9 Verdacht

 

De muildieren sjokten over de weg.

Dit was onmiskenbaar de bedoelde wagen, die rond de bocht zichtbaar werd op een dag rijden ten oosten van Silden. Op de zijkant van de groene wagen stond in enorme rode letters: ABUK. HANDELAAR IN EERSTEKLAS GOEDEREN.

De menner was een grote man met een stierennek, een indrukwekkende rode haardos en een baard die tot zijn middel reikte. Als een dwerg meer dan zes voet groot kon worden, dan zou hij er zo uitzien, bedacht Robert toen ze halt hielden voor de wagen. 'Ben jij de handelaar Abuk?' vroeg hij op luide toon.

De handelaar hield zijn span muildieren in. 'Dat staat in koeienletters op de zijkant van deze wagen, vreemdeling, dus of je kan niet lezen, of je hebt je ogen in je zak. Ik ben Abuk.'

Robert trok een grimas bij de opmerking over zijn ogen. 'Misschien had je die wagen wel gestolen.'

'Misschien wel, en misschien had ik ook wel zijn haar en baard afgeknipt voor mijn vermomming. Maar dat heb ik niet gedaan.' Hij nam de drie voor hem staande ruiters in ogenschouw: 'Wat kan ik voor u doen?'

'Wij zijn in de markt voor informatie.'

'Informatie is vaak mijn meest winstgevende handelswaar,' zei Abuk.

Robert liet zijn paard een paar stappen dichterbij doen, zodat hij Abuk de zilveren spin kon geven. 'Kan je me vertellen aan wie je dit hebt verkocht?'

'Ja,' antwoordde Abuk. 'Voor de somma van honderd gouden soevereinen kan ik dat wel.'

De grijns die Robert toonde was een en al dreiging. 'We kunnen anders ook wel een gesprekje voor je regelen met de beul van de koning over jouw aandeel in de moord op vijftig Koninklijke Lansiers.'

'Wat?' riep Abuk geschrokken uit. 'Zijn er vijftig Koninklijke Lansiers vermoord?'

'In Romnee,' liet Owyn hem weten.

De handelaar zweeg een ogenblik, zijn kansen op het maken van winst afwegend tegen het verkrijgen van de doodstraf. 'Ik ben daar niet aansprakelijk voor,' zei hij uiteindelijk. 'Ik verkoop uitsluitend goederen die bij de wet niet zijn verboden.' Hij gaf de spin terug aan Robert. 'Dit is er een van de twee die ik in het noorden heb verkocht. Een slechte imitatie is verkocht aan ene Michael Waylander, in het dorpje Sloep. Hij is een vooraanstaand lid van het glasblazersgilde in Romnee. De andere is verkocht aan iemand wiens naam ik niet ken, maar ik weet wel dat hij uit het noorden kwam.'

Robert liet Abuk de kijker zien. 'En dit?'

'U hebt zojuist bewezen dat de man die ik beschreef de man is die u zoekt, want hij heeft ook dat kijkglas gekocht. Ik heb hem beide voorwerpen verkocht in taveerne De Witte Koningin in Malachskruis, en bij de herbergier kunt u het navragen, want die scheen deze man te kennen. Hij was een uitzonderlijk schaakspeler, heb ik gehoord.'

'Als je hem in Malachskruis hebt ontmoet, waarom zei je dan dat hij uit het noorden kwam?'

Omdat ik de herbergier aan hem heb horen vragen of hij nog terugging naar het noorden en hij antwoordde dat hij inderdaad op weg naar huis was.'

Robert keek niet blij. 'Dan moeten we terug naar Malachskruis.'

'Voor een kleine vergoeding kan ik u misschien een reis besparen,' zei Abuk.

'Hoe klein?' vroeg Robert.

'Twaalf gouden soevereinen, dacht ik.'

'Vijf, dacht ik, en dan zal ik je naam vergeten als ik de gerechtelijk onderzoeker van de koning spreek.'

'Afgesproken,' zei Abuk. Robert gaf hem het geld en de man zei: 'Nu ik erover nadenk, had hij het over het stadje Kenting Rush.'

Robert keek naar Owyn, die knikte. 'Dat ken ik. Het ligt ten noorden van mijn oom Corvallis' huis in Cavelldorp.'

'Is jouw oom baron Corvallis?' vroeg Abuk.

'Ja.'

'Ik ken hem. Een chagrijnige ouwe brombeer, als je het niet erg vindt dat ik het zeg.'

Owyn grinnikte. 'Niemand die hem kent zal dat ontkennen.'

'Als we klaar zijn?' vroeg Abuk toen aan Robert. Robert gaf aan dat dat het geval was en de felgroene wagen reed verder.

Nadat Abuk op veilige afstand was, vroeg Robert aan Owyn: 'Wat denk je? Malachskruis of Kenting Rush?'

'Kenting Rush is maar een klein stadje met hooguit tien winkels en herbergen. Voornamelijk boeren en kleine landgoederen in het gebied. Zo veel lui kunnen daar niet wonen die aan de beschrijving voldoen.'

