10 Nachtraven

 

Het water denderde langs de bergwand.

Robert, Gorath en Owyn zaten op hun paarden aan de voet van de waterval. In de dagen tussen hun gesprek met Ugyne en het komende diner met haar vader op zesdag, wilde Robert wat op verkenning. Hij had ervoor gezorgd dat de spraakzame Peter de Grey te horen had gekregen dat ze voor zaken verderop langs de weg moesten zijn, maar zodra ze de omgeving van Cavelldorp hadden verlaten, waren ze van de weg afgeslagen om de Cavellse Loop te gaan bekijken.

De wind draaide en de nevel van het opspattende water trof Robert in het gezicht. 'Speelden jullie hier?'

'Nee, hier niet.' Owyn wees naar een plek wat hoger op de berghelling. 'Dat was daar, in een plas vlak bij de plek waar dat vluchtgat in de bergwand zit.'

'Bij mijn volk mogen kinderen niet zonder toezicht spelen,' zei Gorath en op minachtende toon voegde hij eraan toe: 'Maar aan de andere kant fokken jullie ook als veldmuizen. Als er een kind verongelukt, krijgen jullie er gewoon nog een.'

Robert wierp hem een vuile blik toe. 'Zo makkelijk ligt dat niet.'

'Wat komen we hier doen?' vroeg Gorath.

'Als jij de oude loop als uitvalsbasis wilde gebruiken, zou jij dan de baron met zijn gezin daarboven willen hebben?'

Owyns ogen werden groot. 'Denk je dat de Nachtraven de brand hebben gesticht?'

Robert haalde zijn schouders op. 'Dat weet ik niet. Maar het komt ze wel verdomd goed van pas, en door hem te teisteren, weerhouden ze de baron ervan met de herbouw van het kasteel te beginnen.' Ze reden langs de oever van de beek naar het klif.

'Ik heb samen met jou tegen deze Nachtraven gevochten en je hebt het vaker over hen gehad,' zei Gorath, 'maar hun rol in het geheel is me nog steeds niet duidelijk.'

'Zo moeilijk is het niet,' legde Robert uit. 'Het is een broederschap van moordenaars die werken voor wie hun maar betaalt. Huurlingen. In mijn jeugd ben ik er een* tegengekomen op de daken van Krondor en sindsdien heb ik nog vaak tegen hen gevochten. Een tijdlang hebben ze gewerkt voor Murmandamus, samen met zijn Zwarte Slachters.'

Gorath spuwde bijna. 'De Zwarte Slachters waren een obsceniteit! Mannen zonder eer die hun leven en ziel aan Murmandamus gaven voor de belofte van eeuwige macht en roem! Onze leerbewaarders zeggen dat degenen die dat hebben gedaan, zich nooit zullen voegen bij de Vaders en Moeders in het Leven Nadien.'

Robert stuurde zijn paard rond een heuveltje. 'Ik moet toegeven dat ik weinig over jullie of je elfse verwanten weet, Gorath, al heb ik tegen de moredhel gevochten en ben ik bij de glamredhel en de elfen geweest.'

'We hebben zo'n afkeer van elkaar dat we liever niet over elkaar praten, dat is waar, dus je zult wel niet veel goeds over ons hebben gehoord van de eledhel. De glamredhel zijn niet goed bij hun hoofd. Ze leven doelloos en zonder magie. Het Noordlandse Edderwoud was hun bolwerk, waar ze zich in leven hielden, tot ze werden opgejaagd en vernietigd.'

'Vernietigd?' Robert schudde zijn hoofd. 'Ze zijn naar Elvandar gegaan, waar ze tegenwoordig wonen.'

Met een ruk hield Gorath zijn paard in. 'Delekhan!'

'Wat?' vroeg Robert, zich omdraaiend om de zwarte elf aan te kijken.

'Die heeft iedereen laten weten dat hij Earanorn en zijn stam in de Edder had vernietigd.'

'Nee, hoor. De oude koning Roodboom woont in Elvandar, levend en wel. Volgens de laatste berichten die ik heb gehoord, waren ze druk aan het bespreken wie er nou eigenlijk de baas was.'

Gorath hield zijn hoofd schuin, alsof hij ergens naar luisterde. 'De baas? Dat snap ik niet.'

'Ik evenmin, eerlijk gezegd,' zei Robert. Ze volgden de volgende bocht in het pad en naderden de waterval. 'Hertog Martin gaat regelmatig in Elvandar op bezoek en stuurt verslagen naar Krondor. Zoals ik het begrijp, proberen Roodboom en zijn volk te besluiten of ze deel van Aglaranna's volk gaan uitmaken of een apart volk blijven, dat echter bij hen woont. Zoiets.'

'Wat vreemd is dat,' vond Gorath. 'Ik zou verwachten dat ze Aglaranna's slaven mochten worden wanneer ze om onderdak kwamen smeken.'

Robert schoot in de lach. 'Vind je dat leuk?'

'Ik heb de oude Roodboom ontmoet en hij lijkt me nou niet direct het type om te komen smeken of zich tot slaaf te laten knechten zonder eerst een stuk of honderd elfen om te leggen.'

Gorath knikte. 'Het is een buitengewoon vaardig en machtig krijger.'

Weer voelden ze de fijne opspattende druppels van de waterval en Robert vroeg: 'Owyn, waar is de ingang?'

'We moeten hier de paarden vastbinden en de rest gaan lopen.'

Dat deden ze en ze wandelden verder tot vlak naast de waterval, waar de waternevel dicht genoeg was om er binnen enkele minuten kletsnat van te worden. 'Hoeveel mensen wisten er van deze ingang?'

'Een paar, in de familie en onder het personeel. Ugyne en ik speelden er vaak. Neville ook. We wisten dat we slaag zouden krijgen als we ooit werden betrapt, en ik denk niet dat de baron ooit heeft gemerkt dat we de hele weg van het kasteel naar het vluchtgat kenden.' Hij wees naar een rots, een paar voet boven zijn hoofd. 'Dat is de reden waarom niemand in het dorp ooit de weg het kasteel in heeft gevonden. Geef eens een voetje.'

Robert vouwde zijn handen tot een voetsteun voor Owyn, en de jonge magiër hees zich op de richel. 'Geef me mijn staf eens aan.' Toen hij hem had, zei hij: 'Even opzij gaan staan.'

Ze deden een paar stappen achteruit en met zijn staf bracht Owyn een rots blok in beweging. Een rommelend geluid deed Robert nog verder wijken. Een groot stuk rots schoof opzij. Owyn sprong omlaag, landde met een zucht op de grond en stond op. 'Van binnen naar buiten is niet moeilijk. Binnen zit een hefboom. Van buiten naar binnen is onmogelijk als je niet weet wat je moet doen.'

Robert deed een enkele stap naar binnen. 'Er is iemand geweest die dat wist. Kijk.'

De hele tunnel lag vol stof, maar in het midden liep een spoor van duidelijke voetafdrukken. Kort geleden nog was deze vloer door vele voeten betreden.

'Als we door de tunnel lopen, laten we al snel het geluid van de waterval achter ons,' zei Gorath. 'Zachtjes lopen, dus.'

Robert keek hem aan. 'We hebben een fakkel nodig.'

