12 Voorbereidingen

 

Wind en regen geselden de ruiters.

Owyn wist niet zeker of het wel beter was dan de sneeuw die hij ten noorden van de bergen had moeten verduren, want het was dan wel warmer, maar ook veel natter. Zijn dikke bontmantel was doorweekt en woog als lood. Maar in ieder geval, bedacht hij, was hij dit keer niet gedrogeerd en vastgebonden aan zijn paard.

Het door Obkhars clan verzorgde escorte had hen veilig weggebracht tot aan een pas die in handen van hun factie was. In het voorgebergte hadden ze een koerier onderschept die kwam waarschuwen voor een conflict bij Sar-Sargoth. Delekhans troepen waren omsingeld door Narab, die uit Delekhans kring van raadslieden was verwijderd en vervangen door Delekhans zoon Moraeulf. Het vermoeden bestond dat Narab in actie zou komen om Delekhan te verslaan voordat de Zes konden ingrijpen, want anders zou hij met zijn hele clan worden vernietigd. Gorath hoorde het nieuws met enige onverschilligheid aan en zei later tegen Owyn dat hij het zelfs prachtig zou vinden wanneer een van beiden de ander vernietigde.

Aan de top van de kleine pas die ze namen, maakte het escorte rechtsomkeert met de mededeling dat er in deze pas veelvuldig werd gepatrouilleerd door Koninkrijkse troepen. Zoals voorspeld werden ze later op dezelfde dag onderschept door een Koninkrijkse patrouille van Krondoriaanse soldaten. De bevelvoerend officier, luitenant Flynn, had hen beiden al als vogelvrij en aangemerkt, maar Owyn noemde Arutha's naam en zei dat ze hem een boodschap brachten van jonker Robert, en bovendien wisten ze ook te vertellen dat Arutha in het Schemerwoud zijn kamp had opgeslagen.

De patrouille had Gorath en Owyn overgedragen aan een ander detachement, dat hen meenam naar een kamp in het Schemerwoud. Over een afstand van verscheidene mijlen waren er vuren van gebivakkeerde soldaten te zien. Gorath had opgemerkt dat er een belangrijk deel van het Koninkrijkse leger in de bossen moest huizen.

Arutha zat aan een commandotafel gebogen over een grote landkaart van de bergen in het noorden. Naast hem zat zijn Ridder-Maarschalk Gardaan. Hij keek op toen Gorath en Owyn het bevelvoerderspaviljoen in werden gebracht en zei: Jullie zien eruit alsof je op instorten staat. Neem plaats.' Hij wees op een paar kampstoelen. Owyn liet zich dat geen tweemaal zeggen en plofte neer, maar Gorath liep naar de tafel om de kaart te bestuderen. 'Hier,' zei hij, zijn vinger plaatsend op de plek die Noordwacht aangaf. 'Hier wil Delekhan uw troepen aanvallen.'

Geruime tijd was Arutha stil terwijl hij de moredhel aandachtig opnam. 'Neem me mijn voorzichtigheid niet kwalijk,' zei hij uiteindelijk, 'maar waar is jonker Robert?'

'Sire,' antwoordde Owyn, 'wij moesten u dit bericht gaan brengen terwijl hij spoorslags naar Noordwacht ging om baron Gabot te waarschuwen. Hij gaf ons deze documenten mee.' Hij gaf de perkamentrollen aan een soldaat, die ze overhandigde aan Ridder-Maarschalk Gardaan. Owyn bracht hen op de hoogte van de ontdekking en vernietiging van het Nachtravennest bij kasteel Cavell. Nauwkeurig beschreef hij Roberts theorie dat Delekhan per boot van Noordwacht naar Romnee wilde om vanaf de rivier de Rom over land rechtstreeks naar Sethanon te gaan.

Andermaal zwijgend nam Arutha de documenten door. 'Ze lijken veel op de documenten die je liet zien toen je naar Krondor kwam, Gorath. Toen stond erin dat de aanval kon worden verwacht op plaatsen als Tannerus en Yabon. Wat moeten we nu geloven?'

Gardaans donkere gezicht stond bedenkelijk. 'Je beweert dat jullie en Robert bij kasteel Cavell uit elkaar zijn gegaan, maar we troffen je aan toen je weer door de bergen naar het zuiden kwam. Je hebt een flinke omweg hier naar toe genomen, moredhel.'

'We hadden weinig keus, mijn heer,' antwoordde Owyn weer. Hij legde uit dat ze gevangen waren genomen en trachtte hem een beeld te schetsen van de chaos onder de verscheidene clans van het noorden.

Toen hij was uitgesproken, zei Arutha: 'Je spreekt over verwarring en partijen die elkaar de macht betwisten, maar onze patrouilles en verkenners zien alleen een verenigde oppositie waar gecoördineerd wordt samengewerkt.'

