5 Missie
Tromslagen galmden over de bergen.
Gorath stond als aan de grond genageld. Deels wist hij dat dit slechts een herinnering was, maar tegelijkertijd was wat hij ervoer levensecht. Hij wreef in zijn handen en keek ernaar. Ze waren klein, de handen van een kind. Hij keek verder omlaag en zag blote voeten; sinds zijn vroege jeugd was hij niet meer barrevoets gegaan.
Boven op de omringende bergen joegen tromslagers hun aanhoudende ritmen de door kampvuren verlichte nacht in. Clans die op voet van oorlog met elkander verkeerden, letten op elk mogelijk teken van verraad, maar allemaal waren ze toch gekomen om te luisteren naar de Spreker. Gorath strompelde mee, zijn voeten loodzwaar van een mystieke vermoeidheid. Hoe hij zijn best ook deed, hij kon niet harder lopen.
De vrede was verbroken, wist hij. Zijn vaders volk was verraden. Hij was slechts twaalf zomers oud, en het had nog eeuwen moeten duren voordat de mantel van het leiderschap hem toe zou vallen, maar het lot had anders beschikt. Zonder dat het hem was verteld, wist hij dat zijn vader dood was.
Zijn moeder verscheen achter hem en zei: 'Wees snel. Als je moet leiden, zul je allereerst in leven moeten blijven.' Haar stem klonk als een verre echo en toen hij omkeek, was ze weg.
Plotseling was hij gekleed in harnas en laarzen, te groot voor hem al waren ze de zijne. Zijn vader was gesneuveld toen de vrede van de Spreker in razernij uiteen was gevallen. Als anderen voor hem, had de Spreker getracht de banier op te richten van Murmandamus, de enige leider die ooit de talloze clans der moredhel had verenigd. Nu stond Gorath, een kind, amper in staat het zwaard van zijn dode vader vast te houden, voor de mannen van de Havikclan, misschien wel het mistroostigste gezelschap dat zich ooit rond het vuur had geschaard. Goraths moeder tikte hem op de schouder en hij keek om. 'Je moet iets zeggen,' fluisterde ze.
Kijkend naar de mannen van zijn clan wist Gorath geen woord uit te brengen, maar deze krijgers, sommigen al meer dan een eeuw oud, wachtten tot de jongen zou spreken en hen met zijn woorden zou verheffen uit de diepte van hun hopeloosheid. Kijkend van het ene naar het andere gezicht zei Gorath uiteindelijk: 'We houden vol.'
Gorath werd gegrepen door een golf van pijn en hij viel op zijn knieën, en ineens was hij een man, neerknielend voor Bardol om trouw te zweren aan zijn bondgenoot, in ruil voor bescherming. Bardol had geen zonen en zocht een sterke echtgenoot voor zijn dochter. Gorath had zich een sluw leider getoond en zijn clan meegenomen tot hoog in de grote ijsbergen, waar ze woonden in met korstmos begroeide grotten en joegen op beren en rendieren. Vijfentwintig jaar lang hadden zijn clanleden het overleefd, en toen hij terug naar huis was gekeerd, had hij jacht gemaakt op de verrader van zijn vader. Hij was het kamp van Jodwah ingegaan en het hoofd van diens broer Ashantuk voor zijn voeten geworpen om hem uit te dagen. Vervolgens had hij Jodwah in een eerlijk gevecht gedood. De krijgers van de Lahuta, de Adelaarclan van de Noordelijke Meren, hadden zich aangesloten bij de Havikclan van de IJstoppen, en Gorath was opgestaan als de leider van de Ardaniën, de vliegende jagers in de oude taal. Als knaap van slechts zevenendertig zomers had hij meer dan honderd krijgers onder zijn bevel.
Nadien was hij nog tweemaal naar een vergadering gegaan van hoofdmannen die onbereikbare doelen nastreefden, en hij had zijn volk langzaam leeg zien bloeden in veldslagen. Zelf was hij zo slim geweest zijn clan buiten die conflicten te houden, en aldus was hij uitgegroeid tot iemand die werd opgezocht om raad, aangezien hij zelf geen ambities had. Gorath werd door velen vertrouwd. Met zijn honderdzesjarige leeftijd was hij in de kracht van zijn leven. Duizend zwaarden gehoorzaamden zijn wil.
Tijd was een rivier waarin hij zwom. Vrouwen - twee echtgenotes, die hem kinderen hadden gebaard - was hij kwijtgeraakt, de ene aan een dodelijke pijl van een mens, de andere had hem verlaten. Hij had zonen en een dochter, al leefden die niet meer. Want zelfs Gorath, die werd vertrouwd vanwege zijn wijze raad en omzichtige gedrag, zelfs hij had zich laten meeslepen in de waanzin van Murmandamus.
