1 Ontmoeting
Het vuurtje knetterde.
Owyn Belefote zat alleen in de nacht voor de vlammen, zich wentelend in zelfmedelijden. De jongste zoon van de Baron van Timons bevond zich ver van huis en had het liefste dat hij nog veel verder weg was. Zijn jeugdige gezicht stond diep bedroefd. De nacht was koud en het voedsel schaars, vooral nu hij de overvloed van het huis van zijn tante in Yabon pas had verlaten. Hij had gelogeerd bij familieleden die niets wisten van de ruzie met zijn vader, mensen die hem tijdens het bezoek van een week opnieuw vertrouwd hadden gemaakt met wat hij was vergeten van het leven thuis: het gezelschap van broers en zusters, de warmte van een avond voor het haardvuur, gesprekken met zijn moeder en zelfs het gebekvecht met zijn vader.
'Vader,' mompelde Owyn. Het was nog geen twee jaar geleden dat de jongeman in weerwil van zijn vader op weg was gegaan naar Sterrewerf, het eiland van magiërs in de zuidelijke streken van het Koninkrijk. Zijn vader had hem zijn keuze om magie te gaan studeren verboden en geëist dat Owyn op zijn minst een geestelijke werd van een van de maatschappelijk meer aanvaarde orden van priesters. Tenslotte deden die ook aan magie, had zijn vader gezegd.
Owyn slaakte een zucht en trok zijn mantel steviger om zich heen. Hij was er zo zeker van geweest dat hij op een dag terug zou gaan om zijn familie te bezoeken als een groot magiër, misschien zelfs als vertrouweling van de legendarische Puc, die de academie te Sterrewerf had opgericht. In plaats daarvan bleek hij niet erg geschikt voor de studie. Evenmin stonden de ontluikende politieke machtsspelletjes hem aan, waarbij verscheidene facties van studenten zich schaarden rond een of andere docent in een poging de studie van magie te veranderen in een soort religie. Inmiddels wist hij dat hij op zijn best een middelmatige magiër was en nooit veel meer zou worden. Hoe groot zijn wens om magie te studeren ook mocht zijn, hij had er niet genoeg talent voor.
Na iets meer dan een jaar studeren had Owyn Sterrewerf verlaten, nadat hij voor zichzelf had erkend dat hij de verkeerde keus had gemaakt. En aangezien hij er huizenhoog tegen opzag om dat toe te moeten geven aan zijn vader, had hij besloten een bezoek te brengen aan familie in de verre provincie Yabon alvorens de moed te verzamelen om terug naar het Oosten te gaan om zijn pa op te zoeken.
Geruis in de struiken deed Owyn grijpen naar een zware houten staf en overeind springen. Hij had weinig vaardigheid met wapens, aangezien hij dat deel van zijn opvoeding als kind had verwaarloosd, maar met deze lange houten gevechtsstok had hij zich voldoende bekwaamd om zich te verdedigen.
'Wie is daar?' vroeg hij bars.
'Hallo, daar in het kamp,' klonk een stem vanuit het donker. 'We komen eraan.'
Owyn ontspande een weinig, aangezien het erg onwaarschijnlijk was dat bandieten hun komst zouden aankondigen. Daarbij was hij het overvallen duidelijk niet waard, want hij zag er tegenwoordig uit als een haveloze bedelaar. Niettemin kon het nooit kwaad om op je hoede te zijn. Vanuit de duisternis verschenen twee gedaanten, de ene ongeveer even lang als Owyn, de andere een kop groter. Beiden gingen gehuld in een dikke mantel en de kleinste van de twee hinkte zichtbaar en keek over zijn schouder, alsof ze werden achtervolgd. Toen keek hij naar Owyn en vroeg: 'Wie ben je?'
'Wie ben ik?' vroeg Owyn. 'Wie zijn jullie?'
De kleinste man deed zijn kap af. 'Joolstein. In dienst als jonker bij prins Arutha.'
Owyn knikte. 'Heer, ik ben Owyn, zoon van Baron Belefote.'
'Uit Timons. Ja, ik weet wie je vader is.' Joolstein hurkte neer voor het vuur, spreidde zijn handen om ze te warmen en keek op naar Owyn. 'Dan bevind je je een heel eind van huis, hè?'
'Ik heb een bezoek gebracht aan mijn tante in Yabon,' verklaarde de blonde jongeling. 'Ik ben nu op weg naar huis.'
'Lange reis,' merkte de nog warm ingepakte gedaante op.
'Ik ga eerst op eigen houtje naar Krondor, om te kijken of ik met een karavaan of met iemand anders mee kan reizen naar Salador. Daar neem ik de boot naar Timons.'
'Nou, dan zou het geen gek idee zijn om tot LaReu samen verder te gaan,' stelde Joolstein voor. Met een zware plof liet hij zich op de grond zakken. Zijn mantel viel open en Owyn zag bloed op de kleren van de jonker.
'Je bent gewond,' zei hij.
'Een beetje maar,' gaf Joolstein toe.
'Wat is er gebeurd?'
'Een paar mijl ten noorden van hier zijn we overvallen.'
Owyn begon in zijn reistas te snuffelen. 'Ik heb hier iets voor wonden. Trek je tuniek eens uit.'
