8 Geheimen
Robert wees.
'Wat?' vroeg Owyn.
'Ik zie hen,' zei Gorath.
In de avondschemering bewogen schaduwen.
Vanaf het middaguur hadden ze zuidwaarts gereden, zo hard als de paarden konden, om het dorpje Sloep te bereiken en graaf Richards ultimatum aan Staalziel en Waylander voor te leggen. Met zonsondergang konden ze vanaf een heuveltop het dorp zien liggen. Tussen de bomen ten noorden van het dorp liepen gewapende mannen in de richting van een groepje huizen.
Gorath trok zijn zwaard en gaf zijn paard de sporen. Robert en Owyn volgden hem op de hielen. Terwijl ze op de mannen af stormden, schreeuwde Robert: 'Alarm! Overvallers in het dorp!'
Afhankelijk van de aard van het dorp kon er op twee verschillende manieren op een dergelijke waarschuwing worden gereageerd, wist Robert: of de dorpelingen kwamen met de wapens in de hand naar buiten stormen, of de deuren en ramen werden onmiddellijk afgesloten. In het Westen zouden er binnen enkele tellen minstens tien man in de straten paraat staan om de overvallers op te vangen. Hier in het betrekkelijk kalme Oosten was Robert daar echter niet zo van overtuigd. Toen ze het eerste huis passeerden, zag hij een nieuwsgierig gezicht door een raam gluren. 'Overvallers in het dorp!' schreeuwde hij weer. 'Te wapen!'
De man sloeg de luiken dicht en terwijl Robert het huis achter zich liet, zag hij in gedachten al hoe ook de deur werd gebarricadeerd.
Zodra Gorath bij de voorste Zwaardvechter was, besprong hij hem vanuit het zadel. Robert overwoog toch minstens één middag uit te trekken om de zwarte elf te leren hoe hij zittend op zijn paard toch goed kon vechten.
Owyn echter was er al vrij bedreven in geworden om vanuit het zadel met zijn zware gevechtsstaf schedels en beenderen te breken. Binnen enkele tellen sloegen de overvallers op de vlucht, terug de bossen in. Robert reed naar Gorath, die de achtervolging in wilde zetten, en riep hem terug. 'Het wordt zo donker,' legde hij uit. 'Ook met jouw vaardigheden heeft het weinig zin om een handvol woedende Nachtraven door een donker woud te achtervolgen.'
'Akkoord,' zei Gorath en liep terug naar zijn paard.
Robert ging naar het huis dat duidelijk het doel van de overval was geweest en steeg af. Hij bonsde op de deur. 'Doe open, in naam der koning!' riep hij.
Door een kijkspleet staarden twee ogen hem aan, groot van angst. De deur ging open en Michael Waylander verscheen. 'Jonker. Wat was dat voor een kabaal?'
'Het ziet ernaar uit dat het spelletje wat serieuzer aan het worden is,' antwoordde Robert. 'We hebben zojuist een groep Nachtraven weggejaagd die jou een bezoekje kwam brengen.'
Waylander werd bleek. 'Nachtraven?' Zijn knieën knikten en hij greep zich vast aan de deurstijl. 'Waar ben ik in verzeild geraakt?'
'Daar komen we juist over praten,' zei Robert.
Gorath en Owyn bonden hun paarden vast naast dat van Robert en kwamen naar de deur, waar Waylander opzij ging om hen binnen te laten. Het was een bescheiden woning, maar goed onderhouden, viel Robert op. Uit het meubilair en de inrichting sprak genoeg rijk dom om te begrijpen dat Michael Waylander erg goed gesitueerd was voor een gewone arbeider in een klein dorp. Het huis was dan niet groot, maar het had drie kamers. Het bed dat Robert door een deur opening zag, was een sierlijk hemelbed met gaasgordijnen. Door de andere deur zag Robert een keuken. Waylander liet zich zwaar op een stoel zakken en Robert nam plaats op de andere naast een tafel.
'Er is iemand uit op jouw dood, Michael,' zei Robert. 'Wie zou dat kunnen zijn?'
Met een verslagen gezicht leunde Waylander achterover. 'Ik ben er geweest.'
'Dat hoeft nog niet,' zei Robert. 'Ik vertegenwoordig prins Arutha, en al heb jij duidelijk wat machtige lieden tegen de haren in gestreken, de Prins van Krondor is nog steeds de machtigste man van het land na de koning. Als je meewerkt, kan ik je wellicht zijn bescherming bieden.'
Een ogenblik staarde Waylander voor zich uit, alsof hij nadacht. 'Ik zit er tot over mijn oren in. Ik doe alles om eruit te komen.'
Robert leunde voorover. 'Waarom begin je niet met uit te leggen wat "er" precies is?'
'Ongeveer een jaar geleden kwamen er wat mannen naar me toe uit Silden. Ze hadden een idee en ik ging met dat idee naar Arle Staalziel.'
'Wat was dat idee?'
'Het idee was om alle handel langs de rivier, van Silden tot aan de dorpjes in de bergen, in handen te krijgen.'
'Hoe waren ze dat van plan?' vroeg Robert.
'Ze zeiden dat ze connecties bij de Riviertrekkers hadden, zodat ze wisten dat het gilde de prijzen voor het handelsvervoer over de rivier ging opdrijven.'
'Dus het gilde wilde hogere tarieven?'
'Ja. Gewoonlijk zijn ze daar heel voorzichtig mee, want als de tarieven te hoog worden, gaan de kooplieden wagens gebruiken om de goederen over de Koningsheerbaan te vervoeren.'
'Maar als het op de Koningsheerbaan niet meer veilig was, zouden de kooplieden gedwongen zijn gebruik te maken van de schuiten van de Riviertrekkers,' begreep Robert.