'Mooi,' zei Gorath, 'want de tijd begint te dringen. Het is al meer dan een maand geleden sinds ik mijn thuisland heb verlaten, en terwijl wij op jacht zijn naar informatie, neemt Delekhans macht alleen maar toe. Het zou ons weinig goed doen om achter zijn plannen te komen doordat we ze uitgevoerd zien worden.'

'Daar zit wat in,' zei Robert en hij keerde zijn paard. 'We gaan naar het noorden.' Hij gaf zijn paard een tik met zijn hielen en vertrok in een stevige draf. Een paar minuten later haalden ze Abuk in. Ze zwaaiden hem gedag en vervolgden hun weg.

 

De reis tussen hun ontmoeting met Abuk en de afslag naar Romnee verliep probleemloos. Tijdens het oponthoud in Romnee verwisselen ze van paarden en controleerden ze of de gemoederen al waren gekalmeerd.

Michael Waylander, Damon Reeves en Arle Staalziel hadden de waarschuwing van de graaf niet in de wind geslagen en waren binnen enkele dagen na het horen van de boodschap verschenen. Inmiddels werd er in alle ernst onderhandeld met de andere gildeleiders om een einde aan de strijd te maken, en langzaam keerde de rust weder in Romnee.

De volgende ochtend vertrokken Robert, Gorath en Owyn op verse paarden naar het noorden, door de glooiende akkers langs de Rom. De dorpen aan de rivier waren alle vrijwel eender, evenals het dorpje Sloep, met namen als Groenland, Hobbs, Tucknee, Schelmsteen en Verzicht. Dagenlang reden ze voort, altijd op hun hoede, en in gestadig tempo bereikten ze het gebied ten zuiden van Cavelldorp. Verscheidene malen waren ze groepen gewapende mannen tegengekomen, maar geen ervan had hun een strobreed in de weg gelegd en ze arriveerden zonder noemenswaardige voorvallen.

Na een bocht in de weg staken ze via een klein bruggetje een snel stromende beek over. 'Die is diep,' merkte Robert op, omlaag kijkend.

'Dieper dan je denkt,' zei Owyn. 'Menige sufferd is hierin verdronken toen hij naar de overkant probeerde te zwemmen.' Hij wees naar het westen, waar steile heuvels oprezen. 'Hij komt daar uit de bergen en mondt uit in de Rom. Kom, ik zal jullie eens wat laten zien.' Hij keerde zijn paard van de weg af

Ze volgden een oud zandpad, op verscheidene plaatsen door gras overgroeid en dus lang niet meer gebruikt. 'Ik zie verse sporen,' zei Gorath echter. 'Er heeft hier pas nog iemand gereden.'

'Ongetwijfeld,' zei Owyn. 'Als we deze bocht door zijn, zal ik jullie laten zien waarom.'

Ze kwamen uit bij een hoog optorenende rotswand en bleven staan. Vlak voor hen denderde van precies driehonderd voet hoger een indrukwekkende waterval omlaag. Aan weerszijden rees de kloof steil op, begroeid met dichte bossen.

'De Cavellse Loop,' zei Owyn.

'Wat is dat?' vroeg Robert.

'Zo heet deze beek. En zo noemen we ook de tunnels onder de oude veste.' Hij wees naar de top van de steile rotswand.

Turend door de spleetjes van zijn ogen kon Robert het grijze bouwwerk op het klif ontwaren. 'Hoe wist jij hiervan?'

Owyn keerde zijn paard weer om. 'Toen ik klein was, zijn we hier een paar keer geweest. Ik speelde altijd met mijn nichtje Ugyne in de Loop. Dat is een enorme serie grotten en tunnels onder de veste, heel vroeger gebruikt voor opslag, maar tegenwoordig grotendeels leeg.' Hij wees over zijn schouder naar de waterval die ze achter zich lieten. 'Er zit zelfs een vluchtgat achter de waterval als je weet waar je moet zoeken. Ugyne en ik hebben hem van binnen in de Loop gevonden toen ik negen was en zij acht. We zijn toen in ons nakie gaan zwemmen en bijna doodgevroren, want het is allemaal smeltwater uit de bergen. En Ugyne kreeg nog een flink pak slaag van haar vader, ook. Zolang ik hem ken, heeft mijn oom zich nooit erg goed weten te beheersen. Maar dat weerhield Ugyne en mij er toch niet van om daar te gaan spelen.'

'Wie weten er allemaal over die Loop?' vroeg Robert.

'De meeste mensen uit de omgeving weten dat er onder het kasteel tunnels lopen. Misschien dat er een paar vermoeden dat er een vluchtgat onder de waterval zit. Maar ik betwijfel of iemand buiten de familie, de oude wachtcommandant en misschien nog een of twee van de oudere bedienden enig idee heeft waar precies. Hij is vrij goed verborgen.'

Ze reden verder naar Cavelldorp en arriveerden halverwege de middag. Toen ze de weg verlieten en de woonplaats in zicht kregen, zei Robert: 'Voor een dorp ziet het er behoorlijk welvarend uit.'