'Ten zuiden van de Tanden van de Wereld ziet u uitsluitend troepen die trouw zijn aan Delekhan, prins Arutha,' zei Gorath. 'De clans die zich tegen hem verzetten, zijn ofwel op de vlucht naar de ijsbergen in het verre noorden, ofwel via het Hemelmeer langs de eledhel en de dwergen op weg naar het Groene Hart.'

'We hebben berichten gekregen van hertog Martin dat er opvallend veel groepen moredhel langs de oostgrens van Schreiborg trekken, Hoogheid,' zei Gardaan. 'Martin zegt dat hij vrouwen en kinderen heeft gezien, dus het zijn geen krijgsgroepen.'

'Toch ben ik nog steeds niet overtuigd,' wierp Arutha tegen. 'Ik heb Joolstein twee weken geleden naar Noordwacht gestuurd, om rapporten in te zamelen van de grensbaronnen in het oosten. Hij is zowel naar Hoogstein als Noordwacht en ik verwacht hem over twee weken terug. Als Robert daar is, komt Joolstein met bericht.'

'Robert zei al dat u wellicht zou twijfelen,' zei Gorath. 'Hij zei ons u te zeggen...' Hij wierp een blik op Owyn.

'Er is een feestje bij moeder thuis,' zei Owyn.

Arutha knikte. "'En iedereen heeft het er naar zijn zin." Dat is een oud wachtwoord van de Snaken, dat Robert gebruikte toen we elkaar voor het eerst ontmoetten.'

'Gelooft u ons nu, Hoogheid?' vroeg Owyn.

'Ik geloof dat Robert denkt dat het zo is als jullie hebben verteld,' antwoordde Arutha. Met een peinzend gezicht leunde hij achterover. 'Ik hoop alleen dat hij gelijk heeft.'

'Bevelen, Hoogheid?' vroeg Gardaan.

'Ik heb geen keus. Of ik vertrouw op Roberts informatie, of niet. Ik wil een detachement hier achterlaten om het gebied veilig te stellen, maar de rest van het leger gaat op mars naar Noordwacht.'

Gardaan keek op de kaart. 'Is het niet verstandiger om de koning te waarschuwen en het Leger van het Oosten te verzamelen om Gabot te gaan versterken?'

'Wel wanneer het Leger van het Oosten al was verzameld. Ik stuur bericht aan Lyam met de vraag om achter ons klaar te staan, mocht Delekhan langs Noordwacht komen. Maar wij kunnen er veel sneller zijn dan Lyam, dus laten we daar gebruik van maken. Laat morgen bij het eerste licht het kamp opbreken.'

Gardaan salueerde en verliet de tent om de bevelen door te geven. 'Wat weten jullie over de Zes?' vroeg Arutha.

Owyn probeerde zich alles te herinneren wat er over de mysterieuze, voor Delekhan werkende magiërs was gezegd. Toen hij tenslotte was uitgesproken en verscheidene scherpzinnige vragen van de prins had beantwoord, zei Arutha: 'Ik heb een missie voor jullie twee.'

'Ik sta liever in Noordwacht op de muur, Hoogheid,' zei Gorath, 'zodat ik Delekhan kan geven wat hij verdient.'

'Ongetwijfeld,' reageerde Arutha. 'Maar er is nu geen plaats voor bloedwraak en persoonlijke eer. Als wij falen, wie wreekt ons dan? Ik wil dat jullie teruggaan naar Krondor, om Puc te zoeken. Als hij er niet is, maar zijn vrouw Katala wel, kan zij met hem in contact komen. Als zij ook weg is, kan je gewoon gebruik maken van een talisman die Puc me voor dit doel heeft gegeven. De prinses weet hoe je hem moet gebruiken, en als Puc komt, vertel hem dan alles over de Zes. Ik denk dat magie een veel grotere rol in dit komende conflict gaat spelen dan we eerst vermoedden, en daar ben ik momenteel in Noordwacht niet goed op voorbereid.'

'Kan die jongen niet alleen gaan?' vroeg Gorath.

'Puc heeft de middelen om dingen uit je geheugen op te diepen die je zelf bent vergeten,' zei Arutha. 'Maar ik betwijfel of hij dat kan zonder jouw hulp.'

Een tijdlang was Gorath stil. 'Maar daarna wil ik komen vechten,' zei hij toen.

Arutha knikte. 'Dat begrijp ik.' Even zweeg hij. 'Nee, dat begrijp ik niet. Dat was erg arrogant. Ik weet niets van jouw ras en jouw beweegredenen.' Even keek hij Gorath onderzoekend aan, alsof hij de moredhelse hoofdman trachtte te doorgronden. 'Maar ik hoop dat ik ooit in de gelegenheid ben om te leren. Voor de drang om aangedaan leed te bestrijden, heb ik echter alle begrip. Als je klaar bent met Puc, kom dan terug, want ik zal blij zijn met je zwaard.'

