18 Hergroepering

 

De rook was verblindend.

Robert had een uur kunnen slapen, Joolstein twee, en zoals was bevolen hadden de soldaten de hele nacht in ploegendienst op wacht gestaan.

Op zijn bevelvoerderspost op het poortgebouw stond Robert nu te turen door de rook. De nevel die de smeulende puinhopen van de twee belegeringstorens verspreidden, prikte in zijn ogen. Zelfs de ochtendbries zou geen zier helpen, want die zou de rook juist naar de muren toe blazen. De nachtelijke hemel lichtte op van de zon die achter de verdedigers opkwam. Weldra zou hij boven de bergen uitkomen. Nog voor het zover was, wist Robert, zou de vijand weer aanvallen.

Hij keek omlaag en zag lijken in de slotgracht drijven, van aanvallers zowel als verdedigers. Het waren er zo veel dat je erover naar de ophaalbrug kon lopen, dacht hij.

Nadat van alle verdedigingsposten in het kasteel de verslagen waren binnengekomen, wist Robert de weerzinwekkende waarheid: ze konden niet nog een hele dag stand houden. Tenzij de aanvallers misdadig dom waren of het lot zich ermee ging bemoeien, zou kasteel Noordwacht nog voor zonsondergang vallen.

Robert had al verscheidene manieren bedacht om het kasteel in te nemen als hij het bevel over de aanvallers had gevoerd. Ook had hij gezocht naar manieren om elk van die aanvallen af te slaan, maar telkens kwam hij tot de schrikbarende conclusie dat hij doodgewoon niet genoeg manschappen had wanneer ze iets anders probeerden dan een frontale aanval. Iets simpels als een bestorming via de poortweg terwijl de gnomen weer over de noordelijke helling omhoog kwamen klimmen, zou zijn verdedigers al te zwaar belasten. Het was onmogelijk hen op twee fronten tegen te houden.

'Wat doen we nu?' kwam Joolstein informeren.

'Ik denk erover om de buitenmuur te verlaten en alle soldaten te verplaatsen naar de veste zelf,' zei Robert.

Joolstein schudde zijn hoofd, met dit uitgeputte gebaar de nederlaag reeds toegevend. 'Iets beters kan ik ook niet verzinnen. Het zal hun meer tijd en meer levens kosten om het kasteel in te nemen.'

'Maar standhouden kunnen we dan wel vergeten.'

'Dacht je dan dat daar nog hoop op was?'

'Op dit moment probeer ik iets briljants te verzinnen zodat we achter Delekhans gelederen langs kunnen sluipen en hem van achteren aan kunnen vallen.'

Er naderde een sergeant, nog steeds onder het bloed van de vorige dag.

'Rapport,' gebood Robert.

'Er zijn er vannacht nog drie overleden, jonker. We hebben nog honderdvijftig man op de muren en zeventig ambulante gewonden die nog kunnen vechten. De wat lichter gewonden zijn aan het helpen in de ridderzaal.' De grote zaal van het kasteel was veranderd in een verpleeghuis, waar bijna honderd Noordwachtse soldaten lagen te sterven bij gebrek aan een genezer.

Robert schudde zijn hoofd. 'Laat de mannen rusten tot de aanval weer wordt geopend. Breng zo veel water en voedsel naar de mannen op de muren als je kunt. De enige manier om nog aan een warme maaltijd te komen, is deze slag winnen.'

'Ja, jonker,' zei de sergeant en spoedde zich weg.

Patrus kwam de trap naar de muur boven het poortgebouw op. De oude magiër zag er erg moe uit. 'Ik heb gedaan wat ik kon met de gewonden. Wat kan ik hier doen?'

'Een manier bedenken om de vijand te weren van de noordmuur of de oostpoort,' antwoordde Robert. 'Welke van de twee kan me niet schelen.'

'Te veel muur en niet genoeg soldaten?' vroeg de oude man.

'Zoiets,' bromde Joolstein.

'Nou, als ze die lijken daarginds op de weg niet opruimen voordat ze weer aanvallen, kan ik jullie daarin wel bijstaan,' zei Patrus. 'Hoe meer metaal er beneden op de grond ligt, hoe beter. Breng nog maar wat van je jongens naar de noordmuur.'

'Wat ga je dan doen?' vroeg Robert.

'Wat, en de verrassing bederven?' zei de oude man met een gemene grijns. 'Nee, wacht maar gewoon af, knul. Als het zover is zal ik een mooie voorstelling verzorgen.'

'Ik ben niet geïnteresseerd in een mooie voorstelling,' mopperde Robert. 'Hoeveel tijd kan je voor ons rekken?'