Owyn begon te lachen. 'Kan best. Een paar honderd jaar lang is het een dorp geweest, maar zo'n vijftig jaar geleden werd het een druk landbouwcentrum. Sinds mijn oom een jaar of drie terug vanwege de brand in het dorp moest gaan wonen, worden alle zaken daar behartigd. Ik denk dat hij met zijn huishouding een derde van de huizen in het dorp voor zijn rekening neemt.'

'Brand?' vroeg Robert, rijdend langs de eerste buitengebouwen. 'Hoe kwam dat?'

'Dat weet niemand,' antwoordde Owyn. 'Het verhaal gaat dat mijn oom wat werk liet doen in een van de laagstgelegen zalen. Er brak brand uit en het vuur verspreidde zich door het hele kasteel, dat volledig uitbrandde. Sindsdien is het niet meer veilig te bewonen. Er was al een instorting geweest in de lagere tunnels, waar mijn oom zijn wijnkelder aan het uitbreiden was. Mijn neefje Neville is daarbij verongelukt. Hij was een paar jaar ouder dan Ugyne en ik. Maar het was een rare. Het kwam mij altijd voor dat zijn vader niet veel om hem gaf. Ugyne is altijd oom Corvallis' lieveling geweest.' Een ogenblik ging hij op in gepeins, tot hij terugkeerde naar het heden. 'Maar hoe dan ook, die kelder is gewoon verzegeld, met het lichaam van mijn neefje onder tonnen steen. De brand is niet ver daarvandaan uitgebroken en de meid die er de schuld van kreeg, is in de vlammen omgekomen, dus niemand weet zeker hoe het is begonnen. Maar het vuur ging van beneden naar boven, en vanwege het verbrande hout werk zijn er diverse vloeren en muren ingestort. Oom zegt altijd dat hij alles weer gaat maken en er op een dag weer gaat wonen, maar tot dusver hebben we er nog maar weinig van gezien.'

Ze reden door de hoofdstraat van het dorp, een brede baan die uitkwam op een groot plein, met in het midden een fontein. Drie andere straten liepen onder vreemde hoeken weg van de baan waarop ze reden. 'Het is dat huis daar,' zei Owyn, zijn paard zodanig wendend dat ze rond de fontein konden rijden. De middagmarkt was aan de gang en de meeste kopers en verkopers sloegen geen acht op de drie ruiters, al was er een enkeling die even opkeek naar Gorath.

Bij de gevel van baron Corvallis' huis kwam er een stalknecht aangerend. 'Meester Owyn! Dat is lang geleden!'

Owyn glimlachte. 'Hallo, Tad. Zorg jij tegenwoordig voor de paarden?'

De jongen, van hooguit dertien jaar, knikte. 'Ja, heer. Nu we geen stal meer hebben, brengt de baron de paarden van zijn gasten onder bij de herberg.' Hij wees naar een herberg recht tegenover het huis van de baron. Bij de deur hing een groot uithangbord met de kop van een woerd erop. 'Ik zal kamers voor u bespreken.'

'Je gaat me toch niet vertellen dat mijn oom niet blij is met mijn bezoek en me geen kamer aanbiedt?' vroeg Owyn glimlachend.

De jongen knikte. 'Hij is blij met geen enkel bezoek, vandaag de dag, meester Owyn. Als u alleen was, zou hij u misschien nog uitnodigen, maar met uw vrienden erbij...' Hij glimlachte verontschuldigend en zei verder niets.

Owyn zond hem heen met de paarden en de opdracht één grote kamer voor de nacht te reserveren, waarna ze het bordes betraden.

Robert keek rond. 'Vergeleken bij dit huis zijn de andere maar kleintjes.'

Owyn moest erom lachen. De 'andere huizen' in het dorp varieerden van eenvoudige hutten van tenen en leem met riet tot wat houten gebouwen met een bovenverdieping en een tuintje. De enige gebouwen die met de residentie van de baron konden wedijveren, waren de herbergen.

'In betere tijden is dit een herberg geweest. Mijn oom heeft het gekocht en voor zijn eigen gebruik verbouwd. Achter is een stal, maar die wordt gebruikt door zijn persoonlijke wacht.' Op zachtere toon voegde Owyn eraan toe: 'Zoals veel kleinere edelen heeft mijn oom meer rang dan geld. De pachtgelden zijn bescheiden en de belasting voor de Hertog van Chaem aanzienlijk, en mijn oom is nooit wat je noemt een ondernemend man geweest.'

Ze klopten op de deur. Die werd op een kiertje gezet. Voorzichtig gluurde een dienster van middelbare leeftijd naar buiten en toen ze Gorath in zijn harnas zag staan, werden haar ogen groot en haar gezicht bleek.

'Hallo, Miri,' zei Owyn, in haar blikveld stappend. 'Geen zorgen. Ze horen bij mij.'

'Meester Owyn,' zei de vrouwen zwaaide de deur wijd open.

'Wil je oom Corvallis gaan zeggen dat we er zijn?'