Terwijl Joolstein zijn bovenlijf ontblootte, haalde Owyn verband en poeder uit zijn tas. 'Mijn tante stond erop dat ik dit meenam, voor het geval dat. Ik vond het maar overdreven bezorgdheid van een oud dametje, maar kennelijk had ze toch gelijk.'
Joolstein liet zich de bijstand van de jongen welgevallen. De wond, duidelijk een zwaardsnede over de ribben, werd gewassen en Joolstein kromp ineen toen het poeder erop werd gestrooid. Terwijl hij de ribbenkast van de jonker begon te verbinden, merkte Owyn op: 'Die vriend van jou praat ook niet veel, hè?'
'Ik ben zijn vriend niet,' reageerde Gorath en hield zijn kluisters omhoog. 'Ik ben zijn gevangene.'
Met zijn blik trachtte Owyn de duisternis in Goraths kap te doorboren. 'Wat heeft hij gedaan?'
'Niets,' antwoordde Joolstein, 'behalve geboren worden aan de verkeerde kant van de bergen.'
Gorath zette zijn kap af en gunde Owyn een uiterst dun glimlachje.
'Tanden van de goden!' riep Owyn uit. 'Het is een Broeder van het Onzalige Pad!'
'Moredhel,' verbeterde Gorath met een bitter ironische klank in zijn stem. 'Zwarte elf in jouw taal, mens. Dat willen onze verwanten in Elvandar jullie tenminste laten geloven.'
Joolstein kromp weer ineen toen Owyn de wond insmeerde met een zalf van zijn tante. 'Na een paar honderd jaar oorlog hebben we voor onszelf wel een mening kunnen vormen, hoor, Gorath.'
'Jullie mensen begrijpen zo weinig,' oordeelde Gorath.
'Nou,' daagde Joolstein hem uit, 'voorlopig ga ik toch nergens heen, dus breng me maar eens op de hoogte.'
Gorath keek de jonge edelman aan alsof hij hem trachtte te peilen en bleef een tijdlang stil. 'Zij die jullie elfen noemen en mijn volk zijn van hetzelfde bloed, maar wij leven een ander leven. Wij waren het eerste sterfelijke ras na de grote draken en de Ouden.'
Owyn keek Gorath nieuwsgierig aan, terwijl Joolstein tussen zijn tanden door siste: 'Schiet een beetje op, knul, wil je?'
'Wie zijn de Ouden?' vroeg Owyn fluisterend.
'De Drakenheersers,' antwoordde Joolstein.
'Heren van macht, de Valheru,' vulde Gorath aan. 'Toen zij van deze wereld vertrokken, legden ze ons lot in onze eigen handen door ons tot een vrij volk te verklaren.'
'Dat verhaal ken ik al,' merkte Joolstein op.
'Het is niet zomaar een verhaal, mens, want zo kregen wij deze wereld in beheer. Toen kwamen jullie mensen, en de dwergen, en anderen. Dit is onze wereld en die hebben jullie ons afgenomen.'
'Nou ja,' zei Joolstein, 'van theologie heb ik niet veel verstand en mijn kennis van de geschiedenis schiet hier helaas te kort, maar wat de reden van onze komst op deze wereld volgens jullie overlevering ook mag wezen, we zijn hier nu eenmaal en we kunnen nergens anders naar toe. En als jouw familieleden, de elfen, zich daarin kunnen schikken, waarom jullie dan niet?'
Geruime tijd nam Gorath de jongeman op, maar zei niets. Toen stond hij op en kwam doelbewust op Joolstein af.
Owyn was net klaar met het verband en viel achterover toen Joolstein hem opzij duwde terwijl hij opstond en zijn zwaard trok om zich Gorath van het lijf te houden.
Maar in plaats van Joolstein aan te vallen, sprong hij langs de twee mensen heen en sloeg met de ketting tussen zijn kluisters naar iets dat zich boven Joolsteins hoofd bevond. Het galmen van staal deed Joolstein opzij duiken.
'Moordenaar in het kamp!' riep Gorath en hij schopte naar Owyn. 'Loop me niet voor de voeten!'
Owyn had geen idee waar de moordenaar vandaan kwam. Het ene moment zaten ze nog gedrieën op de kleine open plek en het volgen de was de zwarte elf verwikkeld in een gevecht op leven en dood met iemand anders van zijn ras. In het licht van het kampvuur worstelden twee gedaanten, hun gezichten in scherp contrast met de duisternis van de bossen. Gorath had het zwaard uit de handen van de andere moredhel geslagen en toen de tweede zwarte elf een dolk trachtte te trekken, glipte Gorath langs hem heen en ging achter hem staan, waarbij hij zijn boeien rond de keel van zijn belager sloeg. Hij gaf een ruk en de ogen van de aanvaller puilden uit. 'Spartel niet zo, Haseth,' zei Gorath. 'Omdat jij het bent, zal ik het snel doen.' Met een snelle pols beweging verbrijzelde hij de luchtpijp van de andere zwarte elf en het wezen werd slap.
Gorath liet hem op de grond vallen. 'Moge de Godin der Duisternis genadig voor je zijn.'
Joolstein kwam overeind. 'Ik dacht dat we hen hadden afgeschud.'
'Ik wist van niet,' zei Gorath.
