voor.
'Wat is dat?' vroeg Joolstein, kijkend naar een merkwaardig blauw getinte steen met facetten.
'Een sneeuwsaffier.'
'Saffier?' riep Joolstein uit. 'Maar hij is zo groot als een ei!'
'Zo waardevol is hij nu ook weer niet,' zei Gorath. 'Ze komen veel voor ten noorden van de Tanden van de Wereld.'
'Maar wat is het dan? Een aandenken?'
'Mogelijk, maar als onze krijgers ons land verlaten, nemen ze zo weinig mogelijk mee. Wapens, proviand, extra boogpezen, maar verder niet veel. We kunnen ons makkelijk in leven houden met het voedsel dat we vinden.'
'Misschien zijn dit geen krijgers; opperde Joolstein. 'Misschien wonen Ze hier in de buurt.'
Gorath schudde zijn hoofd. 'De laatsten van mijn volk ten zuiden van de Tanden van de Wereld woonden in de Grijze Torens en na de komst van de Tsurani zijn ze naar het Noordland gevlucht. Sinds de stichting van het Koninkrijk heeft er niemand van mijn ras meer zo dicht bij de Bitterzee gewoond. Nee, ze behoren dan wel niet tot mijn clan, maar ze komen wel degelijk uit het Noordland.' Hij stak het juweel in de buidel aan zijn gordel en ging verder met het onderzoeken van de lijken.
De tijd verstreek en eindelijk verscheen Owyn, zijn paard aan de teugels meevoerend. 'Wat zijn paarden toch rotbeesten,' tierde hij. 'Ik moest hem helemaal achterna tot hij het spelle* beu was.'
Joolstein glimlachte. 'Val er dan ook niet vanaf.'
'Dat ben ik niet meer van plan, nee,' mopperde Owyn.
'We kunnen hen hier niet laten liggen,' zei Gorath, wijzend naar de vier dode moredhel. Hij pakte er een op, droeg hem een stukje over het pad en wierp het lijk zonder plichtplegingen in een ravijn.
Owyn keek Joolstein aan. De jonge magiër bond de teugels van zijn paard aan een struik en pakte de dichtstbij liggende dode bij de voeten terwijl Joolstein hem bij de schouders greep.
Weldra waren alle vier de lichamen toevertrouwd aan het honderd el diepe ravijn. Joolstein steeg op, evenals Gorath en Owyn. Voorlopig sloegen ze geen acht meer op het vraagstuk wat deze moredhel op deze eenzame plek hadden verwacht, en reden verder.
Lorièl kwam in zicht, een klein stadje, eigenlijk een groot dorp, beschut gelegen in een brede oostwaarts lopende vallei. Vanuit het zuiden kwam er een andere vallei op uit.
'We moeten iets te eten hebben,' zei Gorath.
'Een feit waarvan mijn maag maar al te goed op de hoogte is,' merkte Joolstein op.
'Niet dat ik zo'n haast heb om mijn vader te ontmoeten, maar dit lijkt me toch een grote omweg, jonker,' vond Owyn.
Joolstein wees naar de vallei in het zuiden. 'Daar loopt een weg in een kaarsrechte lijn naar Haviksholte. Daarvandaan kunnen we kiezen: zuid langs een smal bergpad of zuidwest terug naar de Koningsheerbaan.'
'En dan naar Krondor?' vroeg Gorath.
'En dan naar Krondor,' beaamde Joolstein. 'Iets in dit alles doet wat mijn vriend Robbie zijn "narigheidsknobbel" noemt kriebelen, alsof ik daar door vlooien word belaagd. Gorath, die gestolen robijn, die Tsuranese magiër, het is allemaal... meer dan toeval.'
'Hoezo?' vroeg Owyn.
'Als ik dat wist, hoefden we hier niet te stoppen voor een bezoekje aan meneer Alescook,' zei Joolstein. 'Misschien dat hij iets weet of iemand kent die een idee heeft wat er aan de hand is, maar hoe meer ik over dit raadsel nadenk, des te meer gaat het me storen dat ik niet begrijp wat erachter zit. Dus óf we zoeken het uit, óf we sterven bij de pogingen daartoe.'
Owyn maakte niet bepaald een opgewekte indruk bij het horen van die tweede mogelijkheid, maar hij zei niets. Gorath keek slechts naar het stadje terwijl ze omlaag reden naar de kleine wachtpost langs het pad.
Een stadswachter van gevorderde leeftijd en aanzienlijke omvang hief zijn hand op. 'Halt!'
