15 Zoektocht

 

De wind sneed door de pas.

Zittend op hun paarden trokken Gorath en Owyn hun mantels dicht om zich heen. Het was al lente, maar in de bergen heerste nog steeds de winter.

'We worden in de gaten gehouden,' zei Gorath.

'Door wie?'

'Weet ik niet. Maar ik zie al een uur lang regelmatig iets bewegen op de richel boven ons. Als ze het kwaad met ons menen, zouden ze al hebben aangevallen.'

Een poosje later stond er verderop ineens een gedaante op een rots, gewikkeld in een dikke mantel. Hij stond te wachten. Toen ze dichterbij kwamen, zag Owyn dat het een dwerg was. Hij was alleen, en stak zijn hand op ter begroeting.

Gorath hield zijn paard in. 'Praat jij eerst met hem, Owyn.' Owyn knikte en reed voor Gorath uit. De moredhel volgde op enkele passen. Vlak bij de dwerg hield Owyn halt en wierp zijn kap naar achteren. 'Hallo.'

Ook de dwerg deed zijn kap af, en onthulde een ontzagwekkend volle, zwarte baard en een haardos die weigerde zich op enigerlei wijze te laten temmen. De snor van de dwerg stond uit als een enorme borstel. Zijn ogen gingen argwanend van de ene ruiter naar de andere. 'Gegroet,' zei hij kalm. 'Wat brengt jullie beiden in de vorstige passen van de Grijze Torens?'

'We brengen een boodschap van vrouwe Katala, de vrouw van Puc de Magiër, naar Tomas, Krijgsleider van Elvandar,' verklaarde Owyn.

De dwerg krabde in zijn baard. 'Da's een goeie. Die had ik nog nooit gehoord. En ik ben nog geneigd je te geloven ook.'

'Waarom zou je mij niet geloven?' vroeg Owyn.

De dwerg wees naar Gorath. 'Zijn verwanten zijn sinds dik een jaar weer uit het noorden aan het komen, en we waren vergeten wat voor een vervelende buren het kunnen zijn.'

Nu trok Gorath zijn kap omlaag. 'Ik betwijfel of ze jouw volk hartelijker gezind zijn, dwerg, maar de problemen tussen jouw volk en het mijne stammen uit een andere tijd. Op dit moment zijn we allen gebaat bij onze veilige doortocht naar Elvandar.'

De dwerg hurkte neer op de rots. 'Elvandar? Wel, als jij het zegt. Voor zover ik daar zicht op heb, hoef je daar niet op een warmer onthaal te rekenen dan bij ons.' Kijkend naar Owyn voegde hij eraan toe: je hebt niet per ongeluk een soort geloofsbrief van een gezaghebbend persoon bij je?'

Gorath spuwde bijna van minachting. 'Wat geeft jou het recht daarnaar te vragen, dwerg?'

'Nou, om te beginnen bevinden jullie je op ons land. Dan zijn daar nog de twintig anderen van mijn volk die jullie tijdens ons gesprekje hebben omsingeld.' Hij floot, en schijnbaar vanuit het niets doken er zeker twintig dwergen op. Owyn zag dat ze allemaal zwaar bewapend waren.

'De boodschap is duidelijk,' zei Owyn. Hij stak een hand in zijn tuniek en pakte een brief van Katala, met een hertogelijk zegel en een medeondertekening van de kapitein van de Koninklijke Krondoriaanse Wacht.

De dwerg wierp er een blik op en gaf hem terug. 'Ik geloofde je vanaf het begin al,' grijnsde hij. je kan zeggen wat je wilt over de moredhel, maar imbeciel hebben ze zich nooit getoond, en dat zou het zeker zijn geweest, om met kwaad in de zin zomaar hier naar toe te komen rijden. Kom maar mee, dan brengen we jullie naar het dorp.'

'Dorp?' vroeg Owyn. 'Ligt Caldara dan vlakbij?'

'Nog een half uurtje, en dan kunnen jullie uitleggen waarom jullie zo'n haast hebben om in Elvandar te komen.'

'Uitleggen?' vroeg Gorath. 'Aan wie?'

'Koning Dolgan,' antwoordde de dwerg. 'Wie anders?'

Verder werd er niets meer gezegd en ze volgden het pad. Toen de afslag verscheen, volgden ze die naar een kleine vallei met daarin een lieflijk dorpje. Alle gebouwen waren van witgekalkt steen met rieten daken, behalve een groot houten bouwwerk met een dak van dikke balken, midden in het dorp. Naar dat gebouw gingen ze op weg. 'De jongens zorgen wel voor jullie paarden,' zei de dwerg die hen had meegenomen. 'De koning is in de langzaal.'

