De missie van de rabbijn
In hun suite in het Londense Dorchester Hotel waren Chaim en Vera Weizmann trouwe luisteraars naar de nieuwsbulletins van de Home Service van de bbc. De afgelopen drie maanden, vanaf 13 juni 1944, waren de nieuwsberichten steeds begonnen met de door Wernher von Brauns V1’s aangerichte verwoestingen. Deze ‘vliegende bommen’ bleven nog steeds op de hoofdstad neerkomen. Vergeltungswaffe 1 had een nieuwe gruwel toegevoegd aan de oorlogvoering. Dit wapen was formeel een Flak Ziel Gerät (gericht tegen luchtdoelgeschut), haalde een snelheid van 650 km/ uur, had een actieradius van 240 tot 400 km en vervoerde duizend kilo krachtige springstof. De nadering werd aangekondigd door een duidelijk herkenbaar knorrend geluid, gevolgd door een korte stilte als de raketmotor zweeg en het monster met verwoestende kracht insloeg. De V1’s, acht meter lang, werden bij honderden geproduceerd in de onderaardse assemblagehallen waar ze door Helena Levi en haar medegevangenen op legertrucks werden geladen, voor transport naar lanceerplatforms binnen de actieradius ten opzichte van Londen. Deze wapens zouden uiteindelijk meer dan 5000 doden en gewonden onder de Londense burgerij maken, terwijl ze een miljoen gebouwen – ziekenhuizen, scholen, kerken enzovoort – verwoestten of ernstig beschadigden.
Voor de Weizmanns stond de mogelijkheid open om aan dit wapen te ontsnappen door naar Amerika te gaan. Churchill had tegenover Chaim Weizmann laten doorschemeren dat niemand hem dat kwalijk zou nemen: hij herinnerde hem eraan dat hij al een bijdrage van onschatbare waarde aan de oorlogsinspanningen had geleverd. Tal van uitnodigingen tot het beginnen van een nieuw leven gingen vergezeld van aanbiedingen voor niet alleen een passend onderkomen voor hen in de Verenigde Staten, maar ook toezeggingen om aanzienlijke bedragen te voteren voor ongeacht wat voor onderzoeksinstituut hij wilde vestigen.
Hij had elk aanbod beleefd afgewimpeld. De Weizmanns waren het erover eens dat er, als zij ooit uit Londen vertrokken, maar één plaats was waar zij heen konden gaan: Palestina en hun woning daar, die zij met zoveel zorg in Rehovot hadden ingericht, hoewel ze er maar weinig tijd in hadden kunnen doorbrengen om ervan te genieten. Ook waren ze het erover eens dat Rehovot de ideale plek was om Chaims zeventigste verjaardag te vieren.
Hij zou erheen gaan met de verzekering van Winston Churchill dat er een ‘plan bestaat om een Joods nationaal thuis te creëren’. De eerste minister had er voor het eerst op gezinspeeld toen hij Weizmann in november 1944 had uitgenodigd voor de lunch in het buitenverblijf Chequers. Die avond had Weizmann in zijn dagboek geschreven: ‘Hij sprak over afscheiding en verklaarde er een voorstander van te zijn de Negevwoestijn toe te voegen aan het Joods territorium. Hoewel hij duidelijk maakte dat er geen actieve stappen zouden worden gezet voordat de oorlog voorbij was, overlegde hij al met Roosevelt over de kwestie.’
Twee dagen later vertrokken de Weizmanns naar Palestina. Bij hun aankomst in Rehovot wachtte hen een warm welkom. Terwijl Vera hun huis opnieuw inrichtte, begon haar echtgenoot pogingen te doen de levensvatbaarheid van een nieuwe natie in te schatten. Er was veel wat hem bemoedigde: de productiviteit was sinds zijn laatste verblijf in Palestina met sprongen toegenomen, nu 600.000 Joden hard werkten aan het creëren van een sterke democratie, klaar om de overlevende Joden uit Europa te verwelkomen zodra Duitsland definitief was verslagen.