'Ook u bent meer dan ik vermoedde, prins Arutha,' zei Gorath. 'Ook ik hoop op een gelegenheid om uw volk beter te leren kennen.' Hij wierp een blik op Owyn. 'Al heeft deze jongen en die andere me al veel laten zien dat me doet twijfelen aan de houding van mijn volk ten opzichte van uw ras.'

'Dat is een goed begin,' vond Arutha. 'Misschien komt het op een dag tot meer.' Hij kwam achter de tafel vandaan en stak zijn hand uit naar Gorath, die hem drukte. Het was meer dan een gebaar alleen.

'Zijne Hoogheid is genadig,' zei Gorath.

'Rust uit en ga morgen mee met de patrouille die ik naar Malachskruis stuur. Dat gaat sneller dan dwars door de bossen naar Sethanon en om de bergen heen naar Zwartheide. Zo komen jullie veilig in Krondor. Eenmaal daar, weet Puc wat hij moet doen.'

Owyn en Gorath vertrokken en werden door een soldaat naar een tent gebracht. De man hield de tentflap voor hen open en zei: 'De jongens die hier slapen zijn tot morgenochtend op patrouille, dus ze vinden het niet erg dat jullie hier liggen, zolang je maar niets steelt.' Hij glimlachte, om te laten zien dat hij een grapje maakte, maar Gorath staarde hem aan op een manier die zijn glimlach deed verdwijnen. 'Bij het grote vuur bij de tent van de prins is te eten, als jullie honger hebben,' zei hij en maakte zich uit de voeten.

'Het zal me deugd doen weer eens een warme maaltijd te krijgen,' zei Gorath. Er kwam geen antwoord. Hij keek in de tent en zag dat Owyn al op een van de bedrollen lag te snurken.

 

Alle kleingeestige baronnen met directe verantwoording aan de koning vervloekend reed Robert over een ijskoud bergpad. Als hij uitademde, vormde zich een witte wolk voor zijn gezicht. Bij iedere inademing prikte de lucht in zijn longen, zijn tenen waren gevoelloos en zijn maag bracht hem voortdurend in herinnering dat hij nog niet had gegeten.

Enkele uren nadat Joolstein het fort van baron Gabot had bereikt, was Robert gearriveerd. Noordwacht was een hoge vestetoren aan een van de drie grote passen door de oostelijke helft van de Tanden van de Wereld. In tegenstelling tot Hoogstein, dat midden op de pas was gebouwd, als barrière met een poort, stond Noordwacht op een kleine bergtop. Daaromheen kronkelde de pas die bekend stond als de Deur naar het Noordland. In een brede s-bocht liep er een enkele weg langs de berghelling naar beneden, steeds breder wordend. Door dit ontwerp waren de troepen van de baron in staat zich te verspreiden wanneer ze naar beneden stormden om een vijand te onderscheppen, terwijl de aanvallers tot een steeds kleinere voorhoede werd gedwongen wanneer ze zo dom waren om via de bergopwaarts lopende weg op te rukken.

Beneden hield baron Gabot de weg in handen met een reeks belegeringsmachines, langs twee bergwanden opgesteld, gericht op het noorden en het westen. In het westen was de verdediging het sterkst, terwijl de noordelijke posten bedoeld waren om verwoesting te zaaien onder aanvalstroepen die de bocht naar de veste moesten nemen. Met katapulten en blijden werd ervoor gezorgd dat een oprukkend leger zware verliezen zou lijden voordat het door de bocht buiten bereik van de krijgsmachines kon komen. Er zouden soldaten langs de barrière komen, dat wel, maar niets wat leek op een georganiseerde troepenmacht. En om af te rekenen met degenen die verder kwamen, beschikte de baron over een klein garnizoen bereden soldaten in een kazerne nabij het dorp Dencamp-op-de-Tanden.

Baron Gabot was ervan overtuigd dat hij iedere poging om door Noordwacht heen te breken kon afslaan. Dat had Robert als muziek in de oren geklonken, maar toch hoopte hij vurig dat Owyn en Gorath bijtijds Arutha hadden bereikt en dat er hulp onderweg was. Als ze Arutha hadden overtuigd, had het leger van de prins inmiddels al in Noordwacht kunnen zijn.

In plaats daarvan bleef het stil. Op Roberts aandringen had Gabot nog een boodschap naar het Schemerwoud gezonden, met een verzoek om assistentie van de prins, en ook had hij per ijlkoerier bericht gestuurd naar de koning, zijn leenheer. In ieder geval was Gabot niet zo eigenwijs als de oude baron Barend Hoogstein, die was gesneuveld nadat hij Arutha's raad in de wind had geslagen toen Murmandamus zijn positie had bestormd. Met een beetje geluk ontving Arutha dit bericht, wanneer Gorath en Owyn de tocht niet hadden overleefd.