De drie hielden de teugels in en Joolstein informeerde: 'Wat is er?'
'We hebben hier de laatste tijd nogal wat last van vogelvrijen gehad, mijn jongen, dus vertel maar eens even wat jullie hier doen.'
'We zijn op reis naar het zuiden en komen proviand inslaan,' verklaarde Joolstein.
'En wie mag jij dan wel niet zijn, dat je zomaar uit de bergen aan komt rijden?'
Joolstein haalde het perkament te voorschijn dat hij van kapitein Belford had gekregen. 'Hierin staat alles wat u dient te weten, wachter.'
De man nam het document aan en tuurde ernaar. Joolstein begreep dat de stadswachter niet kon lezen, maar dat hij deed alsof hij de tekst uitgebreid bestudeerde. Uiteindelijk overtuigd door het grote lakzegel aan de onderkant gaf de wachter het perkament terug. 'U mag verder, heer, maar wees op uw hoede als u na het donker nog naar buiten gaat.'
'Waarom?' vroeg Joolstein.
'Zoals ik al zei, heer, er trekken hier de laatste tijd nogal wat schurken en bandieten langs en ook niet te weinig van die moordlustige Broeders van het Onzalige Pad. Die lijken een beetje op uw elfenvriend daar, maar dan met lange zwarte nagels en rode ogen die oplichten in het donker.'
Joolstein kon zijn lachen amper bedwingen. 'We zullen voorzichtig zijn, wachter.'
Ze reden verder.
'Die heeft nog nooit van zijn leven iemand van mijn volk gezien,' zei Gorath.
'Dat heb ik begrepen,' merkte Joolstein op, 'al moet ik 's nachts toch eens wat beter op je ogen letten. Misschien dat ik die rode gloed heb gemist.'
Ze zagen verderop een herberg. Het was er vies, druk en donker, wat Joolstein prima uitkwam, aangezien hij krap in zijn middelen zat. Hij had erover gedacht om kapitein Belford een lening te vragen, maar het antwoord van de kapitein zou beslist hebben geluid: 'Wacht op graaf Kasumi,' en al vond Joolstein het niet erg om een langere route naar Krondor te nemen om een hinderlaag te ontlopen, hij kon niet wachten om het raadsel van de gebeurtenissen in het Noordland aan Arutha voor te leggen.
Er waren geen kamers vrij, wat Joolstein verbaasde, maar van de herbergier mochten ze in de gelagkamer slapen. Owyn morde wat, maar Gorath hield zijn gedachten voor zichzelf.
Tot dusver had niemand onderweg bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van de moredhel, hetzij omdat ze hem niet als zodanig herkenden en hem voor een elf hielden, hetzij omdat een moredhel met vogelvrije mensen in deze bergen helemaal niet zo'n zeldzaamheid was. Wat de reden ook mocht zijn, Joolstein was dankbaar dat hij geen last had van nieuwsgierige blikken.
Ze aten aan een drukke tafel en luisterden na de maaltijd naar een middelmatige troubadour. Hier en daar werd gekaart en Joolsteins handen jeukten om mee te doen met een spelletje pashawa of pokiïr. Maar aangezien hij zich geen verliezen kon permitteren, beheerste hij zich, want één les was hem door zijn vader en oudere broers goed ingeprent: niet gokken als je je de verliezen niet kunt veroorloven.
Toen het rustiger werd in de herberg en er al hoekjes en plekken onder tafels als slaapplaatsen werden ingericht, ging Joolstein naar de kastelein, een zwaargebouwde man met een zwarte baard. 'Meneer?' vroeg deze, toen Joolstein tussen twee andere mannen in aan de tapkast kwam staan.
'Zeg eens, vriend,' begon Joolstein, 'is er in deze stad een koopman die in edelstenen doet?'
De kastelein knikte. 'Drie deuren verderop. Hij heet Alescook.'
'Prachtig,' zei Joolstein. 'Ik zoek een mooi geschenk voor een dame.'
'Begrepen, meneer,' grijnsde de kastelein. 'Maar één woord: voorzichtig.'
'Hoe bedoel je?' vroeg Joolstein.
'Ik zeg niet dat Kiefer Alescook niet te vertrouwen is, maar laten we maar zeggen dat de herkomst van zijn handelswaar wat aan de dubieuze kant is.'
'Aha,' knikte Joolstein, alsof hij het nu begreep. 'Bedankt. Dat zal ik in gedachten houden.' Hij ging terug naar de tafel. 'Ik heb onze man gevonden. Hij zit vlakbij en morgenochtend gaan we meteen naar hem toe.'
