16 Taken
De koningin stond op.
Ze stapte van haar troon, bleef voor Gorath staan en legde haar handen op zijn schouders. 'Sta op,' zei ze vriendelijk.
Dat deed Gorath, en de koningin keek hem in de ogen. 'Wanneer onze verloren verwanten naar ons terugkeren, kan deze verandering in hen worden gezien.' Met een geruststellende glimlach sprak ze op verzoenende toon: 'Maar in jou voel ik iets anders. Je bent nog niet bij ons teruggekeerd, Gorath, maar je bent er al wel mee bezig. Je reis terug naar je volk is nog niet voltooid.' Ze keek naar de glamredhel-leider. 'Er zijn hier anderen die hun reis nog niet voltooid hebben, dus je staat niet alleen. Wanneer je terugkeer compleet is, krijg je een nieuwe naam, maar tot die tijd blijf je Gorath. Maar vanaf nu ben je Gorath van Elvandar. Je bent thuisgekomen.'
Ze omhelsde hem, hield hem een lang, geruststellend moment vast en nam weer plaats op haar troon.
Owyn zag Gorath zijn zwaard oppakken en terug in de schede doen. 'Als het Hare Majesteit behaagt,' zei de jonge edelman, 'mag ik dan een vraag stellen?'
'Dat mag.'
'Ik heb een boodschap voor uw echtgenoot van de vrouw van Puc de Magiër.'
'Zoon,' zei Aglaranna, 'breng deze twee gasten alsjeblieft naar mijn woonverblijf'
Prins Caelin beduidde Gorath en Owyn hem te volgen en ze maakten nog een buiging voor Aglaranna.
'U mag gaan,' zei de koningin van de elfen, 'en als u met Tomas hebt gesproken, kom dan terug voor een uitgebreide maaltijd.'
Ze volgden Caelin, en Owyn ging naast Gorath lopen. 'Ik heb niet helemaal begrepen wat ik zojuist heb gezien.'
'Dat leg ik je later wel uit,' beloofde Gorath.
'Mijn moeders echtgenoot is gewond geraakt bij een schermutseling aan de grens met een groep moredhel die op hun plundertocht naar het zuiden op onze gebieden kwamen,' zei Caelin.
'Dat waren geen plunderaars,' wierp Gorath tegen. 'Dat waren leden van Obkhars clan die voor Delekhan vluchtten naar het Groene Hart.'
Caelin neigde zijn hoofd bij het horen van deze verbetering. 'Hoe dan ook, Tomas werd geraakt door een vergiftigde pijl en moet nu het bed houden.' Hij hield een rijkelijk versierd wandkleed opzij en nam hen mee naar een groot afgezonderd terras met uitzicht op het prachtige Elvandar. In een nis die met een groot gordijn kon worden afgeschermd, lag een rijzige man op een bed. 'Ik zal even kijken of hij wakker is,' zei Caelin.
'Ik ben wakker,' klonk een zwakke stem vanuit de nis.
'Tomas, dit zijn Owyn, uit Timons, en Gorath, een onzer terugkerenden. Ze brengen een boodschap van Pucs vrouw.'
Owyn en Gorath kwamen naderbij en zagen een forse, jong ogende man van zeker zes en een halve voet lang die onder een donzen deken lag, zijn hoofd ondersteund door kussens. Gorath aarzelde toen hij vlak bij het bed kwam. 'Ik had de geruchten vernomen,' zei hij zacht, 'al werden ze maar zelden geloofd. Maar het is dus echt zo. Hij is Valheru.'
'Niet helemaal, tot onze eeuwige dank,' verklaarde Caelin.
'Graag kwam ik overeind om jullie te begroeten,' zei Tomas, 'maar ik verkeer momenteel niet echt in de conditie om dat te doen.'
'Vergif?' vroeg Gorath. 'Van welk soort?'
'Een groene, brijachtige substantie die ons onbekend is.'
'Coltari,' wist Gorath. 'Men beweert dat het afkomstig is van de Tsuranese wereld, genoemd naar de provincie waar het vandaan komt. We zagen het voor het eerst in de tijd dat Delekhan de clans bijeen begon te brengen.'
'Is er een tegengif?' vroeg Caelin.
'Mag ik de wond zien?'
Tomas wenkte Gorath, draaide zijn hoofd en toonde hem een ontstoken wond in zijn hals, vlak boven de rechterschouder.
'Eigenlijk had u al dood moeten zijn,' zei Gorath.
Tomas glimlachte en Owyn werd getroffen door zijn jeugdige voorkomen. Het was een opvallende man, met hoekige gelaatstrek ken, zijn oren bijna net zo puntig als die van de elfen. 'Ik heb gemerkt dat ik niet zomaar kan worden gedood. Daarentegen kan ik wel degelijk op de knieën worden gebracht. Ik heb op dit moment niet eens de kracht van een pasgeboren hondje.'
'Dat hij nu nog leeft, betekent dat hij ook weer beter wordt, maar hoe lang dat gaat duren kan ik niet zeggen,' zei Gorath. 'Iemand met een lichte coltari-vergiftiging kan weken ziek blijven alvorens langzaam te genezen.'
'Over een paar dagen ben ik mezelf weer,' glimlachte Tomas.
