Vluchtige ontmoetingen
Zvi Tiroche was in het opvangkamp waar ook Gertruda en Michael verbleven de vraagbaak voor iedereen geworden. Gertruda beschouwde hem als ‘een bijzonder iemand, wie geen moeite te veel was. Er was in het kamp geen kind voor wie hij geen opbeurende woorden had, en geen volwassene die hij niet had verzekerd dat het vertrek naar Palestina aanstaande was.’ Zijn dagen waren gevuld met verzoeken om verse melk voor zogende moeders of koosjer voedsel voor de keuken. Ook zorgde hij dat de wasserij van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat open was. Niets ontsnapte aan zijn aandacht: een kaars voor de verjaardag van een kind, het verzoek aan de kamprabbijn om iemand die geestelijke bijstand nodig had te bezoeken.
Het kamp was een militaire kazerne geweest en daarom uitgerust met douches en baden. Zvi had gezorgd voor zeep en handdoeken en tevens een badrooster gemaakt om te zorgen dat iedereen kon douchen. Hij had speelveldjes vrijgemaakt waar de kinderen konden voetballen met de ballen die Ada had verzorgd, en ook organiseerde hij hardloopwedstrijden rond het kamp. Kinderen die één bonk zenuwen waren geweest toen zij uit de laadbak van de trucks sprongen die hen naar het opvangkamp hadden gebracht, pijnlijk magere kinderen die zich voortdurend aan hun moeder vastklampten, waren dankzij Zvi’s aanmoedigingen door het kamp gaan zwerven en het geluid van hun gejoel en gelach was overal te horen.
Intussen zorgde Zvi er ook voor dat de volwassenen bezig bleven. Er was genoeg te doen: aardappelen schillen, groente schoonmaken, maaltijden koken, kleren en beddengoed wassen en te drogen hangen, bedden opmaken, vloeren vegen en toiletten reinigen. Miriam Bergman: ‘Je had er niet zoiets als “vrouwenwerk” of “werk voor mannen” – iedereen deed eenvoudigweg wat Zvi gedaan wilde hebben.’ Ada had de aanbeveling gedaan Zvi ook straks tijdens de reis een taak te geven, en Yossi Harel was daar meteen mee akkoord gegaan.
Als er iemand in het kamp ziek werd, kwam dr. Cohen bij hem of haar langs. Saul Avigur had geld voor medicamenten vrijgemaakt uit de ‘oorlogskas’ die Ike in zijn hut achter slot en grendel hield. Af en toe reisde de dokter, als hij spullen nodig had die de apotheek in Sète niet voorradig had, naar Marseille. Daar, in de havenwijk, deelde een handelaar in scheepsbenodigdheden een gebouw met een farmaceutische grossier. Aan de overkant van de straat bevond zich een caféterras. Wat hij daar op een dag hoorde, maakte dat hij bleef staan: ‘Er zaten mannen die Engels spraken aan een tafeltje, te goed gekleed om zeelieden te kunnen zijn. Jonge, beschaafde stemmen. De Haganah had ons gewaarschuwd dat er overal rond de Middellandse Zee Britse spionnen actief waren. De manier waarop die mannen zich gedroegen en hoe ze spraken, paste bij de voorstelling van dergelijke spionnen. Ze keken voortdurend om zich heen en hielden de schepen in de gaten, en vooral ook de mensen die van boord kwamen of aan boord gingen.’
Dr. Cohen stapte bij de farmaceutische groothandel binnen en keek, nadat hij zijn bestelling had ontvangen, door een raam naar het terras. De twee mannen waren verdwenen. Waren het Britse agenten geweest? Hij wist dat hij daar nooit zeker van zou zijn, maar hoe eerder het schip op weg ging naar Palestina, hoe prettiger hij zich zou voelen.
Saul Avigur wist dat hij eindelijk was aangekomen in Port-de-Bouc, na Marseille de grootste haven van Zuid-Frankrijk: hier hing de sterke geur van kabeljauwdrogerijen, vermengd met de penetrante stank van de twee chemische fabrieken in de havenstad. Niet ver ervandaan lagen de scheepswerven, kleine familiebedrijven die de trawlers bouwden die Port-de-Bouc tot een bloeiende havenstad hadden gemaakt. De President Warfield was hier binnengelopen na de ontsnapping uit Portovenere.
De havenstad lag slechts honderd kilometer van Sète en was de ideale plaats voor de veiligheid van het schip onder het beschermend toezicht van de Franse inlichtingendienst, de Direction de la surveillance du territoire (DST), zoals de directeur van de dst Avigur had verzekerd. De twee mannen hadden allebei een hekel aan de Britse geheime diensten – zowel de militaire als de civiele versie, MI6. De Fransman had hun relatie verstevigd met zijn voorstel dat Avigur de zender/ontvanger van de Haganah kon installeren in zijn ruime villa in een Parijse voorstad. Van daaruit kon de Haganah onbelemmerd communiceren met Tel Aviv. De pogingen van MI6 om deze transmissies te onderscheppen werden door technici van de dst in een ander deel van deze villa gedwarsboomd. Toen hij zijn Franse collega had verteld over de komst van de President Warfield naar Port-de-Bouc en de reden daarvoor, zo vertelde Avigur later, had de dst-directeur meteen meer agenten naar de Middellandse Zeekust uitgezonden. ‘Sommige agenten werden zelfs rond de kampen geposteerd. Anderen hielden de situatie in Marseille en Sète in het oog. Ze gingen de opvangkampen nooit binnen, om de immigranten niet te verontrusten. De dst had ook de steun van de plaatselijke politie, die iedere Britse spion kon aanhouden om diens paspoort in te nemen. De spion zou zonder dat document weinig kunnen uitrichten; hij of zij kon zelfs worden opgepakt en uitgewezen naar Engeland. De DST kon het de Britten behoorlijk lastig maken.’