De legendarische leider was teruggekeerd, zoals in de profetieën was aangekondigd. Hij droeg het merkteken van de draak en beschikte over grote macht. Hij werd gediend door een priester van een verafgelegen volk, een wezen dat zich schuil hield in dikke gewaden, en een van zijn eerste volgelingen was Murad, Hoofdman van de Dasclan uit de Tanden van de Wereld. Gorath had gezien hoe Murad de rug van een krijger had gebroken op zijn knie, en wist dus dat alleen een machtig leider iemand als Murad aan zich kon binden. Ten teken van Murmandamus' invloed had Murad zijn eigen tong uitgesneden, als bewijs dat hij zijn meester nimmer zou verraden.
Voor de eerste en de laatste keer in zijn leven had Gorath zich laten meeslepen door waanzin. Het bloed dreunde in zijn oren, in harmonie met de krijgstrommen in de bergen. Hij had zijn leger naar het grote Edderwoud gebracht en gevochten tegen de krankzinnigen, de barbaren van de oude koning Roodboom, en hij had de flankpositie ingenomen tijdens Murmandamus' aanval op de mensenstad Sar-Isbandia, die door de mensen Armengar werd genoemd.
Duizenden waren er in Armengar gesneuveld, maar zijn clan had geen verliezen geleden. Wel tijdens de aanval op het woud, zij het slechts enkelen, en later ook tijdens de mars door de pas die door de mensen Hoogstein werd genoemd. Daar, bij Hoogstein, had hij zijn bloedverwant Melos verloren, de zoon van zijn moeders zuster. Daar, bij Hoogstein, was een derde van de Ardaniën omgekomen.
Toen volgde de Slag om Sethanon. Het was een beestachtige strijd geweest, maar ze hadden de stad overwonnen. Maar op het laatste moment was hun de zege afgenomen. Murmandamus was verdwenen. Volgens enkele krijgers had hij het ene moment nog in het poortgebouw van kasteel Sethanon gestaan en was hij het volgende als in het luchtledige opgegaan. Toen waren de Keshiërs in het veld gekomen, en de Tsurani, en nam de slag een wending. De reuzen uit hun hooggelegen dorpen waren als eerste gevlucht, daarna de gnomen, moedig tijdens de zege, maar snel in paniek gebracht. Het was Gorath geweest, als enige overlevende hoofdman bij het kasteel, die als eerste de terugtocht had laten blazen. Hij was komen zoeken naar de meester, want er waren gevechten uitgebroken tussen twee rivaliserende clans om oorlogsbuit, en alleen Murmandamus kon het geschil slechten. Vanwege de gevechten waren er mensen ontsnapt. Niemand kon de meester vinden en alle voortekenen, profetieën en divinaties omtrent verwoesting vervloekend was Gorath teruggegaan om de Ardaniën bijeen te roepen en noordwaarts te leiden.
De meesten van zijn krijgers hadden de veldslag overleefd, maar veel hoofdmannen wezen Gorath en zijn volgelingen aan als verraders. Negen zomers lang leefden de Ardaniën in hun vallei, hoog in de Noordelijke bergen, zonder zich met iemand anders te bemoeien. Toen was de roep gekomen.
De banieren werden andermaal geplant en nu was het Delekhan, de zoon van de man die Goraths vader had gedood en op zijn beurt was verslagen door Gorath, die de clans bijeenriep; Delekhan, de gezworen vijand van zijn bloed, die had gegeten met Murad en de slangpriester; Delekhan, het laatste nog levende lid van Murmandamus' raad. En het was Delekhan die zwoer dat Murmandamus nog steeds leefde, gevangen in het centrum van Sethanon, en alleen door hem te bevrijden konden de Naties van het Noorden het hun rechtmatig toekomende land heroveren op de gehate mensen.
En eenieder die zich uitsprak tegen Delekhan, werd neergeslagen. Er werd duistere magie gewrocht door de Zes, en een voor een verdwenen de tegenstrevers van Delekhans plan. In het besef dat ook zijn tijd zou komen, moest Gorath bericht brengen naar zijn vijanden in het zuiden, want die waren de enige hoop voor zijn volk.
Het was nacht, en hij vluchtte door ijs en pijn. Mannen die eens als broeders waren, maakten verbeten jacht op hem. Haseth, die van Gorath had geleerd met een zwaard om te gaan, de laatste van zijn bloedverwanten, was hun aanvoerder. Het was Gorath zelf geweest die zijn laatste verwant had gedood.
En weer hoorde hij de trommen dreunen. Weer zag hij de kampvuren op de berghellingen, maar nu voelde hij zich terugkeren naar het heden, terwijl de herinneringen aan zijn leven langzaam vervaagden...
Het was een jong meisje van een jaar of twaalf, met bijna spierwit haar, dat slechts een weinig neigde naar goudblond. Lichtblauwe ogen keken Gorath aan toen ze zijn handen losliet. Achter haar stonden de Prins van Krondor, de Tsuranu in het zwarte gewaad en een andere spreukenwever, die ondanks zijn kleine postuur macht scheen uit te stralen. Verder was er nog een rijzige man met een donkere huid en grijs haar, maar de mensen met wie Gorath had gereisd, Owyn en Joolstein, bevonden zich in een andere kamer.
'Wat heb je gezien?' vroeg de prins.