'Mijn moeders echtgenoot is een eeuwige optimist,' zei Caelin. 'Hij zal nog wel een paar weken het bed moeten houden, denk ik. Onze genezers hebben gedaan wat in hun vermogen ligt.'
'Hoe luidt de boodschap die jullie brengen van Katala?' vroeg Tomas.
'Ze vroeg ons u te zeggen dat Puc en Gamina uit Krondor zijn verdwenen,' vertelde Owyn. 'Puc heeft een cryptische aantekening achtergelaten: "Naar Tomas! Het Boek van Macros!" Onderweg hebben we de abdij van Sarth aangedaan, maar daar weten ze niets over dit boek. Hebt u het in bezit?'
'Ja,' antwoordde Tomas, 'maar het is eigenlijk geen boek. Caelin, wil jij me dat kistje even brengen dat naast mijn wapenkist staat?'
Caelin voldeed aan zijn verzoek en overhandigde Tomas het klei ne houten kistje. Tomas maakte het open en haalde er een tekstrol uit. "'Boek van Macros" is een zinsnede die Puc en ik hebben afgesproken om mij te laten weten dat hij mijn hulp dringend nodig heeft. Hij heeft deze tekstrol gemaakt, zodat degene die hem leest naar Puc wordt getransporteerd.' Hij kwam overeind. 'Caelin, help me met mijn wapenrusting.'
'Nee, Tomas, je hebt de kracht niet. Je kunt je vriend in je huidige toestand niet gaan helpen.'
'Maar Puc stuurt zo'n boodschap alleen als hij echt dringend hulp nodig heeft.'
'Ik ga wel,' zei Caelin.
'Nee,' zei Gorath, 'wij gaan.'
'Prins Arutha heeft ons opgedragen Puc te vinden,' legde Owyn hun uit, 'en als dit ons bij hem brengt, hebben we onze missie volbracht.'
'Met alle respect, prins Caelin,' zei Gorath, 'maar ik zou verrast zijn als ik van ons tweeën niet de meest ervaren krijger was. En u hebt uw plicht jegens uw volk hier, om de krijgers aan te voeren terwijl Tomas geneest.'
'En ik kan een beetje magie, heer Tomas, wat van belang kan zijn,' voegde Owyn eraan toe.
'Ik zou ook een paar dagen kunnen wachten; opperde Tomas.
'De tijd dringt,' wierp Gorath tegen. 'De reis hier naar toe heeft al enkele weken geduurd, en binnenkort opent Delekhan de aanval op het Koninkrijk. Arutha vreest zijn magiërs, wat de reden is dat hij Puc wil inschakelen. Laat ons gaan. Wij zijn dan misschien niet de beste keus, maar we zijn wel beschikbaar en bereid dit op ons te nemen.'
Owyn pakte de tekstrol. 'Mag ik?' Tomas knikte.
'Zeg de koningin dat we de maaltijd komen gebruiken wanneer we terug zijn,' zei Gorath.
Owyn rolde het perkament af en wierp er een blik op. 'Gorath, kom achter me staan met je handen op mijn schouders.'
De tekst was geschreven in een vreemde taal, maar desondanks wist het schrijven zijn aandacht vast te houden en zijn ogen regel voor regel verder te sturen, en terwijl hij las, verschenen er symbolen voor zijn geestesoog, fel brandend als letters van vuur. Toen hij tenslotte aankwam bij de laatste regel, werd hun omgeving onvast en vaag, en plotseling werden ze voortgestuwd over een glasachtig oppervlak dat los hing in een grijze leegte.
Door een tunnel van licht snelden ze, waar ze werden bestookt door allerlei gewaarwordingen en geluiden en geuren, die echter weer verdwenen voordat ze die ten volle konden bevatten. Ineens vlogen ze naar een ander glinsterend vlak van zilverachtig licht en werden ze languit voorover op de grond geslingerd.
Ze kwamen overeind op grijze, poederige aarde, met grote roodachtige rotswanden aan weerszijden. De hemel was een levendig violet in plaats van blauw, en er hingen vreemde, merkwaardige geuren in de lucht. De wind was droog en koud.
'Waar zijn we?' vroeg Gorath.
'Nergens op de wereld die wij kennen. We zijn ergens anders.'
'Waar dan?'
'Weet ik niet,' antwoordde Owyn. In het oosten stond een fel brandende, kleine witte zon vlak boven de bergen, die het gebied dompelden in diepblauwe en zwarte schaduwen. 'Maar het ziet ernaar uit dat de avond valt, en we hebben onderdak nodig.'
Owyn begon aan de bezwering om licht te maken, en plots drong er een verschrikkelijke waarheid tot hem door. 'Gorath! Magie werkt hier niet!'
Robert bestudeerde de kaart. 'Weet je het zeker?' vroeg hij de soldaat.
'Ja, jonker. Ik heb minstens drie van hun patrouilles over dat geitenpad en op die richel gezien.'
Joolstein keek naar de posities op de kaart. 'Wat zijn ze aan het doen?'
'Ze kunnen onmogelijk grote aantallen krijgers over dat pad verplaatsen, dus het moeten verkenners zijn geweest. Maar wat verkennen ze?'
'Misschien willen ze zien of we versterking krijgen?' opperde de soldaat.
'Nou, als ze versterking zien, dan hoop ik dat ze zo vriendelijk zijn om ons dat te laten weten,' merkte Joolstein op.