Ze liepen naar het smalle gedeelte van het houten gebouw; en via een stenen trap betraden Owyn en Gorath de langzaal. Binnen, bij een deur, hield de dwerg hen staande. 'Stel jezelf voor aan de koning. Ik zie jullie later.'

'Ga je niet mee naar binnen?' vroeg Owyn.

De dwerg schudde zijn hoofd. 'Nee, ik heb nog dingen te doen. Jullie vinden de weg wel. Volg gewoon de gang tot aan het einde, en jullie komen bij de koning.'

'Je bent erg gastvrij geweest, dwerg,' zei Gorath. 'Ik zou je naam graag weten.'

De dwerg glimlachte. 'Ik ben Udel. Ik ben de jongste zoon van de koning.'

Owyn maakte de deur open en keek in een lange gang met deuren aan weerskanten. Aan het einde van de gang zag hij een grote ruimte, en toen Gorath en hij die betraden, bleek het een soort gelagkamer, met in het midden een groot vierkant van vier lange tafels. Aan de hoek bij de ingang zaten vijf dwergen. Een van hen stond op en verkondigde: 'Ik ben Dolgan.'

Enigszins onbeholpen maakte Owyn een buiging. 'Majesteit.'

Meteen wuifde Dolgan die titel weg. 'Gewoon Dolgan.' Hij stopte een pijp en stak hem aan met een smeulend houtje. 'Nu dan, wat brengt jullie twee naar Caldara?'

'Vrouwe Katala, de vrouw van Puc de Magiër, heeft ons gevraagd een boodschap over te brengen aan Krijgsleider Tomas in Elvandar,' antwoordde Owyn.

Dolgan trok een wenkbrauw op. 'Tomas is een oude en dierbare vriend.' Met een glimlach voegde hij eraan toe: 'Een bijzondere knul.' Hij wierp een blik op Gorath. 'Je kiest ongewoon gezelschap, jochie.'

'Gorath is de prins komen waarschuwen dat er een invasie op komst is onder leiding van ene Delekhan.' Owyn vertelde de hele situatie aan de dwergenkoning, die luisterde zonder hem te onderbreken.

Toen Owyn was uitverteld, bleef de oude dwerg nog even zwijgend zitten, overwegend wat hij had gehoord. Toen keek hij naar Gorath. 'Wel, mijn oude vijand, geef mij eens antwoord op één vraag. Waarom kom jij je vijanden waarschuwen opdat wij jouw verwanten in de pan kunnen hakken?'

Even nam Gorath de tijd om zijn antwoord te formuleren. 'Het is niet mijn bedoeling dat mijn verwanten zullen sneuvelen. Het is mijn bedoeling dat Delekhan ten val wordt gebracht. Het is allemaal veel te ver gegaan, en hij ondervindt van ons maar weinig tegenstand, maar mocht het Koninkrijk hem verslaan, dan zal Delekhan zijn greep op mijn volk verliezen, en zullen er velen van ons opstaan om hem van de troon te stoten.'

'En dan?' vroeg Dolgan. 'Een nieuwe krijgsheer om de strijd opnieuw te beginnen? Neem jij dan zijn plaats in?'

Gorath keek de oude koning aan. 'Ik denk dat ik het Noordland nimmer meer zal zien. Twee vrouwen, twee zoons en een dochter heb ik verloren. Al mijn bloedverwanten zijn dood. Ik heb daar niets meer. Maar wat er in de toekomst ook mag gebeuren, daar kan ik niets op zeggen. Ik weet alleen dat Delekhan moet worden tegengehouden.'

Dolgan knikte eenmaal krachtig met het hoofd. 'Goed gesproken. We zullen jullie helpen. Tijdens de Oorlog van de Grote Scheuring ging mijn volk ieder jaar naar Elvandar om zij aan zij met Tomas en de elfen de strijd aan te gaan. We kennen een veilige route die tot vlak aan hun grens loopt, en daarvandaan kunnen jullie veilig naar het hof van de koningin. Ik zal een paar van onze jongens meesturen om ervoor te zorgen dat jouw verwanten en de gnomen die ons de laatste tijd hebben gepest jullie niet tot last zullen zijn.' Hij stond op. 'Nu dan, eet, slaap, en morgen helpen we jullie op weg.'

'Dank u... Dolgan,' zei Owyn.

De dwergenkoning glimlachte. 'Goed zo!'

Een andere dwerg, een nog jonge vrouw als Owyn het goed zag, bracht hen naar een kamer in de langzaal. Gorath aarzelde toen hij naar binnen stapte. 'Er is iets...'