Enkele dagen naar zijn terugkeer bracht Chaim Weizmann een bezoek aan Ben-Goerion in diens woning in de Keren Kayaemestraat in Tel Aviv. De beide mannen omhelsden elkaar hartelijk, waarna Ben-Goerion zijn gast voorging naar zijn werkkamer. Net als in zijn kantoor in het Joods Agentschap puilden de boekenkasten uit van boeken over wijsbegeerte en geschiedenis. Een tijdje praatten ze onder het genot van een paar koppen koffie over de oorlog en het lot van de nog in de kampen in leven gebleven Joden. Door het open raam was het gedruis van brekers op het nabije strand te horen.
Ben-Goerion merkte op dat dit het eerste geluid moest zijn geweest dat vluchtelingen al die jaren geleden hadden gehoord toen zij naar het strand waren gewaad, afgezet door een blokkadebreker. Weizmann zei, achterover leunend in zijn fauteuil, met nieuwe stelligheid: ‘Binnenkort zullen onze mensen naar huis kunnen komen zonder dat te moeten doen.’
Ben-Goerion keek hem indringend aan en vroeg toen: ‘Hoe weet je dat?’
‘Premier Churchill heeft een plan. De details ken ik niet, maar hij zal het openbaar maken zodra de oorlog voorbij is. Laten we bidden dat dit spoedig zal zijn.’
Toen de herfst van 1944 overging in de winter, werd de oceaan voor Omaha Beach weer grillig. De deining rukte woest aan de ankerketting van de President Warfield of hulde het schip plotseling in een smerige, bijtende mist die gezagvoerder Boyer deed denken aan de Baai van San Francisco. Hij had bevel gegeven dat de karakteristieke scheepshoorn elke halve minuut moest loeien om andere schepen in de buurt te waarschuwen. Toen, even plotseling als hij was stilgevallen, wakkerde de wind met nieuwe felheid aan, zodat de mist werd weggeblazen en de President Warfield begon te bokken als een wild dier om los te komen van zijn ankers.
Terwijl het schip voor Omaha Beach voor anker lag, begon de ware gruwel van de concentratiekampen zich te ontvouwen. Amerikaanse en Britse inlichtingenofficieren ontdekten verbanden in de verhalen van Duitse krijgsgevangenen. Zij vertelden dezelfde afgrijselijke verhalen van standrechtelijke executies, martelingen, vergassingen en stapels en nog eens stapels lijken die verbrand moesten worden. De verslagen van deze verhoren vonden via de bevelshiërarchie hun weg naar generaal Eisenhower en generaal Montgomery, die ze doorstuurden naar het War Office in Londen. Hier werd een selectie ervan voorgelegd aan Churchill en Stewart Menzies. De MI6-directeur nam ze mee naar een bijeenkomst van de Gezamenlijke Chefs van Staven, die regelmatig vergaderden om over de vorderingen in de oorlog te overleggen. Nu kwam de vraag ter tafel wat er zou gebeuren met degenen die de dodenkampen hadden overleefd en naar Palestina wilden. Menzies deed de aanbeveling de zaak aan te houden totdat de vijandelijkheden voorbij waren.
In Westerbork was het voedselgebrek in de uitzonderlijke vrieskou van deze winter nijpend geworden. De gevangenen teerden langzaam weg; zij raakten al uitgeput van de fysieke inspanning die het hun kostte om de kiebeltonnen van de kampkeuken leeg te schrapen. De koude veranderde de barakken in ijsholen. De gevangenen bleven dicht bij elkaar en kauwden op repen boombast, of op de schoenen van een pasgestorven makker en alles wat ze maar konden vinden.
Als er iemand op het ochtendappel ineenzakte van uitputting, werd hij ter plekke doodgeschoten. Degenen die ’s nachts in hun slaap waren overleden, werden beroofd van hun kleding voordat ze per kruiwagen naar de dichtstbijzijnde put met ongebluste kalk werden gebracht. Er waren vrouwen die hun lichaam verkochten voor een snee brood of een kop gekookte suikerbiet, waarmee normaal vee werd gevoederd. De eeuwig knagende honger deed zijn werk. De enige sprankjes hoop waren afkomstig uit barakken waar iemand een meegesmokkelde radio verborgen hield. De geallieerden waren onderweg, maar het ging heel langzaam.