Ernest Bevin was eens te meer naar Parijs gevlogen voor een gesprek met zijn collega George Bidault. De Britse minister volgde nu een nieuwe benadering: ‘De extreme misère die deze immigranten kwelt, wordt veroorzaakt door degenen die deze schandalige mensensmokkel organiseren: Joden worden gedwongen hun laatste bezittingen te verkopen in de hopeloze verwachting zich tegen extravagante prijzen hun overtocht naar Palestina te verschaffen. Frankrijk zou moeten inzien dat deze tolerante houding tegenover onbevoegde Joodse individuen en onruststokers gemakkelijk onlusten kunnen verwekken onder de Arabieren in Frans Noord-Afrika. Persoonlijk heb ik stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat onze Britse onderdanen geen moeilijkheden veroorzaken in gebieden die tot de Franse invloedssfeer behoren. Is het te veel gevergd van de Franse overheid om zich hiervoor te revancheren waar het dit vraagstuk van illegale Joodse mensensmokkel betreft?’
Als Bevin had gehoopt dat Bidault hem gelijk zou geven, werd hij teleurgesteld. Bidault spreidde slechts zijn armen uit – zijn enige reactie.
Saul Avigur stond samen met Ike en Yossi Harel op de kade in Port-de-Bouc, waar hij onder de indruk was van de grootte van de President Warfield. Het schip was veel groter dan hij zich van de foto’s herinnerde. Nu betwijfelde hij niet meer dat het getal van 4500 immigranten waarvan Ike en Yossi uitgingen haalbaar was. Het zou krap worden, maar de bemanning zou tijdens haar rust-tijden aan dek kunnen slapen. Yossi had het aantal hulpkoks in de kombuis verdubbeld, en de enorme gamellen die de Amerikaanse marine daar voor D-day had geïnstalleerd konden voor voldoende warm eten zorgen. Het tekort aan toiletten was onvermijdelijk: het was onmogelijk geweest tijdig meer sanitair te installeren. De reddingsvlotten die Ada in Marseille had weten aan te kopen, waren opgehangen aan de verschansing op het bovendek. Het zonnedek op de achtersteven, achter de kombuis, was ingericht als ziekenboeg, compleet met een operatietafel, instrumententrolleys en sterke schijnwerpers.
Ike had alle ladders vanaf het hoofddek naar het promenadedek laten verwijderen, op één na, teneinde pogingen om in het stuurhuis door te dringen te bemoeilijken. Er waren pijpleidingen vanuit de machinekamer naar het sloependek geïnstalleerd, klaar om eventuele enteraars op te vangen met oververhitte stoom of stookolie. De vijftien centimeter brede strook van met ijzer beslagen hout rondom de hele romp, twee meter boven de waterlijn, bedoeld om het schip te beschermen als het in woelig water tegen een steiger mocht botsen, kon ook dienen om de romp te beschermen tegen een torpedobootjager die langszij kwam. Langs de romp was bovendien prikkeldraad gespannen om te voorkomen dat enteraars gebruik konden maken van ladders naar het hoofddek.
Door de bank genomen, zo vond Avigur, had Ike uitstekend werk geleverd om het schip voor te bereiden op de onvermijdelijke botsing met de Britse marine.
In de Operation Room van het marinehoofdkwartier in Haifa onthulde sir John Cunningham de officieren aan de vergadertafel dat MI6 er zeker van was dat er Irgun-terroristen aan boord van de President Warfield zouden zijn. Om die reden had hij zijn meest ervaren gezagvoerders de taak toebedeeld om de blokkadebreker te onderscheppen. Luitenant-ter-zee 1e klasse Bailey zou de gezagvoerder van HMS Childers zijn; HMS Charity stond onder bevel van luitenant-ter-zee 1e klasse D.W. Austin; HMS Chieftain stond onder bevel van kapitein-luitenant-ter-zee G.E. Fardell. Kapitein-ter-zee R.D. Watson voerde het commando over HMS Chequers; kapitein-luitenant-ter-zee J.V. Wickin over HMS Cardigan Bay; kapitein-luitenant-ter-zee R.H.C. Wyld over HMS Rowena; en kapitein-ter-zee J.V. Wilkinson over HMS Cheviot. De admiraal zelf zou meevaren met HMS Ajax met kapitein-ter-zee S.B. Conway-Ireland op de brug. Dit smaldeel zou vertrekken naar Malta en daar blijven, klaar om de President Warfield te onderscheppen zodra de koers van dat schip werd bevestigd door een van de Warwick-verkenningstoestellen van de raf. Hierna gaf luitenant-ter-zee 1e klasse Bailey zijn medegezagvoerders uitleg over de problemen waarop zij konden stuiten. De enterploegen zouden niet, zoals altijd, vanaf het voorkasteel van een torpedobootjager aan boord van dat schip kunnen klimmen. Hij zei: ‘Echter, aan de hand van de hoeken van de sextant heb ik berekend dat het schip bijna 98 meter lang is en dat elk dek ervan boven de waterlijn ligt. Het achterdek ligt op bijna zesmeter boven water; en het promenadedek op bijna tien meter. Aangezien ons voorkasteel tot bijna zes meter boven de waterspiegel reikt, wil dat zeggen dat onze enteraars alleen het lagere deel van dat Joodse schip kunnen bereiken: het voordek. Wij dienen dat dek te zien als de gevechtslocatie; daar zouden zij echter opgesloten zijn, terwijl de bemanning van dat schip en de immigranten hen van bovenaf aanvielen.’
