Epiloog

 

Toewijding

 

Arutha hief zijn beker. 'Op Gorath!' zei hij.

Ook de anderen in de bevelvoerders tent hielden hun bekers omhoog. 'Op Gorath,' herhaalden ze, en dronken te zijner nagedachtenis.

Puc had verslag gedaan van de laatste uren van de strijd, en verteld over de illusie die Owyn en hij hadden gemaakt om de moredhel ervan te overtuigen dat Murmandamus nu eindelijk dood was. Tijdens de maaltijd had hij uitgelegd wat Gorath met zijn edelmoedige daad van zelfopoffering had gedaan.

Arutha dacht een ogenblik na over hetgeen hem was verteld. 'Ik vind het erg vreemd om een Broeder van het Onzalige Pad als edel moedig te beschouwen,' zei hij toen, 'maar een ander woord is er inderdaad niet voor. Ook toen ik hem met Owyn en Robert op pad stuurde, had ik nog mijn twijfels over hem. Ik kon me maar niet losmaken van het idee dat het het zoveelste kronkelige plan van de Pantathiërs was. Ik had me dus vergist.'

'Maar jij hoort ook argwanend te zijn,' zei Martin. 'Dat hoort bij de vervulling van je plicht aan het Koninkrijk.'

Arutha nam een slokje van zijn wijn en knikte. 'Misschien, maar ik zal de Broederschap van het Onzalige Pad voortaan toch met andere ogen moeten bezien.'

'Als ik even mag, Hoogheid?' vroeg Owyn.

Arutha gaf de jonge magiër permissie te spreken.

'Ik ben met Gorath een paar weken op reis geweest naar zijn thuisland, en het is daar zo heel anders dan ik me had voorgesteld.' Hij vertelde over de dorpen waar mensen en moredhel zij aan zij leefden, want al werden deze mensen als vogelvrij en aangeduid, het getuigde van de mogelijkheid van vrede tussen de beide rassen. 'Het kwam me weliswaar voor dat ze erg ruw zijn, maar verder gingen ze toch gewoon op een manier met elkaar om die wij best kunnen begrijpen. Ik heb de vrouw van Delekhan en die van Gorath ontmoet. Delekhans vrouw is zelf ook een machtig leider, en ze was erg mooi, en ondanks haar felle en vreemde manier van doen, was het haar streven haar volk te redden, en ze heeft ons geholpen.' Owyn zuchtte. 'Toen ik Gorath pas had ontmoet, zei hij dat wij zijn volk nooit zouden begrijpen. Misschien had hij daar gelijk in, maar ik zou hun gebruiken wel kunnen respecteren.'

'Waren ze allemaal maar zoals hij,' zei Arutha, 'dan zou het leven in het noorden van ons Koninkrijk een stuk rustiger zijn.' Zijn blik ging langs de aanwezigen. 'Degenen van ons die niet ten prooi zijn gevallen aan deze nieuwe poging van duistere krachten om ons te vernietigen, moeten zich weer gaan wijden aan de bescherming van ons land. Anders zullen degenen die in de strijd zijn omgekomen tevergeefs hun prijs hebben betaald. Gorath blijft voortbestaan in onze herinnering, niet als verrader van zijn volk, maar als een van de helden van zowel ons land als het zijne. Aanvankelijk was het zijn doel de moredhel te redden. Uiteindelijk heeft hij ons allemaal gered.'

'Ik wou alleen dat hij de rest van zijn leven in Elvandar had kunnen doorbrengen,' merkte Owyn op.

'Dat is wenselijk voor iedereen,' zei Martin. 'Elvandar is een prachtige plaats om je laatste dagen te slijten. Maar Aglaranna had gelijk: hij was niet ten volle teruggekeerd, en het was zijn haat jegens Delekhan die hem ervan weerhield één met de eledhel te worden.'

Arutha keek Puc aan. 'Ik wou dat ik dat theaterstukje had kunnen zien dat je voor de moredhel hebt opgevoerd.'

'Dat was net zo goed het werk van Owyn. Ik ben nooit zo bedreven in illusies geweest, maar hij had erover geleerd op Sterrewerf. Hij heeft de beeltenissen van Murmandamus gemaakt, aan de hand van mijn beschrijvingen, en Arutha en Delekhan had hij met zijn eigen ogen gezien. En het orakel was voldoende aangesterkt om met mij op haar hals op te stijgen en een indrukwekkend staaltje vuurspuwen weg te geven. We hoopten alleen dat het genoeg zou zijn.'

