7 Moord
Het was druk in de herberg.
Lysle Rigger nam Robert, Gorath en Owyn mee naar De Berm, een taveerne waarvan de naam een afspiegeling was van de ligging, vlak aan de rand van de stad, op loopafstand van de hoofdweg. Het scheen een populair oord te zijn, te oordelen naar alle arbeiders, gewapende strijders en wat onfrisse types, die samengepakt in de gelagkamer zaten.
Robert en zijn metgezellen hadden hun paarden achtergelaten op het stalerf, en nadat ze de aldaar werkende knaap hadden verteld hoe ze hun paarden verzorgd wilden hebben, waren ze Lysle naar binnen gevolgd. Lysle ging hen voor naar een tafeltje in de hoek. Hij beduidde hun te gaan zitten en wenkte de kastelein, die meteen hun bestelling op kwam nemen. Robert vroeg om een rondje bier en iets te eten. Even keek de kastelein van hem naar Rigger, maar zonder een woord ging hij terug naar de keuken.
'Goed dan,' zei Rigger, 'ik ben je een verhaal verschuldigd, maar eerst heb ik een vraag. Hoe komt het dat jullie mij zo toevallig kwamen redden?' Een tijdje keek hij Robert onderzoekend aan. :Als dat puur toeval was, dan heeft het lot een wel zeer merkwaardig gevoel voor humor, mijn vriend.'
'In zekere zin was het toeval,' antwoordde Robert, 'al had ik in Malachskruis wel van je gehoord, aangezien sommigen van mening waren dat ik jou was. En dat we je kwamen redden, was inderdaad puur toeval, al waren we wel op de uitkijk voor precies het soort problemen waarin jij je bevond.'
'Jullie herkenden mijn belagers,' zei Rigger. Op zachtere toon sprak hij verder: 'Kennelijk weten jullie meer dan de gemiddelde huurling.' Met zijn hoofd gebaarde hij naar Gorath. 'Zijn soort is hier de laatste tijd in toenemende aantallen gesignaleerd, zij het zelden in het openbaar in gezelschap van mensen. Een en ander doet in mij het verlangen ontstaan eerst wat meer over jullie te willen weten voordat ik aan mijn lange verhaal begin.'
Robert grijnsde. Rigger grijnsde terug en weer werden de anderen getroffen door de sterke gelijkenis.
'Als jullie geen broers zijn, hebben de goden een wel heel rare bevlieging gehad.'
'Dat hebben ze zeker,' vond Rigger, 'of we nu broers zijn of niet.'
'Ik zal je wat vertellen,' zei Robert. 'Ik werk voor mensen die momenteel geen reden hebben om op jouw dood uit te zijn, Rigger. Laten we hun er ook geen geven. Bovendien verkeren diezelfde mensen in onmin met degenen die deze moordenaars op jou af hebben gestuurd.'
'En de vijand van mijn vijand is mijn vriend,' bezigde Rigger een oud gezegde.
'Tot op zekere hoogte,' gaf Robert toe. 'En op dit moment zou ik zeggen dat we meer redenen hebben om elkaar te helpen dan niet.'
Rigger was een tijdlang stil, en toen het eten werd gebracht, kreeg hij nog een ogenblik respijt. Hij pakte een plak kaas en legde het op warm brood. Nadat het bier was neergezet, nam hij een diepe teug uit zijn kroes. 'Sta mij toe wat terughoudend te zijn, dan zal ik je vertellen wat ik kan. Ik vertegenwoordig bepaalde belangen in Krondor, goed gevestigd en met goede connecties. Ze beschikken over handelsbetrekkingen door het hele Koninkrijk, tot in Kesh, en langs de Bitterzee naar Natal. De laatste tijd worden ze lastig gevallen door een nieuwe concurrent, die zijn best doet gevestigde zakenrelaties te ontwrichten en tegelijkertijd een nieuw handelsimperium op te zetten.'
Daar dacht Robert een poosje over na. 'Zin om je opdrachtgevers of de concurrentie bij naam te noemen?'
Lysles grijns bleef net zo breed, maar de humor verdween uit zijn ogen. 'Nee met betrekking tot de eerste, maar de tweede is een wat geheimzinnige persoon. Sommigen noemen hem de Kruiper.'
Robert boog zich voorover en sprak zo zacht dat alleen degenen aan het tafeltje hem konden horen. 'Ik ben jonker Robert van het prinselijk hof, dus ik werk voor de koning. Maar ik heb ook een tijdje bekend gestaan als Robbie de Hand, dus ik weet over wie je het hebt. "Er is een feestje bij moeder thuis.'''
'''En iedereen heeft het er naar zijn zin,''' maakte Rigger het oude wachtwoord af. 'Dus jij bent Robbie de Hand? Dat zou ik nooit hebben geloofd.' Hij leunde achterover. 'Ik kom niet zo vaak in Krondor. Mijn... werkgever heeft liever dat ik hier in het Oosten blijf. Maar de verhalen over jou doen overal de ronde.'
'Wij hebben mogelijk meer gemeen dan je denkt,' zei Robert. Hij vertelde over de valse Nachtraven in het riool van Krondor en over 'het vermoeden dat iemand de prins zover probeerde te krijgen om de Snaken uit het riool te verjagen in een poging die valse Nachtraven te vinden.
'Zo te horen is dat de Kruiper,' zei Lysle. 'Die zou met genoegen de Kroon tegen de Snaken opzetten en er zelf met zijn armen over elkaar van gaan zitten genieten. Als de Snaken zijn weggevaagd, kan hij hun plaats innemen. En als ze het toch overleefden, zouden ze te zwak zijn om hem nog langer in de weg te zitten.'
'Maar erg waarschijnlijk is het niet, zolang Arutha nog in Krondor zit,' wist Robert. 'Hij is veel te snugger om zich voor zo'n karretje te laten spannen. Wat echter wel zorgwekkend is, is het bestaan van deze echte Nachtraven, die zo hun best aan het doen waren om jouw hoofd van je romp te scheiden.'
'Ik vraag niet eens waarom,' zei Lysle, 'want het heeft vast iets te maken met het welzijn van het Koninkrijk.'