'Ja.' Waylander knikte bevestigend. 'Die mannen zeiden dat ze ervoor konden zorgen dat de Riviertrekkers geen concurrentie hadden. Daarop zouden wij, Atle Staalziel en ik, de andere gilden in Romnee en de omliggende dorpen verenigen in hun standpunt tegenover de Riviertrekkers. Als de zaken ver genoeg uit de hand liepen, zou de koning de staat van beleg afkondigen en waren de Riviertrekkers hun werk kwijt.'
'En wat maakt het uit of er onderweg wat mensen sneuvelen?' merkte Owyn droog op.
'Waylander,' vroeg Robert, 'waarom dachten jullie dat de Rivier trekkers hun werk kwijt zouden raken als de koning de staat van beleg afriep?'
'We waren van plan om Damon Reeves, het hoofd van het Riviertrekkersgilde, te vermoorden.' Hij liet het hoofd hangen alsof hij zich schaamde om het toe te moeten geven. 'Ik wilde dat niet, maar tegen de tijd dat ze me van dit voornemen vertelden, zat ik er al te diep in. Ze zeiden dat ze ervoor zouden zorgen dat het net leek alsof de Nachtraven het hadden gedaan, zodat wij de schuld niet konden krijgen. In feite zouden ze de schijn wekken dat het iemand binnen het gilde was geweest die Reeves uit de weg had geruimd, zodat het gilde door tweedracht uit elkaar zou vallen. Ik ken Damon al jaren, het is een oude vriend van me, maar ik kon er niets aan veranderen.'
Robert wierp een blik op Gorath en Owyn. 'Wiens idee was het om de schuld op de Nachtraven af te schuiven?'
'Van die mannen uit Silden,' antwoordde Waylander. 'Hoezo?'
'Omdat het idee ons erg bekend voorkomt.'
Owyn besefte dat Robert doelde op de valse Nachtraven in het riool van Krondor en knikte.
'Wat moet ik nou doen?' vroeg Waylander.
'Ga Staalziel halen, ga met zijn tweeën naar Romnee, ga met de Riviertrekkers praten en sluit vrede. Zo niet, dan hangt de graaf jullie twee en Reeves op en begint hij opnieuw met degenen die jullie vervangen.'
'De graaf heeft nog nooit zulke dreigementen geuit. Waarom neemt hij daar nu ineens zijn toevlucht toe?'
'Omdat er zojuist vijftig Koninklijke Lansiers in zijn stad zijn vermoord,' antwoordde Robert.
Waylanders ogen werden groot en zijn gezicht werd asgrauw. 'Vijftig! Genadige goden!' Hij greep zich vast aan de tafel. 'Wie doet nou zoiets?'
'Kennelijk heeft het lot de Nachtraven op jouw pad gebracht,' zei Robert. 'En naar het schijnt zijn ze helemaal niet zo blij met deze pogingen om hen dingen in de schoenen te schuiven waarvoor ze niet verantwoordelijk zijn. Hoe slim jullie met zijn allen ook meenden te zijn, jullie werden voor de gek gehouden door ondergeschikten van een man die bekend staat als de Kruiper. Die is aan het proberen om de Snaken in Krondor pootje te lichten en wil kennelijk ook de baas spelen over de havens in de oosterse steden. Ze kwamen jullie helemaal niet helpen. Jullie werden ertoe gebracht om een situatie te creëren waarin zij de boel van jullie over konden nemen, nadat jij, Reeves, Staalziel en wie hen nog meer in de weg stond, onschadelijk waren gemaakt. Het zou me zelfs niet verbazen als de mannen van de Kruiper naar de Nachtraven hadden laten uitlekken dat jullie hun del schuld wilden geven voor de moord op Damon Reeves.'
'Alsof ze door die moord nog meer gezocht zouden worden,' merkte Gorath op.
'Dat klopt,' gaf Robert toe, 'maar het is mijn ervaring dat misdadigers een zekere trots aan hun eigen misdaden ontlenen, maar niets te maken willen hebben met dingen waar ze niet verantwoordelijk voor zijn. Het klinkt raar, dat weet ik, maar zo is het nu eenmaal.'
'Zo te horen heb jij in je leven al een hoop misdadigers gekend,' zei Waylander.
´Ja, hè?' Roberts glimlach miste iedere zweem van hartelijkheid.
'Wat moet ik doen nadat ik met de graaf heb gesproken?'
'Smeken om clementie, zou ik zeggen,' opperde Owyn.
Robert knikte. 'Er zijn een hoop mensen gestorven als gevolg van de keuzen die jullie hebben gemaakt, en jij en Staalziel hebben veel te verantwoorden. Maar als je de graaf helpt met het herstellen van de orde en ons met het opsporen van degenen die dit hele plan hebben beraamd, zullen wij doen wat we kunnen om je van het schavot te redden.'
'Misschien moet ik er gewoon tussenuit knijpen,' zei Waylander.
'Je zou Silden niet eens halen,' wierp Robert tegen. 'Ze zouden achter je aan gaan als jachthonden achter een haas, en waar wou je trouwens naar toe?'
'Ik heb kennissen in Kesh,' antwoordde Waylander. 'Als ik Wijzershoofd kan bereiken, kan ik met de karavaan over de Pieken van Stilte.'
'Nou, ik zou daar maar niet te snel mee zijn,' zei Robert. 'Als het mijn vrienden en mij lukt, vormen de Nachtraven straks geen probleem meer. Ik raad je aan met de graaf te gaan praten en te blijven zitten waar je zit. Ik stuur je wel bericht als het veilig is.'