De vrouw knikte en rende weg. Korte tijd later verscheen er een lange man in een fluwelen jas met daaronder een aan de voorzijde dichtgeregen hemd, en veel te veel ringen aan zijn vingers. 'Neef,' sprak hij koel, 'we hebben geen bericht van je komst ontvangen.' Hij wierp een afkeurende blik op Robert en Gorath.

'Het geeft niet, oom. Wij komen ongelegen. We hebben al voor kamers gezorgd in de herberg aan de overkant van het plein. Mag ik u voorstellen aan seigneur Robert, jonker van prins Arutha, en onze metgezel Gorath. Heren, mijn oom, Baron Corvallis van Cavell.'

Zodra de naam van de Prins van Krondor viel, werd baron Corvallis' houding wat milder. Hij knikte Robert toe. 'Seigneur.' Daarop keek hij naar Gorath, alsof hij niet wist wat hij van hem moest denken. 'Elfenheer, welkom.' Met een zwaai van zijn hand vervolgde hij: 'Als u met mij meegaat naar de salon, dan zal ik wat wijn laten brengen.' Hij wenkte de dienster. 'Miri, een fles wijn en vier bokalen.'

Ze volgden de baron door de vroegere gelagkamer van de herberg, nu verdeeld in verscheidene aparte kamers. Aan het einde van de entree was de achtertrap naar de bovenverdieping te zien en even vroeg Robert zich af of de oude tapkast er nog stond. Hij zou het nooit te weten komen, want ze gingen naar een hoekkamer met twee grote ramen die uitkeken op het dorpsplein. De baron wees op drie stoelen en nam een vierde voor zichzelf. 'Wat brengt u naar Cavelldorp, seigneur?'

'De prins,' antwoordde Robert. 'Er waren problemen in Romnee en als uitvloeisel daarvan onderzoeken we de geruchten dat er weer Nachtraven in het Koninkrijk zijn.'

Bij het horen noemen van de Nachtraven kwam de baron bijna los van zijn stoel. 'Geruchten?' bulderde hij. 'Dat zijn helemaal geen geruchten. Er wordt hier in het noorden gruwelijk gemoord en ik heb verslagen gestuurd naar mijnheer de Hertog van Chaem. Ze hebben al drie keer een aanslag op mij gepleegd!'

Robert deed zijn best bezorgd te kijken. 'Dat is dan ook de reden dat ik hier ben. De prins is onverzettelijk, evenals zijn broer de koning.' Lyam had waarschijnlijk geen flauw idee van wat er aan de hand was, maar al heel lang geleden had Robert gemerkt dat het noemen van de koning nu eenmaal een erg krachtige uitwerking had. 'Het idee dat er zomaar aanslagen op hun edellieden worden gepleegd, is ronduit onaanvaardbaar.'

Nu scheen de baron welhaast gerustgesteld. 'Mooi zo. Dat werd tijd.'

'Waarom vertelt u ons niet van uw situatie?' opperde Robert.

Met een rood aangelopen gezicht begon de baron snel en verhit te spreken. 'Drie jaar geleden is er een dienstmeisje omgekomen in een brand die begon bij de verlaten wijnkelder. Op dat moment achtte ik het slechts een tragisch ongeluk, maar inmiddels ben ik ervan overtuigd dat het de eerste aanslag op mijn leven was. Een jaar geleden, tijdens de jacht, verscheen er op de heuvelkam een groep ruiters, allen in het zwart gekleed, en met getrokken wapens reden ze op ons af. Ik werd gered door een vos die door mijn jachthonden uit zijn hol werd gejaagd, want het dier schoot vlak voor de aanvallers over het veld, met de honden erachteraan, zodat hun paarden aarzelden. Mijn beste hond heb ik die dag verloren.'

Hij beduidde Miri, die in de deuropening was verschenen, zijn gasten te bedienen. 'En vorige maand werd ik vanuit een hinderlaag beschoten. De pijl vloog dwars door mijn tuniek, hier.' Hij wees naar zijn schouder. 'Een handbreedte lager en ik was er geweest.'

Robert wierp een blik op Owyn, die zachtjes knikte om aan te geven dat de baron niet overdreef.

'Ik durf mijn eigen huis niet meer uit,' vervolgde de baron, 'behalve dan misschien om naar de herberg te gaan, omringd door lijfwachten. Mijn dochter is me ongehoorzaam, rent als een meisje van lage komaf door de weilanden en gaat om met allerlei janhagel van bedenkelijk allooi. Op haar leeftijd hoort ze fatsoenlijke en achtbare huwelijkskandidaten te ontvangen, maar in plaats daarvan wandelt ze door de velden met... een verachtelijk sujet die haar met zoete woordjes inpalmt.'

Owyn deed zijn best om ernstig te blijven kijken, maar hij maakte zich duidelijk ergens vrolijk om. 'Wie is dit vulgaire creatuur, oom?'