'Een paar uur, afhankelijk van de moed die die moeras-bijters kunnen verzamelen nadat ik een beetje met ze heb gedold.'

'Geef me twee uur om de noordmuur te verdedigen voordat ik mijn aandacht op de oostpoort moet richten, en we zien misschien nog het einde van de dag.'

'Let maar eens op,' beloofde Patrus. 'Maar nu moet ik naar mijn kamer om wat spulletjes te halen.' Hij rende weg.

Ondanks zijn uitputting vroeg Joolstein aan Robert: 'Is dat niet de gemeenste ouwe man die je ooit hebt ontmoet?'

'Nee,' antwoordde Robert, en met een glimlach voegde hij eraan toe: 'Maar het scheelt niet veel.'

In de verte klonk tromgeroffel. 'Ze zijn onderweg,' kondigde Robert aan.

Geschreeuw op de noordmuur waarschuwde Robert dat de gnomen weer via de helling omhoog begonnen te klimmen. Ze hadden hun voorraad stenen uitgeput om de klauteraars van de helling te vegen, en ook al het meubilair, aardewerk, keukengerei en gereedschap dat ze konden missen was al over de muur verdwenen. Het meeste water dat ze zelf niet nodig hadden, was al gekookt en vergoten. Nu moesten ze de klimmers een voor een met kostbare pijlen van de helling plukken, waarbij hun eigen boogschutters zich bloot moesten geven aan vuur van beneden.

Patrus kwam terug met de boodschap: 'Geef eens wat ruimte.' Met gekruiste benen ging hij op de stenen zitten en zette een kleine kom voor zich neer. 'Het heeft me een week gekost om alles hiervoor klaar te maken, dus hou je kop en stoor me alleen als het einde van de wereld nadert.'

Hij loosde de inhoud van een buideltje, een massa poeders met klontjes en wat leek op kleine kiezelsteentjes, in de kom en sloot zijn ogen. Na het zingen van een korte spreuk deed hij zijn ogen weer open en stak zijn wijsvinger uit. Aan het einde ontsproot een klein vlammetje, dat hij naar de kom bracht. Ogenblikkelijk sprong het vuur over op de inhoud. Uit de kom rees een blauw-groene rookwolk op, veel vetter en groter dan Robert of Joolstein voor mogelijk hadden gehouden. De rook steeg op naar het plafond van het poortgebouw; waar ze voor de stenen terug leek te deinzen, en Patrus zwaaide met zijn hand boven zijn hoofd, de palm naar de oostwaarts lopende weg, alsof hij de wolk in die richting wilde wapperen.

Gehoorzaam aan zijn gebaar stroomde de rook door de ramen van het poortgebouw; om zich buiten te verspreiden, dunner wordend tot ze eruitzag als boven de weg hangende wolken. Op de weg zag Robert een compacte formatie van schilden in de voorhoede, bestaande uit gnomen met daarachter een compagnie trollen. De aapachtige trollen hadden massieve schouders, waarop ze moeiteloos hun stormladders met zich mee droegen. Aan de buitenzijde van hun formatie droegen zij ook schilden, en ieder had een strijdhamer of een bijl aan zijn gordel hangen.

'Trollen in de aanvalslinie?' vroeg Joolstein.

'Zo te zien wel,' zei Robert. 'Ik heb er ook nog nooit van gehoord, maar als ze serieus van plan zijn om op die ladders naar boven te komen, hebben we een probleem.' Trollen waren niet bepaald betere vechters dan gnomen of moredhel, maar wel een stuk lastiger te doden. De leider van de aanvalstroepen moest er terecht van uit zijn gegaan dat de verdedigers de uitputting nabij waren.

In de rook van fakkels en de smeulende torens werden Patrus' mystieke wolken amper opgemerkt. Langzaam zagen Robert en Joolstein de wolken dikker worden.

Zodra de aanvallers binnen schootsafstand kwamen, openden de schutters op de muren het vuur. Robert was geschokt over het geringe aantal pijlen dat hij door de lucht zag vliegen. Hij kon de nederlaag al proeven.

Ineens klonk er een zacht gerommel onder het kasteel, en Robert legde een hand op de muur. Vanuit de aarde voelde hij het diepe dreunen van energie omhoog komen.

De aanvallers letten er niet op, tot het moment dat zelfs de trollen met de zware ladders de trillingen in hun marcherende voeten konden voelen. De colonne weifelde.

Patrus stiet een kakellachje uit en schreeuwde: 'Hou je vast, jongens!'

Het kasteel leek te deinen.

Zeker de helft van de aanvallers werd van de sokken geslagen. In het kabaal van de aardbeving gingen de geluiden van de veldslag compleet verloren.