'Waarom heb je dan niets gezegd?' wilde Joolstein weten. Hij pakte zijn tuniek op en trok hem over het schone verband heen aan.
'Vroeg of laat moesten we toch tegen hem vechten,' antwoordde Gorath, zijn plaats weer innemend. 'Dat kon nu, of over een dag of twee, wanneer je nog zwakker was geworden van bloedverlies en gebrek aan voedsel.' Met zijn blik trachtte hij de duisternis te doorboren op de plek waar de moordenaar was verschenen. 'Als hij niet alleen was geweest, zou je nu alleen nog mijn lijk voor je prins kunnen slepen.'
'Zo makkelijk kom je er niet van af, moredhel. Je hebt nog geen toestemming om dood te gaan, niet na al die moeite die ik tot dusver heb gehad om je in leven te houden. Was hij de laatste?'
'Vrijwel zeker niet,' antwoordde de zwarte elf. 'Hij is wel de laatste van zijn compagnie. Maar er komen beslist anderen.' Hij keek de andere kant op. 'En er kunnen al anderen verderop zijn.'
Joolstein stak een hand in een buidel* aan zijn gordel en haalde een sleutel te voorschijn. 'Dan kan ik je maar beter die ketting afdoen.' Hij maakte de pols kluisters los en met een onbewogen gezicht zag Gorath ze op de grond vallen. 'Neem zijn zwaard.'
'Moeten we hem niet begraven?' opperde Owyn.
Gorath schudde zijn hoofd. 'Dat doen wij nooit. Zijn lichaam is slechts een huls. Laat het als voer dienen voor de aaseters, terugkeren naar de aarde, de planten voeden en de wereld hernieuwen. Zijn geest is al begonnen aan zijn reis door de duisternis, en zo het de Godin der Duisternis behaagt, vindt hij zijn weg naar de Gezegende Eilanden.' Gorath keek naar het noorden, alsof hij in het donker iets probeerde te zien. 'Hij was familie van me, zij het iemand op wie ik niet bepaald was gesteld. Maar bloedbanden wegen erg zwaar bij mijn volk. Dat hij jacht op mij maakte, houdt in dat ik als verrader door mijn ras ben verstoten.' Zijn blik ging naar Joolstein. 'Dus dienen wij gemene zaak te maken, mens. Want wil ik de missie ten uitvoer brengen die mij bij mijn volk in de ban heeft gedaan, dan moet ik het overleven. Wij moeten elkaar helpen.' Gorath pakte Haseths zwaard en zei tegen Owyn: 'Begraven hoef je hem niet, mens, maar je kunt hem wel uit de weg slepen. Morgenochtend wordt hij nog veel onplezieriger om in de buurt te hebben.'
Owyn zag ertegen op het lijk aan te raken, maar zei niets. Hij liep er naartoe, bukte zich en pakte de dode moredhel bij de polsen. Het wezen was verrassend zwaar.
Terwijl Owyn Haseth weg begon te slepen, zei Gorath: 'En kijk meteen of hij daar ergens zijn reiszak heeft laten liggen, jongen. Misschien zit er wat te eten in.'
Owyn knikte en vroeg zich af welk vreemd lot hem zover had gebracht dat hij met een lijk door donkere bossen zeulde en diens eigendommen plunderde.
De volgende ochtend baande een vermoeid drietal zich een weg door de bossen, de weg volgend, maar zonder er open en bloot op te lopen.
'Ik snap niet waarom we niet terug naar Yabon zijn gegaan om paarden te halen,' zei Owyn.
'Sinds ons vertrek uit Tyr-Sog zijn we al drie keer overvallen,' antwoordde Joolstein. 'Als er nog meer achter ons aan komen, loop ik die liever niet in de armen. Trouwens, we komen tussen hier en LaReu wel een dorpje tegen waar we paarden kunnen kopen.'
'En waar betalen we die van?' vroeg Owyn. 'Tijdens het gevecht waarbij je gewond raakte, waren je paarden er toch met al je spullen vandoor gegaan? Daar zal je geld dan ook wel bij hebben gezeten en ik heb in ieder geval niet genoeg om drie paarden aan te schaffen.'
Joolstein glimlachte. 'Ik ben niet geheel onbemiddeld.'
'We kunnen ze ook gewoon meenemen,' opperde Gorath.
'Dat is waar,' beaamde Joolstein. 'Maar zonder een duidelijk ranginsigne of een geloofsbrief van de prins in mijn zak, zou het wel eens moeilijk kunnen worden om de plaatselijke drost van mijn goede trouw te overtuigen. En in een plattelands bajes zitten we niet bepaald veilig voor een stel halzensnijders dat naar ons op zoek is.'
Owyn viel stil. Ze liepen al sinds zonsopgang en hij was moe. 'Wat dacht je van een rustpauze?'
'Dat denk ik niet,' zei Gorath. Zijn stem verviel tot een gefluister. 'Luister.'
Beide mensen zeiden een tijdlang niets. 'Waarnaar?' vroeg Owyn toen. 'Ik hoor niets.'
'Dat bedoel ik nu juist,' zei Gorath. 'De vogels in de bomen verderop zijn ineens gestopt met fluiten.'
'Een hinderlaag?' vroeg Joolstein.
'Vrijwel zeker.' Gorath trok het zwaard dat hij van zijn dode rasgenoot had gepakt.