Robert hoopte dat dat niet het geval was. Hij was erg gesteld geraakt op de jongeling uit Timons, en tot zijn eigen verrassing had hij ontdekt dat hij ook voor de moredhel enige sympathie had opgevat. Hij kon er geen kaartje aan hangen, maar die zwarte elf had iets over zich, een zeker gebrek aan onzekerheid over zichzelf en zijn positie. Maar weinig mannen hadden dat, en Robert had daar bewondering voor. Daarenboven had hij bewondering voor het vermogen van de moredhel om zijn eigen persoonlijke afkeer van mensen opzij te zetten en hun om hulp te vragen in de strijd tegen wat hij zag als een groot onrecht voor zijn volk.

Joolstein zwaaide en wees. Om baron Gabot een plezier te doen, waren Robert en hij met zonsopgang op verkenning uitgegaan om te zien of er zich al vooruit-geschoven eenheden van de moredhel in het noordelijke deel van de passen bevonden. Twee dagen geleden was er een patrouille vertrokken, in gezelschap van een magiër die momenteel in dienst van de baron was, en Gabot maakte zich zorgen over hun lot. Onuitgesproken bleef het feit dat het verlies van de twee jonkers voor de baron geen verschil uitmaakte, mocht hun iets overkomen, maar als hij nog een patrouille aan de vijand verloor, zou dat Noordwacht ernstig verzwakken. Robert en Joolstein hadden geen geldige reden kunnen verzinnen om te weigeren, en zo reden ze op de tweede dag van hun tocht door de ijskoude dageraad terwijl Robert in stilte alle grensbaronnen vervloekte.

Geluid van verderop had hen gewaarschuwd voor de mogelijke aanwezigheid van de vijand. Joolstein hield zijn paard vast terwijl Robert voor een beter uitzicht omhoog klom naar een rotsrichel. Over het pad holde een enkele gedaante, met zijn ene hand zijn ivoorkleurige gewaad omhoog houdend zodat zijn rennende spillebenen zichtbaar waren. In zijn andere hand had hij een grote staf, aan weerszijden met ijzer beslagen.

Om de pakweg dertig el bleef hij staan, draaide zich om en wachtte tot degene die hem achtervolgde in het zicht verscheen. Dan vuurde hij een energie schicht af, een vlam ter grootte van een meloen. Deze tactiek bracht weinig schade toe, maar wel weerhield het de achtervolger ervan de afstand te verkleinen. Robert klom langs de helling terug naar beneden.

'Wat is het?' vroeg Joolstein.

De laatste paar el legde Robert glijdend af. 'Ik geloof dat we Gabots magiër hebben gevonden.' Hij haalde een kruisboog van zijn paard, spande hem en legde er een schicht op, terwijl Joolstein zijn zwaard trok en afwachtte.

De oude man kwam de bocht om en aarzelde toen hij de twee jonkers zag. Joolstein wenkte hem en riep: 'Hierheen!'

De oude man rende verder, en toen de moredhel die hem achterna joeg om de bocht verscheen, mikte Robert en schoot zijn kruisboog af. Getroffen door de schicht sloeg de moredhel achterover.

'Je hebt geoefend,' merkte Joolstein op. 'Ik ben onder de indruk.'

'Boogschieten zal ik wel nooit leren, maar dit ding is vrij gemakkelijk,' zei Robert, de kruisboog opbergend.

'Zij het niet erg zuiver.'

Robert knikte. 'Als je een goeie vindt, moet je hem meteen houden. Sommige van die dingen schieten alle kanten op, maar met deze raak ik doorgaans waar ik op mik.'

De oude man hijgde en pufte, en toen hij bij hen kwam, leunde hij op zijn staf. 'Bedankt, jongens. Dat scheelde minder dan me lief was.'

'Bent u meester Patrus?' vroeg Joolstein.

'Gewoon Patrus,' zei de oude man. 'Ja, dat ben ik. Hoezo, zochten jullie naar mij?'

'En naar een compagnie soldaten van baron Gabot,' zei Robert. De oude man was slank gebouwd en had een gek hoedje in dezelfde kleur als zijn gewaad, maar het leek meer op een nachtmuts dan op een echte hoed. Met dat ivoorkleurige gewaad was het alsof de oude rondliep in zijn nachtgoed. Hij had een dun grijs snorretje en een geitensik. 'Een halve dag terug werden we besprongen door een gemengd gezelschap van die verrekte Onzalige Broeders en trollen,' zei hij, wijzend over zijn schouder. 'Die trollen waren knap lastig, zal ik jullie vertellen.'

'Ik heb er wel eens tegen gevochten,' knikte Robert. 'Bent u de enige die is ontkomen?'