'Ik kan geen onwaarheden vinden, Hoogheid,' zei het meisje op vermoeide toon. 'Maar de waarheid evenmin. Zijn geest is... vreemd, chaotisch.'
Prins Arutha kneep zijn bruine ogen tot kleine splee*s en staarde Gorath aan. 'Houdt hij zijn gedachten verborgen?'
'Hoogheid,' sprak de bebaarde magiër, 'Gorath is een moredhel, en ook tegen iemand als Gamina, met haar uitzonderlijke vermogens om gedachten te lezen, kan zijn geest veel ingeschapen psychische afweermiddelen inzetten. We hebben nog nooit het voorrecht gehad een moredhel te bestuderen. En wat ik geleerd heb in mijn tijd bij de eldar -'
Bij het horen noemen van de oude leerbewaarders van de elfen kneep Gorath zijn ogen tot spleetjes. 'Jij bent Puc.'
De kleine magiër knikte. 'Dat ben ik.'
'We hebben gehoord van de mens die bij de eldar heeft gestudeerd,' zei Gorath.
'Het punt is?' vroeg Arutha.
'Ik denk dat hij de waarheid spreekt,' zei Puc.
'Ik eveneens.' De Tsuranese magiër keek prins Arutha aan. 'Neemt u het mij niet kwalijk, maar ik ben zo vrij geweest met gebruik van mijn eigen kunsten mee te kijken terwijl vrouwe Gamina de moredhel onderzocht. Het is zoals ze het stelde: er is sprake van verwarring en een vreemdsoortige geest, maar niet van bedrog. Ondanks de verschillen met ons kan ik zeggen dat u geen mens zou kunnen treffen die eerlijker is dan hij.'
'Met welk doel was u zo vrij om zonder toestemming uw kunsten aan te wenden?' vroeg Arutha. Zijn stem klonk eerder nieuwsgierig dan vertoornd.
'Een oorlog in het Koninkrijk zou veel vérstrekkende gevolgen hebben, waarvan niet in de laatste plaats de ontwrichting van de handel tussen onze beide werelden, Hoogheid. Het Hemelse Licht zou hoogst onaangenaam getroffen zijn als iets dergelijks zich voordeed, laat staan als lieden zoals hij' - hij gebaarde naar Gorath - 'achter de geheimen van de scheuring zouden komen.'
Arutha knikte, zijn gezicht bedachtzaam.
Gorath nam het woord. 'Handelsbetrekkingen daargelaten, schiet niemand iets op met een oorlog, prins. Ondanks dat moet u uw leger op oorlog voorbereiden.'
'Wat ik wel of niet moet doen is mijn eigen zaak, vogelvrije,' sprak Arutha beslist, al was het op vlakke toon. 'En ik laat mijn beslissingen niet enkel afhangen van het woord van een afvallige hoofdman. Als Joolstein niet zo'n vertrouwen in je had, zou je nu in onze kerkers kennis maken met onze beul, in plaats van hand in hand zitten met vrouwe Gamina.'
Woest keek Gorath de Prins van Krondor aan. 'Onder heet ijzer, de zweep of het zwaard zou ik je niets anders zeggen, mens!'
'Waarom verraadt u dan uw eigen volk, Gorath?' vroeg Puc. 'Waarom komt u ons in Krondor waarschuwen terwijl uw stammen al sinds de heugenis van beide rassen de mensheid van deze wereld trachten te verdrijven? Waarom zou u Delekhan aan het Koninkrijk der Eilanden verraden? Wilt u ons leger laten doen wat u zelf niet voor elkaar krijgt, namelijk een vijand vernietigen?'
De zwarte elf keek de magiër onderzoekend aan. Ondanks zijn jeugdige voorkomen was Puc een man van grote macht, en tot dusver had hij Gorath slechts op respectvolle wijze benaderd. Op zachte toon zei de elf: 'Delekhan is een bittere pil voor het Koninkrijk, maar voor ons volk is hij als gif in de aderen. Hij is een groot veroveraar met grote ambities, maar...' Hij haalde diep adem. 'Mijn volk is klein in getal,' vervolgde hij langzaam. 'We zullen nooit zo veel zwaarden en pijlen tellen als jullie mensen. We vertrouwen op degenen die bereid zijn ons te dienen, de gnomen, bergreuzen, trollen en vogelvrije mensen.' Zijn stem kreeg een bittere klank. 'Om twee zonen en een dochter heb ik gerouwd, en van twee vrouwen heb ik er een zien reizen naar de Vaders en Moeders, terwijl de andere me verliet omdat ik degene was die bij Sethanon de terugtocht blies. Mijn laatste bloedverwant is door mijn eigen toedoen gestorven, de nacht dat ik de jonge magiër Owyn ontmoette.' Nu keek hij Arutha recht in de ogen. 'Ik kan nooit meer terug, Prins van Krondor. Ik zal sterven in een vreemd land tussen lieden die mijn ras verachten.'
'Maar waarom dan?' vroeg Arutha.