'Tien jaar geleden hebben ze herhaalde goede pogingen gedaan om prins Arutha te vermoorden. Of dit nou overlevenden van dat eerste zooitje zijn, of dat iemand anders dankbaar gebruik van hun reputatie tracht te maken, maakt niet uit, in beide gevallen vormen ze een dreiging. Wat kan jij ons over hen vertellen?'
Lysle leunde met zijn elleboog op tafel. 'Ik ga morgenochtend toch naar Tannerus, om die kleine kwestie recht te zetten waarvoor jij bijna tot moes bent geslagen toen je daar was, dus ik zal je vertellen wat ik weet. Op twee plekken heeft die Kruiper al een voet aan de grond. Ik heb gehoord dat hij een groot deel van de misdaad in de haven van Durbin onder zijn hoede heeft, en hij heeft de boel in Silden in de hand. Buiten Krondor zijn de Snaken nooit erg sterk geweest, maar wel hebben ze altijd goede betrekkingen langs de Bitterzee en een hoop invloed in Silden gehad. De laatste tijd zijn de zaken door problemen in verscheidene havensteden aan de Bitterzee wat teruggelopen voor de Snaken, en degenen die hen in Silden gunstig gezind waren, zijn verdwenen. Maar de echte pot die op het punt staat over te koken, is in het noorden. In Romnee heerst er momenteel flinke verwarring, en voor zover ik het heb begrepen, lopen veel van die Nachtraven zaken via Romnee.'
'We hebben gehoord dat er problemen zijn.'
'Het Riviertrekkersgilde?' vroeg Lysle.
Robert knikte.
'Dat is de Kruiper. Hij begint langs de kade. Daar maakt hij het moeilijk om vracht de stad in en uit te laten komen, zodat zowel de kooplieden als de plaatselijke dieven het zwaar krijgen. Na een tijdje gaan de mensen protectiegeld betalen om hun goederen binnen te halen, en als hij eenmaal een voet tussen de deur heeft, krijg je hem niet meer weg. Damon Reeves is het hoofd van de Riviertrekkers, en dat is een eerlijk man, maar iemand fluistert hem in zijn oor.'
'Denk je dat die Kruiper achter deze heropleving van de Nachtraven zit?' vroeg Robert.
'Ik weet niet wat ik moet denken. Mogelijk is hij het zo zat dat ik hem overal steeds in de haren zit, dat hij een prijs op mijn hoofd heeft gezet. En misschien is hij het zelf die erachter zit. Maar mogelijk is het heel iemand anders die me dood wil om redenen die er helemaal niets mee te maken hebben. Ik heb in mijn tijd best wat vijanden gemaakt.' Lysle toonde een grijns.
'Daar twijfel ik niet aan; merkte Gorath droog op. 'Waar moeten we beginnen?' vroeg Robert.
'Bij ene Michael Waylander. Die is altijd de spil van de problemen, schijnt het. Atle Staalziel, van de IJzersmeden, is de leider van de oppositie tegen de Riviertrekkers. In ieder geval zijn beide partijen bereid met Waylander te praten. Er gaan geruchten dat hij betrokken is bij een paar louche zaakjes. Niets bijzonders, maar wel genoeg om hem te duchten.'
'Verder nog iets van belang?'
'Niets wat ik graag aan je kwijt wil, maar ook niets dat je moet weten voordat je eraan begint.'
'Nou,' zei Robert, 'het is in ieder geval meer dan we hadden voordat we je tegenkwamen. Als je morgen naar Tannerus vertrekt, weten we waar we je kunnen vinden.'
Lysle grijnsde weer en Robert had het idee dat hij in een spiegel keek. Al was Lysle een jaar of drie ouder, de gelijkenis was griezelig. 'Daar ga ik naar toe, ja. Maar wie weet waar ik ben als jullie me daar komen zoeken?'
Met een veelzeggende blik staarde Robert hem aan. 'Geloof me maar, mijn vriend. Nu ik kennis met je heb gemaakt, hou ik je in de gaten. Wij komen elkaar weer tegen, twijfel er maar niet aan.'
Lysle at zijn maaltijd op, nam afscheid en liet het drietal alleen. Robert huurde een kamer en ze trokken zich terug voor de nacht.
De volgende ochtend troffen ze op het stalerf van de herberg een verbaasde stalknecht. 'Paarden, meneer? Maar gisteravond hebt u er zelf een meegenomen en de andere twee aan mijn meester verkocht.'
Robert draaide zich om en keek de weg af. In het westen, buiten zijn gezichtsveld, lag het dorp Tannerus. In stilte zwoer hij dat hij Lysle Rigger op een dag terug zou vinden. En als hij tot op dat moment nog twijfels omtrent hun verwantschap had gekoesterd, dan waren die nu spoorslags verdwenen. Ineens begon hij hartelijk te lachen. 'Nou, dan zullen we wat paarden moeten aanschaffen, jongen. Wat heb je in de verkoop?'
Owyn en Gorath keken elkaar verbaasd aan vanwege Roberts merkwaardige reactie, maar geen van beiden zei een woord terwijl Robert wachtte tot de jongen de stalmeester had gehaald, zodat het loven en bieden voor drie paarden kon beginnen.
Vlak bij Romnee was de weg gebarricadeerd en de gewapende mannen die daar de wacht hielden, maanden de drie ruiters tot stoppen.
'Wat is dit?' vroeg Robert.
Een van de mannen kwam achter de barricade vandaan, die voornamelijk bestond uit graanzakken en kratten. 'We laten op dit moment geen vreemden in Romnee toe.'
'Ik ben op missie voor de koning en ik heb volmachten van de Prins van Krondor.'
'De Prins van Krondor, hè?' zei de man, wrijvend over zijn kin. Hij zag eruit als een stuwadoor, de hemdsmouwen hoog opgestroopt rond zijn machtige bovenarmen, met een gespierde borst en nek en zijn gezicht door de zon verbrand. In zijn handen hield hij een lang breekijzer, van het soort dat werd gebruikt om zware kratten van rivierboten te openen, en hij scheen te popelen om er gebruik van te maken. 'Nou, de prins is een heel eind weg. Het is hier niet eens het Westelijke Rijk, zie je, dus zo diep zijn we daar niet van onder de indruk.'
'Wie heeft hier de leiding?' vroeg Robert. Hij sprong van zijn paard en gaf de teugels aan Owyn.