Johann Goldman behoedde samen met anderen de radio in hun barak voor ontdekking en wisselde zijn dienst af met Jakob Cohen om op zoek te gaan naar iets eetbaars. Op een middag, toen het Johanns beurt was, slenterde hij naar de kampkeuken: de bewakers hadden hun middagmaal gehad en de resten zouden in de kiebelton zijn gekieperd. Soms stonden de bewakers toe te kijken als de gevangenen zich op de kiebelton stortten. Johann was nog maar een eindje van hun barak, toen hij binnen luid geschreeuw hoorde. Jakob werd door twee bewakers naar buiten gesleurd, gevolgd door een SS-officier die de radio in zijn ene hand hield, en in de andere een pistool. De SS’er zette zijn laars op het toestelletje om het te vertrappen, waarna de bewakers opdracht kregen Jakob los te laten. Glimlachend beval de SS’er hem de resten van de radio op te rapen. Toen hij zich bukte, schoot de man hem een kogel door het hoofd en wandelde weg.
Luitenant-ter-zee 1e klasse Edward Anthony Bailey stond op het droogdok van scheepswerf William Denny & Brothers in het Schotse Dumbarton. Hij was een imposante figuur in zijn uniform en overjas, getooid met de epauletten die zijn rang aangaven. Hij werd dikwijls toegeknikt door arbeiders als ze zich langs hem heen haastten om hun werk te doen.
Bailey was een veteraan van de Slag om de Atlantische Oceaan, met vier eervolle vermeldingen en onderscheiden met het Distinguished Service Cross (DSC) voor het tot zinken brengen van een U-boot. Op het droogdok nam hij de oorlogsbodem in ogenschouw waarvoor hij binnenkort verantwoordelijk zou zijn: HMS Childers. Het was een torpedobootjager van de C-klasse die volgens de plannen in februari 1945 te water zou worden gelaten. De stalen romp was geheel gelast en het schip had een topsnelheid van bijna 31 knopen (bijna 57 km/uur), voortgestuwd door twee tweeassige stoomturbines, werkend op de door drie ketels gegenereerde stoom. Het schip was de vierde torpedobootjager van deze klasse.
Bailey bleef de torpedobootjager vanaf het droogdok bestuderen. Op de dekken krioelde het van arbeiders die af en aan liepen. Ergens diep in het inwendige gaven hamers en boren het schip een eigen leven. Het schip straalde van de geblokte romp tot de naar buiten gewende voorsteven kracht uit: de kanons waren geplaatst, de radar en de antennemasten waren geïnstalleerd en de romp was voorzien van de eerste laag marinegrijs. Hier en daar waren plekken rode menie te zien op plaatsen die nog moesten worden gecontroleerd. Het deed hem denken aan een vrouw die haar lippenstift wat slordig had gehanteerd om haar sombere uniformpakje wat op te fleuren. Alles aan HMS Childers, vond Bailey, ademde echter mannelijkheid: dit was een echte oorlogsbodem, vanaf het achterdek tot de brug en de voorsteven. Hij kon bijna niet wachten op het moment dat hij ermee de oorlog in kon.
Op de avond van 12 januari 1945 vonden de mannen ieder hun eigen weg door de Oude Stad van Jeruzalem, op tijdstippen waarvan ze wisten dat er geen Britse legerpatrouilles in de buurt zouden zijn. Ze waren stuk voor stuk hoge Haganah-officier en wisten dat ze direct konden worden gearresteerd vanwege hun lidmaatschap van een door de Mandaat-regering verboden organisatie.
Een van de mannen bereikte de Jodenstraat, bleef staan voor een zware houten deur in een portiek en klopte aan. Meteen ging de deur open. De man die open had gedaan ging hem over een binnenplaats – tweehonderd jaar eerder met kinderkopjes geplaveid – voor naar het huis van rabbijn Mordechai Weingarten. De grote studeerkamer van de rabbijn, zijn sanctuarium, lag achter het huis. Aan de rechter deurpost hing een mezoeza, een klein kokertje met daarin een rolletje perkament, beschreven met de woorden van het Sjema Israel (‘Hoort, Israël’).
