10

Plannen en voorstellen

In de ruime kantoorhut die hem was toegewezen op HMS Moreta, de basis van de Royal Navy in Haifa, overdacht admiraal sir John Henry Dacres Cunningham, de nieuwe bevelhebber van de Britse vloot, het bericht dat hij op die februariochtend van 1947 had ontvangen van zijn naamgenoot sir Alan Cunningham, de Britse Hoge Commissaris in Palestina. Er stond: ‘hoogst urgent. uiterst geheim. Wij zijn op dit moment niet bij machte nog meer illegale immigranten in dit land te bewaken. Ik dring erop aan dat elk volgend schip op zee wordt gekeerd, omdat anders de situatie onhoudbaar wordt.’

Sir John, eenenzestig jaar oud, had lichtblauwe ogen en een gebruind gezicht waaraan te zien was dat hij zichzelf altijd in topconditie had gehouden. Hij speelde nog altijd wedstrijdtennis en zwom iedere dag een vol uur. Als hoogste marineman op de Middellandse Zeevloot reikte zijn gezag van de Rots van Gibraltar tot het Suezkanaal en Haifa, dat hij tot zijn uitvalsbasis had gekozen.

Op zijn bevel werd er in de haven van Haifa constant gepatrouilleerd door twee motorbarkassen. Ze hadden agenten van de Mandaat-politie aan boord, bewapend met lichte mitrailleurs. ’s Nachts was iedere oorlogsbodem in de haven verlicht met felle spitsbooglampen die over de verschansing omlaagschenen, en de schroeven werden om de twee minuten in beweging gezet om eventuele zwemmers die misschien van plan waren kleefmijnen aan de romp te bevestigen af te schrikken. Bij het eerste daglicht dook een marineduiker onder elk oorlogsschip om op zoek te gaan naar explosieven.

Door zijn patrijspoort kon sir John vier blokkadebrekers voor anker zien liggen in de baai, nadat zij waren onderschept door de Palestine Patrol. Zelfs op die afstand zagen ze er in de ochtendzon haveloos uit. De Hebreeuwse namen waren haastig op de boeg gekalkt en al hard op weg te vervagen. Het schonk sir John voldoening dat er meer nodig zou zijn dan een naam om zijn gezagvoerders om de tuin te leiden. Een van de blokkadebrekers was de Chaim, een oude kustvaarder die in Havana was geregistreerd. Op korte afstand daarvandaan lag de Ben Hecht, een oud stoomschip dat vroeger tussen Marokko en Málaga in Spanje met ladingen steenkool had gependeld en door de Haganah was herdoopt met de naam van deze stekelige roman- en toneelschrijver. De Sjabtai en de Ha’almoni waren houten schepen en sir John vermoedde dat ze waren herdoopt naar oudtestamentische profeten of Bijbelse helden. Als vroom christen nam hij zich voor uit te zoeken wat deze namen konden betekenen.

Die zonnige ochtend wist sir John alleen dat deze oude wrakken samen nog eens 3000 illegalen aan land hadden gesmokkeld en dat deze, toen ze eenmaal waren gearresteerd, weigerden te zeggen dat zij afkomstig waren uit Europa. De bemanningsleden hadden al even weinig losgelaten: zij hadden steeds alleen hun achternaam genoemd en steevast geweigerd toe te geven dat zij leden van de Palyam waren. Sir John had gehoord dat dit de naam was van de geheime Joodse marine. Iedere keer als een blokkadebreker onderschepping had ontlopen, werd de naam in vette koppen door de Jerusalem Post vermeld. Verderop in de baai, voorbij de havendam, lagen nog drie andere schepen met enkele honderden toekomstige immigranten te wachten totdat ze aan wal zouden worden gebracht, om te worden ondervraagd en naar een detentiekamp van de Mandaat-regering gestuurd.

Ondanks hun weigering te antwoorden op vragen, hadden officieren van de marine-inlichtingendienst bij het doorzoeken van de schepen een lijst van bankoverschrijvingen voor in totaal 245.000 dollar aangetroffen, vanaf een rekening bij de Bank of America op naam van dr. Joseph Schwarz, directeur van het Amerikaans-Joodse distributiecomité, een Joodse hulporganisatie die officieel de naam American Jewish Joint Distribution Committee droeg, maar door de Joden kortweg ‘The Joint’ werd genoemd. Later zou Ralph Goldman de directeur van ‘The Joint’ worden. De documenten die op deze afschriften betrekking hebben bevinden zich in de archieven van MI6 als een van de dossiers die handelen over de activiteiten van de Britse geheime dienst tussen 1944 en 1948.

Gordon Lett, een hoge functionaris van MI6, had eenheden gevormd die hij ‘immigratiebestrijdingsteams’ noemde, bestaande uit voormalige SOE-agenten in Genua, die tot taak hadden de activiteiten van ‘The Joint’ in Europa na te trekken. Lett had zijn instructies gekregen via een memorandum dat Stewart Menzies in 1946 had geschreven: ‘Penetratie van de Haganah en gevangenname van de leiders van deze wijdvertakte ondergrondse organisatie in Europa; onderschepping van kleding en medische hulpgoederen ten behoeve van de ontheemden; opsporing van de namen van de diplomatieke connecties van de Haganah, vooral in Amerika; verstoring van deze connecties; bestraffing van grenswachten die zich door de zionisten hebben laten omkopen; inbeslagname van alle valse reisdocumenten; en arrestatie van de vervalsers.’

Verscheidene agenten van Lett hadden gedurende de oorlog nog met Yehuda Arazi samengewerkt en sympathiseerden met de immigranten. Een hunner was Cathal O’Connor, die het ‘buitengewoon pijnlijk’ vond ‘de Joodse overlevenden van de Holocaust dwars te zitten’.

Andere agenten hadden minder scrupules. Harold Perkins, hoofd van het MI6-bureau in Rome, deed Menzies dit voorstel: ‘Dé manier om de immigrantenstroom te verstoren, is het bevestigen van kleefmijnen aan vluchtelingenschepen.’

Voor de uitvoering van zulke operaties had Menzies de toestemming van eerste minister Attlee nodig. Als hij al een reactie heeft gehad, is die tot op de huidige dag opgeborgen gebleven in de categorie Y-files, de moeizaamst toegankelijke dossiers van de Secret Intelligence Service MI6.

Lett had een villa gerekwireerd op de punt van de landtong die de La Speziabaai omarmt. Van hieruit voerde hij de supervisie over twee verhoorcentra voor ‘interessant lijkende Joden’. Een van die centra was het Combined Services Detailed Interrogation Centre (CSDIG) in Haifa, verantwoordelijk voor het verhoren van gevangengenomen leden van de terreurgroepen Stern en Irgun. Het tweede was een zeer streng beveiligd complex bij Fayid aan het Suezkanaal: hier werden degenen die van het organiseren van de immigratie werden verdacht verhoord.

Een van de gevreesde ondervragers daar was Maurice Old-field, een gezette homoseksueel met een voorkeur voor Egyptische jongens, die later directeur van MI6 zou worden. Hij omschreef zijn verhoortechniek in Fayid als ‘aftuigen en hun kop in een emmer water duwen’.

In januari had luitenant-ter-zee 1e klasse Bailey, de gezagvoerder van HMS Childers, het schip dat de drie blokkadebrekers buiten de havendammen van Haifa moest bewaken, schriftelijk verzocht om een onderhoud met admiraal sir John Cunningham: hij wilde hem een door hemzelf bedacht plan voorleggen voor het efficiënter enteren van illegale schepen.

Een ander document dat die maandagochtend sir Johns aandacht vroeg, was een brief van sir William Stephenson, inmiddels coördinator voor MI5 en MI6 in Noord-Amerika. Voor zijn komst naar Haifa had sir John een ontmoeting met sir William gehad; hij was toen onder de indruk geraakt van diens inzicht in de situatie die de admiraal in Palestina zou aantreffen. Tijdens de lunch had sir John zelf een scherpe analyse geformuleerd van de redenen dat er geen oplossing voor het naderende conflict zou komen voordat er een acceptabele oplossing was gevonden voor het immigratievraagstuk en de impasse tussen de zionisten en de Arabieren waarmee de regering-Truman vrede kon hebben. De persoonlijke steun van de president aan de zionistische aspiraties was minder krachtig en hij had het immigratievraagstuk aan zijn nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, generaal George G. Marshall, overgedragen.