'Nou, normaal is dat Michael Waylander, die voorkomt dat de Riviertrekkers de stad overnemen, maar die is nu in de stad om iets te doen, dus heeft hij mij de leiding gegeven.'
'En jouw naam is?'
'Ik ben Karl Widger,' zei de man.
Voordat hij kon reageren, wervelde Robert op hem af en sloeg hem zo hard hij kon in de maag. Met een luidruchtige zucht sloeg de man dubbel en Robert bracht zijn knie omhoog in Widgers neerdalende gezicht. Karl viel om als een blok.
Nadrukkelijk over de gevallen dokwerker heen stappend zei Robert tegen de mannen achter de barricade: 'Wil een van jullie even naar de stad gaan om Michael Waylander te halen? Zeg hem maar dat Karlon wel is geworden en er niemand anders de leiding heeft.' Hij trok zijn zwaard. 'Tenzij iemand zin heeft om de verantwoording op zich te nemen om ons uit de stad te weren?'
Achter de barricade werd snel overlegd door twee mannen, waarop een van hen wegrende over een bruggetje dat de hoofdweg van Romnee scheidde van de Koningsheerbaan. Geen van de anderen toonde zich bereid over de barricade te komen om Robert uit te dagen, maar Robert begreep heel goed dat hij niet zomaar langs tien gewapende mannen kon rijden.
Owyn steeg af en gaf de teugels terug aan Robert. 'Doortastend, zeg.'
'En een beetje dom ook,' zei Robert zachtjes. 'Ik heb die wandelende boomstam zo hard geslagen als ik kon, maar ik heb verdomme bijna mijn hand op hem gebroken, en dat was nog maar zijn maag. Ben ik even blij dat ik niet op zijn hoofd heb gemikt. Dat zou me al mijn knokkels hebben gekost. Mijn knie klopt als een gek.'
Het duurde niet lang voordat Michael Waylander verscheen. Het was een lange man met blond haar en een korte baard die in de middagzon een rode gloed had. 'Wat is hier aan de hand?' vroeg hij op gezaghebbende toon.
'Dat kan ik jou net zo goed vragen,' reageerde Robert. 'Ik heb volmachten van de Prins van Krondor en ik ben op missie voor de koning. Hoe wagen jullie het mij de weg te versperren?'
'We staan onder het gezag van de Graaf van Romnee,' antwoordde Waylander. 'We hebben de laatste tijd nogal wat problemen gehad, zeg maar gerust een gildeoorlog.'
'Een gildeoorlog?' vroeg Robert, alsof hij daar nog niets over had gehoord.
'Die verrekte Riviertrekkers schroeven de prijzen op, in strijd met alle overeenkomsten die hier gelden, en ze dreigen alle handel langs de rivier af te sluiten. Ik vertegenwoordig een verbond van andere gilden, die van de glasblazers, touwslagers, timmerlieden, smeden, en ook de meeste plaatselijke kooplieden, en we weigeren te betalen.'
'Even in het kort,' zei Robert. 'Jullie proberen overeenkomsten te sluiten om je eigen vracht de stad in en uit te krijgen en de Riviertrekkers smijten de boel in de rivier en maken de boten stuk.'
'En dat niet alleen,' zei Waylander. 'Drie weken geleden hebben ze twee leerlingen vermoord en zes boten in brand gestoken.'
'Dat kan wel zijn, maar dat zijn plaatselijke kwesties. Wij zijn op missie voor de Kroon en dulden geen uitstel.'
'Laat me uw volmachten zien,' eiste Waylander.
Robert aarzelde. Deze Waylander was geen edelman of staatsfunctionaris. Wettelijk was Robert hem niets verplicht, maar praktische overwegingen, waaronder de aanwezigheid van tien gewapende mannen, deden hem in zijn tuniek tasten naar zijn reisbrief en zijn eis om hulp, waarin stond te lezen dat iedere edelman Robert diende bij te staan op zijn missie voor de Kroon.
Waylander las de volmachten en gaf ze terug. 'Ja, ziet u, we kunnen niet voorzichtig genoeg zijn. De Riviertrekkers hebben huurlingen aangetrokken en de stad begint al aardig op een bewaakt kamp te lijken. Tegen degenen die al in de stad zijn kunnen we niet veel doen, maar we kunnen wel voorkomen dat er nog meer bij komen.'
'En de graaf dan?' vroeg Owyn. 'Kan die de orde niet handhaven?'
'We hebben hier geen garnizoen, jongen,' verduidelijkte Waylander, en een zekere klank in zijn stem deed Robert geloven dat hij dat wel zo prettig vond. 'We zitten hier in de binnenlanden van het Koninkrijk, en de grootste problemen die wij hebben is af en toe een vuistgevecht van dronkelappen aan de kade of wat bandieten die uit de heuvels in het noorden komen om iemand op de weg te overvallen. We hebben wel een stadswacht, maar daarvan staan de meeste leden in dit geschil aan deze of gene zijde. De Riviertrekkers zijn het belangrijkste gilde in dit gebied, maar de andere gilden samen zijn sterker. Het spant erom en we hebben niet veel neutrale partijen in Romnee. Graaf Richard heeft mij gevraagd te komen, omdat ik van buiten de stad kom, namelijk uit Sloep, een dorpje een halve dag rijden ten zuiden van hier. Aan beide kanten heb ik vrienden en soms zijn ze bereid naar me te luisteren. Maar het zijn de Riviertrekkers die over de schreef zijn gegaan, anders kan ik het niet zien.'
Robert stak zijn volmachten terug in zijn tuniek. 'Ik verwacht dat zij het iets anders zullen stellen, maar dat gaat me verder niet aan. Ik moet de graaf spreken.'
Waylander wilde net iets zeggen toen geklepper van paardenhoeven Robert deed omzien. Er naderde een ruitercompagnie op zijn dooie gemak over de weg. Een banier aan de kop van de colonne maakte duidelijk dat het om Koninklijke Lansiers ging. Toen hun leider vlakbij was, hief hij zijn hand op om halt te laten houden. 'Wat heeft dit te betekenen? Maak de weg vrij, jullie.'
Robert knikte, Waylander gaf het bevel en de mannen begonnen de graanzakken en kratten opzij te slepen.
Robert liep naar de officier en bleef vlak bij hem staan. 'Wat staar je me aan, man?' zei de officier.