'Misschien dat er nog een paar jongens langs zijn gekomen. Sommigen zijn de rotsen op geklommen, maar ik ben al oud; het beste wat ik kon doen was de weg af rennen en zorgen dat ze uit de buurt bleven.'

'Waar hebben ze jullie besprongen?'

'Een mijl of twee verderop,' antwoordde de oude magiër.

'Die staf van u is best handig,' vond Joolstein.

'Nou, knul, in werkelijkheid is het maar een vlammetje, en veroorzaakt niet veel meer dan een schroeiplek als je wordt geraakt, maar hij is wel net heet genoeg om weg te duiken als je zo'n vuurbol op je af ziet komen. Ik heb dat ding twee jaar geleden gemaakt om indruk te maken op wat vervelende dorpsbewoners in het zuiden, die me probeerden te verjagen. Een paar van die vuurbolletjes hun kant op, en ze lieten me met rust.'

Robert begon te lachen. 'Owyn had er niet bij verteld dat u er zo eentje was.'

'Owyn Belefote?' vroeg Patrus. 'Waar ken je die deugniet van?'

'Dat is een heel verhaal, dat vertel ik u onderweg wel. Als u eraan toe bent, wil ik de plek bekijken waar die trollen jullie hebben besprongen. Zo niet, dan kunt u terug naar Noordwacht. De weg daarheen moet hiervandaan veilig zijn.'

'Ik denk dat ik maar bij jullie blijf, jongens. Wie zijn jullie?'

'Ik ben jonker Robert van Krondor en dit is jonker Joolstein. Wij zijn leden van het prinselijk hof.' Ze voerden hun paarden maar aan de teugel mee in plaats van te rijden, aangezien de oude man te voet was.

'Prins Arutha's jongens? Jullie kennen toch niet per ongeluk Puc van Sterrewerf, wel?'

'We hebben het genoegen gehad,' antwoordde Joolstein.

'Die zou ik best eens willen ontmoeten. Ik heb een paar dingen over zijn academie gehoord en Owyn gezegd dat hij daarheen moest gaan. Ik had hem al alles geleerd wat ik wist.'

Joolstein hier is Owyn op de terugweg van Sterrewerf tegengekomen,' zei Robert. 'Hij was op bezoek geweest bij zijn tante in Yabon. Ik geloof dat Sterrewerf niet zo'n succes voor hem was.'

'Ach, wat!' zei de oude man, met zijn staf op de weg tikkend. 'Die jongen heeft talent, en redelijk wat ook, voor zover ik kan bepalen, maar ik denk dat hij van dat Grotere Pad is, wat dat dan ook mag zijn, want een hoop van wat ik hem wilde leren werkte gewoon niet. Maar de dingen die hem wel lukten, nou, daar was hij heftig mee, hoor.' De oude plattelandsmagiër keek de pas door. 'We krijgen bezoek.'

Meteen trok Joolstein zijn zwaard, en Robert maakte zijn kruisboog weer los. Maar in plaats van trollen of zwarte elfen, kwamen er twee stoffige leden van baron Gabots compagnie in zicht. De ene was duidelijk gewond en de andere zag er hondsmoe uit.

'Patrus!' zei de gewonde soldaat. 'We dachten dat ze je te grazen hadden gehad.'

'Geen schijn van kans,' grijnsde de oude man. 'Deze jongens hebben een handje geholpen.'

'Ik ben jonker Robert. Wat hebben jullie gezien?'

De andere soldaat bracht verslag uit en maakte melding van een ploeg van twintig Onzalige Broeders en een even groot aantal trollen, die hun patrouille in een hinderlaag hadden gelokt. Door ruzie tussen de twee partijen was voorkomen dat alle mannen van de baron waren gedood.

'Dat is interessant,' zei Joolstein.

'Hoogst,' beaamde Robert. 'Als ze ruzie maken, gaat dat over de betaling.'

Patrus knikte. 'Trollen-huurlingen wachten niet tot ze betaald worden. Die gaan naar huis of ze nemen je onder handen.'

'Hoe de ruzie begon weet ik niet,' zei de gewonde soldaat, 'maar toen we op de vlucht sloegen, schreeuwde een van de Onzalige Broeders iets tegen een trol, en in plaats van ons achterna te gaan, draaide die trol zich om en hakte die broeder aan mootjes. Tegen de tijd dat we weg waren werd er flink geknokt.'

De andere soldaat knikte. 'Ze waren ziedend, die trollen, en ze timmerden er net zo lief op los bij die Onzalige Broeders als bij ons.'

'Prachtig,' zei Robert. 'Chaos bij de vijand. Luister, redden jullie het in je eentje terug naar de baron?'

'Als er onderweg niemand meer op de loer ligt, moet ons dat wel lukken,' zei de gewonde soldaat.