Marshall was zijn leven lang militair geweest en zag alle problemen door de militaire bril. Lloyd Henderson, directeur van het Bureau voor Aangelegenheden betreffende het Nabije Oosten en Afrika, herinnerde zich dat hij de minister van Buitenlandse Zaken had horen zeggen: ‘Er moet een tegemoetkoming aan de Joden worden gedaan teneinde hen weer aan onze kant te krijgen, dit om te voorkomen dat de Sovjets de situatie gaan uitbuiten; in dat geval kunnen we het hele Midden-Oosten verliezen. Groot-Brittannië zou een redelijk aantal immigranten moeten toestaan openlijk door hun zone in Duitsland te trekken, net zoals de Verenigde Staten en Frankrijk dat hebben gedaan, opdat zij naar de Middellandse Zeekust kunnen gaan en gebruik kunnen maken van hun legale visa voor Mexico en andere landen.’

Stephenson had sir John erop gewezen dat het merendeel van deze visa was gekocht van corrupte diplomaten uit Mexico en andere Latijns-Amerikaanse landen; de Haganah had ervoor betaald met het geld dat door rijke Amerikaanse sponsoren was gedoneerd. Stephenson had toen geconcludeerd dat het steeds duidelijker werd dat Groot-Brittannië zich zo snel mogelijk van de last van Palestina moest bevrijden. Nu had hij de admiraal geschreven: ‘De Haganah is voornemens schepen te kopen die groot genoeg zijn om duizenden immigranten tegelijk naar Palestina te brengen, [in het besef] dat er een internationale storm van woede zal opsteken als deze schepen worden onderschept en teruggestuurd. De Joden zullen deze schepen aankopen dankzij hun machtige connecties in Washington. Het Joodse electoraat blijft een buitengewoon belangrijke factor in de berekeningen van alle Amerikaanse politici en veel Joden zullen met aanzienlijke energie blijven opkomen voor de zionistische zaak.’

Op het bureau van sir John lagen ook de recentste berekeningen van de uitgaven voor Groot-Brittanniës ondankbare rol als handhaver van de vrede. In 1946 was er ruim 200 miljoen pond sterling uitgegeven aan het functioneren van de Mandaat-regering. In die periode waren er nog eens 69 Britse soldaten gedood, voornamelijk door Joods terrorisme. Sir John vreesde dat dit aantal aan het eind van het lopende jaar nóg hoger zou zijn. Als echter de immigratiestroom groter werd, zou ook de woede van de Arabieren toenemen. Groot-Brittannië zat verstrikt tussen deze onverzoenlijke tegenstanders en zijn situatie werd steeds hachelijker.

Tegen eind 1946 was de Aliyah Bet uitgegroeid tot een zeer professionele en geoliede organisatie voor het selecteren van schepen en bemanningen. De gasten die de donderdagse lunches in het McAlpine Hotel in New York bijwoonden, bezochten op hun beurt Joodse groeperingen in Los Angeles, Chicago, San Francisco en tal van andere steden. Militairen met groot verlof, na hun diensttijd in Europa verlangend naar nieuwe taken, kochten een kaartje voor de eerstvolgende trein naar New York. Ze’ev Shind: ‘De procedure voor het natrekken van iemands achtergrond werd steeds grondiger en we begonnen kieskeuriger te worden bij het bepalen wie we zouden nemen. Als we vermoedden dat iemand niet weg kon blijven uit de kroeg, werd hij afgewezen. Jonge Joodse mannen zijn over het algemeen niet erg drankbestendig. Het laatste wat wij wilden, was een zatlap die uit de school klapte. Ditzelfde gold voor vrijwilligers die nauwelijks of geen Joodse achtergrond hadden en geen Joods onderricht hadden genoten. Wij wilden alleen de besten. Daarentegen werden marineveteranen zonder verdere discussie aangenomen.’

Het eerste schip dat door kapitein Ash werd gekocht, was een oud schip van de Coast Guard. Toen het zeewaardig was gemaakt en in Honduras geregistreerd, werd het schip herdoopt tot Chaim Arlosoroff. Algauw waren er ook andere schepen aangekocht. De koop vond steeds plaats via een dummyfirma om iedere connectie met de Aliyah Bet te camoufleren. Een van die dummyrederijen was de FB Company, met de initialen van Fanny Barnett.

Naast al zijn andere taken was Ralph Goldman verantwoordelijk voor het in het buitenland registreren van elk schip, zodat hij een vaste bezoeker werd van Latijns-Amerikaanse consulaten; daar schoof hij dan een enveloppe met een gewaarborgde cheque aan toonder over tafel en nam hij in ruil daarvoor de documenten in ontvangst die nodig waren om het schip onder vreemde vlag te laten varen. De eerste twee schepen werden in Panama geregistreerd; de volgende drie in Honduras. Het zesde schip was de President Warfield, nadat de agent van Lloyd’s Londen in Baltimore het certificaat van zeewaardigheid had afgegeven. Intussen had kapitein Ash gezorgd voor een sleepboot die het schip van de Jamesrivier naar de haven van Baltimore zou slepen, waar het beter toegankelijk was voor de arbeiders.

De rottende balken van Steiger 8 aan het eind van Lancaster Street in Baltimore werden omspoeld door het rioolwater van de stad en het door een nabijgelegen chemische fabriek geloosde afvalwater, dat de ooit zo maagdelijk witte romp van de President Warfield nog verder besmeurde. De stank van dit alles zweefde boven de romp. Iedere ochtend bij het eerste licht daverde het in de smalle straten van de havenbuurt van het ronken van trucks en de voetstappen van werklui die onderweg waren naar het stoomschip. Tot laat op de avond weergalmde de lucht van de geluiden van klinkhamers, zagen, boren en het gerommel van zwaar gereedschap dat over het met ijs overdekte dek werd gesleept. Koelaggregaten, pompen en vervangende ketels werden met mankracht op hun plaats gebracht. Mannen op hangende platforms aan de buitenzijde van de romp beklopten het staal, op zoek naar zwakke punten. Het schip was echter goed voor nog heel wat jaren meer op zee. De machine was goed voor nog eens 100.000 zeemijlen. Dat kon niet worden beweerd van de elektrische bedrading. Toen de President Warfield was uitgerust voor de oorlog, was de krachtstroombekabeling die de Britten nodig hadden in allerijl aangebracht: die moest nu worden vervangen.

Van tijd tot tijd kwam Ze’ev Shind op bezoek om te zien hoe de werkzaamheden vorderden. Als hij de loopplank opliep, moest hij zich schrap zetten vanwege het deinen van het stoomschip op het woelige, giftige water in de haven. Hij was ervan onder de indruk dat deze mannen twaalf uur per dag in een dergelijke stank konden werken. Er moest echter nog veel gebeuren om de deadline te halen die kapitein Ash had vastgesteld voor de voltooiing van alles: 25 februari 1947. Hij en Shind overlegden in een havenkroeg met elkaar en werden het erover eens dat er meer werklui nodig waren om de deadline te halen. Dit maakte de kosten nog hoger, en de rekeningen van de leveranciers van scheepsbehoeften en elektramateriaal stapelden zich op, net als die van constructiebedrijven. Iedere nota werd prompt voldaan via de rekening bij de Chemical Bank. De reçu’s werden bewaard in het hoofdkwartier van de Haganah in het huis in de havenwijk van Tel Aviv.

Nat Nadler was per troepentransportschip teruggekeerd uit Duitsland en in New York aan wal gegaan, aan een heel andere kade dan die waarvan hij was vertrokken. Destijds was hij net van school gekomen. Nu was hij een oorlogsveteraan die meer van het leven had gezien dan hij ooit had kunnen verwachten. Kijken naar beelden van het filmjournaal die de situatie in zwaar gebombardeerd Duitsland lieten zien was één ding, maar zelf door de ruïnes lopen was heel andere koek, zoals ook gold voor het zien van beelden van een opvangkamp versus het zelf ruiken van de stank daar. Nat was een van de miljoen soldaten per maand die het leger met groot verlof stuurde. Hij had zich direct aangesloten bij de American Veterans of Israel: ‘Nadat ik had getekend, duwde een jongen mij een stukje papier in de hand met een telefoonnummer erop. Hij zei: “Als je echt geïnteresseerd bent, kun je dit nummer bellen.” Ik deed het en werd onmiddellijk uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Ik moest naar een adres tegenover het Metropolitan Museum. Toen ik op de bel drukte, gingen de deuren vanzelf open. Ik dacht: Oj, oj, oj! Plotseling schenen er schijnwerpers, recht in mijn gezicht. Ik kon niet eens zien wie de vragen stelde, terwijl ik hun zei wie ik was en waar ik vandaan kwam. Uiteindelijk zeiden ze dat ik een telefoontje zou krijgen. De volgende dag werd ik gebeld. Een stem vroeg me of ik er nog steeds voor voelde om te gaan helpen. Ik zei ja. De man zei: “Ga naar Steiger 32 in Philadelphia. Neem je plunjezak mee. Als je daar bent, vraag dan maar naar kapitein Ash.”’