En toen ontplofte de hemel.

Het harnas van een op de grond liggende aanvaller werd getroffen door een bliksemstraal, die minstens tien kameraden om hem heen tegen de grond sloeg. Slechts een fractie van een tel later volgde een geweldige donderslag, die de oren deed suizen. Het begon te ruiken naar de scherpe lucht van onweer en de stank van brandend vlees. Moredhel, gnomen en trollen lagen te kronkelen op de grond, rokend van de inslag.

Een tweede schicht sloeg een paar voet verderop in de grond, en doodde er nog eens tien. Een ogenblik later werd het opgeheven zwaard van een moredhel getroffen. De zwarte elf werd een kort moment verlicht door een verblindend witte flits, vlak voordat hij veranderde in een ontploffende vuurbal, waarin de meeste omstanders direct de dood vonden.

Robert dook omlaag en trok Joolstein aan zijn tuniek naar beneden. 'Schuilen achter de muur!' schreeuwde hij naar de mannen op het poortgebouw; en het bevel werd langs de gehele oostmuur doorgegeven. De ene na de andere bliksemstraal flitste neer uit Patrus' wolk, elk direct gevolgd door een monsterlijke donderklap. Menigeen sloeg de handen voor de oren om er niet doof van te worden.

Het liefste was Robert de trappen af gekropen naar de diepste kelders van het kasteel, maar hij vroeg zich af of dat wel diep genoeg zou zijn. Hij kon zich nauwelijks voorstellen hoe het moest zijn voor de aanvallers beneden op de weg.

Keer op keer sloeg de bliksem in, tot het plotseling stil werd. Zodra het kabaal verdween, stopte ook het trillen van de aarde.

Robert sprong op en keek over de muur. Het leger dat nog maar kort tevoren de aanval had ingezet, vluchtte nu hals over kop de heuvel af Minstens duizend aanvallers lagen gesneuveld op de weg naar het kasteel, velen vertrapt door hun eigen kameraden.

Robert knielde neer naast Patrus, die knipperde met zijn ogen. 'Wat vond je ervan?'

'Je hebt het'm gelapt. Ze zijn op de vlucht geslagen.'

Joolstein boog zich over zijn vriend heen. 'Hoe noem je zoiets eigenlijk?'

'Een echte naam heb ik er niet voor. Ik heb het geleerd van een kerel in Salador, die het weer heeft geleerd van een priester van Kilian, maar die moest er iets aan veranderen. "Kilians Razernij" heb ik het maar genoemd.' Hij stond op. 'Ik heb het altijd al een keer uit willen proberen, maar ik trof nooit iemand op wie ik kwaad genoeg was om het erop te wagen.' Hij liep naar de muur, keek tussen twee kantelen door en zag het aantal lijken. 'Werkt beter dan ik dacht.'

'Hoe is het aan de noordmuur?' schreeuwde Robert.

'Tijdens de aardbeving zijn ze naar beneden gevallen,' werd er teruggeroepen.

Robert legde een hand op Patrus' schouder. 'Je hebt weer wat tijd voor ons gewonnen.'

Joolstein liet zich zakken op de plek waar ze stonden en leunde met zijn rug tegen de muur. 'Ik kan niet meer op mijn benen staan.'

Met een ruk trok Robert hem aan een arm weer overeind. je moet. 'Ze komen terug. Tenzij Patrus nog een keer tot deze kleine verrassing in staat is?'

Patrus schudde zijn hoofd. 'Wel als ik alle ingrediënten had, maar het duurt even om alles bij elkaar te doen, en ik zou ervoor in de bossen moeten gaan zoeken.'

'Eén ding baart me zorgen,' zei Joolstein.

'Wat dan?' vroeg Robert.

'Waar zijn hun magiërs?'

Roberts ogen werden groot. 'Goden! Als ze bij deze vertoning niet aan zijn komen rennen, zijn ze niet eens hier in de buurt.'

'Wat wil je daarmee zeggen?'

'Dat we zijn beetgenomen.'

'Dat snap ik niet.' Joolstein liet zich weer langs de stenen zakken naar een zittende positie.

'Als ze hier niet zijn, zitten ze ergens anders!' beet Patrus hem toe. 'Ik snap best dat je moe bent, maar dat is nog geen reden om de domoor uit te hangen!'

'Laat me toch met rust,' zei Joolstein, zogenaamd vol zelfmedelijden. 'Laat me genieten van mijn hersenschimmen. Ik dacht zo-even toch een Koninkrijkse trompet in de verte te horen schallen.'