'En die mannen in Silden dan?'
Robert stond op. 'Die vormen nog een probleem.'
'Maar ik ken hen alleen van gezicht en bij hun voornamen: Jacob, Linsey en Franklin, en dat zijn misschien niet eens hun echte namen.'
'Waarschijnlijk niet.' Robert haalde de kijker en de zilveren spin uit zijn reiszak. 'Wat kan je me over deze dingen vertellen?'
'Die spin heb ik van een handelaar, ene Abuk. Die reist heen en weer tussen hier en Malachskruis en doet onderweg altijd Silden aan. Daar heb ik hem voor het laatst gezien, dus misschien is hij nu wel onderweg hier naar toe. Hij rijdt op een groene venterswagen met zijn naam in rode letters op de zijkant.'
Owyn vertrok zijn gezicht toen hij dat hoorde. 'Dat kunnen we nauwelijks over het hoofd zien.'
Met onheilspellende blik keek Robert Waylander aan. 'Deze spin hebben we vanmorgen gevonden tussen de lijken van de dode lansiers.'
'Dan kan het nooit de mijne zijn!' zei Waylander meteen.
'Waarom niet?' vroeg Robert op strenge toon.
'Ik heb er een van Abuk gekocht, maar ik heb de mijne meegegeven aan de valse Nachtraven die Damon Reeves moesten vermoorden.'
Robert keek naar de broche. 'Er mogen er dan meer dan één zijn, maar je zult met overtuigender bewijs van je onschuld moeten komen.'
Waylander bekeek de spin. 'Kijk!' Hij wees naar de groef met daarin het vergif. 'Ik weet niet wat dit is, maar in de mijne zat nachtschade!'
'Zilverdoorn is moeilijk te krijgen in deze contreien,' merkte Gorath op.
'Maar niet onmogelijk,' kaatste Robert terug. 'Niettemin ben ik geneigd je te geloven. En de kijker?'
'Daar weet ik niets van,' zei Waylander, 'maar het is wel iets wat je bij Abuk zou kunnen kopen.'
Robert nam de anderen mee naar de deur. 'Ga naar de graaf, Michael. Arle en jij kunnen er morgen maar beter voor zonsondergang zijn, als jullie je nek uit de strop willen houden. Wij zijn tot morgenochtend in de herberg. Met zonsopgang vertrekken we naar het zuiden.'
'Ik loop wel met jullie mee tot aan Arle's huis,' zei Waylander, 'dan gaan we morgen naar de graaf. Waar moeten jullie zijn in het zuiden?'
'Eerst in Silden, voor Abuk en die drie mannen die je noemde. Met een beetje geluk hebben we binnen een paar dagen met deze hele mikmak afgerekend.' Waylander zei niets en Robert wist waarom. Zelfs wanneer alle Nachtraven en alle mannen van de Kruiper vannacht plotseling verdwenen, moest er nog steeds voor misdaden worden geboet. Maar zelfs de jaren in een kerker waren beter dan de dood, bedacht Robert. In een kerker had je tenminste nog de kans om te ontsnappen.
Toen ze de stad Silden naderden, minderden ze vaart. Ze zagen dat vanuit het westen een groep mannen naar de stad reed. 'We weten niet of ze naar ons op zoek zijn,' zei Robert. 'Maar aangezien jij al zo vaak bent aangevallen, Gorath, wacht ik liever om te zien wat ze van plan zijn.'
Gorath kon het daar alleen maar mee eens zijn, dus hij zweeg. De ruiters staken de brug over die in een boog over de rivier de Rom de stad in liep. Aangezien Silden was gebouwd op een klif boven een diepe haven, was er geen buitenstad buiten de muren. Wel lag er een reeks dorpjes verspreid langs de kustlijn rond de baai van Silden, en de westkust van de baai werd in beslag genomen door een groot dorp, aan de andere kant van de brug.
Ze reden door de noordpoort van de stad, langs een paar verveeld kijkende stadswachters. Robert draaide zich om naar Owyn. 'Heb je nog vrienden of familie hier?'
'Niet dat ik weet,' zei Owyn. 'Of in ieder geval niet dat mijn vader wenst toe te geven.'
Robert begon te lachen. 'Dat kan ik begrijpen. Dit is niet bepaald wat je noemt vruchtbaar gebied, hè?'
Silden was slechts van waarde voor twee groepen: bewoners en smokkelaars. Het overgrote deel van de handel die via de rivier naar het noorden ging, kwam binnen door de veel grotere handelshaven van Chaem, die met haar brede steigers en enorme aantal pakhuizen na Bas-Tyra de grootste havenstad aan de noordkust van de Koninkrijkszee was. Daarom vormde Silden een veel aantrekkelijker bestemming voor lieden die handel wensten te drijven zonder tussenkomst van de Koninkrijkse douane. Die deed haar best de smokkel te beperken, maar met het grote aantal dorpen ten oosten en westen van de stad bleek dat onmogelijk. Dientengevolge werd in Silden al jaren om de dominantie gestreden door diverse criminele bendes, van plaatselijke dieven en knokploegen uit Rillanon, tot de Snaken in Krondor en Keshische smokkelaars. Vanwege deze voortdurende strijd was Silden welhaast een open stad in het Oostelijke Rijk van het Koninkrijk.