'Omdat mijn volk een nieuwe oorlog als die in Sethanon niet zal overleven. Delekhan verschijnt, met op zijn hoofd de drakenhelm van Murmandamus, en de zwaarden worden geheven om een plechtige eed te zweren, maar al beschikken we over nog zo veel moed en toewijding, we missen de kracht van de aantallen. Mochten er nogmaals zo velen van ons zinloos sneuvelen, dan ligt het Noordland bloot voor verovering door mensen. We zouden zijn als een echo in de wind, want over honderd jaar zou er geen moredhel meer leven.'
'Wij vinden het best om aan deze kant van de Tanden van de Wereld te blijven,' wierp Arutha tegen. 'Wij hebben geen ambities om het Noordland te veroveren.'
'U misschien niet, hier in uw warme kasteel te Krondor, prins, maar anderen van uw ras zijn zeer bereid gebieden te veroveren om een titel te verkrijgen, dat weet u heel goed. Als er iemand bij uw koning kwam met het bericht dat hij de stad Raglam had veroverd en Harlik had bezet, en nu een derde van het Noordland in handen had, zou uw koning hem dan geen erftitel met de bijbehorende inkomsten uit die gebieden verlenen?'
'Ja, dat zou hij doen,' gaf Arutha toe.
'Dan begrijpt u dus wat ik bedoel,' zei Gorath.
Arutha wreef over zijn kin. Geruime tijd bleef hij in gepeins verzonken staan. 'Je bent erg overtuigend, Gorath. Ik zal Makala en Gamina beiden op hun woord vertrouwen en ervan uitgaan dat je geen bedrieger bent. Maar eerst moet worden bepaald of wat jij weet daadwerkelijk de waarheid is.'
'Hoe bedoelt u?' vroeg Gorath op bitse toon.
'Hij bedoelt dat u een onwetend werktuig zou kunnen zijn,' verduidelijkte Puc. 'Als deze Delekhan wist van uw vijandigheid, zou hij u dan niet kunnen hebben gevoerd met de informatie die u ons wilt brengen, met als doel dat wij hem treffen op een plek die hij van tevoren heeft bepaald?' Puc wees op de landkaarten en aantekeningen die Joolstein hem vanuit de schuur te Ezelgeel had gebracht. 'Er zitten minstens vijf valse berichten bij, door spionnen van de prins te vinden, alle met betrekking tot aanvallen op onwaarschijnlijke oorden, zoals Tannerus, Eggly, Hoogstein, zelfs Romnee.'
Plotseling keek Gorath op. 'Die naam heb ik eerder gehoord.'
'Romnee?' vroeg Arutha. 'In welk opzicht?'
'Alleen dat ik Romnee heb horen noemen door lieden die in dienst van Delekhan zijn. Er zitten spionnen van hem in dat gebied.'
'Zou je die kunnen herkennen?'
Ontkennend schudde Gorath zijn hoofd. 'Slechts enkele vertrouwelingen van Delekhan weten mogelijk precies welke mensen er voor hem werken, en dat zijn Nago's broer Narab, zijn eerste raadsman, zijn zoon, Moraeulf, en de Zes.'
'Wie zijn dat?' vroeg Puc. 'Die hebt u eerder genoemd.'
'Dat weet niemand. Ze zijn gekleed in gewaden die net zo zwart zijn als die van uw Tsuranese vriend en uzelf, met diepe kappen.'
'Pantathiërs?' opperde Puc.
'Geen slangpriesters,' zei Gorath beslist. 'Ze spreken net als u of ik, al hebben ze een accent. Niettemin, door Delekhan te dienen, verlenen ze hem de macht om de clans te verenigen. Hun magie was machtig genoeg om Nago en Narab tot tweemaal toe in het gareel te brengen toen ze zich van Delekhan trachtten te distantiëren. En bij ons volk waren zij de grootste Machtswevers.'
'Puc, zou je die kaart even willen pakken?' vroeg Arutha.
Puc haalde de kaart die de prins bedoelde, met daarop het middendeel van het Koninkrijk. Arutha legde hem op de tafel naast de kaart die Joolstein uit Ezelgeel had meegebracht. 'Welke reden zou Delekhan kunnen hebben om te opereren vanuit een rivierstadje in het hart van het Koninkrijk?'
'Misschien omdat het in het hart van het Koninkrijk ligt?' Puc wees de plek aan. 'Toen Murmandamus oprukte, kwam hij door Hoogstein en stak de Hoogwold over, in zuidwestelijke richting, dwars door het Schemerwoud en zuidwaarts naar Sethanon. Wat als Delekhan ditmaal deze pas hier nam en per boot de rivier de Rom afzakte?'
Arutha knikte. 'Via Romnee kan hij dan naar Silden, om ten noorden van de stad aan land te gaan voor een geforceerde mars richting Sethanon. Dat is de snelste route en de makkelijkste als ik de Legers van het Westen al heb ingezet in LaReu, Tannerus en een stuk of tien andere plaatsen tussen Yabon en hier. En dan zit hij ook ten westen van de legers van de koning.' Hij keek Arutha aan. 'Eindelijk begint er iets duidelijk te worden.'