Robert grijnsde. 'Walter van Gyldenholt? Dus Boudewijn heeft u tenslotte toch naar het zuiden gestuurd?'
'Ken ik u?' vroeg de vroegere kapitein uit het garnizoen te Hoogstein.
Robert schoot in de lach. 'We hebben elkaar in Hoogstein ontmoet. Ik ben Robert, jonker aan het prinselijk hof'
'Ach, ja,' zei de oude kapitein. 'Nu weet ik het weer.'
Robert bleef maar grijnzen. Toen hij de kapitein voor het eerst had ontmoet, was hij een van de slachtoffers geweest van Gys van Bas-Tyra's ondergang als landverrader. Aangezien hij officier in dienst van Gys' trouwste bondgenoot was geweest, had hij jaren zware dienst bij de grensbaronnen moeten vervullen. Met een blik op Walters omvangrijke middel zei hij: 'De vrede is u goed bekomen, zo te zien.'
'Wat brengt jou hier, jonker?' vroeg de kapitein, zonder op diens pesterijtje in te gaan.
'De prins heeft ons erop uitgestuurd. Zijn jullie de compagnie die Gys heeft gezonden om de orde te herstellen?'
'Dat zijn wij,' antwoordde Walter. 'We hadden er al een paar dagen kunnen zijn, maar in het zuiden zijn we op wat moeilijkheden gestuit. Een groepje jongens in het zwart hadden bezwaren dat we deze kant op kwamen. Een leuke achtervolging is het geworden, maar we wisten er een paar uit te schakelen voordat de rest ontkwam.'
Robert keek naar Owyn en Gorath. 'Die dingen kunnen maar beter niet in het openbaar worden besproken, kapitein. Ik moet met de graaf gaan praten; u ook, neem ik aan.'
'Inderdaad,' zei de kapitein en gaf zijn mannen het teken verder te rijden toen de weg voor hen was vrijgemaakt. 'Rij maar met ons mee, jonker. Wij houden de schurken wel uit jullie buurt.' Hij glimlachte naar Robert.
Lachend steeg Robert op en beduidde zijn metgezellen achter aan dé stoet aan te sluiten. De compagnie bestond uit vijftig lansiers, genoeg om ernstige problemen te voorkomen en om beide partijen in het geschil ervan te overtuigen niet al te doldriest te worden - dat hoopte Robert tenminste.
'We hielden de brug alleen versperd tot de lansiers er waren, jonker,' zei Waylander. 'Zeg de graaf maar dat mijn mannen en ik teruggaan naar Sloep.'
Robert bevestigde 's mans verzoek en ze reden de brug over.
Romnee was een belangrijk handelscentrum in het Oosten, naar westelijke maatstaven een enorme stad, maar hier in het oostelijke deel van het Koninkrijk werd het beschouwd als een stad van bescheiden omvang, ongeveer half zo groot als Krondor. Met vijftig lansiers tot zijn beschikking kon de graaf zijn stadswacht en daarmee de orde herstellen, zolang geen van beide ruziënde partijen overging tot regelrechte oorlogvoering.
De spanning in de stad was te snijden. Waar de lansiers voorbij reden, werd nieuwsgierig uit ramen gekeken. Voorbijgangers maakten plaats om de soldaten door te laten.
'Er hangt veel angst in de lucht,' merkte Gorath op.
'De mensen zijn bang als er rellen uitbreken,' zei Robert. 'Ook als je je er niet mee bemoeit, kan je nog in het geweld betrokken raken. Menig man is al gestorven voordat hij kon uitleggen dat hij onpartijdig in een gilderuzie was.'
Ze sloegen een hoek om en arriveerden op het stadsplein, dat zich uitstrekte rond een grote fontein. Er viel Robert iets op. 'Er zijn nergens venters of marskramers te zien.'
Owyn knikte. 'Ik ben hier al eens geweest, toen ik op weg was naar mijn oom in kasteel Cavell, en normaal zijn er altijd kooplieden op het stadsplein.'
'Misschien zijn ze bang om betrokken te raken in dat geweld waar je het over had,' zei Gorath.
Robert knikte. De noordzijde van het plein werd begrensd door een grote herberg. Boven de deur hing een uithangbord met daarop een zwart schaap in een groen weiland. 'Daar houden we ons hoofdkwartier,' verkondigde Walter van Gyldenholt.
De lansiers stegen af en wat Robert ook mocht hebben gedacht van de strijdlustige vroegere kapitein uit Hoogstein, zijn compagnie was een schoolvoorbeeld van doelmatigheid. De kapitein vroeg aan een voorbijganger: 'Weet u waar de Graaf van Romnee is?'
'Hij woont tegenwoordig in dat huis daar, heer,' antwoordde de man en wees naar de overkant van het plein.
Walter gaf de teugels van zijn paard aan een bode en steeg af. 'Jonker Robert, we gaan zijne excellentie een bezoekje brengen.'
Robert sprong uit het zadel en zei tegen Owyn: 'Zoek een kamer voor ons, maar in een andere herberg. In het gezelschap van vijftig koninklijke Lansiers is het wat lastiger rondneuzen.'
'Ik weet een goeie plek,' zei Owyn. 'Daar heb ik met mijn vader een keer gelogeerd.' Hij wees. 'Die straat loopt over een andere brug, over de Chaem, en pal aan de overkant staat een herberg met een groene kat op het uithangbord. Daar wachten we op je.'
Robert volgde Walter, die doelbewust naar de deur van het huis marcheerde. Nauwelijks had hij aangeklopt, of de deur ging open en een bediende zei: 'Treedt binnen, heren.'
De man droeg een wapenkleed met het wapen van de graaf: een gestileerde rivier met een vis die vanuit het water over een ster heen sprong. De bediende bracht hen naar een kleine ontvangstkamer achter in het huis.
Graaf Richard was een jeugdige man, die echter meer weg had van een koopman of een handelsman dan van een edele, ondanks zijn harnas en zwaard. Robert was opgegroeid tussen edellieden die behalve regenten ook strijders waren, en hier in het oosten moest hij nog steeds wennen aan de edelen die slechts decoratieve zwaarden droegen.
De stem van de graaf was verrassend zwaar en krachtig. 'Welkom, heren. Mijn heer Bas-Tyra heeft dus mijn verzoek beantwoord.'