Robert bleef staan luisteren. 'Dat is geen hersenschim. Ik hoor het ook.' Hij klom op de muur, en met het onwankelbare evenwicht en de stalen zenuwen die hij zich in zijn jeugd als dief had aange kweekt, stapte hij zonder aarzelen op de kantelen en staarde in de verte. Door de rook werd het zicht nog steeds belemmerd, maar even later schreeuwde Robert: 'Ik zie Arutha's banier!' Hij sprong omlaag. 'Laat de ophaalbrug neer!'

Met hernieuwde energie rende Robert de trap af, met Joolstein en Patrus op zijn hielen. Tegen de tijd dat ze op de verzamelplaats waren, was het valhek al zo ver opgetrokken dat Robert eronderdoor kon duiken. Hij rende naar het uiteinde van de ophaalbrug en sprong er al af voordat die de grond had geraakt.

Hij had zijn zwaard in de hand, voor het geval een van de lijken niet zo dood was als hij eruitzag, maar onder aan de weg werd hij al tegemoet gereden door Arutha en zijn lijfwacht. Vlak voor de monarch van het Westelijke Rijk bleef hij staan. 'Ik begon al te geloven dat je alle pret zou gaan missen!' zei hij.

'Zo onbeleefd zou ik toch nooit zijn?' zei Arutha. 'Hoe staan de mannen ervoor?'

'Slecht. Baron Gabot en zijn officieren zijn vermoord. De meeste manschappen zijn dood of gewond, en de rest volkomen uitgeput. Nog één dag en je zou ons allemaal dood hebben aangetroffen. Niet om onbeleefd te zijn, maar waar bleef je zo lang?'

'We zijn gegaan zodra we bericht kregen. Jouw boodschappers zijn gevangengenomen en afgevoerd, en het kostte hun even om te ontsnappen en mij te bereiken. Ze arriveerden net drie weken geleden. Is er nog steun vanuit het zuiden?'

'Nee. Ik heb bericht gestuurd naar Romnee, Dolth, en zelfs naar Rillanon.'

'Dan komen er misschien nog anderen,' concludeerde Arutha, 'of die boodschappers zijn ook gevangengenomen. Owyn vertelde dat jullie het hoofd van de Nachtraven hebben gedood, maar voordien moeten ze al spionnen hebben geplaatst.'

'Ik vrees dat we misschien wel nooit dat hele nest van moordenaars zullen uitroeien,' zei Robert. 'Ze zijn net die slang uit de legende van de Keshische Onderwereld: als je zijn kop afhakt, groeit hij gewoon weer aan. Maar wat ik zeggen wou: we denken dat dit allemaal een list is.'

Arutha keek rond naar de sporen van vernietiging. 'Een kostbare list.'

'Maar niettemin een list. Toen Patrus, de oude magiër die we hier hebben ontmoet, zijn magie gebruikte, werd er niet met magie geantwoord.'

'En dat stel dan dat ze de Zes noemen?' zei Arutha.

'Volgens de laatste berichten die wij hebben gehoord waren die nog steeds in het Westen.'

'Het Westen!' Arutha vloekte. 'Dan is dit misschien wel één grote verschrikkelijke list geweest, overtuigend gemaakt met het leven van duizenden soldaten, om ons uit het Schemerwoud te lokken.'

'Heb je al je troepen meegenomen?'

'Nee, het garnizoen bij Sethanon is nog op zijn post, maar de rest van mijn compagnieën heb ik meegebracht. Ik zal patrouilles de passen in sturen om te zien hoeveel manschappen de vijand tegen ons in stelling heeft gebracht.' Arutha keek bezorgd, en die blik had Robert al menigmaal gezien, en zelden onterecht. 'Laten we maar naar het kasteel gaan, jonker, om jouw bevel af te lossen en dit zaakje uit te zoeken.' Hij draaide zich om en deelde bevelen uit aan een jonge officier. 'Ik heb Gardaan in het Schemerwoud achtergelaten, en kapitein Philip bij het Sethanese garnizoen,' zei hij vervolgens tegen Robert. 'Met hen tweeën kunnen we hopelijk voorkomen dat Delekhans list slaagt.' Hij keek Robert aan. 'Maar nadat jullie hebben gegeten, geslapen en ontbeten, gaan Joolstein en jij met een vliegende patrouille terug naar Sethanon.'

Robert trok een grimas. 'Weer van die lange ritten?'

'We hebben een genezingspriester bij ons. Ik vraag hem wel of hij iets tegen de pijn heeft.'

Robert keek Arutha aan om te zien of hij een grapje maakte, maar dat bleek niet het geval te zijn. 'Goed.'