Bezoekers konden alleen maar diep onder de indruk raken van de inhoud van de boekenplanken met houtsnijwerk die de muren bedekten, vanaf de marmeren vloer tot aan het hoge plafond, afgewerkt in een rustgevende tint groen. Op de boekenplanken stonden vele honderden in leer gebonden boeken, waarvan sommige meer dan een eeuw oud waren, naast documenten in onbeschreven ordners, waarvan alleen rabbijn Weingarten wist wat erin zat.
Op de boekenplanken stond een exemplaar van de Sjoelchan Aroech, de voornaamste codificering van de wetten en rituelen van het jodendom, ontleend aan de Talmoed. Rabbi Weingarten, zelf een talmoedist, was in zijn gemeenschap dé expert aangaande de volledige traditie van het jodendom. Sommige boekenplanken werden geheel in beslag genomen door kopieën en afschriften van documenten. Andere boekenplanken bevatten de overlijdenskronieken, waarin nauwkeurig was aangetekend wanneer de sjivah, de zevendaagse rouwperiode, was begonnen en geëindigd, en wanneer de tweede, minder intensieve periode van rouw na dertig dagen was geëindigd.
Een muur ging volledig schuil achter boekenplanken, gewijd aan de geschriften en toespraken van Theodor Herzl, de grondlegger van het zionisme, alsmede aan auteurs die over zulke uiteenlopende thema’s hadden geschreven als het ontstaan van de voornaamste Joodse getto’s in Europa en de religieuze hoogtijdagen van het jodendom. Aan de Pentateuch, de eerste vijf boeken van het Oude Testament, was een hele boekenplank gewijd. Op andere boekenplanken stonden politieke boeken over niet alleen de geschiedenis van het jodendom, maar ook over de invloed ervan op hele naties. Sommige waren geschreven in het Russisch, Duits of Arabisch, talen die de rabbijn beheerste. Aan het uiteinde van die plank stond een ingelijst exemplaar van de Balfour Declaration.
De hele inhoud van de studeerkamer belichaamde een mensenleven van studie door rabbijn Weingarten zelf, die aan zijn tachtigste levensjaar bezig was, als het oudste lid van een familie die al twee eeuwen in de Oude Stad had gewoond. Tijdens de ontvangst van zijn bezoekers op die koele avond in januari omhelsde de rabbijn de mannen een voor een en nodigde hen met een handgebaar uit plaats te nemen op een van de in een halve cirkel opgestelde stoelen.
De rabbijn was voorzitter van de Joodse Raad in de Oude Stad, maar zijn invloed strekte zich uit tot diep in de diaspora. Hij was onder Britse en Amerikaanse Joden een gerespecteerde figuur, maar had ook connecties in het Derde Rijk. Er waren Duitsers – tegenstanders van Hitler en het nazisme – die hoopten dat hij voor hen een lans zou breken als de oorlog eindigde, in ruil voor de informatie die zij aan hem doorspeelden. Via dit netwerk van connecties had de rabbijn zich een duidelijk beeld kunnen vormen van wat er gebeurde met de Joden in de concentratiekampen.
Hoewel de rabbijn een overtuigd pacifist was, deelde hij de droom van zijn bezoekers van een vrije natie. In de loop der jaren was hij voor hen een vertrouwde bondgenoot geworden, een bron van informatie waarmee iets kon worden gedaan.