Nat Nadler stond op het punt zich aan te sluiten bij andere jonge Joden uit alle delen van de Verenigde Staten die overeenkomstige orders kregen: dienstplichtigen die hadden deelgenomen aan de landingen in Normandië, mariniers die stormenderhand de Rijn waren overgestoken, matrozen die bij de marinekoopvaardij hadden gediend. Verder waren er kantoorbedienden en jongens die net van de middelbare school kwamen en nooit op zee waren geweest, maar ook werden gemotiveerd door het vooruitzicht op avontuur, of de benarde situatie van de Joden die in Europa wachtten op hun kans om naar Erets Jisraël te gaan.

In een maanloze nacht voer een vissersboot met pruttelende motor onder dekking van de duisternis de haven van Caesarea ten zuiden van Haifa uit. Op het dek bevond zich Yossi Harel, verborgen onder een stapel netten. Zijn negenentwintigste verjaardag stond voor de deur, maar de groeven om zijn mond gaven hem het uiterlijk van een oudere man. Degenen in de Haganah die nauw met hem samenwerkten, zeiden dat zijn donkerbruine ogen altijd waarschuwden dat, als iemand niet het antwoord paraat had dat hij wilde, een probleem zou hebben.

Er deden veel verhalen over Harel de ronde, zoals over de keer dat hij zichzelf ging leren zwemmen. Hij was ook eens ’s nachts met een roeiboot eropuit gegaan om zichzelf de elementaire regels van de stuurmanskunst bij te brengen. Nu was hij een van de beste navigators van de Palyam. Als tiener had hij zich in Jeruzalem aangesloten bij een groep jongeren om de Ishoev tegen de Arabieren te helpen verdedigen. Ook toen al had Harel de uitstraling gehad van een man die ‘geboren was om het bevel te voeren en risico’s te nemen’, volgens de leider van die groep, Yitzhak Sadeh, die later deel uitmaakte van het Opperbevel van de Haganah. Yossi’s kennis en militaire vaardigheden waren nog aanzienlijk uitgebreid toen hij zich had aangesloten bij Orde Wingate.

Algauw was hij lid geworden van de Aliyah Bet, waarover Ben-Goerion later zou schrijven: ‘Zij namen hun leven in eigen hand voor de zogenaamde illegale immigratie en de massa-ontsnapping van Joden uit Europa; ja, hun moed en standvastigheid effenden de weg voor dat bijna-wonder: het herstel van onze soevereine onafhankelijkheid.’

Sinds november 1946 had Harel, nadat hij die maand voor het eerst het bevel had gevoerd over een boot van de Aliyah Bet waarmee hij immigranten uit een Joegoslavische haven overbracht naar Palestina, al heel wat overeenkomstige missies uitgevoerd. Nu was hij op weg om zijn rol te gaan vervullen in de grootste operatie van dien aard ooit.

Yossi was zich ervan bewust dat de bemanning, jonge Palestijnse Joden, met respect naar hem keken. Niet alleen omdat hij zij aan zij had gevochten met de legendarische Orde Wingate en diens beste vriend was, maar ook vanwege zijn eigen reputatie binnen de organisatie.

Terwijl hij de kust zag verdwijnen in de nacht en de deining voelde toenemen, herinnerde Yossi zich de dag dat hij Wingate naar Caesarea had meegenomen om het schitterende aquaduct daar te bezichtigen, nog even intact als de dag waarop het water tweeduizend jaar geleden voor het eerst over de stenen vloeide. Wingate had hem verteld van de grote bouwkundige prestatie die met de bouw van het viaduct was geleverd, maar al spoedig was Orde Wingate begonnen over de tactieken van de Romeinen, een onderwerp waardoor de Engelsman altijd weer werd gefascineerd. Yossi had Wingate gevraagd hoe hij aan al die kennis was gekomen en had te horen gekregen dat hij die kennis had opgedaan in de Bijbel, met de toevoeging dat in het Oude en Nieuwe Testament alle kennis te vinden was die het weten waard was.

Ver buiten de haven zette de vissersboot koers naar het zuiden, op weg naar het kustplaatsje Michmoret. Yossi had dergelijke reisjes vaker gemaakt sinds hij het Britse leger vaarwel had gezegd en teruggekeerd was bij de Haganah. Dezelfde vaardigheden die Orde Wingate hem had bijgebracht, werden nu tegen hem gebruikt.

Zijn laatste missie had hem naar Athene gevoerd, zijn geldgordel gevuld met gouden munten, bestemd voor een Griekse scheepsagent als betaling voor een zending wapens voor de strijd tegen de Arabieren. Er waren aanzienlijke hoeveelheden wapens op de zwarte markt gekocht en opgeslagen in Griekenland en Italië. De Griekse scheepsagent had een manier gevonden om ze naar Palestina te brengen, gecamoufleerd als industriële goederen in verzegelde kratten, waarop de licentie voor ex- en import was aangebracht. Ze werden naar Haifa verscheept als zendingen voor ondernemingen als de Palestine Electric Corporation. Yossi had in de haven toezicht gehouden op de verlading van de wapens op gereedstaande vrachtwagens, die naar de overal in het land verborgen depots van de Haganah waren gereden. Tot dusverre waren er 200 Bren-mitrailleurs en onderdelen verscheept, naast zo’n 1000 Britse geweren, 500 Duitse geweren, 400 pistoolmitrailleurs van uiteenlopend type, 500 pistolen en anderhalf miljoen patronen van verschillend kaliber.

Bij het krieken van de dag kwam de vissersboot langszij een kleine vrachtvaarder onder Griekse vlag. Yossi klom aan boord. Drie dagen later bereikte het schip de Italiaanse territoriale wateren; hier stapte Yossi over op een andere vissersboot en ging hij aan wal bij de haven van Taranto in Zuid-Italië. Hij werd er opgewacht door Ada Sereni. Ze reed hem in haar open sportwagentje naar het noordelijk gelegen Cremona, ten zuiden van Milaan, waar Eliyahu Cohen een halteplaats had ingericht. Daar werden 40 van zijn legertrucks, die 500 mannen, vrouwen en kinderen uit een opvangkamp hadden gehaald, volgetankt voor de volgende etappe van de reis naar Sète.

De jaloezieën waren omlaaggetrokken tegen de middagzon en tussen de beide mannen stond een koffietafel met daarop een dienblad met koude dranken. Sir John Cunningham zat aandachtig te luisteren naar luitenant-ter-zee 1e klasse Ed Bailey, die hem zijn voorstel voor het effectiever enteren van een blokkadebreker uit de doeken deed. Deze operatie zou ’s nachts moeten plaatsvinden en er moest in eerste instantie veel kabaal en schel licht aan te pas komen: het zoeklicht van een torpedobootjager moest op het schip vol immigranten worden gericht en het kabaal moest komen van de Oerlikon-kanons, kaliber 20mm, die voor de boeg langs moesten vuren, en de Bofor-kanons, kaliber 40mm, die over het schip heen moesten vuren. Al die tijd zou de oorverdovende sirene van de torpedobootjager blijven loeien, terwijl de luidsprekers van het schip de blokkadebreker moesten bevelen bij te draaien. Als de torpedobootjager dan dichterbij was, moest een dieptebomwerper een anker aan een stalen kabel over de verschansing van de blokkadebreker schieten om het aan het patrouillerende schip vast te maken.