Bailey wees naar de laatste verkenningsfoto’s die de vorige dag door een Warwick waren gemaakt: ‘Zoals u ziet, zijn het middendek en het promenadedek geblokkeerd met reddingsvlotten die hun bescherming bieden. Onze enteraars zullen niet naar het sloependek kunnen klimmen, aangezien alle ladders – op een na – zijn verwijderd. Toch is juist dat dek ons primaire doelwit, aangezien zich daar het commandocentrum van dat schip bevindt: het stuurhuis.’
Bailey haalde een schets uit zijn aktetas en spreidde die uit naast een foto van het sloependek. ‘Dit dek ligt op gelijke hoogte met het hoogste deel van de bovenbouw van een torpedobootjager. De brug van het schip bevindt zich ruim één meter tachtig binnen de verschansing. Die afstand is voor een enteraar met zijn wapens te groot om eroverheen te springen. De enige oplossing is een houten enterbrug, uitgerust met een borstwering en beschermende netten. Via deze enterbrug kunnen onze enteraars oversteken om het stuurhuis te bereiken.’
Volgens Bailey zouden timmerlieden van de marine niet meer dan een paar uur nodig hebben om zo’n enterbrug voor zijn eigen schip te bouwen, en ook voor twee andere torpedobootjagers, HMS Chieftain en HMS Charity. Hij was van plan met deze enterbruggen vijftig enteraars aan boord van de President Warfield te brengen.
Tegen juli 1947 waren er al vijftien opvangkampen tussen Marseille en Port-de-Bouc. Ze waren ingericht op verlaten legerbases en rond verlaten villa’s en landhuizen, omgeven door een eigen park. Nu eens bestonden deze kampen uit vervallen woningen; dan weer uit nauwelijks meer dan hutten. Toch waren deze kampen voor de duizenden ontheemden die de zware tocht dwars door Europa hadden doorstaan plaatsen om aan te sterken en zich voor te bereiden op de reis naar Palestina.
In 1945 waren 1000 immigranten aan deze reis begonnen. Een jaar later was er in de eetzaal van het McAlpine Hotel in New York tijdens een fondsenwervingslunch een groot gejuich opgegaan: ruim 20.000 ontheemden hadden sommige opvangkampen verlaten om aan boord te gaan van de schepen die Saul Avigur had kunnen aanschaffen dankzij de schenkingen van de aanwezigen. Tegen de zomer van dat jaar hadden zij verscheidene miljoenen dollars toegezegd.
In Washington had Leo Bernstein op een fondsenwervingsfeest van het United Jewish Appeal bekendgemaakt dat hun schenkingen al 40.000 immigranten méér hadden geholpen zich voor te bereiden op hun vertrek naar Palestina. Ook toen hadden Bernsteins toehoorders royaal in de beurs getast in de hoop dat hun geld nog meer immigranten aan boord van schepen kon brengen, om te voorkomen dat zij zouden worden opgepakt en opgesloten in de detentiekampen die Ernest Bevin had laten inrichten op Cyprus.
Tijdens een ander bezoek aan New York had David Ben-Goerion het leven achter prikkeldraadhekken beschreven: ‘Zij wachten daar in afschuwelijke omstandigheden op hun beurt om druppelsgewijs hun thuisland binnen te komen. Niet meer dan vijftienhonderd personen per maand. Deze kampen zijn de voorposten in een oorlog die wij zullen winnen. Op de dag dat de staat Israël werkelijkheid wordt, zullen de toegangshekken van die kampen eindelijk permanent openstaan.’
Die belofte had weerklank gevonden onder de wachtende Joden in de opvangkampen langs de Middellandse Zeekust.
Saul Avigur, wiens diepliggende ogen zijn gezicht het uiterlijk gaven van een man die het leven van een asceet leidde, genoot in de hogere echelons van de Haganah een grote reputatie wegens zijn ongelooflijke moed en zijn vermogen om in alle rust rationele beslissingen te nemen. Een ervan was dat elk opvangkamp een Joodse commandant diende te hebben, iemand die zich bewust was van wat die functie feitelijk inhield. Avigur had iedere commandant die hij had geselecteerd gezegd dat het voor iedere man en vrouw en elk kind moeilijk zou zijn eraan te wennen dat de jaren van wreedheden en vernederingen eindelijk voorbij waren. Dat voor ogen houden was de enige manier waarop een leider succesvol kon zijn.
Avigur had voor het commando over kamp Kayol, gelegen aan de weg naar Sète, zijn keus laten vallen op Noah Klieger. Deze Fransman van geboorte, zoon van een vooraanstaand Joods schrijver – die ambitie had het voorbeeld van zijn vader te volgen door zelf ook een erkend auteur te worden – was in Auschwitz zionist geworden. Hij was zestien geweest toen hij in een van de subkampen was beland, en gedurende de eenendertig maanden die hij er had doorgebracht was hij ervan overtuigd geweest dat iedere dag zijn laatste kon zijn. Nooit zou hij vergeten hoe vaak hij had moeten toezien hoe anderen hun laatste wandeling maakten naar de gaskamer of de galg, of in kruiwagens werden weggereden uit de crematoria. Op de een of andere manier had de dood hemzelf echter gespaard.