Juist wanneer ze geen versterking zien, kunnen we de aanval verwachten,' zei Robert, die de humor van de situatie niet kon inzien. 'Stuur een koerier in galop een dag richting Schemerwoud en weer terug,' droeg hij de soldaat op. 'Ik wil weten of de prins al onderweg is. Zo niet, dan kunnen we binnenkort de aanval verwachten.'
De soldaat haastte zich de kamer uit en Robert keek Joolstein aan. 'Ik denk dat we ervan uit moeten gaan dat Gorath en Owyn het niet hebben gehaald.'
'Dus dan moeten we deze positie vasthouden tot...'
'Tot we worden afgelost of veroverd.'
Even was Joolstein stil. 'Organiseren we net zo'n terugtocht als toen in Hoogstein, als het duidelijk wordt dat we gaan verliezen?'
Robert zweeg geruime tijd terwijl hij nadacht over die vraag. 'Nee. We houden stand tot de laatste snik.'
Joolstein slaakte een lange, theatrale zucht. 'Dat brengt onze functie met zich mee, neem ik aan.'
'Ik geloof dat Arutha zou zeggen: "Het wordt tijd om onze kost te gaan verdienen.'''
Van ergens diep van binnen scheen Joolstein vastberadenheid te putten. 'Goed, laten we er dan maar voor zorgen dat we dat waardig doen.'
Ze verlieten het kantoor van wijlen de baron en zetten zich aan de vele taken voor de voorbereiding op de komende slag.
De zon kwam op boven een vreemde, verlaten wereld. De paar ogenblikken die de ondergaande zon hun de vorige avond had gegund, hadden ze doorgebracht met het zoeken naar onderdak. Ze hadden een ondiepe grot gevonden, waar ze koud en hongerig de nacht in het donker hadden doorgebracht.
Toen de hemel oplichtte maakte Gorath Owyn wakker. De jonge magiër was bijna in paniek geraakt nadat hij had ontdekt dat zijn magie op deze wereld het niet deed.
En dat was tevens de tweede schok die Owyn haast te veel was geworden: ze bevonden zich op een andere wereld. Dat stond buiten kijf. Gorath kende de noordelijke Midkemische nachthemel op zijn duimpje, aangezien hij er het grootste deel van zijn leven onder had geslapen, maar ook Owyn wist dat er op Midkemia drie manen waren, en niet één enkele grote, tweemaal zo groot als de grootste die op Midkemia aan de hemel stond.
'Waar is Puc?' vroeg Gorath.
'Als die bezwering was ontworpen om Tomas naar hem toe te brengen, moet hij in de buurt zijn.'
In het toenemende licht keek Gorath naar de grond. 'Kijk,' wees hij. 'Sporen.'
Owyn keek en zag afdrukken van sloffen in het zand. 'Misschien is Puc hier verschenen, en kon die bezwering ons niet verder brengen.' Inwendig kromp hij ineen toen hij besefte wat hij zojuist had gezegd. 'Wat sta ik nou te kletsen? Ik heb geen idee wat ons of Puc is overkomen.'
Gorath knielde bij de sporen neer. 'Eén paar begint hier.' Hij wees naar een plek waar ze ongeveer waren verschenen, en zijn hand volgde een lijn. 'Degene die deze voetafdrukken heeft gemaakt is die kant op gegaan.' Hij stond op en begon de sporen te volgen. Owyn ging hem achterna terwijl hij rondkeek. Het licht klopte niet en de hemel was bijna helemaal helder, met slechts een paar dunne wolken, zo hoog in de atmosfeer dat ze nauwelijks zichtbaar waren. De wind was droog en koud, en er was bijna nergens vegetatie te zien. Het deed Owyn nog het meeste denken aan de hoge rotsachtige bergen van het Noordland, waar hij met Gorath had gereisd.
'Er komen andere sporen bij,' zei Gorath, wijzend naar een plek op de grond waar Owyn weinig meer zag dan een paar schuifelsporen in de aarde. 'Als het eerste paar sporen van Puc zijn, is hij onderschept of gevolgd door minstens vier anderen. Ze lopen allemaal in die richting.' Hij wees naar een reeks heuvels in de verte. 'Dus daar moeten we denk ik naar toe.'
Naarmate de zon hoger aan de hemel kwam te staan, begon de temperatuur te stijgen. 'Dit is een woestijn,' zei Owyn. 'Ik ken de verhalen van degenen die in de Jal-Pur zijn geweest. Ik heb me door de kou van vannacht beet laten nemen.' Hij bleef staan, maakte zijn reis bundel open en haalde er een extra tuniek uit, die hij als een kap op zijn hoofd bond. 'Voordat we iets anders gaan doen, moeten we water zoeken.'
Gorath keek rond. 'Je hebt gelijk,' zei hij uiteindelijk. 'Ik zie nergens open water.' Zijn blik ging in de richting van hun doel. 'Van woestijnen heb ik niet zo veel verstand, maar als er ergens water is te vinden, lijkt me dat het daar in die heuvels nog de beste plek is om te gaan zoeken. Laten we deze koers maar aanhouden.'