'Nee, hoor,' zei Owyn. 'Ik maak wel wat licht voor ons.' Hij deed zijn ogen dicht en stak zijn hand uit. Er verscheen een bol van licht omheen, het schijnsel minder helder als dat van een fakkel, maar genoeg om te kunnen zien.

'Dat is handig,' zei Robert.

Owyn haalde zijn schouders op. 'Tot voor kort wist ik niet of ik er ooit iets meer aan zou hebben dan om midden in de nacht mee naar de plee te gaan.'

Robert grijnsde. 'Kom op.' Hij trok zijn zwaard, evenals Gorath, en zonder een woord liepen ze de tunnel in.

 

Meer dan het zachte treden van laarsleer op steen had Gorath als waarschuwing niet nodig. Hij hield zijn hand omhoog en luisterde. Zijn bovenmenselijke gehoororgaan ving op dat er iemand naderde. Hij keek om en stak twee vingers op.

Robert knikte, beduidde Owyn met zijn lichtschijnsel terug de tunnel in te gaan en bleef met Gorath in het donker staan wachten op degenen die hun kant uit kwamen. Een ogenblik later werd er verderop in de gang licht zichtbaar, dat snel dichterbij kwam. Er galmden stemmen langs het gesteente.

'Het zint me niks,' zei iemand.

'Dat hoeft ook niet. Als je maar doet wat je gezegd wordt,' zei een tweede stem.

'Vroeger waren we met veel meer, als je het nog weet.'

'Dat weet ik nog, maar met hoe minder we zijn, des te meer goud we-'

De twee mannen sloegen de hoek om en werden door Gorath en Robert besprongen. Zo verrast waren ze, dat Robert en Gorath hen al hadden gevloerd voordat ze wisten wat er aan de hand was.

Maar gevloerd betekende nog niet verslagen, en de twee moordenaars vochten als beesten in het nauw, zodat Owyn zich gedwongen zag terug te rennen en er eentje uit te schakelen met een verbrijzelende klap op het hoofd.

De andere stierf op zijn eigen mes, toen Robert zich boven op de man liet vallen. Langzaam kwam Robert overeind. 'Verdomme. Ik had een gevangene willen hebben.'

'We bevinden ons in hun nest,' zei Gorath. 'Het zou verstandig zijn meteen weg te gaan, nu we weten waar ze zijn, en terug te komen met soldaten.'

'Verstandig misschien wel, maar de ervaring met deze vogels heeft me geleerd dat ze tegen die tijd al zijn gevlogen. Ze zijn nooit met velen en in korte tijd hebben ze al een flink aantal verloren, dus ik betwijfel dat er tussen hier en de Tanden van de Wereld nog meer dan een handvol over zijn.' Met zijn vinger wees hij in de richting waaruit het tweetal was gekomen. 'Maar als we hun leider ontmaskeren of zelfs gevangennemen, zijn we wellicht eindelijk van dit stel verlost. Tien jaar geleden dacht ik al dat ze dood en begraven waren, maar kennelijk heb ik me vergist. Er moeten er toch een paar zijn ontsnapt om opnieuw met deze moordzuchtige broederschap te beginnen. Alleen fanatici jagen zichzelf zo de dood in. Ik moet erachter komen of dit slechts gehuurde zwaarden voor de hoogste bieder waren of dat het vrijwillige bondgenoten van jouw Delekhan zijn.'

'Wat maakt dat uit voor de Koninkrijkse kelen die worden afgesneden?' vroeg Gorath.

'Mannen die voor goud werken zijn tot daaraan toe. Mannen die zich aan duistere zaken wijden, zijn heel iets anders. Als deze mannen voor goud werken, kunnen we op ons gemak met hen afrekenen, want dan weten ze alleen waar ze hun goud kunnen ophalen en wie ze ervoor dienen te vermoorden. Maar als ze bij deze snode plannen zijn betrokken, liggen de antwoorden mogelijk daar.' Hij wees de gang door.

Gorath en Owyn keken elkaar aan. 'Ach ik zou me toch maar dood vervelen als ik buiten op jullie ging zitten wachten,' zei Owyn. Hij hield zijn opgloeiende ring omhoog. 'En trouwens, ik heb het licht.'

Gorath gaf een grom die eventueel voor gegrinnik door kon gaan.

Bijna een half uur lang liepen ze verder door de tunnel, tot Owyn zei: 'Als ik het me goed herinner, ligt er verderop een opslagruimte.'

Ze vonden een grote houten deur, nog steeds intact en goed geolied, en daarachter lag een soort slaapzaal, met twintig bedden in een rij, tien aan weerszijden. De achterwand werd in beslag genomen door een wapenrek. De meeste bedden waren onbeslapen, maar vier waren kort geleden nog gebruikt. Owyn wees ernaar en fluisterde: 'Die twee van daarnet hebben mogelijk nog vriendjes in de buurt.'

'Als ze niet al zijn vertrokken,' zei Robert.

Ze liepen naar het rek en zagen dat de wapens goed waren onderhouden. Op ordentelijke wijze hing er een verscheidenheid aan vervaarlijk ogende zwaarden, evenals wat dolken, werpmessen en wurgkoorden. Boven het rek hing een plank vol potten. 'Verschillende soorten vergif, durf ik te wedden,' zei Robert. Hij keek Owyn aan. 'Hoeveel verder gaan die tunnels nog?'

'Mijlen, als je alle niveaus meetelt. Dit is de laagste galerij en er zitten er nog drie tussen deze en de kelder van de oude veste. Al denk ik niet dat we daar kunnen komen, vanwege de ingestorte wijnkelder.' Hij wees naar een deur aan de andere kant van de kamer. 'Wel is er nog een ruimte net als deze, met een trap naar boven.'

Robert ging naar de deur en luisterde. Toen hij niets hoorde, maakte hij hem open en trof nog een slaapzaal met twintig keurig opgemaakte bedden. 'Hier is al een tijdje niemand geweest,' zag hij.

'Niet helemaal waar,' zei Gorath, wijzend. 'Eén paar voetafdrukken. Die kant op.' Zijn vinger ging naar de andere kant van de kamer.

Daar liep een stenen trap omhoog, naar een gat in het plafond. Naast de trap stond een enkel bed, onopgemaakt, apart van de andere. Daarnaast stond een enorme garderobekast, volkomen uit de toon vallend. Hij was van gelakt hout met verguldsel, en toen Robert hem opentrok, bleken er dure kleren en laarzen van zacht leer in te hangen.

'Ik wed dat de leider van dit stelletje halzensnijders de ijdeltuit is die dit bed gebruikt.' Hij keek rond. 'Kijk of er iets is waaraan deze modegek kan worden herkend. Ik ga hierboven op onderzoek uit.'

Robert ging de trap op en merkte dat de weg was versperd door een grote houten deur, bevestigd in de stenen met zware scharnieren en een grendel met een slot. Sloten hadden zelden een obstakel voor de voormalige dief gevormd, maar deze was van ingenieus ontwerp en Robert had niet altijd meer zijn slothaken bij zich. 'Owyn, wat zit er hierboven?'

Owyn zweeg even, gravend in zijn geheugen. 'Nog een opslagruimte, kleiner, maar verder gelijk aan deze, en dan een lange tunnel terug de berg in.'

Robert kwam de trap af. 'Ofwel onze prooi houdt zich daar ergens verborgen voor zijn eigen mannen, of hij is bang dat er per ongeluk iemand van bovenaf op zijn rovershol stuit.'