'Mooi,' zei Gorath. 'Ik ben jullie gezelschap zat.'
Joolstein begon te lachen. 'Jij bent anders ook niet direct het zonnetje in huis, Gorath.'
'Maakt mij het uit,' zei Owyn. 'Ik ben moe en als we op de vloer moeten slapen, wil ik niet te ver bij het vuur vandaan liggen.' Joolstein besefte dat er al geïnstalleerd werd voor de nacht en wees: 'Daar.'
Op de aangewezen plek rolden ze hun beddengoed uit. Na een paar minuten luisteren naar de op gedempte toon gevoerde gesprekken van de weinigen die nog aan de tafels zaten, en het openen en sluiten van de deur wanneer er iemand naar huis vertrok, viel Joolstein in een diepe slaap.
De koopman keek op toen de drie mannen de zaak binnenkwamen. Het was een oude man, broos tot op het gebrekkige af. Met waterige oogjes keek hij het drietal aan en een tijdlang bleef zijn blik rusten op Gorath. 'Als je voor goud komt: dat heb ik twee dagen geleden al met een van jullie naar het noorden gestuurd.'
'Ik kom niet voor goud,' antwoordde Gorath.
'We kwamen voor wat informatie,' verduidelijkte Joolstein.
De koopman viel stil. 'Informatie?' zei hij even later. 'Zoek dan een nieuwtjesventer. Ik handel in juwelen en edelstenen.'
'En naar wij hebben vernomen bent u niet al te kieskeurig wat betreft de herkomst van die spullen.'
'Wilt u soms beweren dat ik handel in gestolen waar?' vroeg de man met stemverheffing.
Joolstein hief zijn hand op. 'Ik wil helemaal niets beweren, maar ik ben op zoek naar een bepaalde steen.'
'Wat voor een?'
'Een robijn, opvallend van kleur en grootte. Die wil ik terugbezorgen aan de rechtmatige eigenaar, zonder dat er vragen worden gesteld. Als u hem per ongeluk tegen zou komen, wordt de schuld niet bij u gezocht, mits u ons helpt hem terug te vinden. Zo niet, dan kon u wel eens een bezoekje ontvangen van een koninklijk magistraat met een aantal erg misprijzend kijkende wachters uit het garnizoen van Tyr-Sog.'
Er verscheen een berekenende blik in de ogen van de oude man. Zijn kale kop glom in het licht van een enkele lantaren die aan het plafond hing. 'Ik heb niets te verbergen,' zei hij met geveinsde onverschilligheid. 'Maar misschien kan ik u helpen.'
'Wat weet u ervan?' vroeg Joolstein.
'De laatste tijd is de handel nogal levendig geweest, maar het is een ongebruikelijk soort handel, en ik zit al vijftig jaar in dit vak, jongen. Kort geleden heb ik transacties uitgevoerd voor partijen die ik zelf niet heb ontmoet, via vertegenwoordigers en koeriers. Hoogst ongebruikelijk, maar winstgevend. Edelstenen van hoge kwaliteit, veel ervan erg zeldzaam, opmerkelijk zelfs.'
'Tsuranese edelstenen?' vroeg Joolstein.
'Precies, ja!' zei de oude man. 'Ze lijken veel op onze eigen robijnen, saffieren, smaragden en zo, maar met kleine variaties die alleen een expert kan zien. En ook andere edelstenen, die op deze wereld niet eens voorkomen.'
'Wie hebt u vertegenwoordigd?' vroeg Joolstein.
'Niemand die ik ken,' antwoordde de oude man. 'De laatste tijd zijn er met onregelmatige tussenpozen zwarte elfen zoals uw metgezel hier geweest om edelstenen af te leveren. Later komt er iemand uit het zuiden om me goud te brengen. Ik geef hem de edelstenen, trek mijn provisie af en wacht tot de zwarte elfen terugkomen om de rest van het goud in ontvangst te nemen.'
Gorath keek Joolstein aan. 'Delekhan. Die gebruikt het goud voor bewapening.'
Om stilte manend hief Joolstein zijn hand op. 'We praten later wel. Wie koopt de edelstenen?' vroeg hij aan de oude man.
'Dat weet ik niet, maar de man die ze ontvangt is ene Isaac. Hij woont in Haviksholte.'
'Hebt u die Isaac wel eens gezien?' vroeg Joolstein.