'Mijn zij schrijnt, maar ik kan ermee vechten.' Joolstein keek Owyn aan. 'En jij?'
Owyn hield zijn staf omhoog. Hij was van hard eikenhout en de punten waren met ijzer beslagen. 'Ik kan er flink mee meppen als het nodig is. En ik ken wat magie.'
'Kan je hen dan niet laten verdwijnen?'
'Nee,' zei Owyn, 'dat niet.'
'Jammer; verzuchtte Joolstein. 'Blijf dan maar uit de weg.'
Behoedzaam gingen ze verder en toen ze de plek naderden die Gorath had aangewezen, ontwaarde Joolstein een schaduw tussen de bomen. De man - mens of moredhel, dat kon Joolstein niet zien - bewoog, waarmee hij zijn positie prijsgaf. Was hij roerloos blijven staan, dan zou Joolstein hem niet hebben opgemerkt.
Gorath beduidde Joolstein en Owyn meer naar rechts te gaan om in een bocht achter de uitkijk terecht te komen. Zonder te weten hoeveel man ze tegenover zich vonden, deden ze er goed aan het element van verrassing te benutten. Als een geest sloop Gorath tussen de bomen door, geluidloos en vrijwel onzichtbaar nadat Owyn en Joolstein hem hadden achtergelaten. Joolstein gaf Owyn een teken iets rechts achter hem te blijven, zodat hij wist waar hij zich bevond wanneer ze hun belagers naderden.
Lopend door de bossen hoorden ze gefluister, en Joolstein wist zeker dat elfen geen woord zouden hebben gesproken. De vraag was nu dus nog: waren het huurmoordenaars of slechts bandieten die een einde aan Goraths reis wensten te maken?
Een kreun van verderop gaf blijk van Goraths eerste contact met de belagers. Meteen werd er geschreeuwd, en Joolstein en Owyn renden naar voren.
Er stonden vier mannen, van wie er een al stervende was. De andere drie verspreidden zich over een kleine open plek tussen twee rijen bomen, een perfecte plek voor een hinderlaag. Joolstein voelde iets raars achter zich en er schoot iets langs zijn ogen, alsof er van achteren een pijl was afgeschoten, maar behalve een gewaarwording van iets wat bewoog viel er niets te zien.
Een van de drie nog staande overvallers schreeuwde het plotseling uit en met zijn vrije hand tastte hij voor zich uit, met lege blik starend. 'Ik ben blind!' schreeuwde hij in paniek.
Joolstein begreep dat het Owyns nuttige magie was en dankte de godin van het geluk dat de jongen over het benodigde talent beschikte.
Gorath was een van de twee resterende aanvallers te lijf gegaan terwijl Joolstein op de andere afging. Ineens drong de wijze van kledij tot hem door. 'Queganen!'
De mannen waren gekleed in korte tunieken en maillots en aan hun voeten droegen ze gevlochten sandalen. De man tegenover Joolstein had een rode hoofddoek om en over zijn schouder hing een bandelier. De kortelas die erin had gehangen, zwiepte door de lucht op Joolsteins hoofd af.
Hij pareerde en de pijn vlamde door zijn gewonde zij. De pijn verbijtend riposteerde Joolstein en de piraat deinsde terug. Een gesmoorde kreet zei Joolstein dat de tweede piraat was uitgeschakeld.
Andermaal kreeg Joolstein het gevoel alsof er een vreemdsoortig projectiel voorbij schoot en de man tegenover hem kromp ineen en hield zijn hand omhoog als om zijn ogen te beschermen. Joolstein aarzelde geen moment en doorboorde 's mans hart.
Nadat Gorath de laatste had gedood, was het plotseling weer stil in het bos.
Joolsteins zij leek in brand te staan, maar hij scheen geen verdere verwondingen te hebben opgelopen. Hij borg zijn zwaard op. 'Verdomme.'
'Ben je gewond?' vroeg Owyn.
'Nee,' antwoordde Joolstein.
'Wat is dan het probleem?'
Joolstein keek de open plek rond. 'Zij zijn het probleem. Iemand heeft bericht vooruitgestuurd. Daar kunnen we zeker van zijn.'
'Hoezo?' vroeg Gorath.
'Dit zijn Quegse piraten,' legde Joolstein uit. 'Kijk maar naar hun wapens.'
'Ik zou een Quegs piraat nog niet herkennen als ik erover struikelde,' bekende Owyn, 'maar ik geloof je op je woord, jonker.'
'Zitten piraten gewoonlijk niet op zee?' vroeg Gorath.
'Ja,' antwoordde Joolstein, 'tenzij iemand hen heeft betaald om langs de weg in een hinderlaag te gaan liggen en te wachten op drie reizigers te voet.' Hij knielde neer bij de man die voor zijn voeten was gestorven. 'Kijk zijn handen maar eens. Dit zijn de handen van iemand die gewend is met touw te werken. En die Quegse kortelassen geven de doorslag.' Tastend naar een buidel fouilleerde hij het lijk. 'Zoek naar iets wat lijkt op een boodschap.'
Ze vonden wat goud en enkele dolken benevens de vier kortelassen, maar geen boodschap of brief waaruit bleek wie deze piraten had ingehuurd. 'In de tijd sinds we Yabon verlieten, kunnen piraten nooit onopgemerkt vanuit Ylith zo ver naar het noorden zijn gekomen.'