Begin 1945 had hij tot degenen behoord die aan de dodenmars uit Auschwitz waren begonnen. Gedurende de weken dat ze zich door de sneeuw hadden voortgesleept hadden de nazi’s duizenden van hen doodgeschoten. Ook dát had hij overleefd. Pas toen hij eindelijk het Harzgebergte had bereikt, was hij bevrijd, aan de vooravond van zijn negentiende verjaardag. Van daaruit was hij verder getrokken naar België in het westen. Het was een van de impulsieve beslissingen geweest die in Auschwitz deel van zijn leven waren geworden en hem al vroeg heel volwassen hadden gemaakt. Nu was Noah een man die gesteld was op zijn privacy en zijn woorden altijd zorgvuldig koos.
Een week na zijn aankomst in Brussel liep hij door de Avenue Louise, de gehavende maar nog altijd trotse hoofdstraat van de stad, toen hij twee geparkeerde Britse legertrucks zag en abrupt bleef staan. Ze zagen er niet anders uit dan alle andere Britse legertrucks die hij op zijn lange voettocht had gezien – alleen was op beide portieren van deze trucks de Magen David gesjabloneerd.
Noah had nog niet besloten wat hem te doen stond toen hij opeens door twee Britse soldaten in uniform, die uit een café kwamen en in het Hebreeuws tegen hem schreeuwden, werd beetgepakt. Noah had zich losgerukt en zijn mouw opgerold om op zijn onderarm te wijzen, waarop zijn concentratiekampnummer was getatoeëerd. De mannen lieten hem los.
‘Ze wreven hun tranen weg en begonnen me te omhelzen; ze zeiden dat ze een afschuwelijke vergissing hadden begaan. Ik was een Jood, net als zij, en niet van plan om hun truck te stelen. We gingen het café weer in en ze vertelden mij onder het genot van een drankje dat zij bij de Jewish Transport Brigade werkten. In een mum van tijd rekruteerden ze mij om mee te helpen Joden uit een plaatselijk opvangkamp weg te halen. Aangezien ik Frans sprak, maakten ze mij liaisonofficier voor al hun contacten met de Belgische grenswachten om immigranten de grens over te helpen, zodat ze konden doorreizen naar Marseille. Algauw gaf Avigur mij de leiding over kamp Kayol.’
Noah had een terrein achter de barakken vrij laten maken. Iedere ochtend werd daar om half acht appel gehouden, gevolgd door een half uur gymnastiek. Daarna werden de kinderen naar een barak gestuurd die fungeerde als synagoge, waar zij godsdienstles kregen van de rabbijn in het kamp.
Intussen werkte Noah zijn eigen dagelijkse bezigheden af: het inspecteren van de slaapbarakken, de keuken, de douches en de latrines. De jaren in Auschwitz hadden hem het belang van reinheid bijgebracht, want veel gevangenen waren gestorven omdat zij zich niet aan de basale regels voor hygiëne hadden gehouden.
Begin juli 1947 werd Noah opgetrommeld voor een bijeenkomst van kampcommandanten, gehouden in een café in een achterafstraatje van Sète dat eigendom was van een plaatselijke Haganah-agent. Saul Avigur had hun daar verteld dat ze na hun terugkeer in hun kamp de mensen daar moesten zeggen wat hij hun nu ging vertellen.
Een uur later was Noah terug in kamp Kayol en richtte hij zich in zijn gebruikelijke laconieke stijl tot de verzamelde kampbevolking. Zij zouden binnenkort scheep gaan naar Palestina. Aan boord van hun schip zouden zich nog duizenden andere immigranten bevinden. Zij zouden het grootste aantal zijn dat er ooit in één keer heen werd gebracht. Zij moesten zich nu voorbereiden op de reis. Dezelfde discipline die in het opvangkamp had geheerst, zou ook aan boord van het schip worden gehandhaafd. De beschikbare ruimte zou echter heel beperkt zijn, zodat persoonlijke hygiëne van het grootst mogelijke belang was om het gevaar van besmettelijke ziekten tegen te gaan. Iedere volwassene zou slechts een kleine tas mee mogen nemen; twee kinderen dienden samen één tas te delen. Zij moesten er rekening mee houden dat de Britse marine zou proberen het schip te onderscheppen. Elk bevel dat aan boord werd gegeven, moest ogenblikkelijk worden uitgevoerd. Niemand zou het kamp mogen verlaten totdat zij naar de haven werden gebracht.
Ike en Yossi Harel waren al drie dagen druk bezig aan boord van de President Warfield: zij legden de laatste hand aan het inschepingsplan voor de passagiers. In totaal zouden het er 4515 zijn.
De immigranten in de opvangkampen die het verst van de haven waren gelegen, zouden als eersten naar het schip worden gebracht. Vrouwen, kinderen en aanstaande moeders genoten prioriteit. Na hen kwamen de ouderen en gebrekkigen. Iedere truck diende twee fysiek fitte immigranten mee te nemen die in geval van moeilijkheden de orde konden handhaven. Yossi Harel: ‘Niet dat we die verwachtten, want de Franse autoriteiten stonden aan onze kant. Wij maakten ons wel zorgen over Britse spionnen. Wij wisten dat dr. Cohen zich hun aanwezigheid niet had ingebeeld. Ze zaten overal.’
De arts en zijn verplegers zouden met de eerste colonne meerijden, zodat ze een kijkje konden nemen in de ziekenboeg van het schip. Voor het hele inschepingsproces was gerekend op niet meer dan twaalf uur.