Het graafschap Silden, een redelijk aantrekkelijk leen met vol doende pacht en inkomsten om een adellijke familie te onderhouden, werd vanuit een ander leen bestuurd. De laatste Graaf van Silden was gesneuveld in de Oorlog van de Grote Scheuring, tijdens de massale aanval die koning Rodric de Vierde in het laatste jaar van de oorlog tegen de Tsurani had geleid. Koning Lyam had het graafschap nog steeds niet aan iemand anders toegewezen, wat de Hertog van Chaem uitstekend uitkwam, aangezien hij momenteel het inkomen van de landgoederen in het graafschap genoot. Robert was van mening dat het moest worden veranderd in een heus hertogdom, bestuurd vanuit de stad, zodat de problemen in deze waardevolle havenstad eindelijk in de hand gehouden konden worden. Wanneer hij terugkwam, zou hij het meteen met de prins bespreken, maar voorlopig bleef Silden een verwaarloosd en achtergebleven stadje zonder fatsoenlijk bestuur.
Het eindresultaat van deze situatie was een vrijwel volledige afwezigheid van gezag en orde, voor zover die niet door de plaatselijke stadswacht werd afgedwongen. En volgens Robert hield dat op waar de marktwijk van de stad overliep in het havengebied. Een brede boulevard werd aangegeven door een bord met vier vliegende meeuwen. Aan de ene kant van de straat stonden welvarende winkels en woonhuizen, aan de andere kant herbergen en pakhuizen. Over het midden van de weg was een lange rode lijn geschilderd.
'Wat is dat?' vroeg Gorath toen ze eroverheen reden.
'Een doods-streep,' antwoordde Robert. 'Als er aan die kant wordt geknokt, kan niemand dat iets schelen. Maar knok je aan deze kant, dan word je afgevoerd naar een dwangarbeiderskamp.' Hij beduidde ,hen de scheidslijn over te steken en ze reden het havengebied binnen. 'Ach, wat hou ik er toch van wanneer ze je zonder omwegen laten weten hoe de zaken ervoor staan.'
Gorath keek Owyn aan en haalde zijn schouders op. 'Waarom heet het een doods-streep?'
'Werd je vroeger na spertijd aan de verkeerde kant door de soldaten van de koning betrapt, dan hingen ze je op,' antwoordde Owyn.
Ze reden door een reeks donkere straten, met aan weerszijden hoge pakhuizen, en staken een andere vrij brede straat over, waar het wemelde van de wagens en grote kerels met volgeladen handkarren. Plots keken ze uit over de haven, een wirwar van steigers en pieren, soms van steen, meestal van hout, dicht tegen elkaar aan. Tal van kleine boten voeren de haven in en uit. Silden was gezegend met één groot goed, namelijk het hoge klif waarop de drie ruiters nu stonden, want dat bood beschutting tegen het strengste winterse weer.
Robert loodste hen over de lange weg naar de kade en wees naar een herberg met een uithangbord dat was gemaakt van een oud, witgeschilderd scheepsanker. Ernaast bevond zich een bescheiden stalerf en toen Robert er binnen reed, kwam er een groezelig joch aangerend.
'Wrijf ze droog, krab de hoeven uit, en geef ze hooi en water,' instrueerde Robert en steeg af. De jongen knikte. 'En zeg iedereen die het wil weten dat ik het als een persoonlijke gunst zou beschouwen als deze dieren er morgenvroeg nog stonden.' Robert maakte een kort gebaar met zijn duim en de jongen knikte even met het hoofd.
'Wat was dat?' vroeg Owyn.
Terwijl ze herberg Het Ankerhoofd binnenliepen, antwoordde Robert: 'Even een woordje voor een goed verstaander.'
'Ik bedoel dat met die duim.'
'Zo heb ik die jongen laten weten dat er maar beter naar mijn woorden kan worden geluisterd.'
De donkere gelagkamer had duidelijk betere tijden gekend en Robert bekeek de clientèle. Matrozen, havenknechten, avonturiers op zoek naar een uitvarend schip, dames van verhandelbare zeden, en de gebruikelijke verzameling vechtersbazen en dieven. Robert nam hen mee naar een tafeltje achterin en zei: 'Nu gaan we wachten.'
'Waarop?' vroeg Gorath.
'Tot de juiste persoon zich laat zien.'
'Hoe lang kan dat duren?' vroeg Owyn.
'In dit hol? Een dag, hooguit twee.'
Gorath schudde zijn hoofd. 'Jullie mensen leven als... dieren.'
'Zo slecht is het anders niet als je er eenmaal aan gewend bent, Gorath,' zei Robert. 'Het is een grote verbetering vergeleken bij bepaalde plekken waar ik vroeger heb gewoond.'
'Dat is een merkwaardige bewering voor een dienaar van een prins van zijn ras,' vond Gorath.
'Dat klopt,' beaamde de jonker, 'maar desondanks niet minder waar. Ik heb een ongebruikelijke kans gekregen om mijn slechte situatie te verbeteren.'
'Mijn lot is juist het omgekeerde,' zei Gorath. 'Ik was hoofdman van mijn clan. Mij werd om raad gevraagd en ik werd tot de leiders van mijn volk gerekend. En nu zit ik in de misère met de vijanden van mijn ras.'
'Ik ben pas iemands vijand als hij zich tegen mij heeft gekeerd,' merkte Robert op.
'Dat kan ik geloven, jonker,' zei Gorath, 'al kan ik nauwelijks bevatten dat ik het zelf zeg. Toch gaat dat niet op voor de meeste anderen van jouw ras.'
'Ik heb ook nooit beweerd te spreken voor het overgrote deel van mijn ras,' zei Robert. 'Misschien is het je opgevallen dat we het meestal veel drukker hebben met het vermoorden van elkaar dan met het lastig vallen van de Naties van het Noorden.'
Ineens begon Gorath te lachen. Zowel Owyn als Robert keken op van het geluid, dat verrassend vol en muzikaal klonk.
'Wat is er zo grappig?' vroeg Owyn.