'Een handelsman! Ugyne hoort het hof te worden gemaakt door de zonen van baronnen, graven, zelfs hertogen, maar niet door een gewone koopman. Mijn advocaat Myron houdt van haar, en al is hij van lage komaf, hij heeft familiebanden met de adel. Als ze tot rust kwam, zou ik hem toestaan haar hand te vragen, maar ze zit vol met de grilligste ideeën over romantiek en avontuur. Dergelijke neigingen zijn bij een zoon al irritant genoeg, maar bij een dochter volstrekt onaanvaardbaar.'

'Heeft deze zaaier van chaos een naam, oom?' vroeg Owyn.

'Navon du Sandau!' spuwde Corvallis. 'Ik weet zeker dat het een crimineel is. Zijn kleren zijn van dure stoffen en hij rijdt op het mooiste zwarte paard dat ik ooit heb gezien, maar hij praat vrijwel nooit over zijn handelsondernemingen. Hij beweert commissionair te zijn voor verscheidene rijke en adellijke families, en vertegenwoordiger van grote handelshuizen in het zuiden en westen. Maar ik heb hem nog nooit aan het werk gezien. In plaats daarvan is hij geheimzinnig afwezig of ergens aan het rondhangen met mijn dochter.'

Owyn nam een slokje van zijn wijn. 'Waar is Ugyne nu, oom?'

'Waarschijnlijk ergens langs de weg, dwalend door de velden, net zo lang tot het gaat sneeuwen of tot Navon terugkomt.'

Ook Robert dronk nog wat van de middelmatige wijn en zei toen: 'We hebben al te lang van uw gastvrijheid gebruik gemaakt.' Hij stond op. 'We zullen deze zaak zo spoedig mogelijk onderzoeken en zien wat er kan worden gedaan om een einde te maken aan deze bedreigingen van de vrede in uw dorp.'

'Dank u, seigneur,' sprak de baron. 'Owyn, doe de groeten aan je ouders wanneer je hen weer ziet.' Hij knikte naar Gorath toen de moredhel langsliep. Niet zeker van wat hij moest zeggen, knikte hij slechts nog een keer.

Bij de deur zei hij: 'Owyn, als je komende zesdag nog in het dorp bent, doe me dan het genoegen om te komen eten. Neem je vrienden maar mee.'

De deur ging dicht en Robert begon te lachen. 'Dan hebben we vijf dagen om onze man te vinden en ervandoor te gaan voordat hij wordt gedwongen om zijn aanbod waar te maken.'

'In de beste tijden is mijn oom al een moeilijk man,' zei Owyn, 'maar hij is nu werkelijk bang.'

'Zelfs ik kan dat zien, terwijl ik jullie ras niet eens zo goed ken,' beaamde Gorath. 'Maar één gedachte baart me zorgen.'

'Wat?' riep Robert uit. 'Een* maar?'

'Van de vele,' gaf Gorath toe. 'Als de Nachtraven hem werkelijk hadden willen vermoorden, dan was hij allang dood geweest. Die honden die de aanval te paard onderbraken, dat kan. Maar een boogschutter die net mis schiet lijkt me hoogst onwaarschijnlijk.'

'Nu ik het al zo vaak met de Nachtraven aan de stok heb gehad, kan ik dat alleen maar beamen,' zei Robert.

Ze gingen herberg De Eendenkop binnen. In de gelagkamer was het betrekkelijk rustig, aangezien het nog steeds middag was. De herbergier kwam achter de tapkast vandaan en vroeg: 'Bent u de heren die de baron kwamen spreken?'

'Ja,' antwoordde Robert.

'Ik ben Peter de Grey,' zei hij met een lichte buiging, 'en ik heb het voorrecht de eigenaar van dit etablissement te zijn. Uw kamers staan reeds te uwer beschikking en we bieden u volpension en een keuze aan wijnen en bier.'

'Bier,' zei Gorath meteen. 'Voor wijn voel ik niet zo veel.'

Robert begon te lachen. 'Gezien de wijn die we van de baron kregen, kan ik dat goed begrijpen.'

Owyn knikte. 'Je kan je niet voorstellen wat je zou hebben gekregen als je geen lid van het prinselijk hof was geweest.'

Peter de Greys wenkbrauwen schoten omhoog. 'Lid van het prinselijk hof? Wel, dan zal ik er maar gauw voor zorgen dat we alleen het beste van het beste serveren. Een lid van het prinselijk hof, heren!'

Terwijl Peter zich uit de voeten maakte, riep Robert hem na: 'En iets te eten, alsjeblieft.'

Ze namen plaats en Owyn zei: 'Het spijt me dat jullie dat gebazel van mijn oom hebben moeten aanhoren. Vergeleken bij de problemen die wij onderzoeken, moeten zijn narigheden aandoenlijk zijn.'

'Misschien wel,' reageerde Robert bedachtzaam, 'maar mogelijk staan deze dingen met elkaar in verband. Ik weet niet zeker hoe, maar waarom zouden de Nachtraven jouw oom wel bestoken, maar niet doden?'

'Om hem bang te maken,' opperde Gorath.

Op dat moment verscheen Peter de Grey met drie kroezen schuimend bier, die hij voor hen neerzette. Robert nam een slok en knikte waarderend. 'Fantastisch.'