Inmiddels had Joe Baharlia vanuit Marseille een volle tankauto naar Sète gereden, met genoeg stookolie om de brandstoftanks van het schip te vullen: genoeg voor de reis die naar schatting zeven dagen zou duren. Yehuda Arazi was nog bezig met het controleren van de voorraden die bij plaatselijke winkels waren gekocht en naar de kade werden gebracht. Avigur had ook gezorgd voor een aantal mannen van de Aliyah Bet die over de kade patrouilleerden om iedereen die niets met het schip te maken had weg te sturen.
Een deel van de bemanning had verlof gekregen aan wal te gaan. Sommigen hadden er misbruik van gemaakt en waren pas tegen twaalven – veel te laat – dronken aan boord gekomen. Ike had ze stuk voor stuk een stevige uitbrander gegeven en hun verboden hun hutten te verlaten. Een ander probleem deed zich voor toen werd ontdekt dat een bemanningslid een paar dozen met blikken koffie aan wal had gesmokkeld om die op de zwarte markt te verpatsen. Deze overtreding was in Ikes ogen ernstig genoeg om bevel te geven de man voor de Haganah-krijgsraad terecht te laten staan. Yossi Harel vertelde: ‘Het was een uitgemaakte zaak. De man was op heterdaad betrapt en hij werd schuldig verklaard, zodat hij streng moest worden gestraft. De Aliyah Bet deed levensgevaarlijk werk en wij konden zoiets niet door de vingers zien. Na het vonnis werd de man door Avigar weggereden. Niemand heeft nog iets van hem gezien of gehoord.’
Op de brug had de nachtelijke stilte niets afgedaan aan de spanning tussen Ike en Yossi. Ike had er geen geheim van gemaakt dat hij, hoewel hij jonger was dan Yossi, van mening was meer zeemanservaring te hebben dan Yossi. Hij was een man van weinig woorden. Het was niet zo dat hij geen respect had voor wat Yossi allemaal had gedaan: hij had zij aan zij gevochten met Orde Wingate, het bevel gevoerd over andere schepen van de Aliyah Bet en ook ontsnappingsroutes voor Joden uit Libanon, Syrië, Irak, Turkije en Trans-Jordanië georganiseerd. De waarheid is vermoedelijk dat de twee mannen sterk uiteenlopende achtergronden hadden en bovendien verschillende temperamenten. Ike had een ijzeren persoonlijkheid; Yossi was begiftigd met een natuurlijke charme. Misschien was het werkelijk zo eenvoudig. Ike was de kapitein van het schip, terwijl Yossi als commandant van de opvarenden in de praktijk zijn ondergeschikte was. In een ideale wereld waren ze nooit aan elkaar gekoppeld. Op het oog konden ze met elkaar overweg, maar onder hun wederzijdse beleefdheid broeiden spanningen.
Nog voordat Yossi Harel het schip met eigen ogen had gezien, had hij Ada verzocht hem vanaf het spoorwegstation van Marseille langs de opvangkampen vol immigranten te rijden. Samen werden ze bevolkt door 1561 mannen, 1282 vrouwen, 1017 adolescenten en 655 kinderen. Zij zouden de passagiers van de President Warfield zijn.
Ada herinnerde zich dat Yossi onderweg had gezegd: ‘Ik wilde er zeker van zijn dat deze mensen mentaal en fysiek klaar waren voor de reis. Deze reis zou anders zijn dan alle andere die zij hadden gemaakt. Wij konden geen van allen zeggen wat er zou gebeuren. Ik wilde mij ervan overtuigen dat de mensen er zich op hadden voorbereid, vooral ook de kinderen.’
Harels behoefte aan deze zekerheid was nog toegenomen na zijn bezoek aan het eerste opvangkamp waar Ada hem had gebracht. Dit kamp werd bevolkt door weeskinderen. De enige volwassenen die hij er zag, waren de kampcommandant, diens medewerkers en wat tieners die voor de jonge kinderen zorgden. Ze hadden hem aangestaard toen hij in hun midden was en hun ernstige ogen hadden hem overal gevolgd; ze hadden zich misschien afgevraagd wie deze lange, gebruinde en van gezondheid blakende man was die hen in hun eigen talen, Hebreeuws of Jiddisch en soms ook Pools, toesprak. Wat kon zo iemand begrijpen van de jaren die zij achter prikkeldraad hadden doorgebracht, eeuwig op zoek naar een stukje brood, als ze niet bezig waren zichzelf te ontdoen van luizen, of te bidden tot een God die zo onverschillig leek te zijn tegenover hun lot? Yossi bespeurde achter hun aarzelende glimlach en beleefde hoofdknikjes bij het aanhoren van zijn belofte dat hun vrijheid wachtte aan het eind van hun reis allerlei onuitgesproken vragen: ‘Wat is vrijheid? Hoe functioneert dat? Was er meer dan één soort vrijheid? Hoe konden zij van vrijheid genieten als zij geen vader of moeder meer hadden om de vrijheid mee te delen?’
Op zijn rondwandeling door het kamp had Yossi met zo veel mogelijk kinderen gesproken, meestal in de barakken waar zij op de veldbedden zaten die in nette rijen waren opgesteld en afkomstig waren uit Amerikaanse kazernes. Hij had de wanhoop in hun ogen gezien toen hij had geprobeerd hun te verzekeren dat hun hoop deze keer niet de bodem zou worden ingeslagen en dat zij het land van hun voorvaderen van vele eeuwen geleden zouden bereiken. Hij was zich er onder het spreken echter van bewust dat hij hun niet de hoop kon geven die zij wilden, namelijk dat hun ouders daar als door een wonder op hen zouden wachten. Zoiets kon niemand beloven.