Iedere torpedobootjager zou een speciaal getrainde enterploeg aan boord hebben, uitgerust met de traangaswerpers die bij rellen werden gebruikt, naast Lee-Enfieldgeweren en Lanchester-pistoolmitrailleurs, kaliber 9mm. Bovendien moest iedere marinier een zestig centimeter lange wapenstok, model ploertendoder, hebben om tegenstanders slaande op afstand te houden of tot onderwerping te dwingen. Zij dienden een witte overall te dragen, plus een witgeverfde stalen helm en een leren armschild naar het model van de schilden die de Zoeloes gebruikten. Ook moesten twee zeelieden deel uitmaken van de enterploeg, ieder uitgerust met een hogedrukslang om de immigranten te verjagen van de plek waar de enterploeg aan boord wilde komen.

Edward Bailey besloot zijn gedetailleerde uiteenzetting met een waarschuwing: ‘Er dient rekening te worden gehouden met het gevaar van vrouwelijke immigranten die gebruikmaken van hoedenspelden. Om die reden moet elk lid van de enterploeg uitgerust zijn met het soort kruisbeschermer dat cricketers plegen te dragen, om zijn edele delen te beschermen. Het is van even groot belang dat elk lid van de enterploeg trots uitstraalt. De immigranten moeten beseffen dat zij met efficiënte, doeltreffend optredende professionals te maken hebben. Belangrijk is vooral dat er niemand opzettelijk wordt verwond of gedood. De door mij voorgestelde methoden garanderen dat het illegale schip snel wordt overmeesterd.’

De admiraal van de vloot liet Bailey het rapport van Stephenson lezen, waarin werd gewaarschuwd voor de naderende komst van grotere immigrantenschepen. Hij kreeg te horen dat hij werd belast met de taak deze schepen tegen te houden.

Het doorgangskamp buiten Cremona was een Duitse kazerne, die door de troepen in allerijl was verlaten toen zij zich terugtrokken binnen de grenzen van het Derde Rijk. Dankzij financiële bijdragen en arbeiders van The Joint waren de barakken uitgerust met houten britsen, douches, toiletten, een koosjere keuken en een eetzaal. De voorraadkamer was volgestouwd met blikvoedsel en verse, ter plaatse gekochte groenten. Een bakkerij in Cremona leverde dagelijks verse bagels.

Ada en Yossi controleerden de namen van de vluchtelingen door ze zorgvuldig te vergelijken met lijsten waarop hun geboorteland en -plaats waren aangegeven, naast de concentratiekampen waarin zij gevangen hadden gezeten. Dit was een omslachtige, traag verlopende procedure, want veel ontheemden hadden gruwelen ervaren die leemten in hun herinneringen hadden veroorzaakt. Tot hun papieren behoorden passen voor het oversteken van de Italiaanse grens met Frankrijk, verzorgd door Yehuda Arazi. Het belangrijkste document was een Mexicaans visum dat alle mannen, vrouwen en kinderen persoonlijk werd uitgereikt en dat uitwees dat zij Mexicaanse staatsburgers waren. Deze visa waren door Moshe Bar-Gilad gekocht van Mexicaanse diplomaten in Madrid. Onder de ontheemden bevonden zich Joden uit Oost-Europa. Iedereen was gedesinfecteerd, gedoucht en gekleed als voorbereiding op de volgende etappe van hun reis naar het zuiden. Onder hen bevond zich ook Yosef Reich.

Reich was afkomstig uit Radom, een stad uit de 14e eeuw ten zuiden van Warschau, waar vroeger textiel en glas was geproduceerd. De eerste Joodse families waren er gearriveerd in 1798, waar ze in een van de voorsteden een gemeenschap hadden gevormd. Zij waren afkomstig uit plaatsen die ver in het oosten van Europa waren gelegen, oorden van legenden over heidense stammen in bossen, waar meisjes terloops zwanger werden gemaakt en die dan hun baby’s in het winterlandschap zouden hebben achtergelaten om er te sterven. Daar heerste bijgeloof en vereffenden echtgenoten of rivalen hun rekeningen met de bijl of het mes. Een andere schandvlek op dat land was het antisemitisme, een ongebreidelde, onstuitbare vloedgolf die bergen en rivieren overspoelde, gedreven door de gruwelijke drang om iedere Jood op te sporen en om te brengen. In Radom hadden deze Joden een wijkplaats gevonden; daar mochten zij hun producten aan hun christelijke buren verkopen, konden zij hun traditionele kleding dragen en spraken zij hun eigen taal. Zij leidden teruggetrokken levens, toegewijd aan hun geloof; de sabbat was het hoogtepunt van de week, een dag waarop zij – net als op religieuze hoogtijdagen – zichzelf een paar uur gunden om zich te ontspannen. In 1939 woonden er 24.475 Joden in Radom. Tot hen behoorde ook Yosef Reich, met zijn ouders, zijn beide broers en één zus. Zij werkten hard, net als hun joodse geloofsgenoten, en leefden in vrede met hun voor het merendeel rooms-katholieke stadgenoten.

In hun gemeenschap stond het gezin Reich gunstig bekend, als vlijtig en vrijgevig, en altijd bereid om te helpen. Yosef en zijn broers en zus gingen keurig gekleed, genoten goed onderwijs en ondergingen de gebruikelijke rituelen in het leven van Joodse jongens: besnijdenis, bar mitswa en de eerste Joodse bruiloft die zij met hun ouders mochten bijwonen. Hoogtijdagen als Rosj Hasjana (Joods Nieuwjaar) en Jom Kippoer (Grote Verzoendag), Soekot (Loofhuttenfeest), Chanoeka (oorspronkelijk een tweede Soekot) en Pesach (Uittocht uit Egypte) waren ook voor de Joden in Radom de mijlpalen in de loop van het jaar.

De oorlog dreigde echter en kwam met de dag dichterbij. Hitler-Duitsland oefende grote druk uit: een immense en voortdurend groeiende donkere wolk. Het Sudetenland, het Duitssprekende deel van Tsjecho-Slowakije, was al in handen van de nazi’s. Al vanaf 1938 had het Derde Rijk ook zijn klauwen uitgestrekt naar Oostenrijk en Polen.

In 1939 had Radom een bevolking van 90.039 zielen, en ongeveer een derde ervan was Joods. Hun lot zou een bijzondere plaats krijgen in de kronieken van het Internationaal Militair Tribunaal voor Oorlogsmisdaden, in 1946.

De stad werd op 8 september 1939 bezet, zodat de Joden in Duitse handen vielen. In de maanden maart en april 1941 zonderden de nazi’s twee getto’s af van de rest van de stad. Naast de Joden uit Radom zelf werden hier ook duizenden Joden uit omringende plaatsen opgesloten. Hoewel de Joden algauw ernstig te lijden hadden van honger, slechte hygiënische toestanden en wreedheden van de SS en de Gestapo, waren de leefomstandigheden in vergelijking met die in de meeste andere getto’s nog enigszins draaglijk. Het binnensmokkelen van voedsel in beide getto’s kon echter met de dood worden bestraft en velen hebben voor pogingen daartoe met hun leven moeten boeten.

Voor de Joden werd de Zeromskistraat in het hart van de stad een vreeswekkend oord. Hier had de SS zijn hoofdkwartier ingericht. Een uittreksel uit het getuigenis dat een van de artsen van de stad, dr. David Wajnapel, tijdens de processen in Neurenberg aflegde, schetst ons een hartverscheurend beeld. ‘Het huis in de Zeromskistraat werd een gevaar voor de gehele Joodse bevolkingsgroep. Mensen werden zomaar van de straat geplukt en naar binnen gesleurd, waar ze ongenadig werden afgetuigd en het mikpunt werden van sadistische spelletjes.’

Totdat de deportaties begonnen.

In augustus 1942 vond de eerste razzia plaats. Bij het bijeendrijven van degenen die naar Treblinka zouden worden getransporteerd, werden niet minder dan zeshonderd oudere mensen en kinderen door de nazi’s ter plaatse doodgeschoten. Vanaf die dag werden de deportaties naar de dodenkampen een vaste routine. Yosef Reich en zijn beide broers werden echter tewerkgesteld in een wapenfabriek, waar zij voor hun leven zwoegden totdat zij in 1944 alsnog naar Auschwitz werden gestuurd. Daar werden zij opgewacht door dr. Josef Mengele, met zijn eeuwige sigaret tussen de spitse vingers. Yosef zou nooit vergeten hoe ‘Mengele mijn jongere broer uit de rij trok’.