Gorath bedaarde. 'Gewoon, als jullie iets doelmatiger waren in het vermoorden van elkaar, zou ik me geen zorgen hoeven maken over zo'n moordlustige hond als Delekhan.'
Zodra deze naam viel, werd Robert eraan herinnerd hoe belangrijk het was het brein achter deze intrige te achterhalen. Tot dusver had hij besloten dat deze Kruiper, wie dat ook mocht zijn, meer een probleem was voor de Oprechte Man en zijn Snaken, voor prins Arutha en voor de andere plaatselijke edellieden die hij mogelijk teisterde, maar dat zijn aandeel in Delekhans plannen toeval was, geen opzet. De Nachtraven spanden duidelijk samen met de Kruiper, de moredhel of allebei. En wat Robert zorgen baarde, was dat ze mogelijk opnieuw werden gemanipuleerd door de Pantathische serpentpriesters. Op een zeker moment zou Robert de serpenten bij Gorath ter sprake brengen, maar niet hier in deze openbare gelegenheid.
De serveerster, een gezette vrouw die in haar jeugd vermoedelijk hoer was geweest, maar zich nu niet meer op haar inmiddels verlopen uiterlijk kon verlaten om aan de kost te komen, kwam naar hen toe. Na een wantrouwige blik op Gorath vroeg ze wat ze wilden. Robert bestelde bier en ze vertrok, waarna Robert zich weer overgaf aan zijn overpeinzingen.
Er moest nog een speler in het spel zijn, een tot dusver onbekende partij die voor alle onrust in het Koninkrijk zorgde; hetzij de Pantathiërs, hetzij iemand anders, en daar maakte Robert zich zorgen over. Nadat hij verscheidene malen had heroverwogen wat Gorath hem en Arutha had verteld, zei hij: 'Ik zou er een hoop voor over hebben om wat meer te weten over die zogenaamde Zes.'
'Daar is maar weinig over bekend,' antwoordde Gorath, 'behalve dan bij Delekhans naaste raadslieden, en ik heb nog nooit iemand gesproken die hen daadwerkelijk heeft ontmoet. Ze zijn machtig en hebben mijn volk van een overvloed aan wapens voorzien. Maar ineens begonnen Delekhans vijanden een voor een te verdwijnen. Toen ik naar de raad werd geroepen, werd ik onderweg naar Sar-Sargoth gevangengenomen en opgesloten in een kerker door Narab, Delekhans voornaamste raadgever.'
'Dat had je ons nog niet verteld,' zei Robert.
'Jullie hebben ook niet gevraagd wat ik aan het doen was voordat ik Joolstein ontmoette.'
'Hoe ben je ontsnapt?'
'Dat heeft iemand voor me geregeld,' antwoordde Gorath. 'Ik weet niet zeker wie, maar ik vermoed dat het een oude... bondgenoot is, een vrouw met enige invloed en macht.'
Dat wekte Roberts interesse. 'Dan moet ze toch van grote invloed zijn geweest om jou zomaar onder Delekhans neus te kunnen bevrijden.'
'Velen in Delekhans nabijheid zullen zich niet openlijk tegen hem verzetten, maar wel degelijk graag zien dat hij niet slaagt in zijn plannen. Narab en zijn broer zijn daar voorbeelden van, maar zolang de Zes Delekhan dienen, doen zij dat ook. Mocht Delekhan echter iets overkomen voordat hij de stammen heeft verenigd, dan zal het bondgenootschap dat hij tot dusver heeft gesmeed uiteenvallen. Zelfs zijn vrouwen zoon vertrouwt hij niet volledig, en met reden. Zijn vrouw is het hoofd van de Hamandiën, de Sneeuwpanters, een van de machtigste clans na die van Delekhan, en zijn zoon toont zich al even ambitieus.'
'Een vrolijke familie, zo te horen,' vond Owyn.
Gorath grinnikte ironisch. 'Bij mijn volk wordt er zelden iemand vertrouwd die niet behoort tot dezelfde familie, stam of clan. Daarbuiten bestaan er politieke bondgenootschappen, en die zijn soms net zo vluchtig als een droom. Wij zijn niet erg vertrouwensvol van aard.'
'Dat heb ik gemerkt,' zei Robert. 'Maar wij aan de andere kant evenmin.' Hij stond op. 'Neem me niet kwalijk. Ik ben zo terug.'
Hij liep langs de serveerster, die zonder acht op hem te slaan het bier naar hun tafeltje bracht, zodat Owyn zich gedwongen zag het rondje te betalen uit zijn eigen magere beurs. Gorath vond dat wel grappig.
Robert liep door de gelagkamer naar een man die zojuist vanuit een achterkamer was verschenen. Zijn donkere huid en baard verrieden zijn Keshische afkomst. 'Kan ik je helpen?' vroeg de man met taxerende blik. Zijn accent bevestigde de indruk dat hij Keshiër van geboorte was. Hij was mager, en, naar Robert aannam, gevaarlijk, want ondanks het grijs in zijn kortgeknipte baard was hij waarschijnlijk nog steeds vitaal genoeg om een dodelijk tegenstander te zijn.
'Ben jij de eigenaar van deze gelegenheid?' vroeg Robert.
'Dat ben ik,' antwoordde hij. 'Ik ben Joftaz.'
Op zachtere toon zei Robert: 'Ik vertegenwoordig bepaalde belangen die de laatste tijd wat tegenslagen hebben geleden, vanwege de moeilijkheden die zijn voortgekomen uit recente activiteiten van mensen die onlangs in Romnee en in het westen zijn geweest.'
Met schattende blik nam Joftaz hem op. 'Waarom kom je daarmee bij mij?'