'Bier uit de Grijze Steden, heer, en we houden het koel.'

'Vervoeren jullie ijs hierheen?'

'Nee,' antwoordde Peter. 'Niet ver van hier zijn diepe grotten, waar ik mijn vaten opsla. Ik verkoop het zo snel dat het niet warm wordt voordat het vat leeg is.'

Robert glimlachte. 'Gezien de ligging recht tegenover het huis van de baron, zul je hem wel vaak zien.'

Peter schudde zijn hoofd. 'Eerlijk gezegd nauwelijks. De baron gaat maar zelden van huis, en dan alleen onder gewapende begeleiding.' Hij pakte zijn dienblad op. 'Ik breng meteen het eten, heer.'

Terwijl hij wegliep, zei Robert: 'Er knaagt iets aan me, maar ik kan niet precies zeggen wat.'

'Heeft het te maken met mijn oom?'

'Ja,' antwoordde Robert, 'maar Gorath heeft al gezegd wat er niet klopt: waarom al die moeite om de baron bang te maken, zonder hem te doden -' Plots zette Robert grote ogen op. 'Peter!' riep hij.

De patroon van de herberg kwam op een holletje terug. 'Heer?'

'Wat zei je net over de baron, dat je hem maar zelden zag?'

'Ik zei alleen dat de baron slechts zelden van huis gaat, en dan alleen onder gewapende begeleiding.'

'Wanneer is dat begonnen?'

'Vlak nadat de Nachtraven hem begonnen te teisteren, geloof ik.'

'Je weet over de Nachtraven?' vroeg Robert.

'Nou ja, we weten wat er wordt gezegd.'

'Wat dan?'

'Dat het moordenaarsgilde zich hier in de buurt heeft gevestigd en dat ze een rekening met de baron te vereffenen hebben.'

'Dank je, Peter,' zei Robert. 'Neem me niet kwalijk dat ik je heb gestoord.'

De herbergier knikte en liep weg om zich weer aan zijn taken te wijden.

'Waarom heb je hem terug laten komen?' vroeg Owyn.

'Om me te helpen dit door te nemen,' antwoordde Robert. 'Kijk, de Nachtraven zijn helemaal niet van zins de baron te vermoorden. Ze willen alleen dat hij in zijn huis blijft.'

'Waarom?' vroeg Gorath.

'Om te voorkomen dat hij de veste herbouwt,' zei Robert.

'Maar waar zou dat nou goed voor zijn?' vroeg Owyn zich af. 'Het is een heel oud kasteel en als er een leger deze kant op kwam, zou het er maar weinig moeite mee hebben.'

'Ik denk ook niet dat het om de veste gaat,' verduidelijkte Robert, 'maar om wat zich daaronder bevindt.'

Owyns ogen werden groot. 'De Loop?'

'Je zei dat er een geheime ingang naar de grotten onder de bergen is en dat de voorraden van het kasteel er werden opgeslagen. Je zou er een heel leger kunnen verstoppen, wed ik.'

'Of een nest Nachtraven,' voegde Gorath eraan toe.

'Maar hoe weten ze dat dan?' vroeg Owyn.

'De Loop is geen familiegeheim, toch?'

'Nee, er zijn er meer die over het bestaan ervan weten, maar van buitenaf is de ingang vrijwel onvindbaar.'

'Owyn!' klonk een opgewekte vrouwenstem van de andere kant van de herberg.

Ze keken om en zagen een slanke, langbenige jonge vrouw in een eenvoudig jurkje door de gelagkamer stormen. Owyn wilde opstaan, maar ze sloeg hem bijna met stoel en al achterover toen ze haar armen om hem heen knelde.

'Eh, Ugyne!' zei Owyn, grijnzend en blozend in haar omhelzing.

Met haar gebruinde huid was ze een knappe, ongedwongen verschijning. Haar haren zaten in de war en ze zag eruit alsof ze op de grond had gezeten, aangezien er opgedroogde modderstrepen achter op haar rok zaten.

Ze liet hem los, gaf hem een smakzoen op zijn mond en deed een stap achteruit terwijl ze haar neef op armlengte afstand bekeek. 'Je bent best een knappe vent geworden, voor het armetierige kleine jongetje dat je vroeger was,' zei ze met een lach.

Meelachend kleurde Owyn nog dieper. 'Jij bent geen spat veranderd, merk ik.'

Ze duwde hem terug in zijn stoel en ging heerszuchtig op zijn schoot zitten. 'Natuurlijk ben ik wel veranderd. De laatste keer dat je me zag, was ik nog maar een meisje. Nu ben ik een volwassen vrouw.'

Robert grijnsde. Deze volwassen vrouw leek hem hooguit achttien jaar en al maakte ze met haar levendigheid een flitsende indruk, ze was niettemin een beetje slungelig en haar bewegingen hadden iets gemaakts, alsof ze er haar onzekerheid mee trachtte te maskeren.

'Ugyne, dit zijn mijn vrienden Robert en Gorath.'

Ze knikte en zei glimlachend: 'Hallo.' Toen keek ze Owyn weer aan. 'Heb je papa al gezien? Ik neem aan van wel, want Tad zei me dat je hier was.'