De eerste die de studeerkamer binnenstapte, was Moshe Bar-Gilad, die uit Istanboel was gekomen. Hij was een stuk magerder sinds hij naar Wenen was geweest om met Eichmann te onderhandelen, maar droeg nog steeds het pak dat hij voor die gelegenheid had gekocht. Na hem verwelkomde de rabbijn achtereenvolgens Eliyahu Golomb, Ze’ev Shind en Yehuda Arazi. Golomb was pas hersteld van een ziekte, zoals te zien was aan zijn bleke, ingevallen gezicht. De andere twee mannen hadden het vermoeide uiterlijk dat voortvloeide uit het torsen van de last van het Haganah-leiderschap. Innerlijke tweestrijd had hun beider gezichten getekend, telkens als zij er een van hun ondergeschikten op uit hadden moeten sturen voor een gevaarlijke missie die tot arrestatie, gevangenisstraf of zelfs ophanging kon leiden, na een veroordeling door de rechterlijke macht van de Mandaat-regering. Munya Mardor, die onder deze mannen in de studeerkamer had gediend, vertelde: ‘In een illegale militante groep waarvan de leden elkaar van nabij in het burgerleven kennen, waren moeilijke beslissingen niet minder pijnlijk. Wij wisten echter dat onze leiders zelf niet zouden aarzelen datgene te doen wat zij van ons verlangden. Zij stuurden ons vaak weg voor een missie zonder dat wij wisten waarvoor dat nodig was. Dat vereiste heel veel vertrouwen van beide kanten.’
Shind sprak Engels met een Amerikaans accent, overgehouden aan zijn bezoeken met Ben-Goerion aan de Verenigde Staten ten behoeve van fondsenwerving voor het Joods Agentschap. Shind had als lijfwacht voor de zionistische leider gefungeerd en was daarnaast belast met de taak erop toe te zien dat de beloofde gelden inderdaad werden overgemaakt.
In de Haganah werd vaak gezegd dat geen romanschrijver het zou hebben gewaagd een personage te bedenken als Yehuda Arazi. Deze gedrongen gebouwde man met een ijzeren greep had gedurende zijn jaren als inspecteur bij de Palestijnse politiemacht veel met criminelen te maken gehad, maar niemand bij de Mandaat-regering vermoedde dat Arazi een Haganah-spion van grote waarde was. Hij had ‘gevoelige’ documenten gefotografeerd – en soms zelfs complete politiedossiers – en die naar een gebouw in de nabijheid van het hoofdpostkantoor van Jeruzalem gebracht. Toen een Haganah-officier hem eens had verzocht om specifieke informatie, had Arazi geantwoord: ‘Je krijgt wat je krijgt.’
Het verzoek werd nooit herhaald. Vanaf dat moment werd Arazi beschouwd als iemand die zijn eigen gang ging, een eigenzinnig type als geen ander. In 1940 had hij ontslag genomen bij de politie om dienst te nemen bij het Britse leger. Toen hij naar het rekruteringsbureau ging, had Yossi Harel in de rij voor hem gestaan. Waar Harel als truckchauffeur naar de Libische woestijn was gestuurd, had Arazi’s ervaring bij de politie hem een plaats bezorgd bij de Special Operations Executive (SOE) van het Britse leger, een militaire organisatie die door Churchill was belast met sabotagetaken in het door de nazi’s bezette Europa.
Na te zijn getraind in de nieuwste sabotagemethoden was Arazi met een klein team medesaboteurs naar de Balkan gestuurd. De eenheid had opmerkelijke successen geboekt met het opblazen van treinen en open goederenwagons, met behulp van springstoffen die eruitzagen als gewone steenkool. De Gestapo, die inmiddels met meer dan honderd agenten probeerde Arazi en zijn mannen te grijpen, had een beloning uitgeloofd voor de arrestatie van de groep. In Londen werd Arazi als een buitengewoon belangrijke figuur gezien. Niemand vermoedde dat hij daarnaast voor de Haganah spioneerde. Steeds als hij de details van een operatie via de ontvanger/zender die de SOE hem had gegeven doorgaf naar Londen, stuurde Arazi ze ook door naar Kamer 17 in het Histadrut Building in de Allenbystraat in Tel Aviv, waar Golomb in zijn bureau eveneens een zender/ontvanger verborgen hield.