'Jij woont in een stad waar veel verkeer langskomt. Ik dacht dat je misschien het een of ander had gehoord of gezien.'
De joviale wijze waarop Joftaz lachte, was niet in het minst overtuigend. 'Mijn vriend, voor iemand met mijn werkzaamheden is het, zeker in deze stad, van belang om niets te horen, niets te zien en maar weinig te zeggen.'
Robert keek de man een tijdje aan. 'Bepaalde informatie kan een zekere waarde hebben.'
'Hoeveel waarde?'
'Dat hangt weer van de informatie af.'
Joftaz keek even rond. 'Eén verkeerd woord in een verkeerd oor en een prater is zijn leven kwijt.'
'Dolkpunten kunnen erg overtuigend zijn,' merkte Robert op, 'en jij ook.'
Joftaz knikte. 'Aan de andere kant kan ik best wat hulp gebruiken in een delicate kwestie, en voor de juiste man zou ik me misschien wel wat gezichten of dingen die ik heb gehoord kunnen herinneren.'
Robert knikte. 'Zou deze delicate kwestie wellicht zijn geholpen met wat goud?'
Joftaz glimlachte. 'Ik mag de manier wel waarop jij denkt, jongeman. Hoe heet je?'
'Noem mij maar Robert.'
Heel even flitste er iets in 's mans ogen. 'En je komt uit?'
'Pas nog uit Sloep en daarvoor uit Romnee.'
'Dus die mensen die onlangs in Romnee zijn geweest, waren daar ergens bij betrokken?'
'Ja, maar voordat we hierover verder praten, wil ik de prijs weten.'
'Dan bevinden we ons in een impasse, mijn jonge vriend, want ik kan verder niets vertellen zonder dat ik alles vertel, en wie A zegt, moet ook B zeggen.'
Robert glimlachte. 'Ik ben gekrenkt, Joftaz. Wat moet ik doen om je vertrouwen te winnen?'
'Zeg me waarom je die mannen zoekt.'
'Eigenlijk alleen maar omdat ze een schakel in een ketting vormen. Zij kunnen me brengen bij een ander, met wie ik een paar ernstige appeltjes te schillen heb. Die persoon is namelijk de hoofdschuldige van moord en hoogverraad, en óf ik breng hem naar de beul, óf ik wil hem dood zien liggen aan mijn voeten, welke van de twee maakt me niet uit.'
'Werk jij dan voor de koning?'
'Niet direct, maar we hebben allebei respect voor mijn werkgever.'
'Zweer dan bij Banath dat je me niet verraadt, en we kunnen verder praten.'
Roberts grijns werd breder. 'Waarom bij de god der dieven?'
'Waarom niet? Voor een paar dieven zoals wij?'
'Bij Banath, dan,' zei Robert. 'Wat is je prijs?'
'Ik wil dat je iets voor me gaat stelen bij de gevaarlijkste man in Silden, mijn vriend. Als je dat lukt, help ik je zoeken naar de mannen die je bedoelt. Aangenomen dat je het overleeft, natuurlijk.'
Robert knipperde met zijn ogen. 'Ik, stelen? Wat doet je denken dat ik voor jou zou stelen?'
'Ik ben al oud genoeg om te weten waar de eieren vandaan komen, jongeman.' Hij glimlachte. 'Als je bereid bent bij Banath te zweren, heb je je al eerder op het lepe pad begeven.'
Robert zuchtte. 'Ik zou mijn eed om eerlijk te spreken geweld aandoen als ik het ontkende.'
'Mooi. Tot de kern van de zaak, dan. Op slechts een korte wandeling hiervandaan staat een huis dat bewoond wordt door ene Jacob Ishandar.'
'Een Keshiër?'
'Er wonen hier veel mensen uit Kesh.' Hij tikte zichzelf op de borst. 'Neem mij, bijvoorbeeld. Maar deze man is samen met enkele gelijkgestemden nog maar een jaar of twee, drie geleden naar Silden gekomen. Ze werken namens iemand die is als een spin, in het midden van een enorm web, en gelijk die spin bemerkt hij alle bewegingen in dat web.'
Robert knikte. 'Je doelt op iemand die bekend staat als de Kruiper?'
Joftaz neigde zijn hoofd om aan te geven dat dit het geval was. 'Dit is nooit wat je noemt een vredige gemeenschap geweest, maar er heerste toch enige mate van orde. Met de mannen van de Kruiper, Jacob en twee anderen genaamd Linsey en Franklin, kwam hier meer pijn en bloedvergieten dan voor mensen in onze branche te verdragen is.'
'Wat is er gebeurd met de plaatselijke dieven en degenen met bindingen in Rillanon en Krondor?'
'Allemaal weg, behalve ikzelf. Sommigen zijn gevlucht, anderen... verdwenen. Iedere dief die ik vandaag de dag in Silden kan aanklampen, werkt voor de Kruiper. Aangezien ik Keshiër van geboorte ben, hebben ze mij denk ik niet aangezien voor iemand die ze uit de weg moesten ruimen. Er zijn er nog een paar van ons in Silden die het hebben overleefd, maar de handel die we drijven, doen we in het openbaar, zoals ik hier met mijn herberg. Mochten de initiatieven van deze indringers mislukken, dan zijn er nog genoeg van ons over om op te eisen wat ons is afgenomen.'
Krabbend aan zijn kin dacht Robert na. 'Voordat ik instem, wil ik je eerst iets laten zien.' Hij haalde de zilveren spin te voorschijn. 'Ken je dit ding?'