'Vaak genoeg. Het is een jonge vent, ongeveer even groot als u. Lichtbruin haar tot op zijn schouders.'
'Praat hij als een Oosterling?'
'Ja, nu u het zegt. Soms praat hij als iemand van het hof.'
'Bedankt,' zei Joolstein. 'Ik zal melding maken van uw behulpzaamheid, mocht het tot een officieel onderzoek komen.'
'Altijd bereid de autoriteiten een handje te helpen. Mijn onderneming houdt zich strikt aan de wet.'
'Mooi zo.' Joolstein wees op Goraths buidel. 'Verkoop hem die steen.'
Gorath pakte de sneeuwsaffier die hij op de dode moredhel had aangetroffen en legde hem voor Alescook neer.
De koopman pakte de steen op om hem te bekijken. 'Zo, dat is een mooie. Ik heb een koper voor deze dingen in het zuiden. Ik geef u er een gouden soeverein voor.'
'Vijf,' zei Joolstein.
'Zo zeldzaam zijn ze niet; reageerde Alescook en wierp de steen terug naar Gorath, die hem weer op wilde bergen. 'Maar aan de andere kant... twee soevereinen.'
'Vier,' zei Joolstein.
'Drie, en daarmee uit.'
Ze namen het goud, genoeg voor een maaltijd onderweg, in ontvangst en gingen naar buiten. 'Op weg naar Krondor komen we door Haviksholte, dus onze volgende stap ligt voor de hand,' zei Joolstein tegen zijn metgezellen. 'We gaan Isaac opzoeken.'
'Ken jij die Isaac dan?' vroeg Gorath terwijl hij op zijn paard steeg.
'Ja. Dat is de op één na grootste schurk die ik ooit heb gekend. Een drinkebroer en een vechtersbaas. Als hij betrokken is geraakt bij een vuil zaakje zou me dat niet verbazen.'
Ze keerden hun paarden in zuidelijke richting en verlieten de brede, golvende vallei van Lorièl via het smalle rivierdal naar het zuiden. In de herberg had Joolstein wat te eten kunnen kopen, maar het geldgebrek begon hem zorgen te baren. Ze konden natuurlijk jagen, maar met de dag werd het gevoel sterker dat er onheil naderde. Een verstoten moredhelse hoofdman die kwam waarschuwen voor een mogelijke invasie, geld dat naar het noorden werd gebracht om wapens van smokkelaars te kopen, en op een of andere manier waren de Tsurani erbij betrokken. Hoe hij er ook tegenaan keek, het bleef een akelige situatie. Niet in staat zijn nare voorgevoel van zich af te schudden, hield hij zijn gedachten voor zich.
Gorath hield zijn hand omhoog en wees. 'Daar is iets,' zei hij zachtjes.
'Ik zie niets,' zei Owyn.
'Als je wel iets zag, hoefde ik je ook niet te waarschuwen,' reageerde de onzalige elf.
'Wat zie je dan?' vroeg Joolstein.
'Een hinderlaag. Kijk naar die bomen. Er zijn wat laaghangende takken gekapt, maar niet met een houthakkersbijl of een zaag.'
'Owyn,' vroeg Joolstein, 'kan je dat verblindingstrucje nog een keer doen?'
'Ja,' antwoordde Owyn, 'als ik de man zie die ik wil verblinden.'
'Nou, aangezien wij hier naar hen staan te wijzen, zullen ze er daar achter die struiken al wel achter zijn dat we hun hinderlaag hebben opgemerkt -'
Joolstein werd onderbroken door zes gedaanten die vanuit het struikgewas te voet op hen afstormden. 'Moredhel!' schreeuwde Joolstein en viel aan.
Hij voelde een knetterende energie langs hem heen schieten toen Owyn een van de aanstormende zwarte elfen trachtte te verblinden. De bezwering had het gewenste resultaat, want de moredhel bleef staan en greep geschrokken naar zijn ogen.
Joolstein boog zich over de hals van zijn paard toen er een pijl langs hem heen suisde. 'Pak de boogschutter!' riep hij naar Owyn.