Op zulke momenten besefte hij hoe hol zijn woorden moesten klinken. Hoe vaak hadden ze niet overeenkomstige beloften gehoord van goedbedoelende mensen die hen vooruit wilden helpen? Zoals de monniken en nonnen in kloosters die hun onderdak hadden geboden, of de hulpverleners in de opvangkampen? Hoe vaak niet waren deze kinderen op een trein gezet of in een truck geklommen die hen over de volgende etappe van hun reis naar dit kamp bij de zee vervoerde? In hun ogen moesten de barakken die ze tot dusverre hadden gekend hemelsbreed verschillen van hun vage herinnering aan een echt thuis.
Ada had het verdriet in Yossi’s ogen gezien en in zijn stem horen doorklinken. Zij herinnerde zich de tijd dat de emoties van een andere man dezelfde uitwerking op haar hadden gehad. Haar echtgenoot Enzo had andere Joodse kinderen uit Irak gered, kort voordat de nazi’s hem hadden doodgeschoten.
Toen ze met Yossi eindelijk uit het kamp vertrok, kon de Haganah-officier zijn tranen bijna niet bedwingen. Hij zei tegen Ada dat hij deze kinderen niet teleur zou stellen, al was dat het laatste wat hij deed. Yossi was zich er sterk van bewust dat er nog een ander dringend probleem was waarvoor hij al zijn onbetwistbare kunde en charme nodig had: visa voor alle passagiers die bestand waren tegen zelfs het meest minutieuze onderzoek.
In het verleden had hij er gewoonlijk aan kunnen komen door mensen om te kopen. Veel buitenlandse diplomaten hadden hun salaris aangevuld door illegaal blanco visumformulieren te verstrekken, die dan – in alle haast om mensen aan boord van een schip van de Aliyah Bet te helpen – op gebrekkige manier waren ingevuld. Ada Sereni vertelde dat zij meer dan eens zo’n stapel formulieren nog op een kade had zitten invullen. Hoewel veel immigratieambtenaren die de ontheemden zonder meer aan een visum hadden geholpen er vaak blijk van gaven met hen te sympathiseren, was de atmosfeer in Parijs veranderd. De Franse regering bleef het recht van de overlevenden van de Holocaust om naar Palestina te gaan steunen, maar onder de Franse diplomaten groeide bezorgdheid over de verslechterende Frans-Britse betrekkingen en de toenemende vijandigheid in de Arabische wereld jegens de illegale immigratie.
In het verleden hadden schepen van de Aliyah Bet vergunning om naar een bepaald land te varen, terwijl de passagiers valse visa hadden voor een ander land, maar Yossi wist dat het nu nog slechts een kwestie van tijd was voordat het van cruciaal belang werd aan goede reispapieren te komen.
De Britse ambassadeur in Parijs, Duff Cooper, had tegen Bevin gezegd: ‘Er zijn aanwijzingen dat het verschil tussen de visa en hun houders door de organisatoren van deze illegale mensensmokkel vaak ter plekke met geld wordt overbrugd.’
De Britse minister van Buitenlandse Zaken had een brief aan zijn Franse ambtgenoot George Bidault geschreven, met de eis: ‘Illegale groepen uit het zuiden van Frankrijk moeten ervan worden weerhouden zonder officieel goedgekeurde visa te reizen.’
Yossi wist dat het een immense opgave zou zijn visa voor alle 4515 mannen, vrouwen en kinderen los te krijgen, vooral in de korte tijd die hij daarvoor had. ‘Mijn eerste stap was een bezoek aan alle buitenlandse ambassades en consulaten in Marseille om te zien of zij bereid waren reisdocumenten te verstrekken. Uiteindelijk was Colombia daartoe bereid. Ze wilden vijf dollar per stuk. Ik zei: oké. Die diplomaat vroeg me, hoeveel stuks? Ik zei het hem.’
Deze diplomaat zal vermoedelijk inwendig hebben gegrinnikt nadat hij zijn rekensommetje had gemaakt. Vermoedelijk zou hij er meer mee verdienen dan een heel jaarsalaris. Hij realiseerde zich echter ook dat het invullen en in de juiste kantoren laten afstempelen van de blanco formulieren het grootste deel van zijn dag zou gaan kosten, zodat hij – na het geld in zijn zak te hebben gestoken – Yossi de stempelmachine toeschoof en hem wees waar elk formulier mét de pasfoto van iedere aanvrager moest worden afgestempeld.
Als Yossi ervan geschrokken was, liet hij daar niets van merken. Waar moest hij aan voldoende fotografen komen die de pasfoto’s konden maken en ze ontwikkelen en afdrukken? Op dat moment schoot hem iets te binnen. Nu de oorlog voorbij was, kwamen er weer toeristen naar Marseille. In de haven en in het centrum zwierven fotografen rond die de kost verdienden met het kieken van bezoekers. Binnen de kortste keren had hij hen verzameld om pasfoto’s van de immigranten in de opvangkampen te maken. Alweer een probleem opgelost.
Later echter, toen de indrukwekkend ogende visa waren uitgedeeld en de passagiers al aan boord waren, had Yossi geweten dat hij nog een andere taak zou moeten verrichten: de visa moesten aan boord weer worden ingezameld om te worden verbrand. ‘Ze hadden aan hun doel beantwoord. Geen visum betekende dat de passagier in kwestie niet kon worden geïdentificeerd.’