'Dat tweede betwijfel ik,' zei Owyn, 'want dan moet je eerst het kasteel in, en vervolgens weten hoe je de deur van het wapenarsenaal naar de eerste tunnel moet openen, en trouwens, de meeste tunnels op dat niveau zijn ingestort tijdens het ongeluk in de wijnkelder.'

'Dan heeft hij daar iets weggeborgen.'

'Goud misschien,' opperde Gorath. 'Moordenaars moeten ook worden betaald.'

'Dat is zo,' gaf Robert toe. 'Iets gevonden?'

'Alleen dit,' antwoordde Owyn. Hij hield een boek omhoog. Robert pakte het aan en bekeek de titelpagina. 'Het Dagboek van de Abt,' las hij hardop en sloeg een paar bladzijden om. 'Het is een verzameling verhalen over de familie van je oom, zo te zien.' Hij gaf het terug aan Owyn. 'Hoe is dat hier terechtgekomen?'

'Ik heb geen idee,' zei Owyn. 'Misschien is het kwijtgeraakt toen mijn oom na de brand uit het kasteel trok, en heeft iemand het tussen het puin gevonden.'

'Neem maar mee,' zei Robert. 'Ik denk dat ik vanavond in bed maar eens wat ga lezen.' Hij ging hen voor langs de weg die ze gekomen waren.

 

Robert verschoof de bedden en Gorath vroeg: 'Is dit een gewoonte van mensen die ik nog niet kende?'

Robert grijnsde. 'De andere Nachtraven die beslist nog in de buurt zijn, zullen het merkwaardig vinden dat er zomaar twee van hun kameraden zijn verdwenen, en naar mijn idee gaan Nachtraven nooit zomaar weg zonder permissie. Dus het is niet onwaarschijnlijk dat degene die hen mist, komt kijken of wij drieën daar misschien iets mee te maken hebben.'

Nadat hij de bedden tegen de deur had gezet, zei hij: 'Meestal komen er een of meer door het raam terwijl de rest via de deur komt. En ze komen snel, door de buitendeur en de trap op voordat Peter de Grey zijn bed uit kan komen om te kijken waar dat kabaal allemaal goed voor is. Tegen de tijd dat Peter via de keuken de trap op is, treft hij hier drie lijken en een open raam aan, als alles volgens plan verloopt.'

'Als ze komen,' merkte Owyn op.

Grijzend keek Robert hem aan. 'O, komen doen ze zeker. Wij zijn de enige vreemdelingen in de buurt die vragen komen stellen en bij de baron op bezoek gaan. Ik weet alleen niet of ze vannacht al komen, of pas morgennacht.' Hij draaide de lamp op een laag pitje, zodat hij toch nog kon lezen, ging naast de lamp op de vloer zitten en pakte het boek dat Owyn uit de Cavellse Loop had meegenomen.

Ook Owyn haalde een boek te voorschijn. 'Dan kan ik mijn tijd ook maar beter benutten, aangezien ik dit toch al veel te lang heb verwaarloosd.'

'Wat is dat dan?' vroeg Gorath.

'Mijn magieboek.'

'Heb jij een boek geschreven?' vroeg de zwarte elf.

'Nee, maar iedere leerling houdt een boek bij met zijn gedachten, ontdekkingen en bevindingen over dingen die hij heeft gezien of geleerd.' Hij pakte een schrijfveer en een piepklein flesje inkt. 'Toen Naga me bijna raakte met die bezwering, kreeg ik een bepaald gevoel en... wel, het is moeilijk uit te leggen, maar ik ben aan het uitvogelen hoe hij het deed. Met wat studie kan ik het zelf volgens mij ook.'

Robert keek op. 'Wat doet het?'

'Als ik me niet vergis, raakt de getroffene verlamd, maar misschien ook meer.'

'Meer?' vroeg Robert, nu zeer geïnteresseerd.

'Ik denk dat het slachtoffer er uiteindelijk aan bezwijkt.'

'Wat maakt dat uit, als het je verlamt?' vroeg Gorath. 'Dan trek je gewoon je dolk en snijd zijn keel af.'

'Ik denk het,' zei Owyn. 'Op Sterrewerf dolven de leraren niet al te diep in gewelddadige toepassingen.'

Robert geeuwde. 'Niet onverstandig. Het zou geen pas geven wanneer het op dat eiland barst van de snotapen die met vuurballen en bliksemschichten naar elkaar lopen te gooien. Dat zou me het kroeggevecht wel worden.'

Owyn lachte. 'Misschien heb je gelijk. Maar ik ben tweeëntwintig zomers en sommige leerlingen waren tweemaal zo oud. Volgens mij duurt het best lang om de magie meester te worden.'

'Als je de magie ooit meester wordt,' merkte Robert op.

'Ik heb gehoord dat Puc een waar meester is,' zei Owyn.

'Ik heb hem inderdaad knap indrukwekkende dingen zien doen,' gaf Robert toe, nogmaals geeuwend. 'Neem me niet kwalijk, maar dat wachten werkt me op de zenuwen.'

'Ga dan slapen,' zei Gorath. 'Ik hou de wacht wel.'

'Ken je Puc goed?' vroeg Owyn.

'Ik heb hem een paar keer ontmoet,' antwoordde Robert. 'Hoezo?

'Heb je hem op Sterrewerf dan niet gesproken?'

'Nee. Soms zag ik hem wel eens, met zijn gezin, maar de meeste tijd brengt hij door in zijn toren of ver weg van Sterrewerf. De lessen worden meestal door anderen verzorgd. Ik ken hem alleen van die keer in Krondor, toen hij zijn dochter had meegebracht om in Goraths geest te kijken.'

'Ik heb het meisje nooit ontmoet, al heb ik gehoord dat het een lief kind is,' zei Robert, bladerend door het boek. 'Haar broer Wil is een goeie jongen. Hij wordt opgeleid tot officier in Arutha's wacht.'

'Hmmm,' zei Owyn en toen Robert opkeek, zag hij dat de jonge magiër verdiept was in zijn aantekeningen.

In bijna een half uur nam Robert het boek op zijn schoot door. 'Dit is de meest onwaarschijnlijke verzameling verslagen en... regelrechte verzinsels die ik ooit heb gezien.'

Owyn keek op. 'Hoe bedoel je?'

'Er staat een lijst van geboorte- en sterfdata, alsof iemand op een dag bij deze abt Cafrel is gaan zitten om hem in één ruk de hele familiegeschiedenis uit de doeken te doen, en dan ineens hebben we het over verloren schatten, zwaarden met ongelofelijke magische krachten en allerlei vloeken.'

'Klinkt interessant,' zei Gorath, in een poging beleefd te doen.

Robert begon te lachen. 'Ja, hè?' Hij legde het boek opzij. 'Hou jij de wacht, dan ga ik slapen. Maar me over twee uur maar wakker.'

Robert rolde zich behaaglijk op, Owyn studeerde en Gorath hield het raam in het oog, zijn hand rustend op zijn zwaard.

 

Ze kwamen de volgende nacht. Robert las verder in de geschiedenis van de familie Cavell, en Owyn zat te mediteren op het bed, zijn ogen gesloten, zich richtend op de bezwering die Nago op hem had gebruikt. Gorath lag te slapen op de vloer en zou de late wacht nemen.