'Als ik naar Romnee ga, kan ik u misschien het bewijs leveren,' stelde Gorath voor.
'Het is nog een hele stap van geloof naar vertrouwen, Gorath,' zei Arutha. 'Onze volkeren zijn te lang vijanden geweest om zo snel tot vertrouwen te komen.'
'Stuur me dan mee met uw soldaten,' drong Gorath aan. 'Delekhan moet worden tegengehouden. Als jullie zijn opmars stuiten en hem met een bloedneus terug naar het noorden jagen, vallen zijn eigen aanhangers hem af en is mijn volk gered. Evenals het uwe.'
Daar dacht Arutha even over na. 'Ik heb wel iemand die voor dat klusje geknipt is. Maar Robbie is op dit moment iets anders voor me aan het uitpluizen -'
'Nachtraven?' vroeg Gorath.
'Wat weet jij daarvan?' wilde Arutha weten.
Gorath vertelde over hun ontmoetingen in het riool met de valse Nachtraven en met jonker Robert.
Arutha knikte. 'Iemand ziet graag dat ik het leger het riool in stuur en tegelijkertijd meteen de Snaken opruim. Die twee dingen staan mogelijk met elkaar in verband, maar het kan ook toeval zijn.'
'Volgens mij staan ze met elkaar in verband; meende Gorath. 'Ik heb niemand over Nachtraven horen spreken, maar wel over informatiebronnen die Delekhan verspreid over het Koninkrijk heeft.'
'En volgens de berichten van uw jonker Joolstein, ook nog spionnen in het keizerrijk.' Makala hield de robijn omhoog die Joolstein hem had terugbezorgd. 'Deze diefstallen duren nu al een tijdje.' De Tsuranese magiër keek Arutha aan. 'Naar mijn idee staan al deze gebeurtenissen met elkaar in verband.'
Arutha knikte nogmaals en keek Gorath aan. 'Ik stuur jou terug naar je kamer, onder bewaking. Morgenochtend laat ik je weer ophalen om je reis naar Romnee uit te stippelen. Op de snelste paarden duurt het nog steeds weken om heen en weer te gaan en we hebben op de kortst mogelijke termijn informatie nodig.'
Gorath stond op van de tafel en met een kort hoofdknikje naar Gamina en Puc verliet hij de kamer.
Arutha slaakte een zucht van frustratie. 'Zo veel van wat hij weet is gebaseerd op opgevangen gesprekken en geruchten. Ik geloof best dat zijn waarschuwing gemeend is, maar klopt het verhaal wel?'
Ridder-Maarschalk Gardaan, die tot dusver had gezwegen, zei: 'Ik vertrouw hem niet, Hoogheid. Daarvoor hebben we door de jaren heen te vaak tegen hen gevochten.'
'Maar welke keus heb ik, maarschalk?' vroeg Arutha. 'Als zijn waarschuwing terecht is, komt er een nieuwe Grote Opstand, en als we ons vergissen, zitten we straks misschien in dezelfde situatie als de vorige keer, toen de legers in allerijl naar Sethanon moesten terwijl de moredhel er al waren.'
'Waarom Sethanon?' vroeg Makala, kijkend op de landkaart. 'Waarom geloven ze dat deze Murmandamus daar gevangen wordt gehouden?'
Met een blik op Puc antwoordde Arutha: 'Daar is hij verdwenen. Er zijn geruchten over die stad en Murmandamus had zichzelf wijsgemaakt dat hij, door die stad in te nemen, het Koninkrijk in tweeën zou splitsen, zodat hij ons zou hebben verslagen.'
Het was een zwakke leugen, wist Puc, maar Makala zei: 'Vaak worden in een oorlog beslissingen gebaseerd op verkeerde veronderstellingen. Maar is er bewijs dat Murmandamus inderdaad dood is?'
'Alleen mijn woord,' antwoordde Arutha, 'want ik ben degene die hem heeft gedood.'
Makala keek Arutha aan. 'En we kunnen er veilig van uitgaan dat ze u niet op uw woord zullen geloven, nietwaar?'
Arutha knikte.
Puc schudde zijn hoofd van frustratie. 'Mijn dochter en ik moeten nu een poosje weg, maar we komen terug, Arutha. En eigenlijk maak ik me meer zorgen over die geheimzinnige zes magiërs dan over het nieuws dat Gorath ons bracht.'
'Ja,' viel Makala hem bij, 'die geheimzinnige magiegebruikers. Wij van de Assemblee zullen je met genoegen bijstaan, Puc, als we kunnen. Laat het maar weten.'
'Kom je naar Sterrewerf?' vroeg Puc.
'Ik heb eerst wat berichten naar de anderen op Kelewan te schrijven,' antwoordde Makala, 'maar daarna kom ik zo spoedig mogelijk naar Sterrewerf.'
Puc knikte, haalde een bol uit zijn gewaad en legde een arm rond het middel van zijn dochter. Hij activeerde de bol en met een licht gezoem verdween het tweetal.
'Konden we allemaal maar zo snel van de ene naar de andere plek gaan,' verzuchtte Arutha.