Bij gebrek aan een beter voorstel stemde Owyn in. Ze sjokten door een landschap van hard gesteente, gebarsten rotsblokken en verweerde heuvelkammen. 'Als er hier ooit iets heeft gegroeid, is het lang geleden uitgestorven,' merkte Gorath op. Terwijl ze verder liepen, vroeg hij: 'Heb je al enig idee waarom jouw magie hier niet werkt?'
'Nee,' zei Owyn met een somber gezicht. 'Ik heb ieder toverwoord, bezwering, meditatie en oefening geprobeerd die ik me kon herinneren, en allemaal schenen ze te doen waarvoor ze zijn bedoeld, maar er was geen ... magie!' Hij schudde zijn hoofd. 'Het is net alsof er hier geen mana is.'
'Mana?' vroeg Gorath.
'Dat is een van de termen ervoor,' verklaarde Owyn. 'Tenminste, zo noemde Patrus het. Ik weet niet of andere magiërs dat ook doen. Maar het is de energie die zich met alles bindt, maar wel kan worden gemanipuleerd om magie te bedrijven. De meeste mensen begrijpen niet hoe magie werkt. Ik heb geen macht in mij. Ik ken alleen een aantal woorden, daden, beelden, dingen die me helpen de macht, of mana, uit de wereld om me heen te verzamelen. Maar het is alsof er hier geen mana is. Het doet me betreuren dat ik geen magiër van het Mindere Pad ben.'
'Wat is dat?' vroeg Gorath. Liever liet hij zich door de jongen instrueren dan dat ze zwijgend voorts jokten.
'Die werken langs een ander pad in de magie. Patrus is een magiër van het Mindere Pad, die me zei naar Sterrewerf te gaan toen duidelijk werd dat hij me de "verkeerde" magie aan het leren was. Voordat Puc op de Tsuranese wereld was geweest, kende niemand het verschil tussen de twee paden der magie, in ieder geval niet op Midkemia. Het Mindere Pad is deel van de magie, bij gebrek aan een betere term. De magiër legt een verbinding met het wezen van de grond onder zijn voeten, of van het water dat overal is, zelfs in de lucht, of met de wind zelf Het potentieel van de meeste brandbare stoffen voedt het wezen van die magiërs wier wezen in verband staat met vuur. Ik denk dat een magiër van het Mindere Pad hier wel wat magie uit deze wereld zou kunnen persen, maar ik sta machteloos.'
'Zou dat ook gelden voor Puc?'
'Dat weet ik niet,' antwoordde Owyn. 'Men zegt dat hij niet zomaar een magiër van het Mindere Pad of het Grotere Pad is.' Hij keek rond. 'Maar het kan ook zijn dat zijn macht zodanig is verminderd dat hij hier door anderen is overmeesterd. Maar één ding weet ik wel.'
'Wat dan?'
'Zonder Puc hebben we geen enkele kans om terug naar Midkemia te gaan.'
Na die opmerking liepen ze nog urenlang zwijgend voort.
Het was al halverwege de volgende dag toen ze een koepel zagen. Vanwege de hitte sleepten ze zich langzaam voort, en nergens was een spoor van water. De drinkzakken aan hun heupgordels waren inmiddels leeg, en Owyn bespeurde bij zichzelf reeds tekenen van uitdroging. In stilte liepen ze naar de koepel. Van dichterbij bleek het een bouwsel van huiden, gespannen over een raamwerk van stokken.
'Het lijkt wel een yurt,' zei Gorath. 'Wat is dat?'
'De hutten die de nomaden op de Donderhelsteppen gebruiken.
Die kunnen ze in een handomdraai opzetten en weer afbreken.' Gorath trok zijn zwaard en liep rondom het gebouwtje tot hij de ingang vond, afgedicht door een enkele lap leer. Met de punt van zijn zwaard duwde hij de lap opzij, en toen er niets gebeurde, stak hij zijn hoofd naar binnen. 'Kom eens kijken.'
Owyn volgde hem naar binnen en keek rond. Het bouwsel was leeg, met uitzondering van een verbleekte doek die eens een tapijt kon zijn geweest, waarop Gorath had plaatsgenomen. Hij hield een stuk perkament omhoog. Er was met houtskool op geschreven.
Owyn pakte het aan en las:
Tomas,
Aangezien Katala je ongetwijfeld bericht heeft gestuurd, zal je
inmiddels hebben vernomen dat Gamina en ik worden vermist. Ze is
ontvoerd door de Tsuranese magiërs onder leiding van Makala en hier
naar toe getransporteerd. Als we elkaar ontmoeten, zal ik je meer
bijzonderheden geven, maar ik ben beperkt tot twee stukken
perkament, dus ik moet het kort houden.
Verlaat je hier niet op magie. Die werkt niet. Ik heb wel enig idee
waarom niet, maar ook dat bewaar ik tot we elkaar ontmoeten. De
afwezigheid ervan kan te maken hebben met het feit dat de Valheru
hier vroeger zijn geweest, maar met jouw overgeërfde zintuigen was
je daar vast al van op de hoogte. Er huist hier een gewelddadig
ras, en aan vier leden daarvan ben ik reeds ontkomen. Ze schijnen
verwant te zijn aan de Pantathiërs, en lijken zo sterk op hen dat
ik ervan uit durf te gaan dat ze hier, ten tijde van de
Valheruaanse plundertochten door de hemelen, door Alma-Lodaka zijn
achtergelaten. Wees op je hoede voor hen, want ik denk dat ze op
een of andere manier onze vijanden dienen.