Het ene moment was Robert nog aan het lezen en het volgende sprong hij op, zijn zwaard uit de schede trekkend. Owyn vloog naar voren toen er plotseling hard tegen de deur werd geduwd en tegelijkertijd spatten de vensterluiken aan stukken de kamer in. Een van de moordenaars had een touw aan de dakbalk geknoopt, waaraan hij naar beneden zwaaide, zodat hij met de voeten vooruit door de houten luiken naar binnen vloog. Hij raakte Robert volop de borst en de jonker vloog achteruit tegen Gorath aan. Owyn kwam op zijn knieën overeind en deinsde terug voor een zwaardslag, terwijl achter hem iemand de deur open probeerde te duwen.

Owyn was al halverwege de opbouw van de bezwering geweest en ineens leken er letters van vuur voor zijn geestesoog te branden. Hij bracht zijn hand omhoog en wees naar de moordenaar, die opnieuw zijn zwaard hief. Van zijn hand sprong een venijnige purper-grijze bol, die de moordenaar in het gezicht trof. De man verstijfde, alsof hij plotseling veranderde in paars-grijs gesteente, terwijl er blauwe energievonken over zijn hele lichaam schoten. Van zijn lippen rolde een zwak gekreun van pijn.

Robert was alweer overeind gesprongen, rende naar het raam en stak zijn zwaard naar buiten op het moment dat er een tweede moordenaar naar binnen kwam zwaaien. De tweede Nachtraaf spietste zich op de kling en viel naar beneden, waar hij met een misselijkmakende klap op de stenen van het stalerf sloeg.

Gorath kwam overeind en wierp zich met zijn volle gewicht tegen de deur. 'Houden we hem dicht?' riep hij.

'Als ik het zeg, spring je achteruit en trek je het achterste bed met je mee,' zei Robert.

Owyn stond nog steeds met grote ogen van verbazing naar de betoverde moordenaar te kijken. 'Het is gelukt!' fluisterde hij.

Robert sloeg de versteende man zo hard hij kon met de platte kant van zijn zwaard op het achterhoofd, en terwijl de energievonken verdwenen, zeeg de man neer op de vloer. 'Kan je dat nog een keer?'

'Dat weet ik niet.'

'Ga dan uit de weg! Gorath, nu!'

Gorath deed wat hem was gezegd, en Owyn greep het bed vast en trok mee. De andere twee bedden begonnen weg te glijden.

'Als ik de Nachtraven ken,' zei Robert, 'dan moet je nu... bukken!' Beide mannen volgden zijn raad op en Robert liet zich op de vloer vallen. De deur vloog open en er schoten twee kruisboogschichten door de kamer, via het raam naar buiten. Meteen sprong Robert op het bed dat Gorath en Owyn zojuist hadden versleept. In één beweging wipte hij er weer van af en stortte zich op de twee mannen die het dichtst bij de deur stonden. Door de klap vlogen ze dwars door de balustrade van de overloop naar de benedenverdieping. Robert gleed mee over de rand van de overloop en wist ternauwernood een val te voorkomen door zich aan het kapotte uiteinde van een steunpaal vast te grijpen. Zijn zwaard viel kletterend beneden op de vloer, waar een verbaasde en geschokte Peter de Grey verscheen vanuit een kamer achter de tapkast. 'Wat is hier aan de hand?'

Vanuit zijn benarde positie keek Robert omhoog en zag een Nachtraaf staan, het zwaard geheven. De ogen van de moordenaar werden rond en groot toen Gorath hem doorstak met zijn zwaard. De laatste Nachtraaf tuimelde over Robert heen naar de begane grond en kwam terecht aan Peters voeten.

'O, wat erg!' zei de herbergier. 'Wat erg!'

Nog steeds hangend aan zijn ene arm vroeg Robert: 'Als het niet te veel moeite is...'

Goraths krachtige hand sloot zich rond zijn pols en de onzalige elf trok hem terug de overloop op.

'Bedankt,' zei Robert en rende de trap af, over zijn zere schouder wrijvend. 'Ik word te oud voor dat soort dingen.'

'Wat gebeurt er?' vroeg Peter.

Robert knielde naast de laatste moordenaar neer en begon het lijk te fouilleren. 'Deze lui wilden ons vermoorden,' antwoordde hij kalm. 'Dat vonden wij niet goed.'

'Nee maar,' zei de herbergier. 'Nee maar. Ik...' Even later zei hij nog een keer: 'Nee maar.'

'Ga iemand halen om de rommel op te ruimen, Peter,' raadde Robert hem aan. 'Anders hebben je klanten morgen geen trek meer.'

De herbergier vertrok op een holletje om te doen wat hem was gezegd. Dergelijke instructies begreep hij goed. 'Ga jij maar naar je oom,' zei Robert toen tegen Owyn, 'en zeg hem dat we zojuist de meeste Nachtraven hebben uitgeschakeld die hem lastig vielen.'

'Ik denk dat hij het niet eens zo erg vindt om daar midden in de nacht voor wakker gemaakt te worden,' meende Owyn.

Nadat hij weg was, zei Gorath: 'Het viel me op dat je "de meeste Nachtraven" zei.'

Zonder iets bruikbaars op de lijken te hebben gevonden, stond Robert op. 'We hebben nog één Nachtraaf te gaan, denk ik. In ieder geval één belangrijke.'

'De leider?'

'Ja.'

'En hoe dacht je hem te vinden?'

'Dat hoef ik niet,' antwoordde Robert met een tevreden glimlach. 'Hij vindt ons wel. En ik denk dat dat komend weekeinde gebeurt, wanneer er een bepaalde schaakspeler Owyns nichtje het hof komt maken.'

Daar dacht Gorath even over na. Toen knikte hij. 'Dat is een logische verdachte, maar hoe ga je dat bewijzen? Hem in het openbaar beschuldigen?'

'Bij jouw volk zal het vast van enig gewicht zijn wanneer iemand zo op zijn eer wordt aangesproken, neem ik aan, maar dit betreft een man die geen eer kent. Dit is iemand die zich ophoudt in de schaduwen en toeslaat vanachter een boom. Hij zou zo'n beschuldiging alleen maar ontkennen.'

'Hoe wou je hem dan tot een bekentenis dwingen? Door hem te martelen?'

Robert schoot in de lach. 'Martelen heb ik altijd een twijfelachtig middel gevonden. Een fanatiekeling sterft probleemloos met een leugen op de lippen en een onschuldig man is bereid zichzelf te veroordelen om een einde aan de pijn te maken.'

'Ik heb anders gemerkt dat een vakkundig uitgevoerde marteling zeer interessante resultaten kan opleveren.'

'Ongetwijfeld,' zei Robert met een zowel geamuseerde als enigszins geschrokken blik.

Op dat moment kwam Peter de Grey terug met zijn stalknecht en twee arbeiders, die allen op slag klaarwakker werden toen ze de lijken zagen. 'Naar achteren brengen en verbranden,' gelastte de herbergier. Terwijl ze hem gehoorzaamden, keek hij omhoog naar de kapotte balustrade van de overloop. 'Wie gaat dat betalen?'

Robert viste een gouden munt uit zijn beurs. 'Ik. Als ik de man vind die hier achter zit, krijg ik mijn goud van hem terug. Daar hoef jij verder niet onder te lijden.'