Walter sprak als eerste. 'We zijn meteen gekomen, heer.'
'Hoeveel man hebt u meegebracht?'
'Een voltallige compagnie van vijftig Koninklijke Lansiers.'
De graaf scheen bezorgd. 'Ik hoop dat dat genoeg is. Het liefste zou ik dit geschil oplossen zonder mijn toevlucht te nemen tot geweld.'
Walter wierp een blik op Robert en haalde zijn schouders op. De graaf merkte het op en vroeg: 'En u bent?'
'Robert, jonker van prins Arutha.' Hij haalde zijn reisbrief en verzoek om bijstand te voorschijn. Het tweede document leek de ongerustheid van de graaf te vergroten. 'Wat voor hulp?'
'Op dit moment slechts informatie, mijn heer. We hebben vernomen dat de Broederschap van het Onzalige Pad weer actief in dit gebied is en dat de Nachtraven mogelijk weer terugkomen.'
'Mogelijk?' vroeg de graaf, van kleur verschietend. 'Leest er dan niemand de verslagen die ik naar de Kroon stuur? Natuurlijk is dat mogelijk! Ze hebben twee leden van het IJzersmedersgilde voor de Riviertrekkers vermoord en ook twee leden van de Riviertrekkers zelf. Ze moorden voor wie er maar betaalt. Ik heb gehoord dat baron Cavell zich in Cavelldorp verborgen houdt omdat ze hem voortdurend belagen! Hij woont nu in een kleine residentie met zijn huiswachters in alle kamers.'
De naam Cavell kwam Robert bekend voor, maar hij wist niet meer precies waarvan. 'Wel, mijn heer, mijn metgezellen en ik zijn een paar dagen in de buurt om hier en daar wat vragen te stellen. We zouden het op prijs stellen wanneer niemand anders wist dat ons bezoek een officieel karakter heeft. Als iemand het vraagt, zijn we hier om de groeten van de prins over te brengen, aangezien we onderweg naar elders toch hierlangs kwamen.' Hij wierp een blik op Walter. 'We logeren in herberg De Groene Kat om dat enige geloofwaardigheid mee te geven, kapitein.'
Walter van Gyldenholt haalde zijn schouders op alsof hem dat niet uitmaakte. 'Mijn heer, we staan te uwer beschikking. Morgenochtend spreek ik graag met het hoofd van uw stadswacht en dan beginnen we met patrouilleren. Zodra de mensen hier mijn jongens rond zien rijden, wordt het vanzelf rustiger.'
De graaf gaf Robert en de kapitein permissie te vertrekken en eenmaal buiten de deur zei Walter: 'Nou, jonker, je zult zien dat we de boel hier binnen de kortste keren onder controle hebben.'
'Ik hoop het, kapitein.' Robert voelde de spanning weer in de lucht. 'Ik hoop het echt.'
Ze namen afscheid en Robert ging naar zijn paard, steeg op en reed door de stad in de richting die Owyn hem had aangewezen. Onderweg nam hij de stad in ogenschouw.
Romnee lag op de plek waar drie rivieren samenkwamen. De Rom kwam omlaag uit de Tanden van de Wereld vanaf een plek nabij Noordwacht, de oudste der grensbaronieën. In Romnee splitste de Chaem zich daarvan af in zuidoostelijke richting, terwijl de Rom verder liep naar het zuidwesten, om vlak bij de kust weer naar het zuidoosten af te buigen. Bij de brug die in een boog over de Chaem liep, bleef hij staan. Er knaagde iets aan hem. Wat wist hij niet precies, maar wel dat het belangrijk was. Hij wachtte om te zien of er iets bij hem boven kwam borrelen, maar besloot dat het zich vanzelf wel aan zou dienen als het nodig was.
Aan de andere kant van de brug bleek de spanning in de stad nog groter. De burgers liepen snel, schichtig rond kijkend alsof ze verwachtten op ieder moment te kunnen worden aangevallen, en nergens waren de vertrouwde straatventers te zien.
Aangekomen bij herberg De Groene Kat reed hij achterom naar het stalerf, waar Gorath en Owyn hem stonden op te wachten. 'Waarom zitten jullie niet binnen te eten?' vroeg Robert terwijl hij afsteeg.
Een doodsbang kijkende stalknecht antwoordde: 'Meneer, mijn meester weigert uw... vriend binnen te laten.' Hij wees naar Gorath.
'Een vriend zou ik hem niet direct noemen,' mompelde Robert, wierp de jongen de teugels toe en beende naar de achterdeur van de herberg. Na een korte aarzeling volgden Owyn en Gorath.
Binnen zag Robert een rijzige man van gevorderde leeftijd, maar nog breedgeschouderd en met imposante spieren onder het vet. Met een vlezige vinger wees hij naar Gorath. 'Jij! Ik heb je toch gezegd dat ik jouw soort niet in mijn herberg wil!'
Haastig posteerde Robert zich tussen de herbergier en Gorath. 'En wat voor een soort is dat dan?' vroeg hij.
Taxerend keek de man op Robert neer en bleef staan. De jongeman was een stuk kleiner, maar iets in zijn manier van doen hield de herbergier tegen. 'Zwarte elfen! Vijftien jaar heb ik aan de grens gediend en ik heb er genoeg van zijn soort omgelegd om hem te herkennen. Ze hebben ook genoeg van mijn kameraden gedood. En wie ben jij om dat te vragen?'
'Ik ben jonker Robert van het Prinselijk Hof te Krondor. Hij hoort bij mij en we zijn op een missie voor de Kroon.'
'En ik ben koningin Banapis,' kaatste de herbergier terug.
Grijnzend haalde Robert zijn volmachten uit zijn tuniek. 'Nou, Majesteit van Liefde en Schoonheid, lees dit maar even, of ik ga de graaf erbij halen en dan zullen we eens zien hoe leuk hij het vindt om helemaal voor niets hierheen te worden gesleept, gezien de staat waarin zijn stad momenteel verkeert.'
De oude man kon lezen, zij het langzaam, en met meebewegende lippen. Robert bood niet aan hem te helpen. Even later gaf hij de documenten terug. 'Verdomd, jij bent echt een soort officier van de prins, hè?'