Gamina wordt nog steeds vermist, en ik heb het hele gebied al
afgezocht. Morgenochtend vertrek ik naar de noordelijke punt van
dit eiland. Vanaf een heuvel in de buurt kan je daar iets zien
liggen wat lijkt op een ruïne. Misschien vind ik daar een antwoord.
Kom me daar opzoeken.
Puc.
'Nou, dan moeten we daar dus naar toe,' zei Gorath.
'Ik wou dat hij iets had gezegd over water,' merkte Owyn op.
'Als er anderen op dit eiland wonen, is er water in de buurt.' Owyn knikte, maar gaf geen uiting aan zijn vrees dat ze het mogelijk niet op tijd zouden vinden.
'In ieder geval weten we nu dat het een eiland is,' zei Gorath. 'Dat is goed nieuws.'
'Waarom?'
'Omdat het betekent dat we niet eeuwig kunnen ronddwalen,' verklaarde de zwarte elf.
Owyn vond de humor een beetje te macaber naar zijn zin en zei niets. Ze sjokten verder en beklommen een heuvelhelling. Boven aangekomen zagen ze in de verte de bouwsels waarop Puc had gedoeld. Bovendien zagen ze daarachter het blauw van wat eruitzag als een uitgestrekte oceaan.
'Als we aan de kust komen,' zei Owyn, 'kan ik denk ik wel een manier verzinnen om aan water zonder zout te komen.'
'Misschien is dit een eiland in een heel groot meer,' opperde Gorath hoopvol.
'Dat zou prettig zijn.'
Ze daalden af, en toen ze onder aan de heuvels kwamen, riep Gorath: 'Water!' Hij sprong bijna hals over kop in een spelonk. 'Het is zoet. Geef me je waterzak.'
Dat deed Owyn en even later gaf Gorath hem de drinkzak terug, gedeeltelijk gevuld, zodat hij niet langer hoefde te wachten om te kunnen drinken.
'Langzaam,' waarschuwde Gorath. 'Als je te snel drinkt val je misschien flauw.'
Met moeite haalde Owyn de schenktuit van zijn lippen. Het water was warm en had een metaalachtige smaak, maar het was het lekkerste water dat hij ooit had geproefd. Hij zag dat Gorath zijn eigen gedeeltelijk gevulde waterzak ook van zijn mond nam en vervolgens neerzette om die van Owyn weer te pakken. Ditmaal liet hij de beide drinkzakken helemaal vollopen.
'Ik zal deze plek markeren, zodat we hier terug kunnen komen als we op onze zoektocht geen andere bron vinden,' zei Gorath.
Owyn knikte. 'We zijn al dicht bij die ruïne.'
'Voor zonsondergang kunnen we er zijn.' Ze dronken zich vol en liepen verder.
Zo'n honderd el voor hun doel stuitten ze opnieuw op een yurtachtig onderkomen, bijna begraven onder het stof. Ze hadden gemeend een ruïne te zien, maar van deze afstand zagen ze slechts zeven immense zuilen, ogenschijnlijk van steen gemaakt.
Weer maakte Gorath gebruik van zijn zwaard om de leren lap voor de ingang opzij te houden, en Owyn ging naast hem staan en gluurde naar binnen. Het onderkomen was leeg, maar Owyn zag wel een vel perkament in het midden van de vloer liggen. Hij ging naar binnen, gevolgd door Gorath.
Owyn pakte het vel perkament op en las:
Tomas,
Al heb ik tot dusver nog geen spoor van Gamina in de ruïne
gevonden, wel ben ik wat dingen over deze planeet te weten gekomen.
Magie is hier getransformeerd. Wat sommige magiërs 'mana' noemen,
is hier gereduceerd tot kristalvorm. Een dergelijke transformatie
kan aan geen enkel natuurverschijnsel worden toegeschreven, dus kan
ik er alleen maar van uitgaan dat het door een goddelijke kracht
moet zijn gedaan, aangezien de Valheru bij het volbrengen van zo'n
kunststuk alleen maar een ramp zouden hebben veroorzaakt. Mogelijk
heeft dit Dreeken-Korin geïnspireerd tot het maken van de
Levenssteen, maar dat is iets wat we eens een keer op ons dooie
gemak moeten overpeinzen.
Ik ben veel te weten gekomen door het aanraken van de zuilen aan de
noordkust van het eiland. Sla de middelste over: ik ben dagen ziek
geweest nadat ik die had aangeraakt. In mijn verzwakte staat ben ik
bijna overweldigd door twee van de wezens waar ik het eerder over
had. Slechts door mijn vaardigheid met steen en slinger heb ik me
weten te redden, maar het gevecht heeft me veel geleerd. Ik heb
iets voor je achtergelaten. Ik weet niet of je er met je
Valheruaanse magie iets aan hebt, maar ik dacht dat het geen kwaad
kon om het voor je te laten liggen. Nadat ik Gamina heb gevonden,
ben ik misschien in de gelegenheid om de wonderbaarlijkheden van
deze wereld nader te bestuderen.
Puc.
Owyn keek rond en zag een langwerpige bundel tegen de zijkant van de ronde tent staan. Het bleek zo'n verschoten kleed, zoals ook in de vorige hut had gelegen, en toen hij het afwikkelde, vond hij een staf van een merkwaardig blauw kristal. Zodra hij hem aanraakte, trok hij zijn hand terug.