'Wat?' vroeg Owyn.

'Een gevoel... noem het maar een herinnering. Er heeft hier grote macht gehuisd.'

'Heer Tomas heeft hier geslapen toen hij in Caldara overwinterde,' zei de jonge dwergenvrouw: 'Soms voel ik het ook. Als jullie iets nodig hebben steek je maar je neus buiten de deur om mij te roepen. Ik heet Betblany.'

'Bedankt,' zei Owyn.

Hij ging zitten op een van de bedden, en Gorath keek naar het andere. 'Wat ze van Tomas zeggen moet dan wel waar zijn, als ik tien jaar nadat hij hier heeft geslapen de macht van de Valheru nog kan voelen.'

'Alles is mogelijk,' zei Owyn. Hij ging liggen. 'Maar nu wil ik slapen.'

Gorath zag de jongeman al spoedig in slaap sukkelen, maar zelf had hij daar geen behoefte aan. Een ogenblik later verliet hij de kamer, liep door de gang en stapte door de deur naar buiten.

Op de veranda van de langzaal stond Dolgan uit te kijken over het dorp. Dat bestond uit zo'n twaalf gebouwen van verschillende grootte, enkele duidelijk woonhuizen, terwijl de andere winkels een smederij, een timmerman en een bakker leken te zijn.

'Mooi, hè?' zei Dolgan.

Ook zonder dat de voorjaarsbloemen al waren ontloken, was het een lieflijke vallei, beschut door dennen en espen. De bevolking was nijver, en alles wat Gorath zag sprak van een rijk leven. Hoger op de berghellingen graasde vee op een weiland aan de andere kant van een groep bomen. Kippen en eenden renden kakelend en kwakend over het dorpsplein, opgedreven door een paar honden. 'Het is een prachtig woonoord,' beaamde Gorath.

'Ik heb maar een paar moredhelse dorpen gezien, verlaten, nadat de Tsurani jullie volk uit de hooglanden had verdreven. Ik kan me herinneren dat die niet zo veel verschilden van het onze.'

'Wij bouwen anders,' zei Gorath, 'maar onderdak is onderdak, en ook wij bakken brood en smeden ijzer, net als jullie en de mensen.'

'Volgende Midzomerdag word ik vijfhonderdachtentwïntig. Het grootste deel van die jaren heb ik gevochten voor mijn volk.' Dolgan keek op naar de lange zwarte elf. 'Weet je dat jij de eerste van jouw ras bent met wie ik ooit een fatsoenlijk woord heb gewisseld?'

Gorath ging zitten op de trap. 'En ik met een dwerg. Of een mens, tot een paar maanden geleden.' Hij leunde met zijn rug tegen een steunpaal. 'Ik heb gemerkt dat de wereld er heel anders uitziet dan ik dacht toen ik nog klein was. Slechts twaalf zomers oud was ik toen de veiligheid van mijn stam aan me toeviel, en op mijn zevenendertigste heb ik mijn vader gewroken en werd ik clanhoofdman. Meer dan honderd jaar hebben de Ardanische stammen gewoond in de ijsgrotten van het verre noorden, waar de zon in de winter nooit schijnt en in de zomer nooit ondergaat. We joegen op robben en walrussen, dreven handel met de stammen ten zuiden van ons, zonder ons ooit onder de anderen van ons ras te mengen. En toen we terugkeerden, moest ik vechten om mijn clan te beschermen, maar we werden een mogendheid binnen ons volk. We genoten respect, we werden gevreesd, en wanneer ik de raad toesprak, werd er naar de Ardaniën geluisterd.'

'En toen?'

'Toen kwam Murmandamus.'

'Welke, de eerste of de tweede?'

Gorath glimlachte. 'Allebei, zou je kunnen zeggen. De eerste was een opmerkelijk creatuur. Zijn woorden waren meeslepend en indringend, en mijn volk luisterde naar hem. Ik heb verhalen gehoord van degenen die hem hebben gekend. We maakten ons sterk, vielen het zuiden aan en overrompelden de mensen in Yabon. Maar Murmandamus ging dood, al bleef zijn legende voortbestaan, en toen de tweede Murmandamus verscheen, stonden we klaar om zonder aarzelen te volgen.'

'Blinde gehoorzaamheid is levensgevaarlijk.'

Gorath knikte. 'Vóór de tweede Murmandamus waren sommigen van mijn ras door de machtiger clans uit het Noordland verdreven, en ze kwamen ten zuiden van de Tanden van de Wereld terecht. Anderen, zoals mijn clan, woonden in de ijsgrotten van het verre noorden. Een honderd jaar geleden hebben we nog zo'n opschudding gehad.'