'Ik heb er wel eens een gezien. Ze zijn zeldzaam, dus als er eentje mijn kant op komt, valt me dat op. Ze worden gemaakt door een smid in een dorpje in de Pieken van Stilte. Als ze het Koninkrijk binnenkomen, is dat via Wijzershoofd of Malvehaven.' Hij pakte hem uit Roberts hand om hem te bekijken. 'Ik heb slechte imitaties gezien, maar deze is mooi. Je kunt zilver alleen maar zo bewerken als je de kneep kent.'
'Die dingen worden door hele vreemde vogels gekocht.'
Joftaz glimlachte. 'Nachtvogels, voornamelijk. Je speelt een gevaarlijk spel, mijn vriend. Je bent precies de man die ik zoek.'
'Wel, kan je me dan vertellen aan wie je deze hebt verkocht?'
'Ja, dat kan ik, en nog veel meer.' Joftaz' glimlach verdween. 'Maar dan moet je eerst een klusje voor me doen.'
'Over tot de bijzonderheden, dan.'
'De man die ik net noemde, Jacob Ishandar, is de baas van degenen die nog maar pas uit Kesh zijn gekomen. Hij heeft een buidel in zijn bezit,' - hij hield zijn handen uit elkaar om de grootte aan te geven van een grote muntbuidel of een geldzak - 'en de inhoud van die buidel is genoeg waard om zijn onderneming hier in Silden voor het komende jaar te verzekeren.'
'En jij wilt dat ik die buidel ga jatten?' Joftaz knikte.
'Ik zou denken dat iemand als jij zo'n klus best aan zou kunnen,' merkte Robert op.
'Misschien wel, maar ik moet hier nog wonen, in voor- en tegenspoed. Als jou tegenspoed treft, kan ik gewoon hier blijven.'
'Aha. Wat zit er in die buidel?'
'Binnen-Pret,' zei Joftaz.
Robert deed zijn ogen even dicht. Pret was een algemeen gangbaar verdovend middel in de armenwijken van de meeste Keshische steden, en van tijd tot tijd dook het ook op in Krondor en in andere havensteden van het Koninkrijk. Een kleine hoeveelheid, in wijn of water opgelost, zorgde voor een plezierige euforie ter lengte van één nacht. Een iets grotere dosis kon de gebruiker in een staat van geluk brengen die enkele dagen kon duren. Als de dosis te hoog was, kon je er bewusteloos van raken.
Binnen-Pret was iets heel anders. Dat was een extract van het middel, zodanig samengesteld om het vervoer ervan te vergemakkelijken. Eenmaal verkocht werd het vermengd met een neutraal poeder, vaak poedersuiker of zelfs meel, als het maar in water kon worden opgelost. Naar gewicht was het op straat duizend maal zo veel waard als Pret.
'Een buidel van die grootte heeft een waarde...'
'Genoeg om ervoor te zorgen dat Jacob moet rennen voor zijn leven als de Kruiper erachter komt, en dat alle anderen die verantwoordelijk kunnen worden gehouden, zeg Linsey en Franklin, met hem mee moeten vluchten.'
'En die leegte kan jij opvullen met handel op een manier die je meer aanstaat,' vulde Robert aan. Met tot spleetjes toegeknepen ogen voegde hij eraan toe: 'En degene die het spul vindt, gaat op zoek naar kopers die geen vragen stellen over de herkomst ervan, en maakt enorme winst.'
'Tja,' zei Joftaz met een glimlach, 'dat is zo.'
'Dus als ik die buidel ga halen, kunnen de mannen van de Kruiper in Silden wel inpakken en maak jij tegelijkertijd een fortuin.'
'Als alles goed gaat.'
Robert knikte. 'We zitten in die hoek daar, mijn vrienden en ik. Als je zover bent, zeg me dan maar waar het is en wat ik moet weten.'
'We sluiten om middernacht. Wacht tot die tijd en we praten verder.'
Robert ging terug naar het tafeltje en Owyn vroeg: 'Wat heb je ontdekt?'
'Dat alleen de zon voor niets opgaat.' Robert nam plaats, leunde met zijn stoel achterover tegen de muur en bereidde zich voor op een lange avond wachten.
Het huis was kennelijk verlaten, de bewoner op reis. Gorath kreeg de instructie om enkele deuren verder op wacht te staan voor het geval er iemand uit de richting van de haven kwam. Owyn stond aan de andere kant van de straat in tegenovergestelde richting te kijken. Beiden waren tot medewerking bereid, maar beiden hadden hun twijfels uitgesproken over de wijsheid van de hele onderneming.
Vlug onderzocht Robert de deur, maar vond geen alarmsystemen. Het slot leek hem geen lastig obstakel, maar voor de zekerheid liet hij zijn duim langs de deurstijl lopen. Onverwachts vond hij een spleet in het hout, die bewoog onder zijn duim. Voorzichtig duwde hij erop en hoorde binnen een zachte klik. Toen hij harder duwde, liet het hout los. Erachter verscheen een stuk metaal.
Robert haalde een koperen sleutel uit een bergplaats in het hout. Hij moest er bijna om lachen. Het was een oud en doodeenvoudig trucje met een tweevoudig doel: de sleutel raakte nooit kwijt als de eigenaar ergens haastig moest vertrekken, en het neutraliseerde de val die binnen stond opgesteld. In het daglicht zou Robert er uren naar hebben kunnen zoeken zonder ooit iets te zien, maar een oude dief had hem eens geleerd te vertrouwen op zijn andere zintuigen, waaronder de tastzin. Af en toe leverde het slechts splinters op wanneer je je duim over een deurstijl haalde, maar het geluid van die klik maakte het de uren waard die Robert peurend met een stalen naald had doorgebracht.