'Mooi. Ga verslag uitbrengen bij de baron en als jullie hem verteld hebben wat je hebt gezien, zeg hem dan dat wij wat rond gaan snuffelen om te kijken wat we nog meer kunnen vinden.'

'Uitstekend, jonker,' zei de andere soldaat, saluerend.

'Wat had je in gedachten?' vroeg Joolstein toen de soldaten verder liepen.

'Als die soldaten door trollen zijn besprongen, is er hier in de buurt een kamp.'

'Klopt,' zei Patrus. 'Verderop ligt Raglam. Dat is een soort smokkelaarsdorp. Niet echt Koninkrijks, maar er wonen zo veel mensen dat het er ook niet bepaald Noordlands is. Veel wapen-smokkelaars, slavenhandelaars en andere stukken verdriet die er de hele tijd komen.'

'Zo te horen een dorp naar mijn hart,' zei Robert met een grijns.

'Ga je ons de dood in jagen?'

Roberts grijns werd breder. 'Dat nooit, Joolstein, mijn oude vriend. Jij wordt op een dag gedood om een vrouw; niet om iets wat ik heb bedacht.'

Joolstein grijnsde terug. 'Och, als ze mooi genoeg is.'

Terwijl ze erom lachten, vroeg Patrus: 'Hebben jullie nog iets te vertellen aan een oude machtsbezweerder als ik?'

'Ik dacht een ritje naar Raglam te maken om daar wat rond te kijken.'

Patrus schudde zijn hoofd. 'Gek zijn jullie, allebei. Lijkt me leuk.' De oude magiër begon vast vooruit te lopen.

Robert en Joolstein keken elkaar aan en schoten in de lach.

 

De patrouilleleider gaf het teken tot stoppen en zei tegen Gorath en Owyn: 'Malachskruis.'

Ze stonden opgesteld voor De Witte Koningin, waar het duidelijk druk was. 'Waarom proberen we de abdij niet?' opperde Owyn.

Gorath knikte. Ze namen afscheid van hun escorte en reden verder. 'Ik had gedacht dat jij een biertje en het gezelschap van anderen wel zou verkiezen boven de monniken van Ishap,' zei Gorath.

'Als ik geld had om dat biertje te betalen wel, ja,' zei Owyn terug. 'Dankzij Delekhan heb ik geen koperstuk meer over, tenzij jij nog ergens wat hebt weggestopt waar je me nooit over hebt verteld. Met al die voorbereidingen om naar Noordwacht te vertrekken had de prins het zo druk dat ik vergeten ben hem om fondsen te vragen.'

'Gaan we bedelen?' vroeg Gorath.

'We gaan vragen om gastvrijheid. Ik vermoed dat abt Graves een veel gewilliger oor zal hebben dan een overwerkte herbergier.'

'Daar kon je wel eens gelijk in hebben,' zei Gorath.

'Trouwens, misschien krijgen we de abt ook nog zover om ons de prijs van een maaltijd of twee te lenen voor de reis naar Krondor.'

'Daar hadden we aan moeten denken voordat we prins Arutha verlieten.'

'Ja, maar ik heb er niet aan gedacht. Jij hebt er niet aan gedacht. We hebben er allebei niet aan gedacht. Dus aan "hadden moeten" hebben we niet veel, wel?'

Gorath bromde dat dat zo was.

Aangekomen bij de abdij, bleek de poort gesloten. 'Hallo, daarbinnen!' riep Owyn.

'Wie is daar?' klonk een stem aan de andere kant. 'Owyn Belefote. We komen de abt spreken.'

'Wacht,' was het beknopte antwoord. Dat deden ze.

Bijna een kwartier ging voorbij voordat de poort werd geopend door een zeer bezorgd kijkende monnik, die hen binnenliet. Nauwelijks waren ze de poort door, of de deur sloeg weer achter hen dicht. 'Is er iets loos?' vroeg Owyn, afstijgend.

De monnik nam hun paarden bij de teugels. 'De abt verwacht u.'

Binnen troffen ze abt Graves, die toezicht hield over een paar monniken die kennelijk voor hem aan het pakken waren.

'Gaat u weg?' vroeg Gorath.

Kijkend naar het tweetal vroeg Graves: 'Waar is Robert?'

'De laatste keer dat we hem zagen, was hij op weg naar Noordwacht,' antwoordde Owyn. 'Waarom?'

'Verdomme!' vloekte de abt. 'Ik had gehoopt dat hij iets voor me kon doen.'

'Gaat u weg?' herhaalde Owyn Goraths vraag.

'Ik moet wel,' antwoordde Graves. 'Twee keer in de afgelopen week hebben de Nachtraven een aanslag op me gepleegd.'

Owyn en Gorath keken elkaar vragend aan. 'Maar abt,' zei Owyn, 'Robert heeft de leider van de Nachtraven gedood.'