'Bedankt,' zei Peter, zichtbaar opgelucht.

Owyn keerde terug, met in zijn kielzog zijn oom, gekleed in zijn nachthemd met een wijde mantel rond zijn schouders. Hij liep nog op blote voeten. 'Hebben jullie de Nachtraven gedood?' vroeg hij. 'Ik ben er zeker van dat we de meesten in deze buurt hebben uitgeroeid,' antwoordde Robert.

Baron Corvallis raakte bijna buiten zichzelf van blijdschap. Plots betrok echter zijn gezicht. 'De meesten?'

'Tegen zesdag moet er nog een zaakje worden afgerond, en dan denk ik dat u niets meer van het moordenaarsgilde te duchten hebt, mijnheer.'

'Owyn, met een betere reden had je me niet wakker kunnen maken,' zei Corvallis. Hij keek Robert aan. 'Ik moet een brief opstellen aan Arutha, met daarin voor u een eervolle vermelding van uw goede werk van vandaag.'

'Dank u, heer,' zei Robert, 'maar ik stuur zelf al een rapport naar de prins.'

'Geen valse bescheidenheid, jongen.' Hij legde een vaderlijke hand op Roberts schouder. 'Neem gerust de lof aan die je toekomt. Je hoeft niet je hele leven jonker te blijven. Wie weet, met een vriend aan het hof en met een aanbeveling als de mijne, wel, op een dag schop je het dan misschien wel tot de rang van jonkheer of misschien zelfs tot baron!'

Robert grijnsde. 'Je weet maar nooit.'

'Nou dan,' zei de baron en draaide zich om naar de deur. 'Voorzie deze heren in al hun wensen,' zei hij tegen Peter en wendde zich tot Owyn. 'Ik kan je niet vertellen hoe blij ik ben. Jullie zijn van harte welkom op zesdag.' Met die woorden haastte hij zich weer naar buiten.

'En nu?' vroeg Owyn.

Robert keek naar de ravage. 'Laten we maar weer gaan slapen.' Hij raapte zijn zwaard op van de vloer, veegde het af aan de tuniek van de laatste dode Nachtraaf en zag Peter de Grey terug naar de gelagkamer komen. 'Meester Grey, er ligt ook nog een dooie in onze kamer. Haal die ook weg, alsjeblieft.'

'O, nee maar!' zei de herbergier.

 

'Hij komt eraan,' zei Owyn, de kamer binnenstormend. Gorath en Robert lagen op hun bedden om nog wat te rusten na de drukte van de afgelopen nacht.

'Weet je zeker dat hij het is?' vroeg Robert.

'Een fatje in de mooiste kleren, en Ugyne zit achter op zijn paard met haar hoofd op zijn schouder, om haar vader te pesten.'

'Dat is 'm,' wist Robert. 'We gaan ervoor zorgen dat hij ons al halfdronken aantreft.'

Ze renden de trap af naar een lege gelagkamer, waar alles al volgens Roberts verzoek in orde was gebracht. Er stond een schaakbord, met de stukken in de positie die Robert van tevoren had opgesteld. Vlakbij stonden verscheidene lege drinkkannen en hij gaf Peter het teken drie halflege te komen brengen.

Owyn nam tegenover Robert plaats. 'Ik hoop maar dat je niet van mij verwacht dat ik commentaar lever op dit spel, want ik heb geen idee wat dit hier voorstelt.'

'Mooi zo,' zei Robert, 'want het is jouw taak om te kijken alsof je de kluts kwijt bent.'

Owyn fronste zijn wenkbrauwen. 'Nou, daar zal ik niet veel moeite mee hebben.'

Korte tijd later ging de deur open en Ugyne kwam binnen, bijna huppelend, met aan haar hand iemand die alleen maar Navon du Sandau kon zijn. Hij voldeed geheel aan Roberts verwachtingen: lang, in het zwart, met een witte sjaal om zijn hals, een keurig geknipt puntbaardje, een gouden oorring met een grote diamant en verscheidene gouden kettingen op zijn borst. Hij liep nonchalant, met zijn linkerhand op zijn zwaardknop. Robert zag dat het gevest van zijn zwaard niet alleen rijkelijk versierd, maar ook flink versleten was, dus de kling was vrijwel zeker vlijmscherp en goed geolied. Het was een rapier, en de enige bekende van Robert die het rapier boven alle andere wapens verkoos, was de Prins van Krondor. In de handen van een meester was het lichte en beweeglijke rapier een dodelijk wapen, maar deze keuze kon een beginneling gemakkelijk fataal worden. Robert twijfelde er niet aan dat Navon een meester was.

'Owyn, ik wil je even aan iemand voorstellen.'

Owyn keek op naar zijn nicht, die kwam aangelopen. 'Mooi,' zei hij, 'dan kan je me meteen deze vernedering besparen.'

Ugyne stelde Owyn, Robert en Gorath voor en zei: 'Dit is mijn vriend, Navon du Sandau.'

Robert knikte in zijn beste imitatie van iemand die al vroeg met drinken was begonnen. Hij maakte een klein hoofdknikje naar Owyn, die zei: 'Ik denk dat ik maar opgeef.'

'Niet doen,' zei Du Sandau met een glimlach. 'Je positie is wel moeilijk, maar niet hopeloos.'

Owyn keek naar Robert, die weer heel even knikte. 'Wil je het dan niet van me overnemen? Ik zie het niet meer zitten.'

'Als Robert het niet erg vindt?' vroeg Navon.

Robert haalde zijn schouders op. 'Ga je gang. Het is gewoon een vriendschappelijk partijtje, zonder inzet.'

Owyn stond op en stapte opzij, en Navon nam zijn plaats in. Even bestudeerde hij de opstelling. 'Ben ik?'

'Zwart is aan zet,' knikte Robert.

Na nog een tijdlang te hebben gekeken, deed Navon precies de zet die Robert had verwacht. Navon was vrijwel zeker een veel beter schaker dan hijzelf, maar hij had de stukken geplaatst zoals ze hadden gestaan tijdens een partij met de Keshische ambassadeur, heer Abdur Rachman Memo Hazara-Khan, alleen was hij toen in Navons positie geweest. Na afloop had de ambassadeur uitgebreid de moeite genomen om hem zijn fouten uit te leggen, en de partij stond in Roberts geheugen gegrift. Navon had precies gedaan wat heer Hazara-Khan Robert destijds had aangeraden.

Ugyne liet Owyn een zilveren medaillon zien met een piepkleine smaragd erin. 'Kijk eens wat Navon voor me heeft meegebracht?'

Owyn knikte waarderend en keek weer naar het spel. Beide mannen namen uitgebreid de tijd om alle mogelijkheden te overwegen alvorens een zet te doen. Na drie zetten was Robert ervan overtuigd dat Navon de partij volgens de bekende koers zou winnen. Alleen door vanuit een overheersende positie te beginnen had hij de indruk kunnen wekken goed genoeg te zijn om Navons belangstelling te vangen.

Gorath stond op, alsof het kijken naar het schaakspel hem verveelde, en liep naar de deur. 'Ik ben zo terug,' zei hij tegen niemand in het bijzonder.

Dat was voor Owyn een teken. 'O, Ugyne, weet je nog van dat rare boek over de familie?'

'Welk boek?' vroeg het meisje.