Nog steeds zittend op zijn knieën duwde hij de deur een stukje open, voorbereid op alles wat hem zou waarschuwen voor een andere val. Een eventuele kruisboog, gericht op de deur, zou zo over hem heen schieten.
De deur gleed gemakkelijk open en er bleken geen mechanieken om dood en verderf te zaaien. Vlug ging hij naar binnen en sloot de deur achter zich. Zonder een stap te verzetten nam hij de kamer in ogenschouw; Hij wist nooit van te voren waar iemand zijn kostbaarheden had verborgen, maar de meeste mensen waren voorspelbaar. Deze keer bedacht hij echter dat de eigenaar van dit huis niet behoorde tot de meeste mensen, maar iemand was die nu eenmaal onvoorspelbare dingen deed. Zijn eerste keus was derhalve te zoeken naar iets wat misplaatst was.
Het was een alledaagse kamer. Een eenvoudige tafel, een grote garderobekast en een bed. Een deur naar een achterplaats met beslist een gemakhuisje. Een haard, met op een brede schouw wat potplanten. Daarnaast een deur naar een kleine keuken.
Toen drong het tot Robert door. Potplanten? Hij ging ze van dichtbij bekijken. Ze waren droog en verlept, en hij wist waarom. De naam van deze plantensoort wist hij niet meer, maar wel dat prinses Anita vreselijk haar best had gedaan om dezelfde planten in haar tuin in Krondor te laten groeien. Ze had een keer gezegd dat ze slecht gedijden in aarde die zoveel zout bevatte als de grond om het paleis, en dat ze veel zonlicht nodig hadden.
Wat moest een leider van een bende halzensnijders in een pesthol ,als Silden met potplanten op zijn schouw? Voorzichtig tilde hij de potten een voor een op, tot hij de meest rechtse beethad. Die was lichter dan de andere. Hij tilde de plant op en die kwam los, zonder aarde aan de wortels. Eronder vond hij een zakje, dat hij openmaakte nadat hij de plant had teruggezet. In het zwakke schijnsel dat door het enige raam in de kamer viel, zag hij wat hij had verwacht, een lichtgeel poeder.
Hij bond het zakje dicht en ging vlug naar de deur. Met een blik over zijn schouder vergewiste hij zich ervan dat hij verder niets had aangeraakt. Hij glipte door de deur naar buiten, deed hem op slot en borg de sleutel weer op, zodat de val die een onvoorzichtige bezoeker binnen wachtte, weer in bedrijf werd gesteld.
Zonder te kijken naar een van zijn beide vrienden maakte hij een gebaar en ze keerden terug naar Het Ankerhoofd. Aangekomen bij de achterdeur, die Joftaz voor hen had opengelaten, voelde Robert een golf van opwinding. Hoe hoog hij op een dag ook mocht rijzen in dienst van de koning, een deel van hem zou altijd Robbie de Hand blijven. Binnen gaf hij de buidel aan Joftaz. 'Nu dan, jouw deel van de afspraak.'
Joftaz bewonderde het zakje poeder een ogenblik en stopte het toen weg achter de tapkast. 'Voor de eigenaar van die spin moet je gaan praten met de handelaar Abuk. In de afgelopen twee jaar heb ik hem er vier verkocht.'
Robert haalde de kijker te voorschijn. 'En deze?'
Joftaz bekeek het glas en bracht het naar zijn oog. Zijn wenkbrauwen schoten omhoog en terwijl hij de kijker liet zakken, keek hij de kamer rond. 'Dit is een gevaarlijk ding, mijn vriend.'
'Waarom?'
'Het maakt geheimen zichtbaar en sommige geheimen zijn een moord waard om te bewaren of om te weten te komen.' Hij gaf de kijker terug aan Robert. 'Ik heb al vaker van die dingen gehoord. Ze zien er bescheiden uit, maar zijn zeer kostbaar. Met dergelijk glas kijk je dwars door illusies heen en kan je valstrikken en geheime bergplaatsen zien. Ik heb gehoord dat dergelijke dingen werden gemaakt voor generaals, om op het slagveld door de mist en de rook te kunnen kijken.'
'Enig idee wie hem kan hebben verkocht?'
'Ook nu zeg ik: Abuk. Was dat ding ergens anders vandaan gekomen, dan zou ik het niet weten, maar als je hem vlak bij die spin hebt gevonden, zullen ze allebei wel door hem zijn verkocht, en aan dezelfde man.'
'Dan willen we een kamer voor één nacht, mijn nieuwe oude vriend. Morgen vertrekken we op zoek naar Abuk.'
Ze schudden elkaar de hand. 'Je dient je koning goed, mijn nieuwe oude vriend,' zei Joftaz, 'want niet alleen maak je jacht op Nachtraven, die in het holst van de nacht bruut moorden, maar ook heb je Silden gered van de plaag die de Kruiper heet. Zodra dit bij hun werkgevers bekend wordt, zitten Jacob en zijn metgezellen op het eerste schip naar verre landen. Ik zal jullie naar je kamers brengen, daarna moet ik op zoek naar een zekere nieuwtjesventer om het bericht te verspreiden dat drie momenteel in Silden wonende Keshische heren een grote hoeveelheid Binnen-Pret hebben verkocht aan een smokkelaar die op weg is naar het eilandkoninkrijk Roldem.'
Joftaz bracht hen naar een kamer, wenste hun een goede nacht en vertelde hun dat ze Abuk konden ontmoeten op de weg tussen Silden en Lyton, aangezien hij in de komende dagen terug werd verwacht. Robert maakte het zich gemakkelijk en viel spoedig in slaap met het gevoel dat hij eindelijk wat opschoot met het ontrafelen van al deze mysteriën.