'Is Neville dood?' vroeg Graves.

Voordat iemand kon reageren, had Gorath zijn zwaard getrokken en de punt op abt Graves' keel gelegd. Twee monniken sprongen overeind, de ene om de afstand tussen hem en de moredhel zo groot mogelijk te maken, de andere om een gevechtshouding aan te nemen, alsof hij de abdijleider wilde verdedigen.

'Stop!' riep Owyn en stak zijn handen op.

'Hoe wist je dat Du Sandau de leider van de Nachtraven was?' eiste Gorath. 'Het gemis van dat gegeven had ons fataal kunnen zijn.'

Graves hield zijn handen omhoog. 'Omdat hij me afperste.'

Owyn legde een hand op Goraths zwaard en duwde de punt langzaam omlaag. 'Eerst praten,' zei hij kalm.

Graves beduidde de monnik die klaar stond voor de aanval te vertrekken, waarop de jonge geestelijke knikte en wegliep, met de andere monnik op de hielen.

'Leg dat afpersen eens uit, voordat ik je vermoord,' zei Gorath.

'Sandau dwong de abt iets te doen tegen zijn wil door hem ergens mee te bedreigen,' zei Owyn. 'Nietwaar?'

'Ja,' antwoordde Graves. 'Hij ontdekte iets over mij en gebruikte dat om mij te dwingen hem te helpen bij zijn plannen.'

Owyn ging zitten op de tafel waaraan de monniken hadden gewerkt. 'Hoe kan iemand een priester van Ishap ergens toe dwingen? U beschikt over magie en een machtige kerk om zich op te beroepen. Wat heeft hij gedaan?'

'Zoals ik Robbie - Robert al zei, ik heb bindingen met mijn vroegere leven die nog niet geheel zijn verbroken.' Graves nam plaats en Gorath borg zijn zwaard op. 'Vroeger was ik een dief, een zware jongen voor de Snaken in Krondor. Ik deed de bewaking van de vracht die we de stad in en uit brachten, ik zorgde dat er niemand anders een bende op kon zetten, en ik beschermde onze meisjes, zodat ze niet in elkaar werden geslagen.' Hij sloeg zijn ogen neer en zijn gezicht stond spijtig. 'Toen ik mijn roeping voelde, en naar de Tempel van Ishap ging, probeerde ik dat leven achter me te laten. De kerk heeft me twee jaar opgeleid en ik zwoer trouw; Maar ik was niet eerlijk met mijn eed.'

'Hoe kan iemand nou liegen als hij in een tempel de eed aflegd?' vroeg Owyn met een stomverbaasd gezicht. 'Dat kan helemaal niet!'

'Het kan,' zei Graves, 'als je zelf niet weet dat je liegt. Ik dacht werkelijk dat ik mijn verleden kwijt was, maar ik loog mezelf voor.'

'Wat wil dat zeggen?' vroeg Gorath.

'Ik dacht dat ik alle bindingen had verbroken, maar dat was niet zo. Toen ik in de broederschap van monniken werd geplaatst, werd mij gevraagd te werken namens de tempel te Krondor. Zo kwam ik terug op mijn oude stekkie.' Hij viel stil, alsof hij niet verder wilde praten.

'Wat gebeurde er toen?' drong Owyn aan.

'Een vrouw; Een meisje dat ik kende toen ik nog zware jongen was. Ze was zo taai als leer en zo leep als een zwerfkat. Zo noemden we haar ook: Kat. Ze heet Katherine.'

'Een hoertje?' vroeg Gorath.

'Nee, een dievegge,' zei Graves. 'Ze was een redelijk zakkenrolster en sterk genoeg om een zware meid te zijn, maar waar ze werkelijk in uitblonk was diefstal. Ze kon je nachthemd van je lijf gappen terwijl je lag te slapen, en als je wakker werd, zou je je afvragen waar je wasgoed was gebleven.' Hij zuchtte. 'Het was maar een klein opdondertje toen ik haar leerde kennen. Ik plaagde haar altijd en dan werd ze kwaad op me. En toen ze ouder werd, pestte ze gewoon terug. Toen werd ik verliefd op haar.'

'Maar u verliet haar om bij Ishap in te treden?' zei Owyn.

'Het is een kwiek ding, en ze verdiende beter dan mij. Er waren genoeg jongere jongens die met haar om wilden gaan. Ik vond dat ze met iemand anders beter af was en dacht dat ik haar gemakkelijk uit mijn hoofd kon zetten. Maar dat was niet zo. Van tijd tot tijd zag ik haar op straat, en op een gegeven moment kreeg een kerel die ze de Kruiper noemen haar in de gaten, en op een avond komt die Navon du Sandau naar me toe, stralend tot en met, en zegt: "We weten van jouw kleine poezesnoet in Krondor. Als je niet doet wat we zeggen, is ze er geweest." En als ik de tempel inschakelde, zei hij, was ze er ook geweest.'