'Iemand moet dus bericht naar het zuiden hebben gestuurd zodra ik uit het Noordland vertrok,' concludeerde Gorath.
'Maar hoe dan?' vroeg Owyn. 'Je hebt me verteld dat jullie maar een paar dagen in Tyr-Sog zijn gebleven en dat jullie tot gisteren hebben gereden.'
'Een merkwaardige vraag voor iemand die magie studeert,' merkte Gorath op.
Owyn bloosde een beetje. 'O.'
'Hebben jullie Machtswevers die zoiets kunnen?' vroeg Joolstein.
'Niet als die van de eledhel, die jullie elfen noemen. Maar we kennen wel beoefenaars van magie. En er zijn lieden van jullie ras die ons hun diensten verhuren.'
'Zelf heb ik er geen ervaring mee,' zei Owyn, 'maar ik heb gehoord van een talent als gedachtenspraak, waarmee de ene magiër met de andere kan spreken. En er bestaat ook zoiets als droomspraak. Ofwel-'
'Ze zijn er wel op gebrand om jou een kopje kleiner te maken, hè?' onderbrak Joolstein de jongen.
'Delekhan,' zei Gorath. 'Hij riep iedereen van mijn volk bij zich die over dergelijke talenten beschikte. Ik weet wat hij van plan is, maar niet hoe hij het van plan is. En als magische kunsten er deel van uitmaken, vrees ik het ergste.'
'Dat kan ik begrijpen,' zei Joolstein. 'Ik heb zelf meer dan genoeg mensen ontmoet die beter met hun tengels van magie hadden kunnen afblijven.' Hij wierp een blik op Owyn. 'Dat verblindingstrucje werkte best goed, knul.'
Verlegen keek Owyn hem aan. 'Ik dacht dat het geen kwaad kon. Een paar van die bezweringen ken ik wel, maar niets om een vijand te overmeesteren. Maar ik doe mijn best om te helpen waar ik kan.'
'Ik weet het,' zei Joolstein met een tweede blik op Owyn. 'Op weg maar weer naar LaReu.'
LaReu lag aan weerszijden van de weg, zodat iedereen die van Yabon naar Ylith ging, door de stadspoorten moest om geen grote omweg door de gevaarlijke heuvels ten oosten van de stad te maken.
De buitenstad spreidde zich in alle richtingen uit en de oude stadsmuren erachter waren tegenwoordig vrijwel nutteloos, gezien het gemak waarmee een aanvaller vanaf de daken van de erlangs liggende gebouwen op de borstwering kon klimmen.
De zon ging al bijna onder en alle drie de reizigers waren moe. Behalve zere voeten hadden ze ook honger. 'Morgen stellen we ons wel voor aan graaf Kasumi.'
'Waarom niet nu meteen?' vroeg Owyn. 'Ik zou best een maaltijd en een bed kunnen gebruiken.'
'Omdat het garnizoen daarboven is gelegerd,' antwoordde Joolstein, wijzend naar een fort op een heuvelhelling hoog boven de stad, 'en dat is nog eens twee uur lopen, terwijl we nog maar een paar straten verwijderd zijn van een goedkope herberg.'
'Zullen jullie landgenoten geen bezwaar maken tegen mijn aanwezigheid?' vroeg Gorath.
'Wel als ze vermoeden waar je vandaan komt. Maar als ze je houden voor een elf uit Elvandar, zullen ze alleen maar wat staren. Kom. We hebben genoeg goud voor een nacht in relatieve luxe. Morgenvroeg gaan we een bezoekje brengen aan de graaf om te zien of hij ons veilig op weg naar Krondor kan helpen.'
Ze betraden de stad onder het waakzame oog van soldaten die voor de rest een verveelde indruk maakten. Een van hen viel op tussen de anderen, omdat hij kleiner van stuk was en een zakelijker houding had. Glimlachend knikte Joolstein de poortwachters toe, maar de drie reizigers spraken geen woord en liepen door. Op korte afstand binnen de stadsmuren zagen ze een herberg. Op het uithangbord stond een felblauw wiel geschilderd. 'Daar,' zei Joolstein.
In de herberg bleek het druk, maar niet vol, en ze namen een tafel aan de muur tegenover de deur. Terwijl ze plaatsnamen, kwam er een gezette jonge serveerster. Nadat ze een maaltijd en bier hadden besteld en de serveerster was vertrokken, keek Joolstein rond en zag aan de andere kant van de gelagkamer iemand naar hen zitten staren.
Het duurde even voordat Joolstein in de gaten kreeg dat het geen mens was, maar een dwerg. De dwerg stond op en kwam door de kamer naar hen toe. Er liep een groot litteken over zijn gezicht, dwars over zijn linkeroog. Vlak bij hen bleef hij staan en zei: 'Herken je mij niet meer, Jool?'
De laatste keer dat Joolstein de dwerg had gezien, had die het litteken nog niet, maar zodra hij zijn naam over de lippen van de dwerg hoorde komen, riep hij uit: 'Dubal! Zonder die ooglap duurde het even.'