'Ja, we zijn al bij hem geweest, en als we er op zesdag nog zijn, komen we bij jullie eten.'

'O, doe dat alsjeblieft. Het is zo saai om alleen met papa te eten.'

'Misschien zijn we dan al weg, Ugyne,' zei Robert. 'We hebben het erg druk.'

'Waarmee dan wel?' vroeg ze met een pruilmondje. 'Komt mijn lievelingsneef na jaren eindelijk weer eens in het dorp, wil hij er de volgende dag meteen weer vandoor.'

'Ja, maar we zijn... aan het werk voor de Kroon,' zei Owyn.

'O ja?' vroeg ze met opgetrokken wenkbrauwen. 'Echt waar?'

Robert knikte. 'Echt waar.'

'Wel, dan moet ik erop aandringen dat papa jullie eerder ontvangt of dat jullie blijven, maar je komt het dorp niet uit voordat we elkaar uitgebreid hebben gesproken.'

'Wat heb jij de laatste tijd allemaal uitgespookt?' vroeg Owyn. 'Je vader schijnt zich daar nogal zorgen over te maken.'

Zodra haar vaders mening ter sprake kwam, trok ze haar neus op. 'Papa wil dat ik de hele dag daar in dat donkere huis blijf zitten om te wachten tot er een of andere edelman aan komt rijden om mijn hand te vragen. Hij is doodsbenauwd dat ik er met iemand vandoor ga.'

'Iemand in het bijzonder?' vroeg Owyn.

Ze pakte zijn bierkroes en nam een heel klein slokje, alsof het een hoogst brutale daad was. 'Myron, bijvoorbeeld, papa's advocaat hier in het dorp. Dat is een weduwnaar, met een schattig klein meisje waar ik gek op ben, maar hij is zo...'

'Saai?' vulde Robert aan.

'Nee, voorspelbaar. Hij is best aardig, hoor, maar ik wil meer.'

'Verder nog iemand?' vroeg Owyn.

'Hoezo? Heb ik dan gezegd dat er verder nog iemand was?' vroeg ze met een fonkeling in haar ogen en een glimlach op haar lippen.

'Nee,' zei Owyn, 'maar je vader wel.'

'Navon du Sandau,' gaf Ugyne toe. 'Hij maakt papa furieus.'

'Waarom?' vroeg Robert.

'Hij is een handelsman, geen edelman, en zelfs Myron, mijn vaders advocaat, heeft familie in de adel. Hij is het neefje van wijlen de Graaf van Silden, van zijn moeders kant.'

'Ben je verliefd op Navon?' vroeg Owyn.

Ze schudde haar hoofd en trok haar neus op. 'Niet echt. Hij is best interessant, maar een beetje... vreemd.'

'Vreemd?' vroeg Owyn. 'Hoezo?'

'Hij zit soms zo raar naar me te staren, als hij denkt dat ik het niet zie.'

Owyn lachte en kietelde haar. 'Dat komt omdat je er raar uitziet.'

Zogenaamd venijnig tikte ze zijn handen weg. 'Maar hij is wel interessant. Hij is erg aantrekkelijk, en intelligent, en hij zegt dat hij overal is geweest. En hij is erg rijk, wat de enige reden is dat papa hem door zijn wachters nog niet het dorp uit heeft laten jagen. Als ik dan toch niet met een edelman trouw; neemt papa genoegen met een rijkaard.'

'Ga je met die Navon trouwen?'

'Waarschijnlijk niet,' antwoordde ze en sprong op uit Owyns schoot. 'Hij is me te vurig en te... gevaarlijk.'

'Gevaarlijk?' Het was het eerste woord dat Gorath tegen het meisje sprak. 'Ik weet maar weinig van jullie gebruiken, maar is dat niet een rare term om een huwelijkskandidaat mee te omschrijven?'

Ze trok haar schouders op. 'Weet ik niet. Hij is best fascinerend, zij het soms een bee* raar, en hij heeft me een paar dingen geleerd.'

'O?' zei Owyn, op tegelijkertijd nieuwsgierige en afkeurende toon.

Ze gaf hem een stomp tegen de schouder. 'Dat niet, jij slechterik! Ik heb het over poëzie en muziek. En hij heeft me leren schaken.'

'Schaken?' vroeg Owyn, een blik op Robert werpend.

'Ja,' antwoordde ze. 'Hij is de beste schaakspeler van Kenting Rush, en misschien wel van de hele omstreek. Hij gaat regelmatig naar Malachskruis om in taveerne De Witte Koningin tegen de beste schakers van het Koninkrijk te spelen, en hij heeft geschaakt tegen edellieden in Krondor en in Kesh!' In haar woorden klonk enige trots door.

'Nou,' zei Robert. 'Misschien kunnen we hem dan eens ontmoeten.'

'Kom dan op zesdag bij ons eten, als je kunt,' zei ze. 'Tegen het einde van de week komt hij me weer opzoeken!' Met een lach en een halve pirouette die haar jurk rond haar knieën deed wervelen, draaide ze zich om en welhaast huppelend ging ze naar de deur. Over haar schouder glimlachend naar Owyn vertrok ze.