'En u geloofde hem?' vroeg Owyn.

'Ik moest wel. Hij wist veel. Die Kruiper zal een hele tijd naar mensen hebben gezocht, denk ik, want hij wist genoeg over mijn oude leven. Hij zou haar beslist vermoorden voordat ik iets kon doen.'

'Maar waarom gaat u nu dan op reis?' vroeg Owyn.

'Ik verwachtte een week geleden bericht van Du Sandau. In plaats daarvan klom er een Nachtraaf over de muur van de abdij. De broeder die verantwoordelijk is voor de verdediging van de abdij heeft hem onderschept en het scheelde niet veel, maar de moordenaar is uitgeschakeld. En twee dagen later, toen ik uit de stad terugkwam, werd de broeder die naast me liep geraakt door een kruisboogschicht die voor mij was bedoeld.'

'Waar gaat u heen?' vroeg Owyn.

'Iemand in een dorpje bij Romnee is mij nog wat verschuldigd,' zei Graves. 'Hij heeft betrekkingen met Kesh. Ik heb hem bericht gestuurd om te vragen of hij mij het Koninkrijk uit kan helpen. Vandaag kreeg ik bericht terug dat hij dat kon.'

'Michael Waylander?' vroeg Owyn.

'Ja,' antwoordde Graves. 'Hoe weet je dat?'

'Het verband is duidelijk,' zei Owyn. 'Waylander, u, de Nachtraven en deze Kruiper. Hoe het precies in elkaar zit weet ik ook niet, maar als Robert er was zou hij dat misschien uit kunnen vogelen.'

'Daar kan ik niet op wachten. Ook al is Sandau dood, er zijn nog andere Nachtraven. Die ene die op mij heeft geschoten loopt nog steeds vrij rond.'

'Dat is waar,' zei Gorath, 'maar wil jouw orde je niet beschermen?'

Met een spijtig gezicht schudde Graves zijn hoofd. 'Als ik meteen naar hen was toegegaan, misschien, maar dat heb ik niet gedaan en ik heb mijn eed gebroken. Mijn enige hoop is nog om Kat uit Krondor weg te halen en veilig over de grens met Kesh te komen voordat de Nachtraven me vinden.'

'Wij zijn op weg naar Krondor,' zei Owyn, 'dus we zouden samen kunnen reizen.'

'Jouw magie en het zwaard van je vriend zouden een hoop waard zijn, maar dan zouden jullie jezelf in gevaar brengen.'

Owyn begon te lachen. 'Sinds ik Gorath heb ontmoet doe ik dat toch al regelmatig.'

'Het leven is één groot gevaar,' zei Gorath. 'Ik snap alleen niet hoe jouw liefde voor dat meisje je van je plichten heeft kunnen brengen, maar er is wel meer wat ik niet begrijp van jullie mensen. Als Owyn zegt dat we jou niet hoeven te doden voor jouw aandeel in deze kwestie met de Nachtraven, dan zal ik dat van hem aannemen.' Hij zette zijn voet op de bank waarop Graves zat en boog zich voorover tot zijn gezicht vlak bij dat van de abt was. 'Maar als je ons nog één keer verraadt, eet ik je hart.'

Graves glimlachte terug en even werd de vroegere zware jongen zichtbaar. 'Probeer het gerust, elf, wanneer je maar wilt.'

Gorath snoof.

'Overigens,' zei Owyn, 'wij beschikken niet over middelen, dus we zijn afhankelijk van uw vrijgevigheid voor de maaltijden onderweg.'

Graves stond op en riep zijn monniken, die terugkwamen om hem verder te helpen met inpakken. 'Als jullie ervoor kunnen zorgen dat ik levend in Krondor aankom, hebben jullie je maaltijden dik verdiend.'

'Als die Nachtraaf de abdij nog steeds in de gaten houdt, weet hij dat we er zijn,' waarschuwde Owyn.

'We vertrekken vannacht,' zei Graves.

Owyn trok een grimas. 'Ik had zo graag in een bed willen slapen,' klaagde hij.

'Ga je gang,' zei Graves, wijzend naar zijn eigen slaapmatras in de hoek van de kamer. 'Ik maak je wel wakker als het tijd is om te gaan.'

Owyn knikte. 'Als het moet.'

'Het moet,' zei Graves.

Owyn strekte zich uit op de stromatras op de vloer en Graves vroeg aan Gorath: 'Wil jij ook slapen?'

'Ja,' antwoordde de zwarte elf, maar hij bleef staan, zijn blik op Graves gevestigd. 'Maar pas nadat we op weg naar Krondor zijn gegaan.'

Graves knikte en ging weer toezicht houden over de voorbereidingen van zijn vertrek.