'Wat is er?' vroeg Gorath.
'Dat weet ik niet zeker,' antwoordde Owyn. Langzaam stak hij zijn hand uit en raakte de staf weer aan. 'Wonderlijk,' zei hij.
Terwijl hij de staf met zijn linkerhand vasthield, strekte hij zijn rechterhand uit en sloot zijn ogen. Even later verscheen er een gloed rond zijn vingertoppen. 'Ik kan het niet uitleggen, maar deze staf heeft me mijn krachten teruggegeven. Het is alsof deze staf is ge maakt van ... ik weet het niet ... dat gekristalliseerde mana waar Puc het over had.'
'Meenemen,' zei Gorath. 'En laten we maar meteen naar die ruïne gaan, nu het nog licht is.'
Ze stonden op de punt van het eiland, een hoog klif met uitzicht over een vreemde zee. Zeven reusachtige zuilen rezen op, tot zeven maal de lengte van een volwassen man.
'Ik zal met die beginnen,' zei Owyn, en hij liep naar de meest linkse pilaar en legde zijn hand erop.
Ondanks het rotsachtige oppervlak voelde de pilaar glad aan. Turend door samengeknepen ogen zag Owyn dat hij in feite met zijn hand streek over een huls van energie rondom het zuiloppervlak. Hij bekeek de pilaar, en in de veelheid aan facetten zag hij de gebroken weerspiegelingen van de woestijn, de zee en de hemel, maar behalve dat ook nog andere dingen, alsof de zuil hem andere landen, oceanen en hemelen toonde.
Uw observaties maken mij nieuwsgierig. U bent savani, nietwaar? Geschrokken van de vreemde gedachte in zijn geest schudde Owyn zijn hoofd. Niet zeker of hij zijn antwoord gewoon kon denken of hardop moest uitspreken, koos hij voor het laatste om zich makkelijker te kunnen concentreren. 'De term savani zegt me niets,' zei hij, 'dus weet ik niet of ik er een ben of niet. Met wie sta ik in verbinding?'
Gorath keek verrast op naar Owyn, maar voordat die weer iets kon zeggen, klonk de stem weer in zijn hoofd. Ik ben Sutakami, Moeder van de Duizend Mysteriën, ooit een godin van Timirianya. U hebt mij gewekt. Wat is uw wens?
'Ik weet niet zeker wat u me vraagt,' zei Owyn. 'Bent u een orakel?'
Nee. Ik kan alleen vertellen wat reeds bekend is, al heb ik een vaag gevoel van wat kan komen. Ik voel dat u een nieuwkomer op deze wereld bent. Wellicht wilt u weten van de wezens die er wonen.
Voordat Owyn kon spreken, vloeide er een beeld in Owyns geest. Het ras was trots van gestalte, als schitterende vogels met armen in plaats van vleugels. De snavel was klein en zinspeelde op de mogelijkheid van spraak. Dit zijn de Timirianen. Het waren dichters en geleerden, en tevens zeer bedreven krijgers. Ze stonden op het punt naar de sterren te kunnen reizen toen de Valheru kwamen. Ze werden uitgeroeid.
Toen verscheen er een andere gedaante voor zijn geestesoog, een schaduwrijk wezen van indrukwekkende gestalte, wiens aangezicht Owyn ineen deed krimpen. Al waren de enorme vleugels van het wezen nog zo indrukwekkend, het waren de ogen, koud als bevroren bollen blauw; die Owyns aandacht vasthielden. Dit zijn de eeuwenoude dienaren van Rlyn Skrr, de laatste hogepriester van Dhatsavan, onze Vader der Goden, ten tijde van voor de Grote Verwoesting. Magische wezens zijn het, die nu ongekluisterd ronddwalen, dus vlucht zodra u er een ziet, want ze kunnen alleen worden gedood door een magie die erop gericht is hun energie naar de aarde af te voeren. Tegenwoordig dwalen ze rond door de oude ruïne van de Tempel van Dhatsavan. De stem vervaagde, alsof ze van grotere afstand kwam. Ik moet rusten... Ik ben elders nodig.
'Wacht!' Owyn liet zijn hoofd zakken, alsof hij moe was. 'Ik wil nog wat vragen.'
'Wat is er?' vroeg Gorath.
'Die zuilen, dat zijn... de oude goden van deze wereld. Ik heb er net met een gesproken, een godin genaamd Sutakami.'
'Misschien als je een andere aanraakt?' opperde Gorath.
Owyn knikte. Hij liep naar de tweede zuil en legde zijn hand erop. 'Ik vraag me af wat dit oorspronkelijk was.'
U staat in de ruïne van de Tempel van Karzeen-Maak, eens de hoogste tempel van de zeven goden van Timirianya. Eens waren deze zuilen slechts symbolen van de goden, gemaakt door de savanese ambachtslieden, de dienaren van Dhatsavan. Nu zijn het de vaatwerken waarin wij onze toevlucht hebben genomen.
'Wat doet een god uitwijken naar een toevluchtsoord?' vroeg Owyn zich af.