Het onuitwisbare trauma van veel gevangenen in Auschwitz was dat elk van hen in het dodenkamp ten dele was gestorven, als het ware verstikt door de gruwelijke stank van de ovens en de rook uit de schoorstenen. Hun kleren en huid werden geïmpregneerd met een mengeling van de stank van gifgas, zweet, urine en fecaliën uit de gaskamers en die van verbrand vlees van vaak hun eigen man of vrouw, kinderen of ouders, gevoegd bij de stank uit de kuilen vol verbrande stoffelijke overschotten en die van de enorme stapels kleding en schoeisel in de magazijnen.

Ontheemden uit andere dodenkampen die in Cremona arriveerden, bevestigden dat de situatie in alle kampen net zo was: twee toiletemmers per barak met honderd gevangenen; ‘drinkwater’ waaraan je gebarsten lippen overhield; hompen brood dat de gevangenen nauwelijks weg konden slikken; gevangenen die amok maakten en dan op de bewakers af stormden, schreeuwend dat ze doodgeschoten wilden worden – wat prompt gebeurde.

De herinneringen van de overlevenden hadden een sterk en steeds heviger wordend effect op Ada. Een schoolvoorbeeld was het getuigenis van Yosef Reich, waarin de ijzingwekkende toon van een moordproces in de rechtszaal doorklonk toen hij de geforceerde mars vanuit Auschwitz beschreef die hij en duizenden anderen hadden moeten doorstaan toen het Rode Leger te dichtbij kwam en de nazi’s de gevangenen nodig hadden om elders voor hen te werken. Zelf was hij bestemd geweest voor Buchenwald ten westen van Weimar, om daar opnieuw als slavenarbeider voor de Duitse oorlogsmachine te werk te worden gesteld. Een deel van die tocht vond hartje winter plaats, in januari 1945. ‘Kleren hadden we niet. Het was bitterkoud en het sneeuwde. We waren met ongeveer 12.000 mensen toen we op weg gingen. Bij onze aankomst in Buchenwald waren daar nog maar 2000 van over. De mensen stierven op het open veld van de honger. We hadden niets te eten, alleen sneeuw. Dat was alles wat we konden eten. Mensen stierven van difterie of uitputting. Iedere gevangene die het niet kon bijhouden werd doodgeschoten.’

In totaal werden er begin januari 1945 65.000 mensen uit Auschwitz geëvacueerd. Tijdens deze dodenmarsen kwamen er 15.000 van hen om. Tegen het eind van de oorlog in Europa hadden de nazi’s een kwart miljoen gevangenen via zulke dodenmarsen geëvacueerd. Sommige getuigenissen, zoals het relaas van Yosef Reich, roepen het schokkende en onuitwisbare beeld op van de realiteit achter de kille Vernichtungsziffern in kampen als Buchenwald.

Yosef Reich was er zeker van dat het enige wat hem in leven had gehouden tot aan Cremona de overtuiging was geweest dat hij ooit op een dag in Palestina zou aankomen. Bevrijd-zijn was een geweldig gevoel. Maar Erets Jisraël mogen zien, daar waren geen woorden voor.

Ook anderen rondom Yosef in Cremona hadden nachtmerries die hen ’s nachts uit de slaap hielden. Miriam Bergman had ontdekt dat zij niet kon slapen in een barak waar misschien de Duitse soldaten hadden geslapen die haar ouders hadden vermoord. Freddie Kronenberg was vervuld van wroeging – wroeging over het feit dat hijzelf in leven had mogen blijven terwijl zoveel anderen waren gestorven. De woorden van Ben-Goerion in het opvangkamp te Landsberg hadden hem niet alleen sterk aangegrepen, maar ook zijn schuldgevoelens versterkt. Hij vroeg zich af: Waarom heb ik zo weinig gedaan om al die anderen die in Auschwitz zijn gestorven te helpen? Mijn eigen mensen. Waarom heb ik me verscholen achter een christelijk crucifix?

Nadat Ben-Goerion uit Landsberg was vertrokken, was Freddie naar een rabbijn in het kamp gegaan om hem uit te leggen waarom hij dit symbool had gedragen. De rabbijn zei dat het niet meer was dan dat: een symbool. Het enige wat ertoe deed, was dat het dragen ervan hem het leven had gered, te midden van alle verdorvenheid van Auschwitz. Het betekende niet dat hij zijn eigen geloof moest verwerpen; hij kon nog altijd Jood zijn. De rabbijn had hem gevraagd of het hem zou helpen als hij hem een Magen David (davidsster) gaf om te dragen; hij kon het crucifix behouden, uiteraard, bij wijze van herinnering, maar de ster zou hem kunnen helpen beseffen wie hij in werkelijkheid was. Freddie geloofde inmiddels dat hij sinds het dragen van de zespuntige Ster van David inderdaad in het reine was gekomen met zijn schuldgevoelens. Op de dag dat hij uit Landsberg was vertrokken, toen hij mee mocht met de volgende groep ontheemden naar Palestina, had de rabbijn hem verzekerd dat zijn schuldgevoel vanzelf zou vervagen als hij eenmaal zijn bestemming had bereikt en in staat was daar te doen wat Ben-Goerion van iedereen had gevraagd: meehelpen.

Toen Gertruda in het doorgangskamp in Cremona arriveerde, samen met Michael Stolowitzky, Mickey, geloofde ze dat ze ‘nog maar de “spreekwoordelijke stap” verwijderd waren van Palestina’. Ada had haar bevestigd dat hun papieren in orde waren en dat de zeereis slechts enkele dagen zou duren. Omdat het schip nog niet was gearriveerd, zouden ze in een huis bij de inschepingshaven moeten wachten. Alle andere ontheemden was een overeenkomstige belofte gedaan. De sfeer in het doorgangskamp was ontspannen en werd zelfs optimistisch toen Yossi Harel aankondigde dat er over een paar dagen een Amerikaans inspectieteam zou komen.

Het team werkte onder de beschermende paraplu van het American Jewish Joint Distribution Committee, de machtigste van alle Joodse hulpverleningsinstanties in Duitsland. De afgevaardigden van The Joint inspecteerden geregeld Joodse opvangkampen en doorgangscentra die door de Haganah waren ingericht. The Joint had in de Verenigde Staten sinds het eind van de oorlog al meer dan zeventien miljoen dollar bijeengebracht. De organisatie was zich bewust van de grote waarde van publiciteit, en het bezoek van de inspecteurs aan Cremona zou worden verslagen door een groep fotografen en verslaggevers. Na de officiële inspectie zou het inspectieteam enkele ontheemden selecteren om met de pers te praten. Gertruda beschouwde zulke aangelegenheden als onderdelen van de procedure die ertoe moest leiden dat zij en Mickey in Palestina arriveerden.

Tegen het einde van hun rondgang naderde het inspectieteam van The Joint de plaats waar Gertruda en Mickey voor hun barak stonden. De groep knikte hen glimlachend toe en stelde de gebruikelijke vragen over de leefomstandigheden. Ze hadden al op het punt gestaan verder te gaan toen de leidster Gertruda aanstaarde. Michael vertelde: ‘De vrouw zei dat Gertruda niet met mij naar Palestina kon gaan, omdat zij een christin was en iedere plaats op het schip nodig was voor iemand van Joodse komaf. De vrouw zei dat zijzelf de zorg voor mij zou overnemen en mij naar Palestina zou brengen. Gertruda zei: “Geen sprake van! Ik draag Mickey niet aan u over, of aan wie dan ook. Ik ben degene die hem naar zijn thuisland brengt.” Dat was onmogelijk, zei de vrouw. Gertruda zei toen dat zij naar de pers zou stappen, tenzij ze toestemming kreeg mij naar Palestina te brengen. Ik had haar nooit zo vastberaden en boos gezien. “Dan zal ik ze vertellen wat ik zijn moeder heb beloofd. En ook hoe ik gedurende de hele oorlog met deze jongen samen ben geweest en mijn eigen leven voor hem op het spel heb gezet. Ik wil hem erheen brengen en dan met uw mensen samenleven, in uw eigen land. Als u mij dat niet toestaat en mij discrimineert, zal de pers daarvan horen.” Ze stonden vol verbazing naar Gertruda te staren. Daarna begonnen ze onder elkaar te fluisteren. Uiteindelijk keek de leidster van het inspectieteam Gertruda weer aan en zei: “U mag mee, mét uw kleine jongen. Dat beloof ik u.”’