Robert haalde zijn schouders op. 'Als we in het leger zaten, zou ik Ridder-Luitenant zijn, als je dat als oudgediende beter kunt begrijpen. En ik wil een kamer die groot genoeg is voor ons drieën, plus bier en eten.'
De man wierp Gorath een vuile blik toe en draaide zich om. 'Deze kant op... heer.' Hij ging hen voor naar de tapkast en haalde een grote ijzeren sleutel te voorschijn. 'Trap op, helemaal achterin rechts.' Robert nam de sleutel in ontvangst en er verscheen een lichtje in de ogen van de man. 'Zes gouden soevereinen per nacht.'
'Zes!' riep Robert uit. 'Oplichter!'
'Het kost twee per persoon. Graag of niet.'
In de wetenschap dat de vijftig lansiers een grote aanslag pleegden op de voorraad beschikbare kamers, zei Robert: 'Goed dan maar.'
'Vooruit betalen.'
Robert telde twaalf munten voor hem uit. 'Twee nachten. Als we langer blijven, betalen we overmorgen.'
De man streek de munten op. 'En dat is exclusief maaltijden en bier.'
'Daar was ik al van overtuigd,' zei Robert en hij wendde zich tot Owyn en Gorath. 'We gaan onze spullen pakken en wat eten.'
Ze haalden hun reisbundels van de paarden, zorgden ervoor dat de stalknecht wist wat hij moest doen en gingen naar boven. Zoals Robert al had verwacht, was het de minst aantrekkelijke kamer van de herberg: achterin boven de stallen. Hij besloot er geen punt van te maken.
Beneden verdroegen ze een trage bediening, ook al was het niet eens zo druk. Robert begon zich net af te vragen of hij de oud-soldaat die de boel bestierde niet op zijn plaats moest zetten, toen de maaltijd eindelijk werd gebracht. Tot Roberts verrukking was die van goede kwaliteit.
Tijdens het eten bespraken ze de situatie. Robert maakte hen deelgenoot van het bee* dat hij te weten was gekomen, en Owyn zei: 'Dus de Nachtraven werken voor de Riviertrekkers of de IJzer smeden?'
'Voor geen van beiden,' vermoedde Gorath. 'Verwarring en tweedracht zijn Delekhans bondgenoten, hier in het Koninkrijk.'
'Volgens mij heeft Gorath gelijk. Ik weet niet of de Nachtraven onder een hoedje spelen met die Kruiper, die Delekhan of allebei, of dat we gewoon in een conflict verzeild zijn geraakt dat niets met onze missie te maken heeft, maar in alle gevallen is het in Delekhans voor deel, wat betekent dat we er een einde aan moeten maken.'
'Hoe dan?' vroeg Owyn.
'Door uit te zoeken hoe dit is begonnen en zien of we iets kunnen verzinnen om de twee partijen weer met elkaar te laten praten. Als de graaf kan bemiddelen, keert er wellicht enige vorm van orde terug. Die lansiers kunnen niet eeuwig de deksel op deze borrelende pot blijven houden. Op een gegeven moment wordt er een zwaard getrokken of een dreun uitgedeeld, en dan staat de hele stad op zijn kop.' Op zachtere toon vervolgde hij: 'En als de leden van de stads wacht aan de ene of de andere kant staan, kunnen ook die vijftig lansiers daar niets tegen uitrichten.'
Owyn knikte. 'Wat moeten we gaan doen?'
'Morgen bij het eerste ochtendgloren ga jij buiten de stad wat rondsnuffelen,' zei Robert, wijzend naar Gorath. 'Je weet waar je op moet letten.' Toen keek hij Owyn aan. 'Ben jij bekend bij de vooraanstaande families in Romnee?'
'Niet zo goed,' antwoordde Owyn, 'maar aangezien mijn vader baron is, en ik genoeg namen kan laten vallen, moet ik wel ergens een uitnodiging voor de thee of de maaltijd kunnen krijgen.'
'Mooi,' zei Robert. 'Dan ga ik rondneuzen.'
'Waar?' vroeg Owyn.
Robert grijnsde. 'In die delen van de stad waar verstandige mensen zich niet wagen.'
Owyn knikte. 'En verder?'
'Ken jij ene baron Cavell, ten noorden van hier?' vroeg Robert. Owyn trok een wenkbrauw op. 'Corvallis van Cavell? Vrij goed. Dat is mijn oom. Mijn moeders oom, eigenlijk, maar slechts een paar jaar ouder dan zij. Hoezo?'
'Richard van Romnee zegt dat hij voortdurend wordt belaagd door de Nachtraven.'
'Dat verbaast me niets,' zei Owyn. 'Oom Corvallis is altijd al opvliegend en haatdragend geweest. Zo kwam hij wat makkelijker aan zijn vijanden. Al vind ik het wel moeilijk te geloven dat er iemand uit is op zijn dood.'
Robert haalde zijn schouders op. 'Graaf Richard zegt dat hij dat van de baron van Cavell heeft gehoord.'
'Als ze hem dood wilden, dat was hij dat allang geweest,' merkte Gorath op.
'Daar zit iets in, maar volgens Richard houdt je oom zich schuil in een huis in het midden van Cavelldorp, met bewapende wachters in alle kamers.'
Owyn knikte. 'Jaren geleden is de oude veste compleet uitgebrand en sindsdien woont de familie in het beste huis van het dorp. Ze hebben het er wel steeds over om het kasteel te herbouwen, maar tot op heden staat het nog steeds leeg.'
'Nou, misschien moesten we maar eens een praatje met je oom gaan maken, als we hier de Nachtraven niet kunnen vinden,' besloot Robert.
'Zo moeilijk is het anders nooit geweest om hen te vinden,' merkte Gorath op.
Robert knikte. 'Maar al te waar.'
Meteen na de maaltijd zochten ze hun bedden op.
Nauwelijks was 's ochtends de schreeuw tot Robert doorgedrongen of hij was zijn bed al uit, grijpend naar zijn broek en laarzen. Gorath schrok ook wakker en pakte zijn zwaard. liggend op zijn stromatras naast die van Gorath, kwam Owyn in beweging. 'Watte?'
'Zo te horen is er een rel uitgebroken,' zei Gorath.
Robert luisterde naar de geluiden. 'Nee, het is iets anders.' Zodra hij was aangekleed, rende hij de gang door en nam de trap naar de gelagkamer. Toen hij de voordeur naderde, hoorde hij stemmen van buiten. Bij de ingang van de herberg stond de eigenaar te luisteren naar het geschreeuw van langsrennende mensen.