Arutha's bezorgdheid was onmiskenbaar en Robert vroeg: 'Wat is er, Hoogheid? Ik ken je nu al veel te lang om die blik niet te herkennen.'

'Gewoon, zorgen om Owyn en Gorath. Ik heb hen erop uitgestuurd om Puc te gaan halen, vanwege wat ze zeiden over de Zes, maar als ze tussen Malachskruis en Krondor in een val zijn gelopen, of als Puc Krondor al had verlaten voor een van zijn geheimzinnige uitstapjes, en Katala hem niet kon vinden, of als er iets anders is gebeurd, wel, dan zouden we goed gediend zijn met een magiër wanneer die Zes verschijnen.'

Robert grijnsde. 'Ik heb er eentje.'

'Die verantwoordelijk was voor de bliksem die we zagen toen we dichterbij kwamen?' Arutha steeg van zijn paard.

'Ja.' Robert begon terug te lopen naar het kasteel. 'Het is een zonderling, en ik denk dat je hem wel vermakelijk vindt - de eerste paar minuten, tenminste.'

Arutha glimlachte zijn halve glimlach, en Robert voelde zich er beter door.

 

Gorath bleef roerloos zitten kijken naar de strik. Het diertje zag eruit als een gepantserd konijn, of een schildpad met lange poten, maar wat het ook mocht zijn, het was het enige eetbare beest dat ze tot dusver waren tegengekomen. Twee andere diersoorten bleken na het vangen niet te eten. Wel wemelde het op deze wereld van de insecten, variërend van kleine mugachtige vliegjes, die om Gorath heen zwermden terwijl hij zijn best deed geen vin te verroeren, tot kakkerlakachtige beesten zo groot als Goraths onderarm.

Hij had een zestal eetbare wortels ontdekt, en een stekelige vrucht die smaakte naar een zure meloen. Het taaie, draderige vruchtvlees bevatte echter een heleboel water.

Ook hadden ze vlak bij de oude tempel een bron gevonden, en een waterzak gemaakt van een oud stuk leer dat ze in de tempel hadden gevonden.

Gorath!

Eén moment, probeerde hij terug te denken. Vergeleken bij haar vaardigheid, was het voor hem nog steeds moeilijk om met haar te spreken, maar hij werd er al beter in. Hij moest zijn gedachten richten. Hij stelde zich voor dat hij naar haar schreeuwde. Ik sta op het punt ons avondeten te vangen, dacht hij.

Hij ontving een non-verbaal gevoel van geduld.

Het gepantserde konijn bewoog en hij trok aan de strik, die zich sloot om de rechterachterpoot. In een oogwenk was hij bij het dier, en uit schade en schande wijs geworden, legde hij het op de rug, zodat het de kop naar buiten moest steken. Vlug brak hij de nek en haalde hem uit zijn schild. Tot hun gezamenlijke ellende had hij gemerkt dat het vlees snel bedierf wanneer je het beestje niet meteen na zijn dood uit het schild haalde, en de maagpijn die je ervan kreeg was hoogst onplezierig. Nadat hij het vlees uit het pantser had gesneden, stopte hij het in zijn reisbundel.

Plotseling ving hij een gevoel van opwinding op van Gamina. Hij draaide zich meteen om en begon terug te rennen naar waar het meisje zich bevond. Wat is er? vroeg hij.

Owyn en vader hebben nog een voorraad mana gevonden.

Denken ze dat we genoeg hebben?

Misschien, dacht ze toen hij in zicht kwam.

Ze draaide zich om en hij volgde haar over het pad naar de ingang van de verlaten tempel. Om welke reden dan ook, geloofsbepalingen, vrees voor de Valheru of vrees voor Gorath, Puc en Owyn, de slangmannen hadden zich niet meer in dit gebied gewaagd. Puc had een plan bedacht om de verlaten scheuringsmachine in werking te stellen, en de tweede keer dat hij met Owyn naar meer mana was gaan zoeken, hadden de hagedismensen hen aangevallen. Gamina had hun geesten geprobeerd te peilen, en was er verward van geworden, want de Panath-Tiandn, die zichzelf de Shangri noemden, manifesteerden zich in een vreemde mengelmoes van uiterst simpel en uiterst slim denken. In hun dagelijkse bestaan waren het primitieve en bijgelovige wezens, maar ze waren briljant in het manipuleren van magie. Het was ironisch, vond Puc, dat ze gevangen zaten op een planeet - die ze Timiri noemden - waar magie moest worden geoogst als een gewas.

Puc had hen tot magische ambachtslieden verklaard, die waarschijnlijk verantwoordelijk waren geweest voor het maken van apparaten voor Alma-Lodaka. Gezien zijn ervaringen met de Pantathiërs, die duidelijk verwant aan de Panath-Tiandn waren, veronderstelde Puc dat de oude Valheru opzettelijk hun intelligentie had beperkt, om die gericht te houden waar die haar van pas kwam.