'Met al die gekke verhalen. Dat heb je me eens laten zien toen we nog klein waren. Het was geschreven door een of andere priester.'

'O!' zei ze, haar ogen groot. 'Het Dagboek van de Abt, bedoel je! Ja, dat weet ik nog. Grappig dat je ernaar vraagt, want ik heb het net een poosje geleden aan Navon geleend, zodat hij de familie kon leren kennen.'

'O, ik had gehoopt er iets in te kunnen lezen van wat ik me nog herinner van vroeger.'

Onderwijl hield Robert zijn tegenstander in de gaten. Als hij het gesprek achter hem volgde, beschikte hij over een meesterlijke zelfbeheersing. Hij gaf geen krimp en vertoonde niet de minste neiging over zijn schouder naar Owyn te kijken. Zijn aandacht was ogenschijnlijk volkomen in beslag genomen door het bord.

'Navon, heb je dat boek toevallig bij je?' vroeg Owyn.

'Wat?' vroeg hij, opkijkend. 'Een boek?'

'Het familieverslag,' zei Ugyne. 'Dat heb ik je een paar weken geleden geleend.'

'O, dat,' zei hij achteloos. 'Dat ligt nog thuis. Ik breng het je volgende week wel terug.'

Robert knikte zachtjes en Owyn knikte terug. Hij ging naar zijn rugzak, die achter Navon op de vloer stond, haalde het dagboek eruit en legde het naast het schaakbord op tafel.

Met een ruk stond Navon op, daarbij de tafel omvergooiend, waardoor Robert achterover viel. Met zijn elleboog gaf Navon Owyn een kaakstoot en de jonge magiër zeeg neer.

Ugyne gilde geschrokken. 'Navon! Wat doe je nu?'

De man greep haar bij de pols en draaide haar arm op de rug. Met haar voor zich gehouden, liep hij achteruit naar de deur. Hij zag dat Robert met getrokken zwaard overeind kwam. 'Blijf daar of ze gaat eraan!' riep hij, zijn rapier trekkend.

'Jij smeerlap!' gilde Ugyne en trapte zo hard ze kon op zijn wreef. Terwijl hij achteruit hinkte, draaide ze zich los.

Bliksemsnel greep Robert naar haar en rukte het meisje opzij, zodat ze spartelend naar Owyn vloog, die haar opving.

Navon wierp een blik over zijn schouder. 'Je elfenvriendje staat natuurlijk aan de andere kant van de deur.' Met zijn rug naar de muur stapte hij bij de deur vandaan.

Robert kwam naar voren, het zwaard in de aanslag. 'Stop dat ding weg, dan maken we een babbel*. Er zijn wat vragen die een antwoord verlangen.'

'Zodra ik je zag, wist ik dat je een lastpak was,' zei Navon. 'Je lijkt op die schoft van een Lysle Rigger uit Malachskruis.'

Robert grijnsde. 'Dat heb ik vaker gehoord.'

'Ik neem aan dat jullie het waren die mijn mannen hebben gedood?'

'Het spijt me dat we hen niet konden bijstaan in hun missie,' zei Robert, 'maar ik moest eerst nog een klusje afmaken.'

Navon sprong naar voren en haalde uit met zijn rapier, en Robert pareerde. Nu wist hij zeker dat hij tegenover een zwaardmeester stond. De enige geruststelling die hij had, waren de tien jaar die hij had geoefend met de beste zwaardvechter van het Koninkrijk. In hoog tempo werden er diverse slagen uitgewisseld, tot beide mannen zich terugtrokken.

'Goed gedaan,' zei Navon met oprechte waardering in zijn stem. 'Je ziet zeker niet een mogelijkheid om mij gewoon naar mijn paard te laten gaan?'

'Te veel geheimen, Navon. Of moet ik Neville zeggen?'

'Neville?' gilde Ugyne.

Navons ogen werden iets groter en even stond er bezorgdheid op zijn gezicht te lezen. 'Praat wat je wilt, Robert van Krondor. Straks maakt het toch allemaal niet meer uit.' Hij viel opnieuw aan, afwisselend laag, hoog en laag, waardoor Robert werd teruggedreven en bijna werd gedood toen hij een tegenstoot probeerde en Navon zijn aanvalstactiek veranderde.

Maar Robert wist een nieuwe uitval zodanig te ontwijken dat hij binnen Navons verdediging kwam, en bijna had hij op zijn beurt hem verwond.

Na deze twee felle slagenwisselingen bleven beide mannen staan, druipend van het zweet, beiden in de wetenschap dat ze een bedreven tegenstander hadden.

Owyn bracht Ugyne uit het strijdperk naar de keuken. 'Uit de buurt blijven.'

'Maar je vriend noemde hem Neville. Wat bedoelt hij daarmee?'

'Wat hij daarmee bedoelt, lief zusje,' zei Roberts tegenstander, 'is dat jullie er mooi zijn ingetrapt door te geloven dat ik dood was.'

'Zusje?' krijste Ugyne, zich verzettend tegen Owyns pogingen haar uit de buurt te houden. 'Mijn broer is dood!'

'Ik zal alles uitleggen, nadat ik dat vriendje van je heb gedood.' Het gevecht ging verder. Iedere uitval werd beantwoord met een tegenstoot en iedere riposte werd gepareerd. De twee mannen raakten in een ritme en beiden wachtten op een fout van de ander. Na nog eens twee minuten begreep Robert dat het daarop neer zou komen: degene die de eerste fout beging, zou sterven.

Heen en weer schermden ze, in de mooiste demonstratie van de zwaardvechtkunst die er ooit in Cavell te aanschouwen was geweest. Owyn probeerde op een plek te komen waar hij Robert kon helpen, maar de bewegingen van de twee mannen waren zo precies en vloeiend, snel en dodelijk, dat hij aarzelde, teneinde niet per ongeluk de dood van zijn metgezel te veroorzaken.

Roberts haar hing slap omlaag, nat van het zweet. Hij dook ineen, het zwaard in de aanslag, klaar voor de volgende aanval. De man die bekend stond als Navon zei: 'Je bent erg goed. Zowel met schaken als met het zwaard. Een zeldzame combinatie.'

'Ik heb goede leraren gehad,' zei Robert, gebruik makend van de pauze om op adem te komen. Hij bestudeerde iedere beweging van zijn tegenstander, wachtend op een aanwijzing van wat ging komen.

Navon stond roerloos, eveneens uitpuffend. Robert kwam in de verleiding om de aanval door te drukken, en besefte toen dat dat precies de bedoeling van zijn tegenstander was. Als om dit te benadrukken, liet Navon zijn zwaardpunt een stukje zakken, alsof hij van vermoeidheid slordig werd. Robert berekende de kans om dit in zijn voordeel te benutten. 'Schaken heb ik geleerd van de ambassadeur van Groot Kesh,' zei hij.

Navon glimlachte. 'Hazara-Khan! Wat zou ik graag eens tegen hem spelen. Ik heb gehoord dat hij misschien wel de beste van de wereld is.'

'Leg je zwaard neer, dan zal ik kijken of ik een partij voor je kan regelen. Het wordt natuurlijk wel in de kerkers van Krondor.' Met dat laatste woord begon Robert aan een opzettelijk slechte aanval, en zoals hij had vermoed, was Navons reactie bliksemsnel en dodelijk. Door Roberts razendsnelle reactievermogen werd hij gered.