'Dat was het zeker,' stelde Martin hem gerust. 'Van enige afstand heb ik twee van Delekhans lijfwachten tegen Moraeulf horen vertellen over zijn vaders dood en het einde van Murmandamus. Ze geloofden het oprecht. En waarschijnlijk gelooft Narab het zelf ook. En zo niet, dan komt het hem maar al te goed van pas om het de anderen te laten geloven. Ik denk dat we niet langer een moredhelse invasie op Sethanon hoeven te verwachten.' Martin zette zijn wijnbeker neer. 'Ik moet weg. Het is nog een lange reis, terug naar Elvandar, en vervolgens naar Schreiborg. Mijn elfenvrienden en ik vertrekken morgenochtend met het eerste licht, dus ik ga naar bed.'

Arutha stond op en omhelsde zijn broer. 'We zien je veel te weinig.'

'Kom dan naar Schreiborg. Jij en Anita. Neem Borric, Erland en Elena mee. Blijf een maandje.'

'Twee weken, misschien, en dan pas als de kleine is geboren.'

'Nog een kind!' riep Martin grijnzend uit. 'Wanneer zou je me dat zijn komen vertellen?'

Arutha glimlachte. 'Er zal inmiddels wel een boodschap met het koninklijke zegel van Krondor in Schreiborg op je liggen te wachten, die je allang had kunnen lezen als je je als een fatsoenlijk hertog had gedragen, in plaats van samen met je elfenvrienden rond te rennen in het bos.'

'Als ik daar niet had rondgerend,' kaatste Martin terug, wijzend op Robert en Joolstein, die in een hoek van Arutha's paviljoen op een paar kussens in slaap waren gevallen, 'dan zouden die twee nooit bij die machine hebben kunnen komen om hem kapot te maken, en zouden deze bossen hebben gewemeld van Delekhans krijgers.' Op zachtere toon voegde hij eraan toe: 'En dan zou ik nooit Narab hebben gevonden, laat staan hem naar Moraeulf hebben gebracht.' Overschakelend op gelukkiger zaken vroeg hij: 'Heb je al namen uitgezocht?'

Arutha knikte. 'Als het een meisje wordt, noemen we haar Alicia, naar Anita's moeder, en als het een jongetje wordt, Valentijn, naar overgrootvader.'

'Ik kijk al uit naar het nieuws van de geboorte,' zei Martin.

Arutha omhelsde zijn broer nogmaals. 'Ik weet het. Pas goed op jezelf en doe de hartelijke groeten aan Briana.'

Martin vertrok en Arutha keek naar zijn slapende jonkers. 'Volgens mij is dit majesteitsschennis. Wat denk jij, Puc?'

'Ik vermoed dat de magische kruiden van jouw genezer zijn uitgewerkt, en ik denk dat zelfs de bedreiging met de strop hen niet zou wekken.'

'Blij dat te horen,' zei Arutha. 'Het is hun vergeven.' Hij keek Owyn aan. 'Wat zullen we doen met jou?'

'Hoogheid,' zei Owyn, 'ik had allang thuis moeten zijn, dus ik moet nu echt terug naar mijn vader. Niet dat ik me kan voorstellen dat zijn toorn er nog groter op is geworden, maar hoe langer ik wegblijf, des te zwaarder wordt mijn straf wegens mijn ongehoorzaamheid.'

Arutha wreef over zijn kin. 'Wel, dan misschien een goed paard en wat goud voor een paar goede herbergen onderweg. En ik denk dat ik een persoonlijk briefje aan je vader stuur, waarin ik verklaar persoonlijk in de schuld te staan bij de zoon van de Baron van Timons, voor zijn goede diensten aan de Kroon. Ik zal je vader aanraden je bij de koning aan te bevelen wanneer hij zelf geen plaats voor je kan vinden, zodat je de Kroon in Rillanon kunt dienen. Ik zal ook een briefje schrijven aan mijn broer om hem van je diensten te vertellen. Als je het echt wilt, zal hij beslist een post voor zo'n schrandere knul als jij kunnen vinden.'