Fira Neimark had de donkere ogen en ontwapenende lach van een kind van de steppen. Toch werd haar schoonheid pas ten volle geapprecieerd als ze zich bewoog, of als ze haar hoofd een beetje schuin hield om te luisteren, of als ze antwoord gaf op een overbekende vraag: ‘Hoe bent u naar Palestina gekomen?’ Als ze dan antwoord gaf, had iedereen met een mengeling van verbazing en respect naar haar gekeken. Ze was destijds nauwelijks negentien jaar oud geweest en had de verantwoordelijkheid op zich genomen voor het naar Palestina brengen van 52 kleine kinderen, stuk voor stuk overlevenden van de Holocaust. Dat een zo jong iemand als zij dit in haar eentje had klaargespeeld, was hoogst uitzonderlijk.

Voor de zoveelste keer had Fira het dan bescheiden uitgelegd: ‘Mijn verhaal draag ik op aan mijn ouders. Zij komen uit een zeer religieuze achtergrond en hebben hun hele leven geweten dat wij ooit op een dag allemaal naar Erets Jisraël zouden gaan. Aan het eind van de oorlog hadden zij echter niet het geld dat nodig was om papieren voor ons allemaal te kopen. Zij slaagden er echter wel in genoeg geld bijeen te krijgen om te zorgen dat ik erheen kon. Ik zei toen dat ik zonder hen nooit zou gaan. Mijn vader viel echter op zijn knieën voor me en smeekte mij toch te gaan. Hij gaf me de verzekering dat hij en mijn moeder mij zouden volgen. Ik zal die dag nooit vergeten: het was 31 december 1945.’

De volgende etappe van haar reis vatte Fira dan beknopt samen. Ze vertelde hoe ze op weg was gegaan naar het Poolse Krakau, waar ze bij vrienden van haar ouders logeerde. Daar wachtte ze terwijl zij hun best deden om het geld voor hun eigen uitreisvisa bijeen te kregen. Algauw echter was de grens tussen Rusland en Polen dichtgegaan. Maanden later had de familie in Krakau haar doorgestuurd naar Łódź, waar – zoals zij hadden gehoord – de eerste leden van de Aliyah Bet waren aangekomen, op zoek naar Joden die naar Palestina wilden. Het contact was algauw tot stand gekomen. Fira sprak nog steeds alleen Russisch, maar de leden van de Aliyah Bet spraken Jiddisch, Hebreeuws en een mondje Engels. Zij beloofden haar echter dat zij naar Palestina zou gaan, samen met de kinderen voor wie ze zou zorgen. Fira’s leven stond toen op het punt te veranderen.

‘Ik ging met de mensen van de Aliyah Bet naar het station van Łódź om daar uit te kijken naar Joodse kinderen die hun ouders kwijt waren. Wij konden meteen zien: ah, dit is een Joods kind, en dat kind daar ook. Ze wisten niet waar hun ouders waren – die waren verdwenen. Wij namen hen mee naar adressen die we voor hen hadden voorbereid. Het waren wezen wier ouders naar de kampen waren gebracht en nooit terug waren gekomen. Ze waren verloren. Al hun houvast was weg. Toen ik ze zag, voelde ik in mijn binnenste iets gebeuren. Dat gevoel kan ik je niet uitleggen. Het was iets in mijn hart. Ik wist dat ik hen moest helpen door hen weg te voeren van hun verleden. Ik moest hen naar Israël brengen, hun nieuwe thuisland. Zo werd ik verantwoordelijk voor tweeënvijftig van deze kinderen.’

Toen ze eenmaal alle kinderen had verzameld, bracht ze hen vanuit Polen naar Tsjecho-Slowakije en staken ze de ene grens na de andere over, helemaal tot in Oostenrijk. Zij verplaatsten zich te voet en alleen ’s nachts om geen ongewenste aandacht te trekken. Overdag hielden ze zich verborgen in velden en bossen, dronken water uit bergbeken en aten het weinige voedsel dat Fira bij de boeren bedelde. Op een gegeven moment was haar tocht – langs eeuwenoude routes over met sneeuw bedekte bergen, door ravijnen en over rivieren – onder de aandacht gekomen van hulpverleners. Bij iedere grens wachtten er mensen die de groep naar een veilige plek brachten waar ze in bedden konden slapen en warm eten kregen. Een van die tussenstations was een klooster hoog in de bergen. Een ander tussenstation was een rooms-katholiek seminarie. ‘Het waren katholieke godshuizen en we werden er heel hartelijk en vriendelijk ontvangen. In elk tussenstation wachtten we voordat we door konden naar het volgende. Uiteindelijk bereikten we Duitsland.’

Daar drongen ze door tot Rosenheim in de uitlopers van de Beierse Alpen, waar Hermann Göring was geboren en waar een van de eerste nazispandoeken boven de stadspoort had gehangen: JUDEN SIND HIER NICHT ERWÜNSCHT. Aan de rand van de stad lag een van de 120 subkampen van Dachau, waarin slavenarbeiders waren ondergebracht die in de nabijgelegen bmw-fabrieken moesten werken. Toen Fira hier aankwam, waren er al uit alle delen van Europa ruim duizend andere kinderen bijeengebracht. Sommige verbleven er al een jaar: statenlozen die wachtten op een pas van een land dat hen wilde toelaten, maar die hoopten dat zij naar Palestina konden gaan.

Fira en haar kinderen werden samen ondergebracht in één barak: ‘Ik was een moedertje voor hen. Ik schonk hun al mijn liefde, alle liefde die ik had. Als zij oud genoeg waren, hielpen ze mij met de verzorging van de kleintjes. Ik heb nooit zulke geweldige kinderen gezien. Zij praatten niet over de oorlog; ze waren alleen maar blij dat ze veilig en wel bij mij waren.’

Op een dag kwam er een onbekende naar hun barak. Hij was lang en zongebruind en sprak zowel Jiddisch als Hebreeuws. Hij verzocht elk kind op zijn beurt naar voren te komen met zijn of haar document van de unrra. Hij hechtte het document aan een pas die toegang gaf tot Frankrijk plus een Mexicaans visum waarop hij de naam van het kind noteerde. Uiteindelijk overhandigde hij Fira alle reisdocumenten en drong er bij haar op aan dat elk kind zorgvuldig op zijn documenten zou passen. Ze had vol verbazing naar de visa gekeken; Moshe Bar-Gilad had glimlachend bevestigd: ja, inderdaad, ze zouden naar Palestina gaan.

In Cremona begonnen Fira en de andere ontheemden in de Britse legertrucks te klauteren. Op de portieren was het in het Hebreeuws het insigne van het Palestijnse Korps Aan- en Afvoertroepen gesjabloneerd.

Met de plunjezak op de schouder wandelde Nat Nadler door Lancaster Street in de havenwijk van Baltimore. Bij iedere stap werd de stank van het riool, vermengd met de giftige dampen van een chemische fabriek, sterker en sterker. Zo moest het geweest zijn, stelde Nat zich voor, toen de eerste stoomschepen hier werden verladen en hun passagiers zich hun weg zochten door smalle straten, met aan weerszijden de haveloze kosthuizen waar de bemanningen sliepen. Tussen de dichtgetimmerde magazijnen en langs het gebarsten asfalt scharrelden nog de ratten die uit die tijd waren overgebleven. Nat had er al verscheidene uit de weg moeten schoppen, zodat ze schel piepend terugschoten naar de donkere schaduwen. Zelfs op deze zonnige februaridag kon de zon nooit het straatniveau bereiken.

Kapitein Ash had Nat nauwkeurige instructies gegeven: aan het eind van de straat zou hij de President Warfield zien liggen. Hij had het gezegd alsof het een cruiseschip betrof en Nat vroeg zich af of het schip wellicht tot de American President Lines behoorde, een maatschappij die cruises naar Zuid-Amerika verzorgde. Als elektricien aan boord van een cruiseschip had je natuurlijk een luizenleventje: goed eten, een gerieflijke kooi, leuke vrouwen aan boord en eeuwig zon. De realiteit drong pas tot hem door toen hij het eind van Lancaster Street had bereikt. Hij bleef staan en staarde vol ongeloof en ontzetting naar het schip: ‘Oj, oj!’ Hij herhaalde die uitroep verscheidene keren op zijn wandeling over de steiger, waar hij de gaten in de rottende vloerdelen moest vermijden. De stank was overweldigend toen hij omhoogkeek. Nee, geen twijfel aan, de verbleekte naam op de voor- en achtersteven zei dat dit de President Warfield was.