'Dat weet ik nog,' knikte Dolgan. 'Sommigen van jullie werden zo brutaal dat ze onze kant op kwamen.'

'Aan deze kant van de Bitterzee heb ik me nog nooit zo ver naar het zuiden gewaagd. Als knaap heb ik nog op zee gevist bij wat de mensen Sarth noemen.' Hij deed zijn ogen dicht. 'Ik had nooit gedacht dat ik de Grijze Torens ooit nog terug zou zien.' Toen keek hij Dolgan aan. 'Er kunnen moredhel, vooral degenen die mijn neef Obkhar volgden, hierheen komen om zich weer in het Groene Hart te vestigen.'

'Ach, zolang ze beneden in de bossen blijven, zullen we hun geen strobreed in de weg leggen. Met de Groene Hart-moredhel hebben we nooit veel last gehad, maar jullie clans daar in het noorden zijn niet zulke nette buren geweest.'

Gorath keek de dwerg onderzoekend aan en begon te lachen. Je klinkt net als je zoon. Hem heb ik ook al gezegd dat er bij mijn volk ook niet bepaald met liefde wordt gesproken over jullie als onze buren.'

'Grif, dat zal heus waar zijn.' Dolgan grinnikte. 'Maar ik vraag me al heel lang af waarom dat zo is. Ondanks onze vaardigheden in de krijg zijn wij dwergen best een vreedzaam volk wanneer we met rust gelaten worden. We vallen niemand lastig die ons niet lastig valt. We houden van onze kinderen, we verzorgen ons vee, en we overwinteren in onze langzaal, waar we zingen en bier drinken. Het is een goed leven. Maar jij bent de allereerste van jouw ras met wie ik ooit in vrede heb gesproken, Gorath, en daarom vraag ik je dit: waarom haten de moredhel ons dwergen en de mensen zo?'

Daar dacht Gorath lange tijd over na. 'Toen ik mijn thuisland ontvluchtte, achterna gezeten door mijn eigen bloedverwanten die me wilden vermoorden, zou ik je hebben gezegd: "Toen de Valheru vertrokken, maakten ze ons tot een vrij volk en gaven ze ons deze wereld, en jullie en de mensen zijn indringers. Jullie nemen wat van ons is." Maar nu heb ik er geen antwoord op.'

'Wat is er dan veranderd?' vroeg Dolgan, oprecht nieuwsgierig. 'Heel veel,' antwoordde Gorath. 'Mijn eigen volk is tegenwoordig...' Hij zuchtte diep, alsof hij iets losliet wat hij lang had vastgehouden. Jaren geleden waren wij als één volk, voordat we ons splitsten in de moredhel, de eldar, de eledhel en de glamredhel. In onze taal waren wij het volk. Onze namen zijn ons voornamelijk gegeven door onze vijanden. Eledhel is een woord dat door mijn volk is verzonnen, uit minachting. "Elfen van licht" betekent het in de taal der mensen. Het was een spotnaam voor degenen die zich beter voelden dan de rest. Zij noemden ons "zwarte elfen", moredhel. En wij gaven de glamredhel hun naam, de "krankzinnigen". Wij, die eens één ras waren, zijn nu zo verschillend van elkaar dat we volgens mij allang zijn kwijtgeraakt wat we eens waren.'

Dolgan knikte, maar zei niets en luisterde aandachtig.

'Wist je dat we geen kind kunnen verwekken bij een vrouw van de eledhel of de glamredhel?'

Dolgan schudde zijn hoofd.

'Onze genezers zijn van mening dat er iets nodig is tussen een man en een vrouw van ons ras, iets wat zo grondig is veranderd dat we nu net zo veel verschillen van elkaar als van de dwergen of de mensen.'

'Dat is wel heel uitzonderlijk vreemd,' zei Dolgan.

'Volgens de maatstaven van mijn volk ben ik oud,' zei Gorath. 'Tweehonderdzestig zomers tel ik straks op Midzomerdag. Mijn geboorterecht is driemaal zo veel, maar alleen onze verwanten in Elvandar bereiken die leeftijd, dwerg. En dat komt omdat zij hebben gevonden wat wij in het noorden nooit hebben gekend: vrede.'

Dolgan slaakte een zucht. 'Vrede is een wonderlijk goed, hetzij voor je volk...' Hij keek Gorath in de ogen. 'Hetzij in je eigen hart.'