Yossi beschouwde dit als belangrijk. Zonder identificatie konden de passagiers, als ze op zee werden gesnapt, niet worden teruggestuurd naar waar ze vandaan waren gekomen. Gezien de problemen die Frankrijk had gehad vanwege de immigranten, wist hij dat dit land zijn mensen niet meer zou toelaten. Zonder Colombiaanse visa konden de passagiers niet naar Colombia worden gestuurd. Geen enkel land liet staatloze mensen toe. Er was maar één plek waar zij naartoe konden: Palestina. Zo hoopte Yossi althans.
Het was nog vroeg in de ochtend toen Ike en Yossi op de brug van de President Warfield stonden. Een uur geleden hadden ze het laatste deel van de logistieke inschepingsprocedure afgehandeld. De trucks van de Jewish Brigade die eerder de ontheemden naar de opvangkampen hadden gebracht, waren door Joe Baharlia op een beschermd terrein geparkeerd, in afwachting van het transport van de passagiers naar het schip.
Het zou opnieuw een onbewolkte dag worden, zonder een zuchtje wind dat wat verfrissing kon brengen in de drukkende hitte. In de stad waren de inwoners al bezig hun zonneschermen te laten zakken. Wat voor dit uur echter ongebruikelijk was, was het ontbreken van verkeersgeluiden. Het enige voertuig dat de kade op kwam rijden, was de auto van Ada. Nadat ze de auto had geparkeerd, haastte ze zich met Arazi de loopplank op, hun gezichten al rood van de warmte. Ze droegen ieder een paar kartonnen dozen vol Colombiaanse visa. Nu moest er nog één lastig probleem worden opgelost. De communistische vakbond van truckchauffeurs had een nationale staking afgekondigd die alle verkeer overal in Frankrijk had lamgelegd, met inbegrip van militaire trucks. De staking was een protest tegen de wijze waarop Ernest Bevin de conferentie van Europese naties in Parijs over het Marshallplan had misbruikt om te fulmineren tegen de Joodse emigratie.
Yossi vertelde dat de prefect van het departement Hérault, de Jood Sol Weiss, in het nabijgelegen Montpellier woonde. Ike verzocht Ada om hem en Yossi Harel naar die stad te rijden voor een bezoek aan Weiss. Intussen zou Arazi zich in verbinding stellen met Saul Avigur om hem de situatie uit te leggen en hem te vragen op welke manier de staking plaatselijk lang genoeg kon worden onderbroken om de immigranten over te brengen naar het schip, zodat ze konden vertrekken.
Twee uur later kwam Ike terug met een door de prefect getekende brief waarin deze toestemming gaf om de staking voor het traject tussen Port-de-Bouc voor vierentwintig uur te onderbreken. Intussen had Avigur een miljoen Franse frank in de stakingskas van de vakbond van de truckchauffeurs gestort. Yossi vertolkte de mening van de anderen op de brug van het schip toen hij zei: ‘Dat geld is goed besteed.’
Ada Sereni vertelde dat zij hulpverleners naar het opvangkamp van de weeskinderen had gebracht, zodat zij hen konden helpen zich klaar te maken voor de reis. Zij en de andere vrouwen ontdekten dat veel van de kinderen familiefoto’s onder hun kussen of matras hadden verstopt. Ze waren vaak gebarsten en vervaagd, maar toonden het gezicht van een vader of moeder, of een oma, of de gezichten van oudere broers en zussen. Het waren de laatste sporen van een complete familie en misschien wel van een hele gemeenschap. Iedere foto werd met zorg in een lap stof gewikkeld voordat deze in een van de kartonnen dozen werd gelegd die Ada uit Marseille had meegenomen.
Na het inpakken werden de dozen, elk met de naam van een kind, voor de barak opgestapeld, in afwachting van de legertrucks. De kampcommandant, een lange jongeman die stille kracht uitstraalde en door iedereen Moshe werd genoemd, kondigde aan dat de trucks tegen zonsondergang zouden komen. Intussen konden de kinderen naar de messbarak voor de laatste maaltijd voordat ze vertrokken. Ada vertelde: ‘De meesten hadden nooit een jeugd gehad. Hun ouders waren dood. Je kunt de kus van een moeder voor het slapengaan niet compenseren met de glimlach van goedbedoelende vreemden, ook al hadden die hun eigen leven op het spel gezet door hen in huis te nemen. De weeskinderen in dat opvangkamp – en in alle andere kampen waarin ze hadden verbleven – moeten zich in de steek gelaten en ongewenst hebben gevoeld. Hoe meer mensen hun best deden hun te bewijzen dat dit niet zo was, hoe sterker ze het geloofden.’
De telefoonlijn tussen Parijs en het kantoor van de havenmeester in Port-de-Bouc kraakte, waardoor het voor Yossi Harel en Ike moeilijk was hun gesprekspartner aan het andere eind van de lijn te verstaan, ook al drukten ze allebei een oor tegen de hoorn. De beller was Venia Pomerantz, de liaison van de Aliyah Bet met het Franse ministerie van Binnenlandse Zaken. De zachtsprekende Pomerantz had zijn connecties het zorgvuldig voorbereide verhaal verteld dat Avigur had verzonnen. Als gevolg van problemen met de stoommachine zou de President Warfield nog op zijn minst een week langer niet in staat zijn uit te varen. De jonge liaisonofficier had voldoende technische informatie gekregen om zijn connecties bij het ministerie hiervan te overtuigen, in de wetenschap dat dit nieuws zich snel zou verbreiden, gezien de manier waarop daar werd gewerkt. In zijn laatste telefoontje had Venia Pomerantz gezegd dat de machinestoring van de President Warfield weinig meer was dan een kort verslag in de Parijse kranten, maar dat het, zoals Avigurs bedoeling was, ongetwijfeld de Britse ambassade zou hebben bereikt.