Hoe ze het uithielden op deze verdorde wereld werd Gorath en de mensen al gauw duidelijk. Twee dagen nadat ze Gamina hadden gevonden, was hun voedselvoorraad opgeraakt. Sindsdien was er een week verstreken, waarin ze genoeg kristallen magie probeerden te verzamelen voor Pucs plan. Gorath wist niet precies wat ze met die stukken 'versteende magie' aan moesten, maar dat probleem liet hij graag over aan de menselijke magiegebruikers. Zelf had hij ervoor gekozen zijn aandacht te richten op het vinden van voedsel. En als zo veel oorden die op het eerste gezicht onvruchtbaar overkwamen, wemelde het op deze wereld van het leven, als je maar wist waar je moest zoeken.

Na hun ontdekking van de scheuringsmachine hadden ze het hele eiland verkend, behalve de bergtoppen boven de tempel. Het eiland bleek zo groot dat het Gorath drie dagen had gekost om van de meest noordelijke punt, waar de zeven zuilen van de goden stonden, naar de meest zuidelijke punt te komen. Hij liep ruwweg de helft van die tijd van oost naar west, al kon die reis niet in een rechte lijn worden afgelegd, vanwege de steile bergen in het midden van het eiland. Ze dachten dat er in het westen ook nog land was. In ieder geval achtte Puc dat zeer waarschijnlijk, nadat hij op een avond naar de zonsondergang had gekeken. Hij had het gehad over de werking van licht boven het water en de dichtheid van wolken, en andere factoren die alleen op abstract niveau interessant waren, naar Goraths mening tenminste.

Tenzij ze naar dat land moesten om naar meer massieve magie te zoeken.

Gamina had al een vuurtje gestookt toen Gorath de grot in kwam en zijn buit neerlegde. 'Gaan we vanavond proberen of dat plan van je vader werkt?'

'Dat weet ik niet,' antwoordde ze.

Naar haar kijkend moest Gorath toegeven dat ze ook naar de maatstaven van zijn eigen volk een bewonderenswaardig kind was. Hij wist niet veel van mensenkinderen, maar wel dat dit meisje angstwekkende ervaringen achter de rug had, en niettemin was ze kalm, geconcentreerd en redelijk opgewekt, gezien de omstandigheden.

Ook was ze best mooi voor een mens, voor zover Gorath dat soort dingen kon bepalen. In ieder geval scheen ze bij Owyn in de belangstelling te staan, al kon Gorath zien dat hij er terughoudend mee was, hetzij vanwege haar vaders aanwezigheid, hetzij vanwege haar jonge leeftijd. Wellicht droomde Owyn over toekomstige jaren. En weer was Gorath onzeker over deze mensengewoonten.

Owyn en Puc verschenen met een grote bundel, gemaakt van een van de doeken die voor de ingang van de hutten hingen. Puc had opgemerkt dat de bevolking in dit gebied aan het uitsterven was, als er zo veel hutten voor zo weinig bewoners waren. Hij had zich afgevraagd hoe de rest van de planeet eruitzag, maar had zijn kunsten niet aan willen wenden om op verkenning uit te gaan, uit vrees dat ze anders niet genoeg van deze massieve magie konden verzamelen.

'Ik denk dat het zo wel genoeg is,' zei Puc toen ze de bundel neerzetten.

'Mooi,' zei Gorath. 'Ik ben het beu die beestjes als onze enige kost te hebben. Ik zou nu zelfs blij zijn met die muffe broodkoeken die we in de bergen aten, Owyn, voor de afwisseling die het zou brengen.'

'Ja, ik ook,' gaf de jonge magiër toe.

'Wat doen we als het niet lukt?' vroeg Gorath.

'Dan verkennen we de rest van dit eiland,' antwoordde Puc, 'en als er daar geen weg naar toe te vinden is, doen we wat we moeten doen om een boot te bouwen en naar het westen af te zakken, naar de volgende landmassa.'

Owyn kneep zijn ogen dicht en bracht zijn duim en wijsvinger naar de brug van zijn neus.

'Die hoofdpijn weer?' vroeg Gamma.

'Ja, maar het gaat alweer.' Sinds hij de Beker van Rlyn Skrr met Puc had gebruikt, leed Owyn met tussenpozen zware hoofdpijn. 'En het is al minder dan de vorige keren.'

'Als we terugkomen op Midkemia zu1 je denk ik tot de ontdekking komen dat je over onvermoede krachten beschikt, mijn jonge vriend,' zei Puc.