Gorath keek uit over het serene tafereel vóór hem. 'Wij wonen achter muren. Onze dorpen zijn forten. Geen vrouw gaat schapen hoeden zonder een zwaard aan haar zij en een boog over haar schouder. Onze kinderen spelen met wapens.' Hij liet zijn hoofd zakken, kijkend naar de grond. 'We laten hen zichzelf verwonden, opdat ze al vroeg hun lessen leren. Ik wanhoop aan mijn volk, Dolgan.'

Nog geruime tijd bleef Dolgan zwijgen, tot hij zei: 'Ik denk dat je nodig naar Elvandar moet - om meer redenen dan een boodschap aan Tomas.' Hij stond op. 'Maar eerst denk ik dat je best een flinke pul bier kunt gebruiken. En ik weet heel toevallig waar we die kunnen vinden.'

Gorath wist een flauw glimlachje op te brengen. 'Je behandelt een vijand met grote gastvrijheid, Dolgan.'

Dolgan schudde zijn hoofd. 'Jij bent geen vijand van mij, Gorath van de Ardaniën. Dat is zo duidelijk als de baard op mijn kin.' Hij ging Gorath voor naar binnen.

 

Owyn werd wakker van gelach en ging naar de gezelschapsruimte, waar Gorath en Dolgan met zes andere dwergen zaten te drinken en verhalen uit te wisselen. 'Grif,' zei een van de dwergen die Owyn niet kende, 'dat doen gnomen, als je hun vertelt dat het een goed idee is.'

Een blik door het raam leerde Owyn dat de ochtend reeds was aangebroken. 'Hebben jullie de hele nacht zitten drinken?'

'Welkom, mijn vriend,' zei Dolgan. Hij haalde zijn voeten van de tafel en keek uit het raam. 'Grif, daar lijkt het op. Zin om een kruikje mee te legen?'

'Het is nog een beetje vroeg voor me, en trouwens, we moeten naar Elvandar.'

'Dat is waar,' gaf Dolgan toe. 'Nu dan, iets te eten als ontbijt, en dan op weg.' De oude dwerg dreunde met zijn vuisten op de tafel. 'Eten!'

Al gauw hadden de andere dwergen zijn kreet overgenomen, en met hun tinnen kroezen op de tafel slaand, schreeuwden ze: 'Eten! Eten! Eten!'

Vanuit de keuken verscheen een oude dwergenvrouw in een grijze jurk, haar haren in een knot onder een wit linnen kapje. In haar hand hield ze een grote houten lepel, waarmee ze zwaaide alsof het een wapen was. 'Hou je harnas aan, stelletje luiwammesen!'

Er volgden nog meer dwergen, elk met een dienblad vol fruit, worstjes, dampende broden, potten boter en honing, en smakelijke platte koeken. En nog meer bier.

Owyn nam plaats aan tafel. 'Het verbaast me hoeveel bier jullie kunnen drinken zonder dat je er last van hebt.'

'Een sterk gestel is het erfgoed van een dwerg,' was Dolgans commentaar.

'Grif,' stemde Gorath in, 'zo is het. Probeer er maar eens eentje een dag of drie achterna te zitten.'

Alle dwergen vielen stil, en ineens barstten ze in schaterlachen uit.

Met een wrang glimlachje voegde Gorath eraan toe: 'Of er voor eentje weg te rennen.'

De hilariteit verdubbelde, en geestdriftig vielen de dwergen aan op het ontbijt.

Na de maaltijd werden de paarden gebracht, en Owyn kwam tot de ontdekking dat ze genoeg voedsel voor enkele weken meekregen. De dieren waren goed verzorgd en al het tuig was schoongemaakt en gerepareerd.

'Dolgan, mijn dank,' zei Owyn.

'Laat maar zitten, jochie,' zei de dwergenkoning. Hij wees naar Gorath. je hebt me de zeldzame gelegenheid gegeven om deze kerel te leren kennen, en het genoegen was geheel aan mij.'

Gorath stak zijn hand uit en Dolgan schudde die. jouw gastvrijheid is ongeëvenaard, vriend dwerg.'

'En jij bent altijd welkom in Caldara, Gorath van de Ardaniën.'

'Bedankt,' zei Gorath en hij steeg op zijn paard.

Er naderde een groepje jonge dwergen, in volle bewapening, en Dolgan verklaarde: 'Ik stuur wat jongens mee tot aan de Schrei. Zij zorgen er wel voor dat jullie daar in goede orde arriveren.'

'Nogmaals bedankt,' zei Owyn. Ze vertrokken in stap, met de dwergen te voet. Owyn keek om naar Gorath. 'Ben jij wel genoeg uitgerust om dat hele eind te rijden?'

Gorath schoot in de lach. 'Nee, maar laten we toch maar gaan.'

'Je bent in een opvallend vrolijke bui, Gorath.'