Gorath uitte een strijdkreet en reed een aanvaller omver terwijl hij met zijn zwaard sloeg naar een tweede. Joolstein liet zich in met een zwarte elf die het kennelijk koud liet het op te moeten nemen tegen een bereden tegenstander, en uit bittere ervaring wist Joolstein hoe gevaarlijk de moredhel konden zijn. Zelf reden ze zelden paard, maar ze hadden al honderden jaren gevochten tegen menselijke cavalerie en wisten met weinig moeite ruiters uit het zadel te trekken. Bekend met hun tactieken gaf Joolstein zijn rijdier onverwachts de sporen, naar links draaiend. Hiermee sloeg hij de aanvaller tegenover hem terug en kreeg hij de ander, die klaar stond voor een sprong om hem omlaag te sleuren, in zijn blikveld. Joolstein haalde uit met zijn zwaard en raakte het wezen in de keel, boven zijn metalen borstplaat. Vlug liet hij zijn paard een volle cirkel beschrijven, zodat hij weer tegenover zijn eerste aanvaller stond.
Een knetterend gevoel zei hem dat Owyn nogmaals een tegenstander verblindde en Joolstein hoopte dat het de boogschutter was. De moredhel die was teruggevallen toen het paard draaide, schoot naar voren met een gemene slag naar Joolsteins been.
Ternauwernood kreeg hij zijn zwaard op tijd omlaag. De schok schoot door zijn arm omhoog. Zijn stijve ribben hinderden hem bij het pareren en met de platte kant van zijn eigen zwaard sloeg hij tegen de flank van zijn paard, waardoor het dier terugschrok.
Met enige druk van zijn linkerbeen bracht hij het dier terug in een rechte lijn en zijn lichaam draaiend hield hij zijn belager in het oog. Zijn ribben deden er pijn van, maar het redde hem zijn leven toen het zwaard van de moredhel weer op hem af zwiepte. Hij sloeg de kling opzij en deed een zwakke tegenaanval. Zijn zwaard trof de tegenstander in het gezicht gaf, maar zonder hem ernstig te verwonden.
Na de klap werd de moredhel wat voorzichtiger en Joolstein hield zijn paard recht naar zijn vijand gekeerd. Ineens schoot hem te binnen wat zijn vader hem en zijn broers tot vervelens toe had ingeprent: een soldaat die zijn wapen niet gebruikt, is of dood, of gek.
Zijn paard was een wapen, en Joolstein schopte met zijn hielen hard tegen de flanken van zijn rijdier en trok met zijn vrije hand aan de teugels. Het paard begon aan een korte galop en voor de moredhel was het alsof het dier plotseling op hem af sprong.
De krijger was een veteraan en dook opzij, maar met de teugels stuurde Joolstein zijn paard kort naar links. Voor de moredhel zag het eruit alsof Joolstein zich van hem weg draaide en de zwarte elf sprong naar voren.
Joolstein liet het paard echter in een korte cirkel draaien en te laat bemerkte de moredhel zijn vergissing toen de jonge jonker zijn draai voltooide met een neerwaartse slag met zijn zwaard. Dit was geen ergerlijke tik, maar een krachtige houw die de zijkant van de schedel van de man spleet.
Vlug wierp Joolstein een blik op Gorath en zag dat hij door twee vijanden werd bestookt. Omkijkend zag hij dat Owyn dertig el terug te voet zich met zijn staf een zwaardvechter van het lijf trachtte te houden. In de hoop dat de boogschutter nog steeds was verblind door Owyns magie, ging Joolstein Owyn ontzetten.
Hij schopte hard tegen de flanken van zijn paard en het dier sprong naar voren, zodat hij al in galop was toen de moredhel hem aan hoorde komen. De zwarte elf keek om naar zijn tweede tegen stander en gaf Owyn de gelegenheid een klap uit te delen met het uiteinde van zijn staf. Met een gebroken kaak zakte het wezen op de grond.
Joolstein trok zo hard aan de teugels dat het paard zijn hoeven in de grond plantte en bijna op zijn hurken ging zitten. Het paard kerend zwaaide Joolstein naar Owyn. 'Reken af met die boogschutter!'
Alsof de godin van het geluk zich doof voor hem hield, werd Joolstein door een pijl uit het zadel gelicht. Met een smak belandde hij op de grond en wist ternauwernood botbreuken te voorkomen door zijn val te breken met een rol. De pijl in zijn linkerschouder brak af en door de pijn snakte hij naar adem en draaide het voor zijn ogen.
Heel even moest Joolstein vechten om het bewustzijn niet te verliezen. Toen kon hij zijn blik weer richten en zich concentreren op het dragelijk maken van de pijn. Een gesmoorde kreet achter hem deed hem omzien. Boven hem torende een moredhel uit, het zwaard al geheven. Ineens verscheen Gorath achter de zwarte elf en stootte zijn zwaard in diens rug.