Owyn glimlachte. Alle woede die zijn vader nog mocht voelen over Owyns besluit om weg te lopen naar Sterrewerf zou op slag verdwijnen bij het zien van een persoonlijke brief van de Prins van Krondor, om nog maar te zwijgen van een aanbeveling aan de koning. Zijn thuiskomst was zojuist een heel stuk aantrekkelijker geworden. 'Ik ben de prins erg dankbaar.'

'We moeten nog praten over wat dingen in Sethanon, Arutha,' zei Puc, 'en hoe we ervoor kunnen zorgen dat iets dergelijks nooit meer gebeurt.' Hij onderdrukte een geeuw. 'Maar eerst kunnen wij ook maar beter gaan slapen.'

De prins neigde zijn hoofd. 'Je kunt gaan, mijn vriend. Wij spreken elkander in de ochtend. Welterusten.'

Ze wensten Arutha een goede nacht en verlieten het paviljoen va n de prins. Puc liep met Owyn naar de tent die Arutha voor hen had laten opzetten. 'Wat ga je doen als je thuis bent?' vroeg Puc.

'Dat weet ik nog niet,' antwoordde Owyn. 'In ieder geval zal mijn leven nooit meer hetzelfde zijn. Daar heb ik inmiddels te veel voor gezien, en... dat verandert je.'

Puc tikte met een vinger op Owyns voorhoofd. 'En daarboven heb je ook te veel om zomaar te laten liggen. Kom terug naar Sterrewerf, om ervoor te zorgen dat we nooit meer zo'n gekke tovenaar als Makala krijgen.'

'Ik weet het niet,' zei Owyn. 'Ik denk dat ik best wat meer zou willen weten over die krachten van mij, maar ik denk ook dat mijn vader aardig wat over mijn toekomst te zeggen heeft.'

'Dat is nu eenmaal de last van de adeldom,' zei Puc. 'Maar je hebt nog ruim de tijd om over je keuzen na te denken, en in ieder geval meer stof om te overpeinzen.'

'Dat zeker,' beaamde Owyn toen ze hun tent binnengingen. 'Om u de waarheid te zeggen, was de politiek een van de redenen waarom ik Sterrewerf heb verlaten. Uw twee Keshische studenten, Körsh en Watume, zijn volgelingen aan het verzamelen, en ik voorzie erg lelijke dingen als u die twee partijen niet ontbindt.'

'Ik ook, maar voorlopig weet ik nog steeds niet wat ik ermee aan moet,' gaf Puc toe.

Hij ging zitten op zijn slaapmat, en Owyn begon de tentflap dicht te doen. Even staakte hij zijn bewegingen om te kijken naar het kalme bos rondom het kamp. In de verte hoorde hij de Koninkrijkse soldaten zacht praten rond hun kampvuren, en boven de bomen fonkelden de sterren.

Hij vroeg zich af of Gorath ergens daartussen bij de Vaders en Moeders of op de Gezegende Eilanden was.

Waar je ook bent, dacht Owyn terwijl hij de tentflap dichtbond, vergeten zal ik je nooit. Toen voegde hij eraan toe: Mijn vriend. 

Hij draaide zich om naar zijn eigen mat en ging liggen. Ondanks al de onbeantwoorde vragen en de talloze mogelijkheden die voor hem lagen, viel Owyn al vlug in slaap.

Kijkend naar de jonge magiër dacht Puc aan zichzelf op die leeftijd, worstelend met de grote krachten waarvan Owyn niet eens wist dat hij ze nu bezat, en hij vroeg zich af waar Owyn voor zou kiezen.

Maar wat de keuze ook mocht zijn, Owyn zou hem maken. Puc ging liggen, opgelucht om te weten dat zijn huis, haard en familie weer in veiligheid verkeerden. Hij koesterde zich in de wetenschap dat Gamina thuis was, en dat hij zich binnenkort weer bij zijn gezin op Sterrewerf kon voegen. Met die gedachte in zijn hoofd zakte Puc in slaap. En die nacht sliep hij diep, lang en vredig.

 

In oktober 2000

verschijnt het tweede deel in de

Krondor-reeks:

Tweede Boek - de moordenaars