De laatste die de studeerkamer binnenkwam, was David Shaltiel, een telg van een oude sefardische familie uit Hamburg; hij was jonger dan de anderen en droeg een hoornen bril op zijn vooruitstekende neus. In zijn vroege tienerjaren had hij de beperkingen van het joodse geloofsleven afgeschud en zijn vrome moeder aanstoot gegeven door op Jom Kippoer, de heiligste dag van het joodse religieuze jaar, varkensvlees te eten. Hij was met een plunjezak op zijn schouder naar Palestina geëmigreerd. De pezige jongeman met zijn charmante manier van doen was begonnen als piccolo in een hotel in Tel Aviv. Daar had een welgestelde gast hem een baantje als butler aangeboden. Shaltiel had het een maand uitgehouden, totdat hij een tijdschriftartikel had gelezen over de goktafels in het casino van Monte Carlo. Hij had een baantje aangenomen op een stoomschip met bestemming Zuid-Frankrijk en was daar aan het gokken geslagen. Binnen enkele dagen had hij al zijn geld verloren en toen maar dienst genomen bij het Franse Vreemdelingenlegioen. Hij was toen drieëntwintig jaar oud. Hij had in Noord-Afrika gevochten en had het gebracht tot sergeant, na te zijn onderscheiden met de Médaille du Mérite. Later had hij zich in Parijs gevestigd en als vertegenwoordiger bij oliemaatschappij Shell gewerkt.
De opkomst van het antisemitisme in Europa had zijn geloof tot nieuw leven gewekt. Hij had zich aangesloten bij de zionistische beweging en was toen begonnen Joodse jongeren te rekruteren voor emigratie naar Palestina. Algauw waren zijn talenten opgemerkt door de Haganah, die hem naar Tel Aviv had ontboden. Zijn optreden viel in de smaak, zodat ze hem hadden teruggestuurd naar Europa om daar als wapeninkoper van de organisatie aan de slag te gaan. In 1936 was hij door de Duitse Grenzpolizei gearresteerd toen hij probeerde de som van 100.000 Reichsmark het land binnen te smokkelen. Zijn smoes: hij was een gokker en op weg naar het casino in Berlijn. Na door de Gestapo te zijn gemarteld, was hij kort na de opening van het kamp Dachau daarheen gestuurd en aan het hoofd gesteld van de ploegen die graven moesten delven. Hij vertelde: ‘De grafdelvers hadden het beste baantje, want zij konden de kleren van de doden onder elkaar verdelen. Ik reorganiseerde hen zodanig dat de sterksten de graven dolven en de zwaksten, die dat het meest nodig hadden, de kleding kregen.’
In 1939 was hij zonder nadere verklaring op vrije voeten gesteld en had hij zijn weg teruggevonden naar Palestina, waar hij als een van de eerste echte helden van de Haganah was verwelkomd.
Met dezelfde geleerde stem waarmee hij meer dan een halve eeuw zijn gemeente in de synagoge had weten te boeien, herinnerde rabbijn Weingarten het gezelschap eraan dat er ondanks de Londense steun voor een Joods vaderland nog altijd een kloof gaapte tussen de gedane beloften en de feitelijke resultaten. Hij liep naar een boekenplank, nam er een ordner af en zei dat deze de notulen van recente jaarcongressen van de Labour Party bevatte.
Hij begon voor te lezen: ‘Negentiendrieënveertig. Het congres blijft steun geven aan zijn staande beleid ten gunste van het creëren van een Joods nationaal thuis in Palestina.’ Hij bladerde naar een ander rapport. ‘Negentienvierenveertig. Het congres onderschrijft dat er geen hoop of betekenis schuilt in een Joodse nationaal thuis tenzij wij bereid zijn Joden die dat wensen toe te staan dat land binnen te gaan in zodanige aantallen dat zij daar een meerderheid gaan vormen. Hiervoor waren er al voor de oorlog sterke argumenten. Nu zijn er zelfs onweerlegbare argumenten voor, na de onuitsprekelijke wreedheden van het ijskoude en doelbewuste naziplan voor de uitroeiing van alle Joden in Europa.’
Rabbijn Weingarten sloot de map en richtte zich weer tot de mannen van de Haganah, zoals David Shaltiel later vertelde: ‘Zal dit echter ook na de oorlog het standpunt van Labour zijn?’ Hij beantwoordde de vraag zelf. Niemand kon daar zeker van zijn. Hij legde uit dat hij hun had verzocht te komen om er eens te meer op aan te dringen ervoor te zorgen dat de overlevenden van de dodenkampen naar hun aloude vaderland terugkeerden. Hij had een pauze ingelast en er toen aan toegevoegd: ‘Vaderland met een hoofdletter V!’