'De vrouwen van jullie volk zijn ... interessant,' merkte Gorath op.

Robert begon te lachen. 'Ze is nog jong. Ze doet een beetje te veel haar best om levendig over te komen.' Hij schudde kritisch zijn hoofd. 'Maar over een paar jaar hoeft dat ze niet meer zo nodig. Het is best een leuk kind.'

Met een zucht leunde Owyn achterover in zijn stoel. 'Ze is de enige in de familie in deze buurt die ik ooit echt graag heb gemogen.'

Peter de Grey arriveerde met het eten en terwijl hij de tafel voor hen dekte, zei Owyn: 'Mijn neef Neville heb ik nooit gekend, want die verongelukte toen ik nog maar negen was en voordien had ik hem maar één keer gezien.'

'Baron Corvallis' Neville?' onderbrak Peter hem. 'U hebt gezegd dat u de baron kwam spreken, jongeheer, maar niet dat u zijn neefje was.'

'Neem me niet kwalijk,' zei Owyn. 'Het was niet de bedoeling dat geheim te houden.'

'U bent jongeheer Owyn,' besefte hij toen ineens. 'U herkent mij niet meer, hè?'

'Nee, het spijt me,' antwoordde Owyn.

'Ik was een van de koks in het kasteel, vóór die tragische dag waarop de kleine Neville stierf. U was toen nog maar zes of zeven, en ik zag u maar een paar keer wanneer u op bezoek was. Niet lang daarna heb ik deze herberg gekocht en tot op heden bent u nooit langs geweest. De oude baron, wel, die is nooit meer de oude geworden. Hij was nadien een ander mens, maar zijn vrouw is eraan doodgegaan.'

'Ik kan me er niet veel meer van herinneren,' gaf Owyn toe.

Meer aansporing had Peter niet nodig. 'Nou, het verhaal gaat dat er wat onenigheid was tussen de baron en de bouwmeester die hij had ingehuurd om de lagergelegen grotten en tunnels voor zijn wijnkelder te verbouwen. Het typische was dat hij ook Du Sandau heette, net als Navon.'

Robert en Owyn keken elkaar aan.

'En deze Sandau was dan wel de beste steenhouwer van het gebied,' vervolgde Peter, 'maar hij was ook een drinkebroer en een rokkenjager. Ze zeggen dat hij zijn zin heeft gekregen bij menig vrouw aan het hof te Rillanon, voordat hij naar het noorden kwam. Hij had al verscheidene delen van de oude loop onder het kasteel gedaan, en gewoonlijk was de baron tevreden over zijn werk. Maar met deze wijnkelder waren er op een of andere manier problemen. Ze kregen ruzie en de baron was toch altijd al zo slecht gehumeurd. En toen kwam die zwarte dag.'

'De dag dat Neville doodging?' vroeg Owyn.

'Ja, en in hetzelfde ongeluk kwam Sandau om. Het plafond stortte in. Niemand wist hoe dat kwam. Dagenlang hebben alle mannen uit de omstreek gezwoegd om het puin te ruimen, maar het had geen zin. Neville en de arbeiders in die ruimte waren dood.'

'Wat deed die jongen daar eigenlijk?' vroeg Gorath.

'Dat weet niemand. Hij vond het leuk om naar de steenhouwers te kijken en zijn vader had daar geen bezwaren tegen.' Peter haalde zijn schouders op. 'Maar sindsdien is de baron nooit meer de oude geweest. En het verlies van haar zoon is de barones fataal geworden, durf ik te zweren. Maandenlang heeft ze getreurd, toen werd ze ziek en zelfs de priesters uit de tempels konden haar niet beter maken. Een klein jaar later was ze dood. En voordat die jongen stierf, was ze een ongebruikelijk sterke vrouw: Ugyne lijkt op haar, en dat heeft het meisje op de been gehouden, denk ik, nadat ze haar broer en haar moeder in nog geen jaar tijd had verloren.' Peter schudde zijn hoofd toen hij zich het verdriet van het meisje herinnerde. 'Maar ze is toch best een bijzondere verschijning geworden, naar mijn idee.'

Robert knikte en Owyn zei: 'Dat is ze zeker, ja.'

Nadat Peter weer was vertrokken, zei Robert: 'Dat is een hele tragedie geweest voor deze verwanten van jou.'

'Ik weet het,' zei Owyn. 'Maar Ugyne schijnt toch wat geluk te hebben gevonden.'

'Ook al kwelt ze er haar vader mee,' merkte Robert op en zelfs Gorath moest daarom lachen.

'Nu dan,' vroeg Owyn, 'wat gaan we doen?'

'Ik denk dat we op zesdag maar gaan eten bij je oom, en ik denk ook dat we eens gaan kijken of er iemand hier zin heeft in een spelletje schaak.'

Owyn knikte en leunde achterover, tevreden met een paar dagen rust voordat het volgende conflict zich aandiende.