Navon grijnsde. 'Dat scheelde niet veel.'

'Het heeft wel eens minder gescheeld,' zei Robert, nu zeker van de vermogens van zijn tegenstander.

'En van wie heb je leren zwaardvechten?'

Robert opende opnieuw de aanval, weer gebrekkig, met het gevest van zijn zwaard hoger dan de punt, zodat het eruitzag alsof hij omlaag ging steken. Navon reageerde precies zoals Robert had verwacht, en als Robert achteruit zou zijn gesprongen, wat in die situatie het meest gebruikelijk was, zou Navon hem hebben doorboord. In plaats daarvan boog Robert zich voorover en leunend met zijn hand op de vloer dook hij onder Navons rapier door, die de stof van zijn hemd van zijn schouder tot halverwege zijn rug openscheurde. Met een polsbeweging bracht Robert zijn zwaardpunt omlaag en stootte toen omhoog, Navon ermee opvangend.

Terwijl de leider van de Nachtraven verbluft bleef staan, zei Robert: 'Zwaardvechten heb ik geleerd van prins Arutha.'

Hij trok zijn zwaardpunt los en Navon viel op zijn knieën. Even staarde hij Robert aan, zijn ogen vol met vragen, maar toen vlood al het leven eruit en viel hij voorover op de grond.

Robert borg zijn zwaard op en knielde naast Navon neer. 'Hij is dood,' zei de jonker.

Ugyne stond achter de tapkast, naast Peter de Grey, en op schrille toon vroeg ze: 'Wat is hier aan de hand?'

Robert stond op. 'We leggen alles uit, maar eerst moeten Owyn en ik je vader halen. Er valt nog steeds een mysterie te ontrafelen.' Owyn rende al naar de deur en Robert riep: 'En pas op -'

Maar Owyn had de deur al open en Gorath gaf hem een vuistslag waardoor de jonge magiër achterover door de gelagkamer vloog.

'- voor Gorath,' maakte Robert zijn zin af. Hij liep naar de bewusteloze Owyn, schudde zijn hoofd en draaide zich om naar Ugyne. 'Zou jij misschien je vader even willen halen?'

Het meisje rende weg en Peter de Grey kwam naar hem toe. 'Neemt u mij niet kwalijk, heer, maar... wel, ik weet niet hoe ik het anders moet zeggen, maar ik moet u werkelijk vragen om mijn uitspanning te verlaten.'

Robert keek de zachtaardige herbergier aan en begon te lachen. 'Ik begrijp het,' zei hij.

 

Een bleke baron Corvallis verscheen toen ze het lijk wegsleepten van de man die zich Navon had genoemd. 'Mijn heer, we hebben een mysterie te ontrafelen,' zei Robert.

'Wat heeft dit te betekenen?' vroeg de Baron van Cavell.

'Hij noemde Navon "Neville", papa,' zei Ugyne.

Zo bleek als de baron bij zijn komst al had gezien, verdween nu werkelijk alle kleur van zijn gezicht en hij zag eruit alsof hij ging flauwvallen. 'Neville?'

Robert gaf aan dat de baron moest gaan zitten. 'Mijn heer, er is een moord gepleegd, niet nog maar pas, maar jaren geleden. Vertelt u mij eens over Du Sandau en de wijnkelder.'

De baron sloeg een hand voor zijn ogen en leunde voorover, en even dacht Robert dat hij huilde, maar toen hij eindelijk zijn hand weghaalde, zag Robert voornamelijk opluchting in zijn ogen. 'Hij was je broer, Ugyne. Daarom was ik er zo fel op tegen dat je met hem omging. Hij maakte jou het hof om mij tot razernij te brengen.'

'Dat begrijp ik niet,' zei het meisje.

'Neville was je broer,' verduidelijkte Robert. 'Maar hij was niet de zoon van jouw vader.'

De baron werd rood en knikte, alsof hij zich niet tot spreken kon brengen.

'Ik heb wat rondgesnuffeld,' zei Robert tegen het meisje. 'Er zijn altijd wel ergens wat roddels te horen. Het schijnt dat de man die je vader heeft ingehuurd, Du Sandau, behalve bouwmeester ook beeldhouwer was. En hij had een reputatie als rokkenjager. Volgens een van de oude vrouwen met wie ik heb gesproken, was hij een grote, knappe man met een flamboyante aard, het type waar vrouwen op vallen.'

De baron bloosde.

'Heeft mijn moeder overspel gepleegd?' vroeg Ugyne.

'Die dingen gebeuren,' zei Robert.

Ze keek naar haar vader alsof het een vreemde was. 'Heb jij Du Sandau laten ombrengen?'

'Ik heb een ongeluk laten ensceneren,' zei hij zacht. 'Ik wist alleen niet dat het zo uit de hand zou lopen. Die instorting kostte zes mensen het leven, waaronder, zo dacht ik, Neville.' Kijkend alsof hij boos werd zei de baron: 'Ik wist niet dat die jongen daar zou zijn!' Hij sloeg op de tafel. 'Ik heb hem altijd eerlijk willen behandelen.' Zijn ogen zochten die van Ugyne. 'Je moeder en ik hebben er nooit over gepraat toen ik er eenmaal achter was. Ik heb getracht die jongen als mijn eigen zoon groot te brengen.'

Ze stond op. 'Ik ken jou niet.' Ze deed een stap achteruit. 'Ik heb geen idee wie jij bent.' Ze draaide zich om en rende de herberg uit.

'Baron, we hebben drukke werkzaamheden, maar dit wordt allemaal vermeld in mijn verslag aan de Prins van Krondor. Ik raad u aan een bezoek te brengen aan uw leenheer te Romnee en misschien ook nog aan de koning. Aan beiden bent u een volledige bekentenis verschuldigd, en ik denk dat u uw zaken op orde dient te brengen. Ik betwijfel dat de koning u laat aanblijven als baron. Ook raad ik u aan Ugyne voor een tijdje bij Owyns familie onder te brengen.'

Alsof hij zijn naam hoorde, kwam Owyn bij bewustzijn. 'Wat is er gebeurd?'

Gorath hielp hem overeind. 'Ik had iemand anders verwacht. Het spijt me.' Het laatste klonk zowaar oprecht.

Owyn wreef over zijn zwellende kaak. 'Het gaat alweer.' Hij keek rond. 'Wat is er gebeurd?'

'Vertel ik je onderweg wel.'

'Onderweg waar naar toe?'

Robert toonde hem een sleutel die hij op Navons lichaam had aangetroffen. 'Terug naar de Cavellse Loop.'

 

Toen de deur weer was geopend en Owyn van de richel sprong, zei Robert: 'Uitsluitend familieleden konden weten hoe die deur van buitenaf kon worden bediend. Als de andere kinderen uit het dorp hem niet hadden kunnen vinden, had Navon du Sandau uit Kenting Rush al helemaal geen schijn van kans om in de Loop terecht te komen. Daarom heb ik een paar vragen gesteld en kreeg ik de benodigde aanwijzingen.' Ze liepen de donkere tunnel in. Owyn maakte weer licht met zijn magie en Robert vervolgde: 'We hadden de baron ontmoet. Veel fantasie was er daarna niet meer nodig om de barones te zien vallen voor een flamboyante, knappe man, ook al was het een bouwmeester uit het volk. Aldus werd Neville verwekt. De baron kwam erachter dat hij niet de vader was, en zijn vrouwen hij kwamen overeen er niet over te praten, maar iedere dag dat hij die jongen zag, werd hij herinnerd aan haar ontrouw: En na een jaar of tien dagelijks in zijn mannelijkheid te zijn gekrenkt, besloot hij de verleider naar de Loop te lokken en een ongeluk te laten krijgen om zich te wreken. Helaas zat de jongen naar het werk te kijken toen het ongeluk gebeurde.'