Over het lot van de gevangenen in Auschwitz – met zijn oppervlakte van tweeënvijftig vierkante kilometer Hitlers grootste vernietigingskamp – gedeporteerden die nog niet waren vergast en verbrand, werd begin 1945 beslist. Van de miljoenen die langs de door Freddie Kronenberg bediende slagboom waren gekomen, waren er nog maar 125.000 in leven. Terwijl hij in het bijkantoor van kampcommandant Josef Kramer wachtte op nieuwe bevelen, hoorde hij Kramer tijdens een telefoongesprek schreeuwen dat de executies op tijd achter de rug zouden zijn.
Die avond voegden zich de explosies van bommen op Buna Monowitz – een subkamp aan het uiteinde van het Auschwitz-complex waar chemici hadden geprobeerd synthetische olie te produceren – bij het gedreun van zware artillerie, het knallen van handvuurwapens en het hameren van mitrailleurs. Hoewel de bommen geen moment zelfs maar in de buurt kwamen van de gaskamers of verbrandingsovens, hadden de luchtaanvallen Kramer ertoe gebracht zijn SS-bewakers te bevelen de sloop ervan zo snel mogelijk te voltooien en alle sporen van de massamoorden uit te wissen.
De 18e januari waren Kramer en de SS-bewakers weggereden in legertrucks, met achterlating van 7652 levende gevangenen. Freddie was een van hen. In de loop van de lange nacht had hij het zwarte ordonnansuniform dat hij had moeten dragen weggedaan en zich verborgen in de buurt van een van de massagraven in het complex. Overal in het kamp smeulden de vuren van belastende documenten na in het schuchtere licht van de nieuwe dag.
Freddie wist nu dat hij het niet alleen had overleefd, maar dat hij zich nu ook kon concentreren op zijn ontsnapping, weg van de van bloed doordrenkte aarde van Auschwitz, om een plan uit te denken voor de vervulling van de droom die hij tot op dat moment nauwelijks had durven toelaten: emigreren naar Erets Jisraël.
Op 19 februari 1945 was de President Warfield, die dankzij de platte, ondiepe romp ondiepe wateren kon bevaren, van Omaha Beach naar Le Havre gevaren, verderop aan de kust. Van daaruit begon het schip verse troepen over een afstand van vele kilometers via de Seine naar de frontlinies te brengen.
Tegen begin april had het schip 12.000 man stroomopwaarts vervoerd. Bij iedere trip brulde de bemanning een lied met een tekst die ze zelf had bedacht op de populaire Ierse melodie van MacNamara’s Band.
Ooh – we call our ship the Warfield.
She’s the finest in the fleet.
And when it comes to making time,
She simply can’t be beat.
Her boilers are old and rusty,
But they’re full of dynamite.
One puff of smoke – one splash of brine,
And then she’s out of sight.
Ooh – her pistons clang en her engines bang,
And the whistle toots away.
The captain cries, ‘Full speed ahead’,
and then there’s hell to pay.
Her top three decks are made of wood,
and her hull is made of tin.
A credit to our navy is,
This Grand Old Hulk we’re in!
Miriam Bergman zat ineengedoken op de smerige vloer onder haar brits. De laatste rat in de barak was gevangen, gevild, gebraden en door de gevangenen opgegeten. Zij had er niet aan meegedaan, bang voor het gevaar van de diarree waarvan al zoveel lotgenoten het slachtoffer waren geworden. De gevangenen lagen in hun eigen vuil. In een poging de drek te vermijden die door de spleten tussen de houten latten van de brits boven de hare sijpelde, had ze deze dichtgestopt met lappen stof en de laatste tabletjes geslikt die ze uit de kampapotheek had gestolen. In de schappen daar lagen geen medicamenten meer.