Met een zucht zei Owyn: 'Als we terugkomen.'

Puc keek hem aan en in zijn ogen stond geen enkele twijfel te lezen. 'Reken maar van wel.'

'Goed,' zei Owyn. 'Wat hebben we nog meer nodig?'

'Alleen de kennis,' antwoordde Puc. 'Hebben we alle zalen in dit grottenstelsel verkend?' vroeg hij aan Gorath.

'Ja, dat heb ik al gezegd.'

'Dan gaan we morgen proberen om terug te komen.'

'Waarom niet nu?' vroeg Gorath.

'Owyn en ik moeten zo veel mogelijk uitgerust zijn wanneer we dit proberen. Ik mag dan veel weten over scheuringen en de manier waarop ze werken, maar die machine is van een vreemdsoortig ontwerp en werkt misschien heel anders dan de Tsuranese machines waarmee ik vertrouwd ben. Daarom zou ik niet graag een vergissing begaan omdat ik moe was. Dus morgenvroeg, nadat we hebben geslapen, gaan we een poging wagen.'

Gorath knikte.

Owyn leunde achterover, moe van de lange wandeling en het dragen van de mana. 'Gorath, mag ik je iets vragen?'

'Ga je gang, Owyn.'

'Toen jij een buiging maakte voor de koningin, was dat een soort ritueel, neem ik aan, maar begrijpen doe ik het niet.'

Gorath ging op zijn hielen zitten en dacht na. 'Toen ik mijn eerste blik wierp op Elvandar,' zei hij uiteindelijk, 'noemde ik het Barmalindar. Dat is de naam van de legendarische wereld van gouden volmaaktheid waar volgens alle elfenrassen hun voorouders vandaan kwamen.'

'Fascinerend,' zei Puc. 'Ik heb gesproken met prins Caelin en Tomas, en met andere elfen, maar dit is de eerste keer dat ik van zo'n legende hoor. Ik ging er altijd van uit dat jullie oorspronkelijk van Midkemia waren.'

'Dat is ook zo, evenals de draken van de Valheru, maar ons ras kent een spirituele bron buiten Midkemia. Wanneer wij sterven, gaan we naar een Gezegend Eiland, waar we ons voegen bij de Vaders en Moeders die eerder zijn gegaan. Maar we zijn allemaal afkomstig van Barmalindar.' Gorath keek Owyn aan. 'Van tijd tot tijd hoort iemand van mijn volk een roep, zo dwingend dat hij afreist naar Elvandar. Als ze kunnen, jagen de mannen van mijn volk hem op als een verrader, om hem te doden voordat hij Elvandar bereikt.' Hij sloot zijn ogen, en er klonk spijt in zijn stem. 'Jaren geleden heb ik dat ook gedaan. Maar sommigen halen het, en de eledhel spreken dan van een Terugkeer. Ze krijgen een nieuwe naam, en het is alsof ze hun hele leven eledhel zijn geweest.'

'Maar wat ik dan niet begrijp,' zei Owyn, 'is waarom de koningin zei dat je nog niet helemaal was teruggekeerd. Wat bedoelde ze daarmee?'

'Ik heb nog steeds een binding met mijn verleden, een verplichting die me belet me definitief bij mijn verwanten in Elvandar te voegen.'

'Wat voor een verplichting dan?' vroeg Owyn. 'Ik dacht dat je kinderen dood waren en je vrouw je had verlaten.'

Gorath keek Owyn strak aan. 'Ik moet Delekhan doden.'

Even was het stil. 'O,' zei Owyn toen, en leunde weer met zijn rug tegen de grotwand.

Ze zeiden niets meer, terwijl Gamina de maaltijd verzorgde, en Puc zich voorbereidde op zijn poging om de volgende dag de scheuringsmachine weer tot leven te brengen.

 

Robert had al vaker een marteling bijgewoond, maar hij genoot er niet van. Niettemin wilde Arutha koste wat het kost achter Delekhans plannen komen. De gevangene was een hoofdman of een legeraanvoerder of iets dergelijks, in ieder geval iemand in een positie om meer te weten dan de gewone trollen en gnomen waaruit zijn compagnie bestond. De zes vogelvrije mensen die gevangen waren genomen hadden duidelijk gemaakt dat deze moredhel als enige van hen kon weten wat er aan de hand was.

En naar Arutha's overtuiging was dat iets bijzonder verontrustends.

Ze hadden verkenners door de pas gestuurd en ontdekt dat er geen tweede strijdmacht achter de eerste wachtte. De troepen die in Noordwacht waren verslagen, bleken Delekhans gehele leger in dit gebied. Duizenden krijgers, gnomen, trollen, en de magiërs die bekend stonden als de Zes, bevonden zich elders.