De dwerg ging naast Owyn zitten, tegenover Gorath. 'Dit gezicht heb ik overgehouden van een gevecht met een van zijn soort,' - hij wees naar Gorath - 'en ik mag drakeneieren poepen voordat ik er weer een lap op doe.'
'Dubal vond mij na de Slag om Sethanon, schuilend in een kelder,' verklaarde Joolstein.
'Waar jij je had opgesloten met een knappe deerne, als ik me goed herinner,' lachte de dwerg.
Joolstein haalde zijn schouders op. 'Ja, maar dat was toeval.'
'Maar zeg eens,' zei Dubal, 'wat doet een jonker van het prinselijk hof in LaReu aan tafel met een moredhelse hoofdman?' Hij sprak op zachte toon, maar Owyn keek vlug rond om te zien of iemand het per ongeluk had gehoord.
'Ken je mij?' vroeg Gorath.
'Ik ken jouw ras, want jullie zijn mijn bloedvijanden, en ik herken je wapenrusting. Een mens valt het misschien niet op, maar wij van de Grijze Torens vechten al zo lang tegen jullie soort dat ik jou niet hoef te verwarren met iemand uit Elvandar. Je hebt het uitsluitend aan je huidige gezelschap te danken dat ik je niet ter plekke vermoord.'
Joolstein hief zijn hand op. 'Ik zou het als een persoonlijke gunst beschouwen, en prins Arutha met mij, indien je de persoon aan mijn linkerzij zou beschouwen als een elf.'
'Dat kan ik me denk ik wel voorstellen. Maar dan zal je een keer naar de Grijze Torens moeten komen om me het verhaal achter deze poppenkast te vertellen.'
'Als ik kan zal ik dat zeker doen,' beloofde Joolstein. 'Nu dan, wat brengt jou alleen hier in LaReu?'
'We hebben problemen in de mijnen. Er is een instorting geweest en een paar van ons zitten vast aan deze kant van de Grijze Torens. Ik ben naar de stad gegaan om wat voorraden in te slaan. Morgenochtend huur ik een wagen en ga ik weer terug. Voorlopig ben ik tevreden om hier wat te drinken en te babbelen met de Tsurani hier in LaReu. In de oorlog heb ik tegen hen gevochten en naderhand bleken het best stoere kerels te zijn als je hen eenmaal hebt leren kennen.' Hij wees naar de tapkast. 'Die lange kerel daar,' - Joolstein moest lachen toen er over een Tsuranu werd gezegd dat hij lang was - 'is Sumani, de eigenaar. Heeft een behoorlijk aantal verhalen te vertellen over zijn dagen als soldaat op de Tsuranese wereld en ik mag hangen als hij de helft van de tijd niet de waarheid vertelt.'
Joolstein schoot in de lach. 'De meeste Tsurani die ik ken bezondigen zich niet aan sterke verhalen, Dubal.'
'Het lijkt erop, maar je weet het nooit. Ik heb gevochten tegen die grote insecten, die cho-ja's, maar die andere dingen waar hij over verteld, nou, die kan ik maar nauwelijks geloven.'
De serveerster kwam met eten en bier en ze zetten zich aan de maaltijd. 'En,' vroeg Dubal, 'kan jij me vertellen wat jou hier brengt?'
'Nee,' antwoordde Joolstein, 'maar ik kan je wel vragen of je de laatste tijd nog Queganen in de buurt hebt gezien.'
'Twee dagen was er hier nog een hele bende, volgens de laatste nieuwtjes,' zei Dubal. 'Ik ben net binnen van het inslaan van het materiaal dat we nodig hebben. Zijn Queganen hier niet een beetje ver van huis?'
'Dat kan je wel zeggen, ja,' merkte Joolstein op. 'We kwamen er onderweg wat tegen en vroegen ons af of ze met vrienden waren.'
'Nou, naar wat ik heb gehoord, zijn ze allemaal in noordelijke richting vertrokken, dus als jullie geen grote groep zijn tegengekomen, hebben ze nog vriendjes in de buurt.'
'Dat dacht ik al,' zei Joolstein.
Een tijdlang aten ze in stilte terwijl Dubal genietend slokjes van zijn bier nam. 'Jullie hebben onderweg toch niet per ongeluk gezien dat er van die monsterjagers uit Armengar uit het noorden kwamen, wel?' vroeg hij.
'Monsterjagers?' vroeg Owyn.
'Beest jagers bedoelt hij,' verduidelijkte Joolstein. 'Ik heb er ooit een ontmoet.' Glimlachend dacht hij eraan terug. Ze waren toen met prins Arutha op de vlucht geweest voor een groep moredhel en waren een beestjager uit Armengar met zijn beesthond tegen het lijf gelopen. Het was een val geweest, maar daardoor waren ze wel aan de moredhel ontkomen. 'Nee, ik denk dat degenen die er nog over zijn in de heuvels ten noorden van Yabon zitten. Hoezo?'
'O, er loopt een braknurr los in de mijn en ik zoek iemand om hem voor ons te vangen. We kunnen óf de mijn herbouwen, óf achter dat kreng aan gaan, maar we zijn met te weinig aan deze kant van de berg om allebei te doen.'
'Wat is een braknurr?' vroeg Owyn. 'Ik heb nog nooit van zo'n monster gehoord.'