Owyn rende langs, zwaaiend met zijn staf boven zijn hoofd. Joolstein keek op en de man die hem bijna had gedood, viel op zijn knieën en stortte voorover. Voordat Joolstein iets kon zeggen, had Gorath zich alweer omgedraaid om achter Owyn aan te rennen.
Langzaam kwam Joolstein met knikkende knieën overeind en zag Owyn uithalen naar een moredhelse boogschutter die tevergeefs in zijn ogen stond te wrijven. Met zware slagen werd de boogschutter op de knieën gedwongen en hij stierf een ogenblik later toen Gorath hem de genadeslag toebracht.
Met een ruk draaide Gorath zich eenmaal in een cirkel om, alsof hij zocht naar een andere vijand, maar Joolstein zag dat ze alle zes dood waren. Met zijn zwaard in de hand bleef Gorath staan, zijn gezicht vertrokken van frustratie, en hij schreeuwde van razernij. 'Delekhan!'
Joolstein strompelde naar de onzalige elf. 'Wat is er?'
'Ze wisten dat we eraan kwamen!' zei Gorath.
'Hebben ze bericht naar het zuiden gestuurd?' vroeg Owyn.
Gorath stak zijn zwaard weg. 'Nago.'
'Wat?' vroeg Joolstein.
'Nee, wie,' antwoordde Gorath. 'Nago. Dat is een van Delekhans tovenaars. Hij en zijn broer Narab waren in dienst van die moordenaar. Het zijn machtige hoofdmannen, maar nu doen ze keurig wat Delekhan zegt. Zonder hun hulp zou Delekhan nooit zo machtig zijn geworden dat hij de hoofdmannen van de andere clans aan zich heeft kunnen onderwerpen. Zonder hun hulp zouden zij hier niet zijn geweest,' zei hij terwijl zijn hand een cirkel beschreef die de dode moredhel omvatte. Hij knielde naast een van de doden neer. 'Dit was een neef van mij.' Vervolgens wuifde hij naar een andere. 'Die daar is van een clan die al generaties lang een aartsvijand van de mijne is. Dat ze allebei dit monster dienen is een teken van zijn macht.'
Joolstein wees op zijn schouder en zeeg neer op de grond. Owyn onderzocht hem. 'Ik kan de punt eruit halen, maar dat doet wel pijn.'
'Het doet zo ook al pijn,' zei Joolstein. 'Schiet nou maar op.'
Terwijl Owyn zich ontfermde over Joolstein, legde Gorath uit: 'Nago en Narab verstaan allebei de kunst van gedachtenspraak. Vooral met elkaar. Degenen die we op weg naar jullie stad Lorièl hebben gedood, of een ander die ons heeft bespioneerd, moet bericht hebben gegeven aan een van deze broers, die op zijn beurt deze hier heeft ingeschakeld.'
'Dus de kans is groot dat een van hen, voordat hij doodging, Nago heeft laten weten dat we hier zijn?' vroeg Joolstein.
'Vrijwel zeker.'
'Schitterend,' siste Joolstein tussen zijn tanden door terwijl Owyn met zijn dolk de pijlpunt uitsneed. De tranen sprongen hem in de ogen en de wereld tolde een ogenblik, maar door langzaam en diep adem te halen bleef hij bij bewustzijn.
Owyn bestrooide de wond met een kruidenmengsel uit een buidel aan zijn riem en plaatste er een doek op. 'Hou even vast; hard drukken,' instrueerde hij, ging naar het dichtstbijzijnde lijk, sneed een stuk van diens kleding en kwam terug om het om Joolsteins schouder te binden. 'Met die wond aan je ribben en deze schouder kan je je linkerarm praktisch niet meer gebruiken, jonker.'
'Precies wat ik wilde horen,' gromde Joolstein. Hij probeerde zijn linkerarm te bewegen en merkte dat Owyn gelijk had, want hij kon hem maar een klein stukje optillen voordat hij van de pijn zijn poging staakte. 'De paarden?'
'Die zijn ervandoor gegaan,' antwoordde Owyn.
'Geweldig,' mopperde Joolstein. 'Ik ben uit het zadel geschoten. Wat is jullie excuus?'
'Vechten op de rug van een beest is onhandig,' verklaarde Gorath.
'Ik kan geen bezwering doen vanuit het zadel,' bekende Owyn. 'Het spijt me.'
Joolstein stond op. 'Dan gaan we lopen.'
'Hoe ver is het naar Haviksholte?' vroeg Owyn.
'Te ver,' zei Joolstein. 'En als ze ons opwachten, veel te ver.'