'Ja,' beaamde de zwarte elf 'Het was ook erg lang geleden sinds ik heb genoten van het gezelschap van andere krijgers, goed bier en verhalen over heldhaftigheid en moed.' Zijn glimlach verdween. 'Veel te lang.'

Zwijgend reden ze het dwergendorp uit.

 

De reis door de bossen van het Groene Hart en de oostrand van het Schreiborgse Woud verliep zonder noemenswaardigheden. Een week na hun vertrek uit Caldara bereikten ze de oever van een rivier.

'Hier nemen we afscheid,' zei de leider van de dwergen, een krijger genaamd Othcal. Hij wees. 'Dat is de rivier de Schrei. Aan de andere kant ligt Elvandar.'

'Dat kon ik sinds gisteren al voelen,' zei Gorath met zachte stem.

Othcal wees naar een pad. 'Iets meer dan een mijl verderop is de doorwaadbare plaats die we gebruiken. Daar kunnen jullie wachten.'

Ze wensten de dwergen vaarwel en reden verder.

'Waar moeten we dan op wachten?' vroeg Owyn.

'Zie je vanzelf,' antwoordde Gorath.

Ze bereikten de voorde, een brede zandbank tussen gesteente dat de rivier had doen verbreden en versnellen, maar te paard was de oversteek geen enkel probleem. Ze bleven staan.

'Ik wil niet zeuren,' zei Owyn, 'maar waar wachten we nou op?'

'Tot we binnen worden gevraagd. Niemand mag het elfenwoud zonder toestemming betreden.'

'Wat gebeurt er als je dat toch doet?'

'Erge dingen.'

'Dan zal ik het maar laten. Wat doen we om hun te laten weten dat we er zijn?'

'Niets. Dat weten ze al.'

Korte tijd later werd er vanaf de overkant iets geroepen in een taal die Owyn niet verstond. Gorath antwoordde in de Koninkrijkse taal: 'Twee lieden die permissie vragen om Elvandar te betreden. We komen met een boodschap voor Krijgsleider Tomas van vrouwe Katala, Pucs gade.'

Even bleef het stil, en plots verscheen er aan de andere kant van de rivier een gedaante. 'Gaarne verneem ik uw naam en afkomst.'

'Ik ben Gorath van de Ardaniën, hoofdman van mijn clan.' Hij keek naar Owyn.

'Ik ben Owyn, zoon van de Baron van Timons.'

'Treedt binnen,' sprak de elf.

Ze stuurden hun paarden door de voorde en bleven staan. Van tussen de bomen verschenen nog zes elfen. De leider trad op hen toe. 'Het is nog een volle dag rijden naar de rand van de elfenstee, en nog een dag naar het hof van de koningin.' Zonder een nader woord vertrok hij op een lichtvoetige draf, en twee andere elfen renden met hem mee. De overige elfen bleven achter.

Meedravend met de elfen had Owyn ruim de gelegenheid om hen eens goed te bekijken, en op het eerste gezicht zagen ze er precies eender uit als de leden van Goraths volk. Maar in hun houding en manier van doen school wel degelijk een subtiel verschil.

Gorath was lang, breed en krachtig gebouwd. Owyn had hem in actie gezien, snel en dodelijk. Deze elfen maakten een tengere indruk, met hun smallere bovenlijf, al waren ze wel even lang als Gorath. Maar het grootste verschil openbaarde zich in hun bewegingen. Ze renden met het grootste gemak, alsof ze één waren met het omringende woud, en het enige woord wat Owyn ervoor had, was gratie. Ze waren gracieus.

Een uur lang renden ze voort, kennelijk zonder vermoeid te raken, en na dat uur hielden ze halt om een paar minuten uit te rusten. Zwijgend nam Gorath zijn verre verwanten op.

Na wat stille communicatie, waarvan alleen Goraths hoofdknik Owyn opviel, stonden de elfen op en wachtten tot Gorath en Owyn waren opgestegen. Ze reden verder tot zonsondergang, toen de elf die hen het elfenwoud had binnengelaten bleef staan en zich omdraaide. 'Hier houden we kamp.'

Tegen de tijd dat Owyn zijn paard had afgezadeld en verzorgd, brandde er al een kampvuur op de open plek. Er ging een waterzak rond en uit heuptassen verscheen voedsel. De elfen gingen op de grond zitten, of op hun zij liggen, steunend op een elleboog. Ze spraken geen woord.

Na het eten wendde Owyn zich tot de elf die hij aanzag voor de leider, degene die hen had aangeroepen. 'Mag ik uw naam weten?'