Toen hij aanstalten maakte om zich om te draaien, schalde een zware stem vanaf het bovendek omlaag. Nat keek op. Een gestalte in soutane, met een glanzende witte priesterboord en een groot zilveren crucifix op zijn borst, keek op hem neer.

Geschrokken zei Nat bij zichzelf in het Jiddisch: ‘Wat voert een priester hier uit op een Joods schip?’

De eerwaarde John Stanley Grauel was tot dominee gewijd in de methodistenkerk, maar hij was zionist geworden. De achtentwintigjarige geestelijke was een actief lid van de American Christian Committee for Palestine. De commissie had ermee ingestemd zijn salaris te blijven betalen zolang hij in het buitenland was, opdat hij daar informatie kon verzamelen ten behoeve van hun werk in de Verenigde Staten. Hij was een van de eersten die door kapitein Ash waren gerekruteerd, vanwege zijn zeemanskunst, waarmee hij de bewondering had geoogst van oude zeilveteranen langs de kust aan weerszijden van Boston, waar Grauel in de weekeinden met zijn eigen boot eropuit placht te gaan. Bovendien was hij gekozen omdat hij in staat was een grote kombuis te runnen en zelfs in de ruwste zee voor warm eten te zorgen. Naast die vaardigheden had hij nog de rol van fondsenwerver voor de commissie, want hij kon met zijn gevoel voor humor en grote zelfvertrouwen altijd wel mensen vinden die bereid waren lid te worden van de organisatie. Sommige van deze bekwaamheden, zo had kapitein Ash geconcludeerd, zouden aan boord van de President Warfield onmisbaar zijn. De eerwaarde Grauel had ermee ingestemd de leiding over de kombuis op zich te nemen.

Het was Grauel die Nat aanspoorde om aan boord te komen. Nadat hij had bevestigd dat kapitein Ash hem had gerekruteerd, gevolgd door een krachtige handdruk, leidde Grauel Nat rond over en door het schip om hem aan de bemanning voor te stellen. Op dat moment waren ze alleen nog namen voor hem, maar ze verwelkomden hem met een lachje en gaven hem soms een korte omschrijving van hun werk. Kurt Baruch, Ben Foreman en Myron Goldstein, slechts gekleed in hun oude hemd en onderbroek van de Amerikaanse marine, waren koks. Roger Rofe en Samuel Schiller, twee gespierde kerels, waren druk aan het werk in de machinekamer toen Nat erin afdaalde; ze verontschuldigden zich dat ze hem geen hand konden geven, omdat hun handen onder de smeerolie zaten. Op de verschillende dekken werd Nat aan nog meer leden van de bemanning voorgesteld. David Starek sprak vloeiend Spaans. Reuven Margolis sprak Engels, op aarzelende manier. Avraham Sygal sprak Engels met een uitgesproken Litouws accent. Frank Levine was de zoon van Russische immigranten: hij had een zachte stem, maar sprak diverse Europese talen. David Lowenthal, Danny Malovsky en Dave Millman spraken een temerig Hebreeuws. Lenni Sklar was, samen met Frank Stanczak, Mike Weiss, Terry Verdi en Harry Weinsaft, geschoold in de uiteenlopende vaardigheden die nodig waren om het schip varende te houden.

Nat zag dat Mike Weiss en Abe Siegel bezig waren met de inrichting van een provisorische ziekenboeg, geholpen door Abe Lippschitz die in de oorlog apotheker was geweest. Hij kwam vooral onder de indruk van Bill Bernstein, een van de twee stuurlieden die ondanks zijn drieëntwintig jaar bekwaamheid en gezag uitstraalde. Hij verwelkomde Nat met: ‘Goed om je aan boord te hebben.’

Na het voorstellen had Bill Bernstein aan zijn moeder geschreven: ‘Je had me gevraagd me te vestigen en te gaan studeren. Dat is allemaal best, mams, maar je kunt nu eenmaal geen geluk vinden als je jezelf altijd blijft wijsmaken dat je gelukkig bent. Geloof je niet dat ik zelf ook wel een leuke vrouw zou willen hebben, en kinderen? Natuurlijk wil ik dat, maar dat kan ik nu niet doen. Ik schrijf dit in de wetenschap dat je hart en je gedachten bij mij zijn, waar ik ook ben en ongeacht wat ik doe.’

Bernard Marks was officier bij de Amerikaanse marinekoopvaardij geweest. Een andere veteraan uit de marinekoopvaardij was Cyril Weinstein, een reus van honderdvijftien kilo die nog altijd hinkte als gevolg van de polio die hij als kind had gehad. Hij was geboren en getogen in Brooklyn en sloot onmiddellijk vriendschap met Nat toen hij hoorde dat ze nagenoeg elkaars buren waren. Ben Foreman droeg met trots zijn legeruniform met het vleugelinsigne van de Amerikaanse 82e Luchtlandingsdivisie; hij was boven Normandië gedropt, en had zich een weg gevochten dwars door Europa. Hij had kapitein Ash eerlijk opgebiecht dat hij niets wist van zeemanschap, maar dat hij het wel zou leren, net zoals hij had geleerd om op een hoogte van 1600 meter uit een vliegtuig te springen.

Nat ontwikkelde een methode om zich te herinneren wie aan boord wie was. Murray Aronoff droeg het insigne van zijn vader dat deze had gedragen in de Jewish Brigade. Nat noemde hem de Badgeman, maar nooit waar hij bij was; Aronoff was een bonkige New Yorker met de blik van de straatvechter in zijn ogen. William ‘Big Bill’ Millman, een man met een volle baard, had in de oorlog gediend op de uss Pittsburgh en was de zwaargewichtbokskampioen van deze kruiser geworden. Hij deelde zijn achternaam met Dave Millman, die een stuk kleiner en scherper van tong was dan zijn naamgenoot en eveneens kok was in de kombuis van dominee Grauel.

De eerwaarde nam Nat ook mee naar de marconist van de President Warfield, Harold Leidner, die een veelbelovende carrière als advocaat had laten lopen om aan te monsteren op het schip. Na de rondleiding en alle voorstelrondjes vertelde Bernstein Nat dat Danny Malovsky, een jongen van achttien die net zijn elektriciensdiploma had behaald, hem zou gaan assisteren bij het vernieuwen van de kapotte bekabeling die de Britten hadden achtergelaten. Hun eerste opgave bestond uit het herstellen van de warmwatercirculatie door het inwendige van de President Warfield. Het vroor flink en een deel van de bemanning had bevriezingsverschijnselen.

Avi Livney had weken nodig gehad voor zijn pogingen om een verhaal na te trekken dat tamelijk onwaarschijnlijk klonk, namelijk dat een geheime Joodse organisatie bezig was een hele vloot samen te stellen voor het redden van de overlevenden van de Holocaust. Avi was een matroos van negentien jaar die na de oorlog door de Amerikaanse marine met groot verlof was gestuurd en, net als zoveel andere jonge zionisten, woedend was dat de Britten de overlevenden van de Holocaust het recht ontzegden naar Palestina te gaan. Hij zag dit als een herhaling van de worsteling van de Founding Fathers van zijn vaderland in hun Onafhankelijkheidsoorlog tegen Engeland. Die gedachte had Avi nog vastbeslotener gemaakt om aan te monsteren op een schip van deze geheimzinnige vloot, maar de organisatie scheen nergens een hoofdkwartier te hebben waar hij zijn diensten kon aanbieden. Hij had iedere Joodse groep in het telefoonboek van New York gebeld, maar elk telefoontje was uitgedraaid op de ontkenning van de persoon aan de andere kant van de lijn ook maar iets van zo’n geheime organisatie te weten. Hij had ook de zionistische jongerenclubs gebeld, en rabbijnen bij hun synagogen. Iedereen had hem beleefd te woord gestaan en een enkeling had hem verzocht om zijn telefoonnummer, voor het geval men iets hoorde.