De Valheru, werd er onmiddellijk geantwoord. Zij verwoestten vrijwel al het leven op deze wereld. Pas toen Dhatsavan ons liet zien dat onze inspanningen zinloos waren, smeedden we een plan om de Valheru van hun macht te beroven, en verdreven hen van deze wereld. Ze vluchtten, opdat ze hier niet gevangen raakten, en ze lieten slechts enkele van hun dienaren achter.
'Wat hebben jullie dan gedaan?' vroeg Owyn.
Van de Zeven Heersers hebben er zes de Grote Verwoesting overleefd. Twee van ons zijn zo ver van de wereld verwijderd geraakt dat ze hun gedachten niet langer kunnen verwoorden. Zij zijn nu slechts bewuste natuurkrachten. Alleen Dhatsavan blijft wachten op de tijd van het Ontwaken. Hij zal ons roepen wanneer het weer nodig is... Wij spreken elkander niet meer, savani.
Owyn keek Gorath aan. 'De Valheru hebben deze woestenij veroorzaakt.'
'Hun macht werd maar door weinigen geëvenaard,' zei Gorath. 'Onze legenden vertellen dat ze op de ruggen van draken naar de sterren reisden. Alleen de goden waren machtiger.'
Owyn keek rond en zag dat de zon begon onder te gaan. 'Kennelijk niet alle goden. Deze zuilen zijn alles wat nog over is van de zeven belangrijkste goden van deze wereld. Eén is dood. Twee kunnen niet meer spreken en met twee heb ik al gesproken.'
'In Pucs briefje stond dat je de middelste niet moest aanraken.'
'Dus dan is er nog eentje over om mee te praten. Misschien kan ik daarvan te weten komen wat er met Puc is gebeurd.' Owyn raakte de volgende zuil aan, maar dat leverde hem slechts een vaag gevoel op, en geen samenhangende gedachten. 'Dit is dan vast een van de twee die verloren zijn geraakt.'
Pucs waarschuwing indachtig sloeg hij de middelste van de zeven over en liep naar de volgende pilaar. Hij raakte hem aan en voelde niets. Zelfs de vage sensatie die hij bij de vorige had bespeurd, was hier niet te bekennen. Hij ging door naar de volgende.
Met zijn hand op het oppervlak, dat nog warm was van de middagzon, vroeg hij zich af wie de Valheru hadden achtergelaten.
De Panath-Tiandn. Dat zijn wezens van een andere wereld, opgeleid tot ambachtslieden in de magie. Ze beschikken over een beperkte intelligentie, maar ze zijn slim, en gevaarlijk. Ze maakten werktuigen voor de Valheru.
'Hebben ze Puc gevangengenomen?'
Nee, al waren ze dat wel van plan, maar dat heb ik voorkomen.
'Wie bent u?'
Wij zeven waren de goden van deze wereld, en ik, savani, was eens Dhatsavan, Heer der Poorten. Maar toen de Valheru kwamen, met hun verwoestende oorlogen, verkozen wij deze vorm in plaats van de ultieme dood.
'Van veel dingen die u zegt ken ik het belang niet,' zei Owyn. 'Op mijn eigen wereld zijn legenden over de Valheru -'
Wat u weet is onbelangrijk. Wat wij waren, is in de tijd verloren geraakt, maar u hebt nog steeds tijd om uw volk te redden van ons lot.
'Onze wereld?' zei Owyn. 'Maar de Valheru zijn daar al eeuwen dood. Die kunnen onmogelijk nog een bedreiging voor ons vormen.'
Owyn werd overspoeld door een gevoel van onverschilligheid, alsof zijn woorden volstrekt onbelangrijk waren voor dit wezen. Degene die u kent als Puc van Sterrewerf zal u meer vertellen wanneer voor u en uw metgezel de tijd is gekomen om een besluit te nemen. Voorlopig moet u de Beker van Rlyn Skrr hierheen brengen. Als u dat hebt gedaan, zullen wij Puc uit zijn gevangenschap bevrijden.
'Waarom hebben goden stervelingen nodig om iets voor hen te gaan halen?' wilde Owyn weten.
In de stem klonk iets van geamuseerdheid door. Dat is een wijze vraag, jonge savani, maar het antwoord is aan mij alleen. Zoek de beker in de afgelegen grotten aan de zuidoostelijke uithoek van het eiland. U zult de Panath-Tiandn moeten doden die hem in bezit hebben. Breng hem mij, of sterf in de verlatenheid van Timirianya. De keus is aan u. Ik waarschuw u, maak geen gebruik van de beker. Puc heeft reeds kwaadschiks geleerd wat het betekent de macht ervan zonder mijn leidraad te gebruiken. Ga nu.
'We moeten aan de andere kant van dit eiland een magisch voorwerp gaan halen,' zei Owyn. 'En het schijnt dat we daarvoor moeten vechten met een paar wezens die de Valheru hier hebben achtergelaten.'
'Het is een lange dag geweest,' reageerde Gorath. 'Laten we teruggaan naar die tent om te slapen. Wat rust en voedsel is een goede voorbereiding.'
Gorath volgend, hoopte Owyn dat het waar was.
Het had hun een halve dag gekost om de uithoek van het eiland te vinden, waar volgens de versteende god de beker was te vinden. Nu hielden ze rust op een heuvelkam boven een dorpje, voor zover de voor een grote grot verzamelde hutjes tenminste zo genoemd konden worden. Al zeker een half uur hadden ze zitten kijken, maar geen enkel teken van leven ontwaard.