'Het is een knap stom beest, eerder lastig dan gevaarlijk,' legde Dubal uit. 'Meestal blijven ze in de lagere mijnen en tunnels onder de berg. Hij ziet eruit als een wandelende hoop stenen met armen en benen en dat maakt hem nu juist zo gevaarlijk, jongen. De helft van de tijd zie je hem pas als je hem op zijn tenen staat. Ze zijn log en traag, maar ook zo sterk dat ze met één klap je schedel kunnen inslaan. Deze kwam naar boven vanwege de instorting, denk ik, maar hoe dan ook, hij heeft een paar van ons geprobeerd te pakken. We hebben hem weggejaagd, maar kunnen de tijd niet nemen om hem achterna te gaan. Als je zin hebt in een verze*, ga je morgen maar mee, en als je hem de mijnen uit kunt werken kan je met plezier nog een beloning krijgen ook.'
'Een beloning?' zei Joolstein. 'Dat is altijd interessant, maar we hebben geen tijd. Als de omstandigheden ons binnenkort naar de mijnen brengen, zullen we met genoegen helpen, maar voorlopig moeten we verder naar het zuiden.'
'Begrijpelijk.' Dubal stond op. 'Als de tunnels eenmaal klaar zijn, gaan we op zoek naar het beestje. Nou, ik ga naar bed, want het is morgen weer vroeg dag. Het was leuk je weer te zien, jonker, ook al is het in dit gezelschap.' Hij gebaarde naar Gorath. 'Geluk op je pad.'
'En op het jouwe, Dubal.'
Joolstein at zijn maaltijd op en ging naar de tapkast.
De herbergier droeg een broek en tuniek naar de Koninkrijkse dracht, de pijpen in hoge kalfslederen laarzen gestopt. Maar ook had hij een dikke wollen, met bont afgezette cape omgeslagen, alsof het zelfs in deze warme herberg te koud naar zijn zin was.
'Meneer?' vroeg de herbergier.
Door zijn zware accent klonk het woord Joolstein vreemd in de oren. 'Eer aan uw huis,' zei hij in het Tsuranees. De man glimlachte en zei iets terug. Joolstein haalde zijn schouders op. 'Het spijt me, maar dat was het enige Tsuranees dat ik ken.'
De glimlach van de man werd breder. 'Meer dan de meesten,' zei hij. 'U komt niet uit LaReu,' stelde hij vast.
'Klopt. Ik heb een beetje van je moedertaal geleerd in Sethanon.'
'Ah,' zei de herbergier, begripvol knikkend. Slechts weinigen die in Sethanon waren geweest, spraken over hetgeen zich daar had afgespeeld, voornamelijk omdat de meesten het zelf niet wisten. In het heetst van de strijd waren beide legers, aanvallers en verdedigers, in grote opschudding de stad ontvlucht. Er was een groen licht uit de hemel neergedaald en nadat er iets in de lucht was verschenen, was het hele stadscentrum verwoest. De klap had de meeste mannen versteld doen staan en een enkeling was er doof van geworden. Niemand wist precies wat er was gebeurd, al begrepen de meesten dat er een ontketening van krachtige magie was geweest. Er werd wel gespeculeerd dat de magiër Puc, een vriend van de prins, ermee te maken had gehad, maar niemand was daar absoluut zeker van.
Verborgen in een kelderruimte in de stad had Joolstein het besluit van de veldslag gemist, maar hij had genoeg van ooggetuigen gehoord om een redelijk helder beeld in zijn hoofd te vormen. En er bestond een bijzondere band tussen degenen die de Slag om Sethanon hadden overleefd, ongeacht hun geboorteplaats, want het waren Tsuranese, Koninkrijkse en zelfs Keshische soldaten geweest die de moredhel en hun bondgenoten, de gnomen, terug naar het Noordland hadden gejaagd.
'Eer aan je huizen en welkom in herberg Het Blauwe Wiel, zei ik zojuist,' verklaarde de herbergier.
'Het Blauwe Wiel? Dat is toch een van jullie Tsuranese politieke partijen?'
Het brede gezicht van de herbergier spleet in een grijns vol regelmatige witte tanden. Zijn donkere ogen leken te schitteren in het lantarenlicht. 'Je weet echt van ons!' Naar Koninkrijks gebruik stak hij zijn hand uit. 'Ik ben Sumani. Als mijn bedienden of ik iets kunnen doen, dan hoef je het maar te vragen.'
Joolstein schudde de hand van de herbergier. 'Een kamer voor de nacht nadat we de maaltijd hebben gebruikt is voldoende. We moeten morgenochtend vroeg op het kasteel zijn.'
De gedrongen oud-strijder knikte. 'Dan heb je geluk, mijn vriend. Gisteravond zou ik je tot mijn schande hebben moeten vertellen dat ik niet aan je verzoek kon voldoen. Toen zaten we vol, maar vanochtend is er een groot gezelschap vertrokken, dus we hebben weer kamers vrij.' Hij tastte onder de tapkast en haalde een zware ijzeren sleutel te voorschijn. 'Op mijn thuiswereld zou dit een mensenleven waard zijn geweest. Hier is het slechts een werktuig.'
Joolstein knikte. Hij was bekend met de schaarste aan metalen op Kelewan. 'Een grote groep?' vroeg hij, de sleutel in ontvangst nemend.