'Wat is er loos?' vroeg Robert.
'Moord,' antwoordde de herbergier met een duistere blik. 'Ze roepen dat er vannacht een moord is gepleegd.'
. 'Een moord?' vroeg Owyn, die de trap afkwam. 'Op wie?'
'Weet ik niet,' zei de herbergier. 'Maar ze zeggen dat het in Het Zwarte Schaap is gebeurd.'
Nog voordat de woorden waren weggestorven, was Robert de deur al uit, op zijn hielen gevolgd door Owyn en Gorath. Hij nam de moeite niet om zijn paard te gaan zadelen, maar rende door de straten, de stroom van mensen volgend die zich over de brug in de richting van het stads plein begaven.
Vlak bij het plein werd de menigte tegengehouden door een aantal mannen met knuppels, allen voorzien van een armband. Nergens waren de Koninklijke Lansiers te zien. Robert moest zich een pad door de massa banen en toen hij vooraan kwam, werd hem de weg versperd door een man met een speer. Robert duwde de spies opzij. 'In opdracht van de Kroon!'
Daar was de man duidelijk niet op voorbereid en na een korte aarzeling liet hij Robert, Gorath en Owyn voorbij. De anderen wist hij echter tegen te houden, terwijl Richard, Graaf van Romnee, over het plein beende, in de richting van de fontein. Hij zag Robert en riep:
'Jonker!'
Robert ging naar hem toe. 'Mijn heer? Wat is er gebeurd?'
Van razernij amper in staat te spreken, wees hij naar de openstaande deur van herberg Het Zwarte Schaap. 'Kijk!'
Robert rende naar de ingang.
In de gelagkamer zag hij Koninklijke Lansiers, verspreid liggend over tafels en op de vloer, met lege blikken starend. Hij hoefde geen genezer of priester te raadplegen om te weten dat de mannen dood waren. In een hoekje bij de tapkast zag hij een bibberende stalknecht, die de lijken had gevonden toen hij een uur geleden voor het ontbijt naar binnen was gegaan. 'Allemaal?'
De jongen was zo bang dat hij nauwelijks kon spreken. 'H-heer.' Hij knikte. 'De officier ligt in zijn kamer b-boven, met de sergeant en een paar anderen. De rest is hier gestorven.'
Gorath liep naar een tafel en pakte een kroes bier op. Hij rook eraan. 'Vergif,' zei hij, 'of ik ben een gnoom. Je kunt het ruiken.'
Robert nam de kroes van hem over en rook. Kennelijk was het reukzintuig van de moredhel gevoeliger dan dat van hem, want hij kon geen andere geur onderscheiden dan die van warm bier. Wel zag hij een licht zwart bezinksel in de kroes. Met zijn vinger viste hij er een beetje van uit en proefde met het puntje van zijn tong. Meteen spuwde hij het uit. 'Het kan best zijn dat dit bier vergiftigd is, maar wat je ruikt is teerkruid.'
'Teerkruid?' vroeg Owyn. Ondanks het aantal lijken dat hij reeds had gezien, zag hij bleek.
Robert knikte en zette de kroes neer. 'Oud trucje in de wat slechtere herbergen in het Koninkrijk. In grote hoeveelheden is teerkruid lelijk spul, maar van een klein beetje krijg je alleen maar dorst. Stop er wat van in slecht bier en de klanten drinken het alsof het dwergs winterbier was.'
'Ga je er dan niet aan dood?' vroeg Owyn.
'Nee, maar er zijn genoeg smaakloze vergiften waar je wel aan onderdoor gaat,' antwoordde Robert. Hij draaide zich om naar de jongen. 'Hoe heet je?'
Jason,' zei de jongen doods benauwd. 'Wat gaan ze met me doen?'
'Niets, waarom?'
'Ik heb deze mannen bediend, heer. Mijn meester zegt altijd dat het welzijn van onze gasten onze verantwoordelijkheid is.'
'Dat kan wel zijn,' zei Robert, 'maar jij kon toch niet weten dat het bier was vergiftigd?'
'Nee, maar wel dat er iets niet klopte en daar heb ik niets over gezegd.'
Meteen was Roberts interesse gewekt. 'Wat klopte er dan niet?'
'De mannen die het bier kwamen brengen. We kopen ons bier bij Het Omgekeerde Vaatje in Sloep. Ik ken de wagenmenners. Ditmaal waren het vreemden.'
Robert nam Jason bij de schouders en keek hem in de ogen. 'Kan je ons iets over die mannen vertellen, iets wat je is opgevallen?'
Jason staarde een ogenblik naar het plafond, alsof hij groef in zijn geheugen. 'Ze waren zwart, Keshiërs misschien, en ze praatten raar. En ze leken ongerust, al zeiden ze niets. Eentje had een medaillon dat onder zijn tuniek vandaan zwaaide toen hij zich bukte om een vaatje aan zijn maat te geven.'
'Hoe zag dat medaillon eruit?'
'Er stond een vogel op.'
Robert keek Gorath en Owyn aan. 'Verder nog iets?' vroeg hij.
'Ze zeiden me te vergeten dat ik hen ooit had gezien,' antwoordde Jason. 'En ze roken raar, als matrozen uit Silden als die hier zijn, naar zon op zeildoek, en naar bloemen.'
Terwijl Gorath en Owyn de kamer doorzochten, ging Robert naar buiten. Daar zag hij graaf Richard, als aan de grond genageld op de plek waar hij had gestaan toen Robert de herberg binnen was gegaan. Door de schok van deze veelvoudige moord kon de graaf nauwelijks nog functioneren. Robert had dat wel vaker gezien bij mensen die niet gewend waren aan geweld. Vlug liep hij naar de graaf. 'Mijn heer, wat is uw voorstel?'
Knipperend met zijn ogen, alsof hij moeite had Robert te verstaan, herhaalde Richard: 'Mijn voorstel?'
Robert wees naar de menigte. 'U moet iets gaan zeggen. Laat hen uiteengaan voordat het nog lelijker wordt dan het al is. Daarna moeten de lijken worden opgeruimd.'