'Wel,' zei Owyn, 'misschien is het verlaten.'
'Nee,' zei Gorath. Hij wees naar een stapel brandhout, en vervolgens naar een rij overdekte urnen. 'Water, denk ik.' Daarop ging zijn vinger naar een geul aan de rand van het dorpje, waar zo te zien de resten van de maaltijden in werden weggegooid. 'Er zullen niet zo veel van die wezens meer op deze wereld zijn, maar dit gebied is niet verlaten.'
'Nou ja, misschien zijn ze dan allemaal ergens naar toe.'
'Of misschien slapen ze overdag, wanneer het heet is, en liggen ze allemaal binnen,' wierp Gorath tegen. Hij stond op. 'Maar dat weten we pas als we beneden gaan kijken.'
Owyn volgde de zwarte elf de heuvel af, en toen Gorath bij de voorste tent kwam, zei Owyn: 'De beker staat in die grot.'
Gorath zette een stap in de richting van een hut, maar op dat moment zwaaide de leren lap voor de deur van de hut die hij wilde binnengaan open en er kwam een wezen naar buiten.
De aanblik ervan bezorgde Owyn kippenvel. Het was een rechtop lopende hagedis, gehuld in donkere kleren, knipperend met de ogen tegen het zonlicht. Hij kreeg geen gelegenheid alarm te slaan, want Gorath stak toe met zijn zwaard en doorboorde hem.
'Drie,' zei Gorath.
'Drie wat?' vroeg Owyn.
'Er zijn er nog drie over, als dit een van de vier is die Puc hebben achtervolgd.'
'Of het zijn er nog tien, als ze het niet zijn,' fluisterde Owyn. 'Laten we opschieten.'
Ze renden naar de grot, en toen Owyn het gordijn voor de ingang opzij wilde schuiven, bewoog het. Terwijl hij achteruit sprong, kwam er een serpentman te voorschijn die zich op Gorath wierp. Ternauwernood wist de moredhel een slag met een knuppel op het hoofd te ontwijken en deinsde terug.
Owyn keek om, naar een tweede serpentwezen, dat zich grauwend op hem stortte. Van de klap sloeg hij achterover, en de kristallen staf angstvallig omklemmend liet Owyn zich verder rollen. Het gezicht van het wezen was beschilderd met gele symbolen, zodat Owyn begreep dat hij met een soort Panath-Tiandnse sjamaan aan het vechten was. Owyn zag klauwen boven zijn gezicht, en hij ving de blik van het wezen en hield die vast.
Plots brandden er symbolen van vuur voor Owyns geestesoog, en hij zond een mentale stoot waarvan het wezen achterover sloeg. Owyn rolde onder hem vandaan en sprong overeind. Het wezen was zich nog aan het herstellen van Owyns aanval. Zo hard hij kon schopte Owyn hem tegen het hoofd en het wezen zeeg neer.
Nauwelijks had Gorath zijn tegenstander gedood, of er verschenen nog twee serpentlieden. Owyn groef in zijn geheugen naar een andere bezwering en voelde de staf in zijn hand warm worden. Aan zijn hand ontsproot een vuurrode energiebol, die het voorste wezen trof, hem in vlammen hullend. De tweede werd ook door vuur getroffen en zijn mantel vloog in brand. De eerste zakte ineen en stierf binnen enkele tellen, maar de tweede liet zich krijsend vallen en rolde over de grond in een poging de vlammen te doven. Gorath sprong op hem toe en verloste hem uit zijn lijden.
Owyn keek rond, afwachtend of er nog meer van deze wezens te voorschijn kwamen. Alles bleef stil.
Uiteindelijk borg Gorath zijn zwaard op. 'Laten we die verrekte beker gaan zoeken.'
Owyn ging de donkere grot binnen. De omgeving werd verlicht door een enkele vlam in een klein brandertje, en hij kreeg kippenvel. Het was een centrum van duistere magie, en al herkende hij de op de grotwanden geschilderde symbolen niet, hij kon het kwaad ervan voelen. Hij keek rond en zag een klein heiligdom. Op een altaar stond een beker, gemaakt van een onbekende steensoort.
Hij stak zijn hand ernaar uit, en zodra hij hem pakte, voelde hij de energie langs zijn arm omhoogschieten. 'Dit is hem,' zei hij, 'zonder enige twijfel.'
'Wat kan je ermee doen?'
'Dat weet ik niet, maar er is me verteld dat hij Puc bijna noodlottig is geworden, en als dat zo is, neem ik het risico niet om het geheim ervan te ontraadselen.'
'Laten we hem dan maar terugbrengen naar die zogenaamde goden en zien of ze zich aan de afspraak houden.' Ze liepen naar buiten, en Gorath keek rond. 'Ik betwijfel dat dit de enige leden van deze stam op dit eiland zijn, en als ze zien wat we hebben aangericht komen ze ons vast achterna.'
'Kunnen we voor zonsondergang bij de zuilen zijn?'
'Jawel, als we nu op weg gaan en onderweg niet stoppen,' zei Gorath. Hij draaide zich om en vertrok zonder te zien of Owyn met hem mee kwam.
Owyn aarzelde even, en liep toen achter Gorath aan.