'Het voorkomen dat legers dat doen is nu juist een van de redenen dat mijn broederschap van magiërs deze apparaten zo goed bewaakt, Hoogheid,' zei Makala. 'We zullen voorzichtig moeten zijn met onze rol in dergelijke zaken, hoewel u, gezien de instelling van onze keizer, op korte termijn hulp kunt verwachten, mocht u die nodig hebben,' besloot hij, verwijzend naar het feit dat Ichindar, de keizer van Tsuranuanni, een voorstander was van nauwe betrekkingen met het Koninkrijk.
Arutha bedankte hem, en Makala en Gardaan vertrokken. Alleen in zijn kamer bleef Arutha tot laat in de avond zitten, peinzend over de waarschuwing van de vogelvrije moredhelse hoofdman, en hoe vaak hij de hele kwestie ook wilde afdoen als een schertsvertoning of hooguit een dominantiestrijd tussen verschillende partijen binnen de moredhel, hij kon het niet. Er dreigde weer oorlog, hij voelde het in zijn botten. Tenzij zijn zeer gewaardeerde kracht, een voormalige dief die hoveling was geworden, die oorlog wist te stelen uit de handen van degenen die hem wilden laten ontketenen.
Arutha rinkelde met een belletje dat op zijn tafel stond. Ogenblikkelijk verscheen er een hofjonker bij de deur. 'Hoogheid?'
'Zeg de wacht mij meteen in te lichten zodra jonker Robert in het paleis terug is, ongeacht het uur.'
'Ja, Hoogheid,' zei de hofjonker en sloot de deur om te gaan doen wat hem was opgedragen.
Nog steeds trok Arutha zich niet terug in zijn woonverblijf, want ook al had hij de beslissing genomen om Robbie met Gorath mee naar Romnee te sturen, er kwelden hem nog honderden andere vragen, waarvan de belangrijkste: wie waren de Zes?
Gorath was wakker zodra de deur openging. Hij stond op, de vuisten in de aanslag, want ook ongewapend stond hij paraat om zich te verdedigen. Hij had er geen vertrouwen in dat er geen moordenaar het paleis in kon komen, want hij herinnerde zich gebeurtenissen van jaren geleden, toen de Prinses van Krondor bijna was gestorven door het toedoen van iemand die door Murmandamus was gestuurd.
Gorath ontspande zich toen hij zag dat zijn bezoeker jonker Robert was. 'Gegroet,' zei de jongeman.
'Gegroet,' zei Gorath terug en ging zitten in een stoel naast een raam met uitzicht op een tuin. 'Word ik weer ondervraagd?'
'Nee,' zei Robert. 'We gaan een reisje maken naar Romnee.'
Meteen stond Gorath op. 'Aangezien ik niets te pakken heb, sta ik klaar voor vertrek.'
Voor proviand wordt gezorgd, maar we nemen zo weinig mogelijk bagage mee.'
'Ik had een escorte van minstens een voltallige compagnie verwacht, voor het geval we onderweg naar Romnee worden aangevallen,' zei Gorath.
Robert glimlachte. 'Te veel drukte en moeite.' Hij stak een hand in zijn tuniek en haalde er een merkwaardig toestel uit, een bol met kleine hefboompjes erop die met de duim konden worden bediend. 'En we gaan niet rijden.'
'Hoe gaan we dan?' klonk een stem achter Robert.
Robert keek om en zag Owyn achter hem staan. 'We gaan helemaal niet. Gorath en ik gaan. Jij blijft hier of je gaat terug naar Timons, net wat je wilt.'
'Hier kan ik niet blijven,' zei Owyn. 'Ik heb niets te doen en ik ben niet in dienst van de prins. En terug naar Timons kan ik niet. Stel dat ik onderweg gevangen word genomen en moet praten?'
Robert grijnsde. 'Wat weet je allemaal?'
'Dat jullie naar Romnee gaan,' antwoordde Owyn.
'Hoe weet je dat?'
'Ten eerste kan ik kaartlezen en ten tweede heb ik Gorath en Joolstein genoeg met elkaar horen praten om te weten dat ik daar als eerste heen zou gaan.' Haastig vervolgde Owyn zijn smeekbede: 'En trouwens, ik kom uit het Oosten, dus ik weet daar de weg. Ik heb familie in Ran, Cavell en Dolth en ik ben in Silden en Romnee geweest.'
Robert schudde zijn hoofd, alsof hij zich iets bedacht. 'Laat maar zitten. Ik weet nog dat Joolstein en ik iets dergelijks zeiden tegen iemand die niet wilde dat we meegingen, jaren geleden. Goed dan, je mag mee. Beter dat je ons voor de voeten loopt dan dat we je later ergens dood terugvinden, denk ik.'
Robert nam hen mee naar een lege ruimte in een ander deel van het kasteel, waar wapens en reis spullen lagen opgeslagen. Gorath pakte een zwaard op. 'Een lamprei!'
'Dat is een prik, ja,' zei Robert, 'maar waarom noem je hem zo?'