Ja,' zei graaf Richard. 'Dat is zo.' Hij klom op de fontein, zodat iedereen hem kon zien. 'Burgers van Romnee,' riep hij en Robert kon zien dat de graaf de burgerij regelmatig toesprak, want de vertrouwdheid met die taak bracht hem weer tot zijn positieven. 'Ga terug naar huis!' commandeerde de graaf. 'Geen paniek. Gruwelijke moorden zijn er gepleegd, maar de daders zullen worden opgespoord en gestraft.' Hij sprong omlaag en wenkte een stadswachter. 'Ik wil hier binnen vijf minuten iemand van de Riviertrekkers en de IJzersmeden.' De wachter rende weg.
'Verdomme!' zei de graaf tegen Robert. 'Ik moet Chaem om meer troepen vragen. Zwarte Gys zal niet blij zijn als hij verneemt dat er vijftig mannen van de koning in mijn stad zijn vermoord.'
'En de koning evenmin,' merkte Robert op. Bij de verwijzing naar koning Lyam betrok Richards gezicht en Robert beloofde: 'Mijn metgezellen en ik zullen doen wat we kunnen om te helpen.'
'Het beste wat u nu kunt doen, jonker, is uitzoeken wie hier achter zit.'
'Maar dat weet ik al.' Robert vertelde over het teerkruid en over de twee mannen die kennelijk uit Silden kwamen.
'Nachtraven!' fluisterde de graaf, om niet te worden gehoord door de menigte, die langzaam het plein verliet. 'Verdomme! Dan had ik nog liever dat het Damon Reeves of Arle Staalziel was geweest.'
'Waarom?' vroeg Robert.
'Omdat ik dan een van de twee met goede reden kon ophangen en twee vliegen in één klap zou slaan. Reeves is de voorman van de Riviertrekkers en Arle Staalziel is het hoofd van het IJzersmedersgilde. Zij zijn de spil van de hele kwestie.' Hij wees naar twee mannen die aan kwamen lopen. Toen ze voor de graaf bleven staan, zei hij: 'Zeg jullie respectievelijke partijen dat ik het geweld in Romnee beu ben. Ik hou de leiders van de Riviertrekkers en de IJzersmeden hoofdelijk aansprakelijk voor het goede gedrag van beide kanten in dit geschil. Nog meer geweld en ik hang ze op, zij aan zij, aan het stadspoortgebouw. Ga het hun meteen vertellen!'
'Maar,' zei een van de mannen, lid van de IJzersmeden, 'Arle Staalziel zit in Sloep!'
'Dan breng je bericht naar Sloep,' gelastte de graaf.
'Mijn heer, dat zal ik doen,' kwam Robert tussenbeide. De twee mannen keken elkaar aan als om te vragen wie deze vreemdeling was, om een dergelijk bericht te brengen naar de leiders van de strijdende partijen.
'Laat iedereen weten dat Arle en Damon worden opgeknoopt zodra er zich nog meer problemen voordoen in de stad,' zei de graaf. De twee mannen maakten een buiging en renden weg.
'Kunt u die dreiging kracht bijzetten, mijn heer?' vroeg Robert toen de mannen buiten gehoorsafstand waren.
'Waarschijnlijk niet, maar mogelijk schrikken ze er zo van dat ze zich koest houden tot het volgende detachement soldaten arriveert.' Hij keek Robert aan. 'Waarom wilt u naar Sloep?'
'Omdat het vergiftigde bier daar vandaan komt en omdat ik denk dat we daarna verder moeten naar Silden.'
'Zeg Staalziel en Michael Waylander dan maar dat ik hen allebei hier binnen drie dagen verwacht, samen met Reeves en de andere leiders van de verschillende gilden. Mocht een van beiden niet verschijnen, dan weet ik meteen wie deze gruweldaad op zijn geweten heeft en vaardig ik zelf hun doodvonnis uit. Komen ze allebei, dan sluit ik hen allemaal bij elkaar op en mogen ze pas weg als we tot een overeenkomst zijn gekomen. Het zal me een zorg zijn of ze op de grond moeten piesen of doodgaan van de honger, maar voordat ze de buitenlucht weer inkomen, heb ik aan dit hele gedoe een einde gemaakt.'
Overtuigd van graaf Richards ernst zei Robert: 'Mijn metgezellen en ik vertrekken over een uur, mijn heer.' Hij maakte een buiging en ging terug naar Het Zwarte Schaap, waar twee arbeiders Jason hielpen om de lijken te verslepen naar een wagen, waarmee ze buiten de stad werden gebracht voor hun crematie. Owyn wenkte Robert.
Robert liep naar hem toe. 'Iets interessants gevonden?'
'Alleen dit,' antwoordde Owyn. Hij liet hem twee dingen zien. Het ene was een zilveren broche die eruitzag als een bovenmaatse spin.
'Wat is dit?' vroeg Robert.
'Draai maar eens om,' zei Gorath.
Dat deed Robert en hij zag een diepe groef door het midden van de achterkant lopen. In de broche zat een gomachtige substantie, zichtbaar door de groef. Robert bracht het ding naar zijn neus. 'Zilverdoorn!' zei hij.
'Weet je dat zeker?' vroeg Owyn.
'Die geur herken ik uit duizenden, geloof me maar,' antwoordde Robert.
'Het is een moordenaarshulpstuk,' zei Gorath. je haalt de rand van een dolk door die groef en al heb je je slachtoffer niet dodelijk verwond, binnen enkele uren sterft hij toch wel.'
'En verder?' vroeg Robert.
Owyn gaf hem een geelkoperen koker met glas aan weerszijden. 'Een verrekijker?' vroeg Robert.
'Kijk er maar eens door,' zei Owyn.
Zodra Robert dat deed, veranderde er iets aan zijn gezichtsvermogen. De kleuren vervloeiden en ineens zag hij verschuivende patronen op de kleren van zijn metgezellen en op de muren van het gebouw; Hij liet de kijker zakken. 'Wat is dit?'
'Een magische kijker,' antwoordde Owyn. 'Ik moet hem eerst nog bestuderen, maar ik denk dat je er dingen mee kan zien die je anders niet ziet, zoals voorwerpen die met magie verborgen zijn.'
Robert keek naar de spullen in zijn hand. Het liefste had hij over betere aanwijzingen beschikt, maar deze twee waren in ieder geval een begin.