De moredhel kreunde toen de touwen strak werden getrokken. Zijn voeten waren vastgemaakt aan twee ijzeren ringen in de vloer. Rond zijn polsen waren twee touwen gebonden, die vervolgens over een plafondbalk waren geslagen, bij wijze van pijnbank.

'Spreek, en je zult je kinderen volwassen zien worden, moredhel,' zei Arutha op vlakke toon. 'Mijn woord erop. Zodra je me verteld hebt wat ik wil weten, laat ik je vrij. Waar is Delekhan?'

De moredhel keek op, en in plaats van angst of zelfs haat, zag Robert geamuseerdheid in zijn blik. 'Wat maakt het uit, Prins van het Westen? Als ik het je vertel, kan je toch niet voorkomen dat mijn meester zijn doel bereikt. Maak die touwen los, en ik zal je precies vertellen waar Delekhan is.'

Arutha knikte en de touwen werden gevierd, zodat de moredhel op de stenen vloer viel. Met een woeste blik keek de moredhel op. 'Delekhan zit in Sar-Sargoth, waar hij zijn leger verzamelt,' spuwde hij.

'Leugenachtige hond!' snauwde een kapitein van de Koninklijke Wacht, zijn vuist heffend.

Arutha hield hem echter tegen. 'Waarom zit jouw meester met zijn gat op de troon van oude machtshebbers terwijl jij en je metgezellen je bloed hier in Noordwacht verspillen?'

'Omdat jij nu hier bent, prins,' antwoordde de moredhel.

'Maar ik heb een leger in Hoogstein, en ook een bij de Neigerpas.'

'Dat maakt niet uit, Arutha. Slechts één klein garnizoen heb je nog in het Schemerwoud, en over enkele dagen zal mijn meester dat onder de voet lopen, en is de buit aan ons.'

Arutha kneep zijn ogen tot spleetjes. 'Dagen?' Hij stond op. 'Goden! Ze gaan een scheuring gebruiken!'

'Hoe kan dat nou?' riep Robert uit.

'Breng hem naar de poort en laat hem los,' zei Arutha tegen de kapitein. 'Ik hou me aan mijn woord, maar geef hem geen wapens en niets te eten of te drinken. Laat hem zijn dode kameraden maar plunderen als hij in leven wil blijven.'

Ruw trokken de soldaten de gewonde moredhel overeind en sleurden hem mee door de deur.

'Hoogheid, hoe komen ze aan een scheuring?' vroeg Robert.

'De Tsurani weten hoe ze die moeten maken, net als Puc. En we hebben het vermoeden dat de Pantathiërs daar eveneens van op de hoogte zijn. Maar wie het ook doet, als Delekhan er eentje kan laten maken, heeft die moredhel gelijk. Dan is het maar een kleine stap van Sar-Sargoth naar het Schemerwoud, en zit ik op de verkeerde plek.'

'Wat moeten we doen?' vroeg Robert. Hij was nog steeds moe, al had hij een goede nachtrust genoten, na het drinken van een kruidenthee die door Arutha's genezer voor hem was gemaakt.

'Ik zal een compagnie met jou, Joolstein en die magiërspersoon mee naar het Schemerwoud sturen,' zei Arutha. 'Spaar de paarden niet, maar rijd tot ze erbij neervallen. Ik zal pater Barner herstellende middelen laten maken, zodat jullie er zelf niet ook in blijven. Ik stuur jullie eerst naar Hoogstein. Zeg baron Boudewijn een keus uit het garnizoen te maken en op te marcheren naar Sethanon. Ga dan zo snel mogelijk naar Gardaan in het noorden van het Schemerwoud. Ik volg zodra ik dit leger klaar heb voor de terugweg. Maar jij en je twee metgezellen moeten doorrijden tot aan het Schemerwoud, ook al moet je de soldaten achterlaten. Zeg Gardaan te gaan zoeken naar die scheuringsmachine. Als die kan worden vernietigd voordat Delekhan zijn leger helemaal heeft overgebracht, kunnen we hem misschien toch nog tegenhouden.'

'Hij zou er nu al kunnen zijn,' zei Robert.

'Des te meer reden om zo vroeg mogelijk te vertrekken,' kaatste Arutha terug. 'Spring op je paard en maak dat je wegkomt. Je hebt vandaag nog een halve dag.'

Robert maakte een buiging en ging op zoek naar Joolstein en Patrus. Geen van beiden zou erg blij zijn met deze bevelen. Hij zelf was het in ieder geval niet.