'Een naam, meer niet,' zei Gorath. 'Mijn volk heeft niet altijd in de bergen gewoond, mens. Eens leefden we langs de kust van de Bitterzee.' Hij bewonderde de kromming van de kling en woog het gevest in zijn hand, waarna hij het wapen terug in de schede stak. 'Ik zal maar niet vragen hoe jullie in het bezit zijn gekomen van een zwaard dat door mijn volk is gemaakt.'
'Wat had je dan verwacht?' Robert wees naar twee rugzakken. 'Proviand en andere voorraden, want we zullen misschien wat afstanden moeten afleggen, maar eigenlijk hoop ik zo snel mogelijk weer uit Romnee te kunnen vertrekken.'
'Waar is Jool?' vroeg Owyn.
'Die vertrekt over een uur op een andere missie voor de prins. Nadat we klaar zijn in Romnee, ga ik achter hem aan. Dit is niet het enige ijzer in het vuur, bij wijze van spreken, al is het wellicht wel het belangrijkste.'
Ze pakten hun spullen.
'En nu?' vroeg Owyn.
Weer haalde Robert de bol te voorschijn. 'Kom dicht bij me staan. Gorath, leg je hand op mijn schouder, en Owyn, jij de jouwe op die van hem.' Robert legde zijn linkerhand op Owyns schouder en met de rechter activeerde hij de bol.
Er klonk een gezoem en de kamer scheen rondom hen op te lossen. Ineens stonden ze in een andere ruimte.
'Waar zijn we?' vroeg Gorath.
'In Malachskruis.' Robert ging de deur opendoen en tuurde naar buiten. 'We staan in een gebouw van vrienden van de prins. Laat mij maar voorgaan, voordat je schedel wordt gekliefd zonder dat je je bekend hebt kunnen maken.'
Ze bevonden zich op de bovenverdieping van een gebouw. Toen ze de trap af liepen, kwam er een monnik in een effen grijs gewaad een hoek om, die hen met open mond bleef aanstaren. 'Eh...' begon hij.
Robert hield een hand omhoog. 'Zeg abt Graves maar dat we er zijn, broeder.'
De monnik draaide zich om en repte zich weg om te doen wat hem was gezegd. Robert ging hen voor naar wat duidelijk eens de gelagkamer van een herberg was geweest. Een forse man met een korte baard vol grijze haren liep op hem toe. 'Robbie, jij schurk! Wat heeft dit te betekenen?'
'Hallo, Ethan. Iemand van enig gewicht wil dat we vlot op weg naar het Oosten gaan om zo snel mogelijk weer terug te komen. Dat Tsuranese apparaat was onze vliegende start.'
'Dus jullie komen uit Krondor?'
Robert knikte bevestigend. 'Heb je paarden die we mogen lenen?'
'Nee, maar ik stuur wel een broeder naar Yancy's stal om er drie te halen. Zin om te vertellen waar het over gaat?'
'Nee,' antwoordde Robert. 'Vertrouw me dus maar gewoon.'
'Wij kennen elkaar al een hele tijd, jongen,' zei Ethan Graves, 'nog uit donkerder tijden toen ik een ander mens was. Maar al heb ik grote achting voor je meester, mijn trouw berust nu uitsluitend bij de tempel. Dus als het iets is wat de Tempel van Ishap aangaat, kan je me dat maar beter zeggen.'
Robert haalde zijn schouders op. 'Als ik kon, zou ik dat zeker doen, maar op dit moment berust er nog te veel op veronderstellingen. Maar laat ik zeggen dat het tijd is om behoedzaam te zijn.'
Graves begon te lachen. 'Behoedzaam zijn we altijd. Waarom zouden we anders deze herberg kopen en in een abdij veranderen?'
'Is alles... in orde?'
'Ga zelf maar kijken,' antwoordde Graves. 'Je weet waar je moet zijn.'
'Heb je paarden klaar staan als we terugkomen?'
'Met alles wat je nodig hebt.'
'Alleen paarden. De rest zit al hier in.' Hij gebaarde naar de rugzakken die ze om hadden, deed de zijne af en zei tegen de anderen: 'Kom mee. We komen deze over een uur weer ophalen.'
Ze verlieten de herberg en Owyn keek over zijn schouder. Het was een bescheiden gebouw van twee verdiepingen, met een stalerf, een paar buitengebouwen en een voorraadschuur. Het gebouw bevond zich aan de rand van een klein stadje dat zich naar het oosten toe uitstrekte. Ishapische monniken waren hard aan het werk om het houten hek rondom het erf te vervangen door steen.
'Wat is dit eigenlijk?' vroeg Gorath terwijl ze in zuidelijke richting liepen, over een pad door bossen.
'Een verlaten herberg, die door de Tempel van Ishap is overgenomen. Ze zijn hem aan het verbouwen tot abdij.'
'Waarvoor?' vroeg Gorath.
'Er is iets verderop dat ze in het oog willen houden.'
'En dat is?' vroeg Owyn.
'Iets wat jullie geen van tweeën hoeven te weten.'