'En ik was er niet, en Ugyne kon zelf de ingang van buiten niet open krijgen,' zei Owyn.

'En misschien wist de baron zelf niet eens dat de deur van buitenaf kon worden bediend. Dat weet ik niet en dat kan me eigenlijk niet schelen ook. Hij heeft minstens vier mensen gedood en daar moet hij voor worden berecht.'

Aangekomen in de achterste slaapzaal beklommen ze de trap naar de afgesloten deur. 'Neville wist de uitgang uit de Loop te vinden, naar ik vermoed gewond, doodsbang, of allebei. Hoe of wat zullen we nooit weten, maar hij kwam buiten. Daar werd hij door iemand gevonden, die hem heeft verzorgd. Misschien de Nachtraven, of anders is hij daar later mee in contact gekomen. Misschien dat een intelligente jonge knul als Neville de gelegenheid greep om het leiderschap over de Nachtraven naar zich toe te trekken toen Arutha hen in Krondor nagenoeg had uitgeroeid, tien jaar geleden. Het zou in ieder geval een goed moment voor de overlevende Nachtraven zijn geweest om op zoek te gaan naar een toevluchtsoord op een afgelegen plek als de Loop. Ze veranderden zijn uiterlijk zodanig dat degenen die de jongen kenden niet onmiddellijk zagen dat hij het was. Sommige mensen veranderen enorm tussen hun elfde en hun tweeëntwintigste. Of misschien hebben ze er magie voor gebruikt. Zoals ik al zei: dat zullen we nooit weten. Maar wel weten we van de betrekkingen die Neville erfde, tussen de Nachtraven, de moredhel en de Pantathiërs.'

'Die verrekte slangen met hun warme-landen magie,' spuwde Gorath welhaast. 'Ik kan hen niet uitstaan.'

'Maar Murmandamus kon hen goed gebruiken.' Robert hield geheim dat Murmandamus in feite een Pantathiër was geweest, met gebruik van magie vermomd als moredhel. Hij stak Navons sleutel in het slot van de deur en draaide. Het slot sprong open en Robert duwde.

De deur zwaaide open en hij betrad een woonvertrek. Vlug keek hij achter de enige andere deur en zag nog een slaapzaal, leeg en in geen jaren meer gebruikt. In het kamer* stonden echter kisten met goud, edelstenen en documenten. Zonder acht op de edelstenen en het goud te slaan, begon Robert te lezen in de documenten.

'Verdomme!' zei hij na enige tijd.

'Wat is er?' vroeg Owyn.

'Noordwacht. Delekhan valt aan via Noordwacht.'

'Waarom?' vroeg Gorath.

Een tijdlang was Robert stil, zijn hand opgeheven om vragen af te weren terwijl hij nadacht. 'Daar zit wel wat in. Het is een goede reden voor al dat krankzinnige gemoord. Als Delekhan Noordwacht overvalt, kan hij naar het zuiden via de rivier de Vosna. Die loopt langs de noordzijde van de Calarabergen en door de Mastakkloof. Daarvandaan is het maar een klein stukje over land naar de bovenloop van de Rom. Binnen enkele dagen zit hij dan in Romnee. Romnee!' Hij keek van Owyn naar Gorath. 'Vandaar al die problemen in Romnee. Als het een chaos in de stad is, kan ze niet worden verdedigd.'

'Maar waarom Romnee?' vroeg Owyn.

'Omdat hij daarvandaan de Rom naar het zuiden neemt, en waar de rivier een bocht terug naar het zuidoosten maakt, gaat hij aan land en rukt hij op naar Sethanon. Er zijn daar niets dan open vlakten en lichte bebossing.'

'En door kasteel Cavell in brand te steken en de Loop te bezetten...' peinsde Owyn.

'...voorkomt hij dat iemand anders positie achter zijn gelederen kan innemen,' maakte Robert zijn zin af. Hij stond op en rende de trap af. 'We moeten meteen weg.'

Gorath en Owyn renden achter hem aan. 'Waar gaan we heen?'

'Ik naar Noordwacht,' antwoordde Robert, 'om baron Gabot voor de aanval te waarschuwen. Jullie moeten met deze documenten naar Arutha.' Hij gaf drie opgerolde perkamenten aan Owyn.

'Arutha?' Owyn schudde zijn hoofd. 'Als we die Tsuranese bol van jou niet gebruiken, duurt het weken voordat we in Krondor zijn.'

'Hij is niet in Krondor, dus aan die bol heb je niets,' zei Robert, aangekomen bij de waterval. 'Hij is op kamp aan de noordrand van het Schemerwoud, met een groot deel van zijn leger, wachtend tot hij hoort waar de aanval plaatsvindt, zodat hij de verdediging kan steunen. Binnen een week na bericht kan hij in Tyr-Sog, Hoogstein of Noordwacht zijn.'

'Dus moeten wij hem gaan vertellen dat hij naar Noordwacht moet.'

'Juist,' zei Robert, klauterend langs natte rotsen naar de plek waar de paarden stonden vastgebonden.

'En als hij ons niet gelooft?' vroeg Gorath. 'De vorige keer dat ik hem sprak, had hij ook zo zijn twijfels over mijn beweringen.'

'Veel minder dan hij deed voorkomen,' verzekerde Robert hem. 'Ik raad je af ooit een spelletje te kaarten met de prins. Maar hoe dan ook, als hij het niet vertrouwt, zeg hem dan: "Er is een feestje bij moeder thuis." Dan weet hij dat de boodschap van mij afkomstig is.'

'Raar,' zei Owyn, 'maar we zullen het doen.'

'Robert,' zei Gorath, 'als de prins in het Schemerwoud is, zit de voorhoede van Delekhans strijdmacht daar ook. Als het einddoel Sethanon is, zullen er velen van mijn volk één voor één door de kleine geulen en passen in de Tanden van de Wereld zijn gekomen om de voorbereidingen te treffen voor het offensief van komend voorjaar.'

'Dat weet ik nog maar al te goed,' zei Robert, 'van de keer toen we Hoogstein moesten verlaten en we over de Hoogwold en door het Schemerwoud reden.'

'Wat als we gevangen worden genomen of gedood?'

Terwijl hij zijn paard besteeg, antwoordde Robert: 'Daar heb ik maar één ding op te zeggen.'

'Wat dan?' vroeg Owyn.

'Zorg dat dat niet gebeurt.' Robert keerde zijn paard en reed weg.

Owyn steeg ook op. 'Laten we nog even halt houden in het dorp zodat ik Ugyne veilig op weg naar mijn ouders kan sturen. Dan kunnen we meteen wat te eten inslaan.'

'Dat zou verstandig zijn,' zei Gorath.

Owyn keek hem aan. 'Maar wel zo ongeveer het enige verstandige van dit hele plan.'