Miriam was ervan overtuigd dat de besmettelijke diarree mede het kamp in was gebracht door de voortdurende instroom van gevangenen uit andere kampen in het oosten. Er was nauwelijks eten en geen druppel water, evenmin als sanitaire voorzieningen of medische hulp. De mortaliteit was snel gestegen – alleen al in Miriams barak waren in de loop van één nacht twintig gevangenen gestorven. Er waren geen kuilen meer waarin ze konden worden begraven, en ook was er geen ongebluste kalk meer om over de lijken te gieten. Dus bleven de stapels lijken waar ze waren en verbreidden ze een overweldigende stank. Toch was dat niet wat haar die lenteochtend van half april 1945 vervulde van angst. Het was opnieuw het geluid van zware trucks die naderbij kwamen. Tot nu toe was dit geluid voorafgegaan aan de komst van nog meer gevangenen die in het toch al overvolle kamp werden gedumpt. Enkele dagen geleden waren de meeste bewakers echter vertrokken. Wat konden deze trucks betekenen? Nieuwe bewakers? Of kwamen ze de gevangenen weghalen?
Het motorengeronk was nu heel dichtbij. Miriam overwon haar angst, kroop onder de brits vandaan en wankelde naar de uitgang van de barak. Ze moest steun zoeken tegen de deurpost en staarde vol verwondering naar buiten. Bij de hoofdingang van het kamp stond een voertuig met een vlaggetje dat ze nooit eerder had gezien, met daarin een militair in een kaki uniform. Het was luitenant Derek Sington, een inlichtingenofficier van het Britse Tweede Leger. Hij zat achter het stuur van de jeep die de Union Jack voerde. Achter hem stonden de legertrucks geparkeerd die Miriam had horen naderen. De bestuurders ervan staarden vol afgrijzen en ongeloof naar de figuren die naar hen toe wankelden.
Een grote man met een keppeltje op en een davidsster om zijn nek liep naar het toegangshek. Hij breidde zijn armen uit, vervuld van mededogen. Rabbijn Leslie Hardman vertelde: ‘Het leek alsof ze uit de schaduw van duistere hoeken en gaten te voorschijn waren gekomen, deze geestverschijningen die naar ons toe schuifelden. Toen ze dichterbij kwamen, deden ze verwoede pogingen om sneller vooruit te komen. Hun armen en benen, waarvan de botten bijna door hun vel staken, maakten schokkende, groteske bewegingen terwijl ze zich voortsleepten. Hun lichamen deden van top tot teen denken aan luciferhoutjes.’
Rabbijn Hardman vermande zich en deed zijn best niet te laten merken hoe verbijsterd hij was, toen hij hen toeriep: ‘Ihr seid frei!’
Voor luitenant Sington klonken de reacties ‘als stemmen uit een onaardse wereld: onverstaanbare stemmen die even ijl klonken als de skeletachtige gedaanten tegenover mij eruitzagen. Het leken figuren van bordkarton, vogelverschrikkers. Hoe hadden mensen dit kunnen doen?’ Hij herinnerde zich dat hij zijn hoofd had laten zakken om niet alleen zijn tranen te verbergen, maar ook de plaatsvervangende schaamte die hij voelde.
Miriam staarde naar de trucks; ze begreep het nog niet helemaal. Tranen waren iets dat zij al heel lang niet meer had gezien. Het enige waartoe ze in staat was, was om zich heen kijken naar de andere gevangenen en herhalen dat ze vrij waren.
Voor velen was het moeilijk te wennen aan hun vrijheid. Of zoals Helena Levi het verwoordde: ‘Het duurde een tijd voordat we ontwaakten voor het besef dat je aan het eind van die dag nog in leven zou zijn. Dat was het wonderbaarlijkste van alle gevoelens. Vrijheid.’
Die dag, 9 mei 1945, lag de President Warfield afgemeerd aan de Quai d’Escole in Le Havre, niet meer tot varen in staat, nadat twee bladen van de schroef waren verbogen toen ze in aanraking kwamen met een in de Seine verzonken, zwaar object. Tegen het eind van die middag reed een auto de kade op. Er stapte een man uit, iemand met een smal gezicht in het uniform van de Amerikaanse marine. Luitenant-ter-zee 1e klasse Alfred Sanford Harer had de laatste missie van zijn dertigjarig dienstverband voor de boeg: de President Warfield terugvaren naar de Verenigde Staten.