Nog een tijdlang liepen ze verder over het bospad, tot ze arriveerden op een open plek. Daar bleef Gorath stokstijf staan, even van zijn stuk gebracht door wat hij zag. Iets verderop stond een groot standbeeld van een liggende draak, tot in de kleinste bijzonderheden uitgevoerd, de kop op de grond, de vleugels ontvouwend alsof hij op het punt stond op te staan.
'Wat is dat?' vroeg de zwarte elf. Hij liep rond het beeld, het aandachtig bekijkend.
'Dit is het Orakel van Aäl,' antwoordde Robert, gebarend naar een votiefgeschenkplaat op de grond voor de draak.
'Ik dacht dat het slechts een legende was,' liet Owyn zich ontvallen.
'Zoals zo vele legenden gebaseerd op waarheid,' zei Robert. Hij wees naar de plaat. 'Gooi er maar een munt op en leg je hand op de draak.'
Owyn viste een zilveren munt uit zijn beurs en wierp hem op de plaat. Een ogenblik voordat hij op het metalen oppervlak zou belanden, verdween de munt. Owyn stak zijn hand uit en raakte de draak aan...
Hij bevond zich ergens anders. Het was een grote grot - immens was een beter woord, bedacht Owyn. De lucht in de onderaardse ruimte bewoog met de statige traagheid van eeuwen, en vlak voor Owyn rees de gedaante op van een gigantische draak. De kop die op de grond rustte, was groter dan de grootste wagen die Owyn ooit had gezien. Het lichaam fonkelde van de edelstenen in allerlei tinten, voornamelijk diamanten, maar ook smaragden, saffieren, robijnen en opalen, in patronen die over de drakenrug wervelden en het dier een aanzien gaven als van een glinsterende regenboog. Het was moeilijk zijn blik ervan los te scheuren.
'Slaap ik?' vroeg Owyn.
'In zekere zin. Maar vlug, je betreedt een gevaarlijk pad. Wat is je vraag aan het Orakel van Aäl?'
'Ik blijk verwikkeld te zijn geraakt in iets wat ik niet begrijp, maar ik voel me verplicht met mijn metgezellen verder te gaan. Is dat verstandig?'
'Aan het einde van je reis zal je zijn veranderd en je zult nimmer op je schreden terug kunnen keren. In de komende dagen zal je veel ontberingen te lijden hebben en nog menigmaal zal je jezelf onbeduidender achten dan je in werkelijkheid bent.'
'Kan ik de moredhel Gorath vertrouwen?'
'Hij is meer dan zelfs hij van zichzelf weet. Vertrouw hem, al zal hij zichzelf niet altijd vertrouwen. Hij zal veel weten te bereiken, ook voor degenen die zijn naam vervloeken en nooit van zijn daden zullen weten.'
Plots knikten Owyns knieën en stond hij te wiebelen op zijn benen. Door sterke handen werd hij vastgepakt en overeind gehouden. Hij knipperde met zijn ogen en stond weer voor het standbeeld. 'Is alles goed met je?' vroeg Gorath. 'Je legde je hand op het standbeeld en leek ineen te zakken.'
'Ik was ergens anders,' zei Owyn. 'Hoe lang ben ik weggeweest?'
'Weggeweest?' vroeg Gorath. 'Je bent helemaal niet weggeweest. Nauwelijks raakte je dat beeld aan of je begon te zwaaien op je benen, en toen heb ik je bij je arm gepakt.'
'Het leek veel langer,' vond Owyn.
'Dat gebeurt soms,' zei Robert, het stenen beeld aanrakend. Een ogenblik later trok hij zijn hand terug. 'Wie het orakel te spreken krijgt, bepaalt het orakel zelf. Wat heeft ze tegen je gezegd?'
Owyn wierp een blik op Gorath en Robert. 'Alleen dat ik... jullie moest vertrouwen.'
'Heeft het orakel verder nog iets nuttigs gezegd?' vroeg Robert, Owyn bij een arm pakkend.
'Alleen dat we in de komende dagen veel ontberingen te lijden zullen hebben.'
Gorath snoof minachtend. 'Ik geen orakel nodig om dat te weten.'
'Laten we maar weer teruggaan naar de abdij om te zien of onze paarden klaar staan,' zei Robert. 'We hebben nog een hele rit voor de boeg.'
'Waar gaan we heen?' vroeg Owyn. 'Salador?'
'Nee, de heerbaan naar Silden. Die wordt minder vaak gebruikt en is daardoor gevaarlijker, maar iemand die ons zoekt, zit nu vast en zeker nog steeds ergens buiten Krondor te wachten tot wij ons hoofd buiten het paleis steken. Met een beetje geluk zijn we al op de weg naar Romnee voordat onze vijanden er eindelijk achter komen dat we ons niet meer in het paleis bevinden.'
Owyn knikte en terwijl ze de terugtocht naar de tot abdij geworden herberg aanvaardden, wierp hij een blik over zijn schouder naar de open plek met het drakenstandbeeld. Er was iets wat hij in zijn droomstaat had bemerkt, iets waarover hij met geen woord had gerept: het orakel was bang.