Halverwege de middag liep een kelner uit een café tegenover het havenkantoor de kade op. Yossi ging hem tegemoet en kreeg aan zijn kant van de loopbrug te horen dat er een dringend telefoontje was uit Parijs. Yossi en Ike sprintten naar het havenkantoor.
Venia Pomerantz had verpletterend nieuws. Ernest Bevin had vanuit Londen zijn Franse collega Georges Bidault gebeld met het nieuws dat MI6 had ontdekt dat de prefect van het departement Hérault de politie toestemming had gegeven om de staking lang genoeg te onderbreken om de ontheemden de tijd te geven zich in te schepen.
Yossi spande zich in om de stem aan de krakende lijn te kunnen verstaan en griste een vel papier van het bureau van de havenmeester om te noteren wat Pomerantz hem vertelde. Bevin had geëist dat de opvangkampen onmiddellijk zouden worden gesloten en dat de Joden daar zouden worden teruggestuurd naar hun land van herkomst in Europa. Intussen was Bevin van plan de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, George Marshall, te vragen het schip bevel te geven terug te keren naar de Verenigde Staten en de bemanning te arresteren wegens het schenden van de zeevaartwetten. Terwijl de telefoonlijn bleef kraken, noteerde Yossi voor Ike, die meelas over zijn schouder: ‘De minister heeft tegen Venia gezegd dat ons schip meteen moet vertrekken. Hij zegt dat de druk op zijn regering te groot wordt. Wij staan er nu alleen voor, zegt hij.’
Ike had er met een grimmig lachje kennis van genomen en na een beleefd bedankje aan de havenmeester waren ze teruggerend naar het schip.
Op 9 juli 1947 ging de zon al onder boven Port-de-Bouc toen de MI6-agenten Smiley en Vershoyle te midden van een wuivende menigte toekeken hoe de President Warfield zich losmaakte van de kade en langs het oude fort wegvoer, de Middellandse Zee in, naar het westen. De proviandkamers waren volgestouwd met kisten verse groente en fruit, voor de kombuis lagen zakken aardappelen opgestapeld en de tanks met drinkwater waren tot aan de vuldop gevuld.
Murray Aronoff, die het Jewish Brigade-embleem van zijn vader trots op zijn overhemd had gespeld, zei: ‘Er hing een sfeer van verwachting – eerder opwinding dan spanning. Ike had ons verzekerd dat we zouden ontdekken waarom we van de andere kant van de wereld hierheen waren gekomen. Spoedig zou het schip meer dan vierduizend mannen, vrouwen en kinderen aan boord hebben – allemaal met die ene droom: aankomen in Erets Jisraël. En de machtigste marine ter wereld lag op de loer om hen dat te beletten. Het was onze taak hun schepen te slim af te zijn.’
De opgewekte aard van dominee Grauel vond overal op het schip weerklank. Toen de President Warfield snelheid won, verzamelde hij zijn koks en gaf hun opdracht gamellen vol soep en ketels vol koffie te maken, en ook warme drank voor de kinderen, zodat alles klaar zou zijn als de eerste immigranten de komende uren aan boord kwamen. Yossi Harel en verscheidene dekmatrozen waren bezig de kooien te voorzien van beddengoed. Een van de uitkijken op de brug was Paul Schulman. Hij was een graag geziene en gerespecteerde persoonlijkheid onder de bemanning geworden. De gespierde gestalte van de ex-parachutist van de Amerikaanse 82e Luchtlandingsdivisie hield de wacht aan stuurboord. Naast zijn voet stond een houten knuppel en ook verscheidene andere bemanningsleden waren ermee bewapend. Foreman: ‘Wij waren niet uit op knokken. Als er moeilijkheden kwamen, zouden we echter voor onszelf moeten opkomen. We hadden allemaal de verhalen gehoord over het brute optreden van de Engelsen.’
Ada was naar Sète gereden om Yehuda Arazi te waarschuwen dat hij meteen moest beginnen met het transport van de immigranten uit de kampen. Eliyahu Cohen beschikte inmiddels over zeventig legertrucks om hen naar Sète te brengen.
Yehuda Arazi had met de havenmeester van Sète afgesproken dat de President Warfield voor anker mocht gaan te midden van de doolhof van havendammen en havens vol vissersboten en rivieraken. Veel van de waterwegen waren te klein voor een schip ter grootte van de President Warfield, en uiteindelijk was zijn keus gevallen op een havendam achter de buitenhaven; de trap daar leidde naar een weg waar de trucks konden parkeren.
Dominee Grauel had een begin gemaakt met het schrijven van zijn dagboek: ‘Wij Amerikanen aan boord werden door de Palestijnse Joden van de Aliyah Bet de Shu-Shu Boys genoemd. Ze waarschuwden de Amerikaanse vrijwilligers iedere keer opnieuw voor het belang van geheimhouding en stilzwijgen. De mensen die Jiddisch spraken, legden hun wijsvinger tegen hun lippen en bliezen erop met het woordje shu, dat vermoedelijk was afgeleid van het Jiddische sha, om anderen te waarschuwen te zwijgen of stil te zijn.’