'Ja,' antwoordde Sumani. 'Buitenlanders. Uit Queg, geloof ik. Hun taal klonk mij vreemd in de oren.'
Joolstein keek de duidelijk goed florerende herberg rond. 'Hoe komt een Tsuranees soldaat als herbergier in LaReu terecht?'
'Na de oorlog heeft graaf Kasumi degenen die aan deze kant van de scheuring vast zaten in de gelegenheid gesteld een leven als Koninkrijks burger te gaan leiden. Toen de scheuring werd heropend, gaf hij ons hier in LaReu de keus om uit dienst te treden en terug te gaan naar het landgoed van de Shinzawai op Kelewan. De meesten zijn gebleven, al zijn sommigen inderdaad teruggegaan om te dienen bij Kasumi's vader, heer Kamatsu. Een paar van ons zijn echter in LaReu achtergebleven. Ik had thuis geen familie meer.' Hij keek rond. 'En eerlijk gezegd heb ik hier een veel beter leven dan ik thuis zou leiden. Daar was ik misschien boer geworden, of arbeider op het landgoed van de Shinzawai.' Hij wees door de openstaande deur naar de keuken, waar een lange, vlezige vrouw druk bezig was met het bereiden van voedsel. 'Hier heb ik een Koninkrijkse vrouw: We hebben twee kinderen. Het leven is goed. En ik ben lid van de burgerwacht, dus ik oefen nog steeds met mijn zwaard. De goden van beide werelden zijn me gunstig gezind en het vergaat mij uitstekend. Ik vind het bedrijfsleven net zo uitdagend als de krijg.'
Joolstein glimlachte. 'Ik ben niet goed in zakendoen, maar ik heb gehoord dat het vaak veel lijkt op oorlog. Is er nog nieuws?'
'Veel,' zei de voormalige soldaat. 'Een heleboel reizigers in de afgelopen maand in LaReu. Er wordt druk gespeculeerd. Vorige week kwam er een grote groep Grootheden langs. En er wordt wel gezegd dat er grijze krijgers, struikrovers uit mijn thuiswereld, in de buurt van de stad zijn geweest.'
'Grijze krijgers?' vroeg Joolstein. 'Huisloze mannen? Wat moeten die hier in LaReu?'
Sumani haalde zijn schouders op. 'Het zou kunnen dat de eerlozen hebben gehoord dat je hier op je eigen verdiensten wordt beoordeeld, zonder te zijn gebonden aan de rang die je met je geboorte meekreeg. Of anders zijn ze misschien in dit land op zoek naar rijkdom. Wie kan dat zeggen, met grijze krijgers?' Er trok een frons over Sumani's gezicht.
'Wat is er?' vroeg Joolstein.
'Iets wat me net te binnen schoot: de scheuring wordt gecontroleerd door lieden die in dienst zijn van de Grootheden op Kelewan, en aan deze kant wordt hij door Koninkrijkse soldaten bewaakt. Om erdoor te kunnen komen, moeten deze grijze krijgers documenten hebben gehad, of anders bondgenoten onder de bewakers van de scheuring.'
'Smeergeld?' opperde Joolstein.
'Hier, misschien. Ik heb gemerkt dat het begrip eer in het Koninkrijk anders is dan thuis. Maar verraad door de bedienden van de Grootheden?' Hij schudde zijn hoofd. 'Dat bestaat niet.'
'Bedankt,' zei Joolstein. Dit was een raadsel met een luchtje eraan. 'Ik zal mijn oren en ogen openhouden.'
De Tsuranu schoot in de lach. 'Dat is een grappige uitdrukking,' vond hij. 'Laat me weten wanneer ik je ergens mee van dienst kan zijn.'
Joolstein knikte, nam een lantaren van de herbergier in ontvangst en keerde terug naar het tafeltje. Gorath en Owyn stonden op en Joolstein ging zijn metgezellen voor, de trap op naar een eenvoudig kamertje met vier bedden. Hij beduidde Owyn hem te helpen met het verzetten van een van de bedden. Dat plaatste hij dwars voor de deur, voor het geval ze zouden worden overvallen. Een ander bed schoof hij er met het voeteneind tegenaan. 'Owyn,' zei hij, wijzend naar het bed onder het raam, 'jij slaapt daar.'
'Waarom?' vroeg de jongeman uit Timons. 'Daar tocht het.'
Met een licht opgetrokken mondhoek keek Gorath hem aan, alsof hij zich ergens om amuseerde.
'Als er iemand door het raam naar binnen klimt, stapt hij op jou en worden wij wakker van jouw geschreeuw;' antwoordde Joolstein.
Morrend sloeg Owyn zijn mantel stevig om zich heen en ging liggen. Joolstein wees Gorath naar een van de andere bedden en de moredhel streek er zonder commentaar op neer. Zittend op zijn bed blies Joolstein de lantaren uit, de kamer in duisternis dompelend. Van beneden klonken stemmen uit de gelagkamer en Joolstein liet zijn gedachten de vrije loop. Hij maakte zich zorgen over de aanwezigheid van vreemdelingen en de aanval van de Queganen. Het gerucht over Tsuranese grijze krijgers in de omgeving maakte zijn gemoedsrust er niet beter op, maar door vermoeidheid en vanwege zijn verwonding viel hij toch vrij snel in slaap.