'Caladain,' antwoordde de elf en wees naar de andere twee. 'Zij heten Hilar en Travin.' Om beurten neigden ze het hoofd naar Owyn, die plotseling besefte dat hij geen idee had wat hij moest zeggen, en daarom maar zweeg.

'De eledhel zijn niet geneigd tot loze praatjes, zoals jullie mensen,' zei Gorath uiteindelijk.

De elfen glimlachten beleefd, alsof ze het daar niet helemaal mee eens waren, maar Owyn kon zien dat ze plezier hadden om die opmerking. 'Aha,' was alles wat hij zei.

Tenslotte pakte hij zijn bedrol, spreidde hem uit en ging liggen, alles zonder commentaar. Kort daarop viel hij in slaap onder de takken van het elfenwoud.

 

De rest van de reis verliep vrijwel zonder dat er een woord werd gesproken, en laat op de volgende dag merkte Owyn dat het in de bossen links van hem donkerder werd.

'Is het daar anders dan hier?' vroeg hij.

Caladain keek hem aan. 'Beschikt u over magische kwaliteiten?'

'Ja, hoezo?'

'Omdat de meesten van uw ras het verschil niet opmerken. Ja, dat is een van de slaaplaren. Ongenode gasten worden niet alleen door onze krijgskunst geweerd. Deze bossen zelf zijn onze bondgenoten, en er zijn veel van deze plekken. Tussen dat groepje bomen word je overvallen door een grote wens om te slapen, en het is een slaap waaruit je zonder magie niet zult ontwaken.'

Owyn wierp een blik op Gorath. 'Die erge dingen waar je het over had?'

Gorath knikte. 'In onze legenden wordt gewaarschuwd voor dat soort gevaren in de woonstee van onze...' Hij wierp een blik op zijn escorte. '...verwanten,' maakte hij zijn zin af.

Owyn wist het niet zeker, maar hij meende dat de elfen verontrust opkeken bij het horen van dat laatste woord.

Ze staken een smal beekje over en boven aan een helling kwamen ze op een enorme open plek. Owyn en Gorath hielden de teugels in.

Aan de andere kant van het weideveld rees een enorme bomenstad op. Massieve stammen, waarbij die van de oudste eiken in het niet verdwenen, torenden tot ontzagwekkende hoogten op, onderling verbonden door sierlijke takken, die met hun afgeplatte bovenkanten bruggen vormden. De meeste bomen waren donkergroen, maar hier en daar was er een te zien met bladeren van goud, zilver of zelfs een witte kleur, licht fonkelend. Heel het gebied baadde in een zachte gloed, en de aanblik verwarmde Owyn op een manier die hij niet onder woorden kon brengen.

Over de takken zag hij elfen lopen, en ook zaten er elfen aan de voet van de boomstammen, bij vuurtjes waar koks maaltijden kookten, smeden metaal bewerkten en andere werklieden hun stiel beoefenden. Het was het mooiste wat Owyn ooit had gezien, en hij kon zijn blik er niet van losmaken, tot Caladain zei: 'Elvandar.'

Owyn keek naar Gorath en zag zijn metgezel gefascineerd staren, zijn ogen groot en vochtig van tranen. Zachtjes zei hij iets, als in zichzelf, in een taal die Owyn niet verstond. Owyn wierp een blik op Caladain.

'Hij zei: "Hoe hadden we dit kunnen weten?"' verduidelijkte de elf.

'Gorath?' zei Owyn.

Gorath steeg af. 'Het is een legende. Barmalindar, de gouden woonstee van ons ras.'

'Wij nemen jullie paarden mee; zei Caladain. 'Ga naar die boom met de witte bladeren, daar worden jullie opgewacht door anderen, die jullie naar onze koningin leiden.'

Owyn en Gorath staken de open plek over, en toen ze dichter bij de bomen kwamen zagen ze elfenkinderen spelen. Elfenvrouwen zaten in een kring wol te kaarden, en op een andere plek waren elfenambachtslieden aan het werk met bogen en pijlen.

Drie elfen liepen op hen toe, en een van hen zei: 'Welkom in Elvandar. Mijn naam is Caelin, zoon van koningin Aglaranna.'

'Hoogheid. Ik ben Owyn Belefote, zoon van de Baron van Timons.'

'Ik ben Gorath van de Ardaniën.'

'Wat brengt u naar ons huis?'

'Ik kom met een boodschap van vrouwe Katala, Pucs vrouw; aan Tomas,' antwoordde Owyn.

'Volg mij dan,' zei de prins. Hij stuurde een van de anderen vooruit en liep met Owyn en Gorath mee. 'U bent de eerste van uw volk die sinds vele zomers naar ons toe komt,' zei Caelin tegen Gorath.