Avi was echter een volhouder en hij had uiteindelijk besloten een bezoekje af te steken aan het Joods Agentschap op 342 Madison Avenue. Hij kwam niet verder dan de receptie en kreeg voor de zoveelste keer te horen dat hij zijn naam en telefoonnummer kon achterlaten. Hij wendde zich af in de overtuiging dat, als de geheime organisatie werkelijk bestond, hij nooit zou kunnen ontdekken hoe hij ermee in aanraking kon komen.

Avi liep naar de uitgang toen Shind binnenkwam. Impulsief vroeg de jonge zeeman hem of hij wist hoe hij in contact kon komen met de Aliyah Bet. Avi herinnerde zich dat Shind had gezegd: ‘“Wie wil dat weten?” Ik vertelde hem wie ik was en waarom ik het wilde weten. Toen vroeg ik hem wie hij was. Hij antwoordde: “Ik werk voor Erets Jisraël.” Ik zei dat ik dat ook wilde. Hij vroeg me om de volgende dag naar de bibliotheek van het Jewish Theological Seminary te komen. Ik had er nog nooit van gehoord. Ik dacht: O God, hij denkt dat ik rabbijn wil worden. Toen ik de bibliotheek binnenstapte, stelde Shind zich aan mij voor, en ook aan de man die bij hem was, kapitein Ash. Een paar uur lang werd ik door die twee uitgehoord over mijn staat van dienst bij de marine, en toen vroegen ze mij buiten te wachten. Toen ze me weer naar binnen haalden, zeiden ze dat ik de trein naar Baltimore moest nemen. Kapitein Ash gaf me aanwijzingen hoe ik de President Warfield zou kunnen vinden.’

Net als Nat Nadler werd Avi Livney bemanningslid, nadat hij de eed van trouw aan de Haganah had afgelegd. Elk lid van de bemanning had zijn eigen verhaal over de reden dat hij had aangemonsterd. Er was er zelfs een bij die in een Joods opvangkamp in Duitsland had gewerkt. Iemand anders had getekend nadat zijn broer in de laatste weken van de oorlog in de Slag om Berlijn was gesneuveld. Weer een ander was de zoon van een rabbijn; en er was ook iemand die naar Palestina wilde om in een kibboets te gaan werken. Verscheidene bemanningsleden hadden geen ervaring op zee en spraken geen Hebreeuws of Jiddisch: hun Brooklyn-Engels was gelardeerd met militaire krachttermen.

Het zeewaardig maken van de President Warfield was nu een uiterst urgente zaak geworden. De Labour-regering in Londen oefende zware druk uit op Latijns-Amerikaanse regeringen en dreigde zelfs met het verbreken van handelsverdragen als zij voortgingen met het onder hun vlag laten varen van vermoedelijke blokkadebrekers. Inmiddels had een Colombiaanse diplomaat in Bogotá de plaatselijke scheepsagent van de Aliyah Bet al gezegd dat hem was opgedragen geen registratiebewijzen en visa meer te verstrekken. Een klein deel van de vijftig miljoen dollar die Golda Meyerson tijdens die gedenkwaardige donderdagse lunch in het McAlpine Hotel bijeen had gekregen, werd naar een bankrekening van die diplomaat in Miami overgemaakt. Er werd niets meer vernomen over de dreigende weigering nog langer de noodzakelijke papieren te verzorgen. De visa bleven komen.

De Britse ambassade in Washington, D.C. liet de ambassadeur van Honduras weten dat hij van Buitenlandse Zaken instructie had om de Britse importovereenkomst voor bananen uit dat land door de United Fruit Company te annuleren. Die firma was eigendom van Samuel Zemurray, een Amerikaanse Jood die in de jaren negentig van de negentiende eeuw uit Oost-Europa was geëmigreerd en nu de grootste exporteur van bananen naar Groot-Brittannië was.

Op dat moment onderhandelde Ze’ev Shind juist over de aankoop van twee bananenboten voor de Aliyah Bet. Hij was naar New Orleans gevlogen om daar met Zemurray op diens landgoed te praten. De twee mannen bleven dat doen tot diep in de nacht. Tegen de ochtend belde Zemurray de president van Honduras en vertelde hem dat hij gehoord had dat de prijs van bananen zou instorten. Om hem te helpen het verlies te compenseren wilde hij zo spoedig mogelijk twee van zijn schepen verkopen voor de huidige marktprijs, zolang de schepen nog onder Hondurese vlag voeren. Shind had de transactie voor beide schepen rond en ze zouden onder Hondurese vlag vanuit Baltimore vertrekken.

Nat Nadler was pas een week aan boord toen Ze’ev Shind arriveerde, in gezelschap van kapitein Ash en Teddy Kollek, een blokkadebreker-veteraan die een naaste medewerker was van Ben-Goerion en inmiddels een van de vooraanstaande figuren in de zich snel uitbreidende operaties van de Haganah in de Verenigde Staten. In hun gezelschap was een kleine, dikke man die zich enigszins waggelend voortbewoog.

William Scholastica Schlegel, een verstokte rooms-katholiek uit Beieren, was lid van de machtige zeeliedenvakbond Masters, Mates & Pilots in Amerika. De vakbond was volop verwikkeld in een grote staking nu de onderhandelingen met de rederijen waren stukgelopen. De leden van de vakbond mochten met geen enkel schip in zee steken voordat het conflict tot een oplossing was gebracht. Kapitein Ash had het gaatje dat hij nodig had ontdekt. Als voormalig vicevoorzitter van de vakbond wist hij dat het uitvaarverbod niet van toepassing was voor zeelieden die een aanbod hadden aan te monsteren onder vreemde vlag. De President Warfield stond geregistreerd in Honduras. Schlegel kon aangenomen worden zonder dat hij een stakingsbreker werd. Kapitein Ash had de buikige kapitein aangenomen voor ‘alleen het overvaren van het schip naar het westelijk deel van de Middellandse Zee’. Verdere details werden niet verstrekt, noch werd erom gevraagd.

Met zijn zware Duitse accent en voorkeur voor drank zou Schlegel niet de eerste keus van kapitein Ash zijn geweest. Hij was echter door de Aliyah Bet tot de grootst mogelijke spoed gemaand en Schlegel, die al maanden werkloos was, kon meteen beginnen.

In Shinds gezelschap was een aantal gebruinde en gespierde jonge kerels voor wie Teddy Kollek inreisvisa voor de Verenigde Staten had weten te krijgen. Het waren leden van de Palyam, de geheime marine van de Haganah. Een van hen was Yitzhak Ahronowitz, onder de leden van het opperbevel van de Haganah bekend als Ike. Deze zoon van vurige zionisten was op zijn zestiende verjaardag naar zee gegaan om dekmatroos te worden, maar al een maand later was hij een van de oprichters van de Palyam. De Haganah had zijn potentieel onderkend en Ikes studie voor stuurman en navigator aan de zeevaartschool in Londen betaald. Gedetailleerde informatie over zijn opleiding, met inbegrip van het feit dat zijn studie werd betaald door het Joods Agentschap aan Great Russell Street in Londen, met steun van de Manchester Shipping Company, ‘voor het diploma van derde stuurman bij de Britse marinekoopvaardij’, werd in 1947 doorgegeven aan MI6. Zijn rol bij de Aliyah Bet was ‘een kwestie van belang’ geworden voor de Britse geheime dienst. Tot op de huidige dag zijn deze documenten aanwezig in de archieven van MI6. Tijdens zijn lidmaatschap van de Haganah had Ike kennisgemaakt met Saul Avigur, die de operaties van de Aliyah Bet in het Middellandse Zeegebied leidde. Na die kennismaking met Ike had Avigur aanbevolen hem het commando over de President Warfield te geven, op de eerste reis van dit schip als blokkadebreker.

Begin 1947 had Ike te horen gekregen dat hij als extra stuurman mee zou varen met een Brits schip met bestemming New York. Shind had hem op de kade verwelkomd en meegenomen naar Baltimore. Nadat Shind de bemanning in de mess had verzameld, stelde hij hun Ike voor als hun eerste stuurman en Schlegel als gezagvoerder. Schlegel stond abrupt op en verklaarde dat hij als gezagvoerder geen tegenspraak zou dulden. Daarna liep hij de mess uit, in doodse stilte.