Snelle voetstappen waarschuwden hen voor een groepje elfenjongetjes, die de achtervolging hadden ingezet op een vriendje met een stokje in zijn hand. De haren van het jongetje waren blond, tot op het witte af, en doordat hij over zijn schouder keek, rende hij bijna tegen Caelin aan. Met een lach ving Caelin hem op en draaide een volle cirkel met hem rond. 'Voorzichtig, mijn kleine broertje.'

De jongen bleef staan en zag Owyn en Gorath. 'Nu snap ik waarom je de Koninkrijkse taal spreekt.' Hij keek zijn broer weer aan. 'Neem me niet kwalijk.'

'Geenszins,' lachte de prins.

'We zijn jagertje aan het spelen en ik was de vos.'

'Je was anders bijna gevangen.'

Het jochie schudde zijn hoofd. 'Ik liet hen heel dichtbij komen om hen niet te ontmoedigen.'

'Dit is Owyn, uit de mensenstad Timons,' zei Caelin, 'en dit is Gorath van de Ardaniën.' Vervolgens draaide de prins zich om. 'En dit is mijn broertje Caelis.'

Het jongetje knikte. 'Welkom, Owyn van Timons.' Tot Gorath sprak hij in een andere taal, en toen hij zweeg, scheen hij ergens op te wachten. Gorath deed een stap naar voren en schudde hem de hand. Toen keek Caelis weer over zijn schouder naar zijn vriendjes, die op enige afstand zwijgend en met grote nieuwsgierigheid naar Gorath_stonden te kijken. 'Pak me dan!' riep hij en was weg. Een tel later renden de anderen weer achter hem aan.

'Wat zei hij tegen je?' vroeg Owyn.

Gorath keek zowaar onzeker van zichzelf. 'Hij zei: ''Als het moet, zal ik tegen je vechten, maar ik heb liever dat je mijn vriend bent.''' Hij keek Caelin aan. 'Uw broertje is een hoogst opmerkelijke jongen.' Caelin knikte. 'Meer nog dan u denkt. Kom, het is nog maar een korte wandeling.'

Hij ging hen voor over een trap die in de zijkant van een enorme boomstam was uitgehouwen. 'Niet naar beneden kijken als je last hebt van hoogtevrees, Owyn,' waarschuwde de elfenprins. Ze gingen dieper Elvandar in, en hoe dichter ze bij het hof van de koningin kwamen, des te wonderbaarlijker alles eruitzag. Al gauw bereikten ze een groot platform, met daarop een halve cirkel van banken, aan weerszijden van een tweetal tronen. 'Mijn moeder, mag ik aan u voorstellen: twee bezoekers, Owyn, zoon van de Baron van Timons, en Gorath, hoofdman van de Ardaniën.' Caelin wendde zich tot de twee reizigers en bracht hen tot vlak voor de verbijsterend mooie vrouw die op haar troon zat. 'Mijn vrienden, mijn moeder, koningin Aglaranna.'

De vorstin was een koninklijke schoonheid, met gebogen wenkbrauwen boven twee grote lichtblauwe ogen. Haar haren waren rood-goud, en ze had een serene kalmte over zich. 'Welkom,' sprak ze met een muzikale klank in haar stem. 'Onze mensenvrienden zijn altijd welkom in Elvandar,' zei ze tegen Owyn. Vervolgens keek ze naar Gorath. 'Evenals onze verwanten die in vrede komen.' Ze maakte een gebaar. 'Onze gelederen missen alleen nog uw aanwezigheid, Gorath.'

Hij volgde haar gebaar en zag haar raadslieden, een lange elf van vele zomers, naast iemand die Gorath bekend was. 'Earanorn!'

De leider der glamredhel knikte. Zijn gezicht stond kil, maar hij verroerde zich niet. 'Gorath,' zei hij.

Aan zijn andere zijde stond een elf die er al even oud uitzag als de eerste. 'Mijn naam is Acaila, van de eldar,' sprak hij, 'en het doet mij grote deugd u hier te zien.'

Lange tijd was Gorath stil, en Owyn was ervan overtuigd dat er een vorm van communicatie tussen de elfen plaatsvond, stil, maar voor hen kenbaar. Toen, met een merkwaardig gebaar, haalde Gorath zijn zwaard uit de schede. Owyn schrok toen hij naar de koningin liep, maar bemerkte geen onrust bij de anderen.

Gorath legde zijn zwaard aan de voeten van de koningin en knielde voor haar neer. Naar haar opkijkend zei hij: 'Vrouwe, ik ben teruggekeerd.'