Centra van actie
Duizenden Polen bleven, nadat de Luftwaffe hun huizen en bedrijven had verwoest, Warschau ontvluchten. Boven de vroeger zo mooie hoofdstad hing nog altijd een immense wolk grijze rook. De lijken van tal van mannen, vrouwen en kinderen lagen bedolven onder de ruïnes en de stank van de dood werd meegevoerd door de sneeuwvlokken die neerdwarrelden op de eindeloze rij vluchtelingen die zich met hun wagens, handkarren en kruiwagens een weg zochten tussen de bevroren karkassen van dieren waarvan de buik was opengebarsten door rottingsprocessen.
Tussen de wegtrekkende menigte reed een schitterende auto, de enige Cadillac in Polen. De voortdurend toeterende claxon en het snorren van de krachtige motor begeleidden zijn vorderingen. Zelfs de modder op de enorme koplampen of de op de lange motorkap smeltende sneeuwvlokken konden het majestueuze uiterlijk van de auto niet verhullen.
Het geheel naar de wensen van de klant vervaardigde voertuig was van Jacob Stolowitzky, de rijkste Joodse industrieel in het land. Hij had zijn fortuin vergaard met het leveren van ijzer voor treinwagons, spoorrails en bielzen voor de spoorwegen in Rusland en Polen. Het had hem een paleis van een huis bezorgd voor hemzelf en zijn mooie vrouw Lydia. Hun enige zoon, Michael, was een tevreden en gelukkig kind dat was opgevoed in het soort geborgenheid dat alleen rijkdom kan bieden. Gertruda, Michaels kindermeisje, was degene die in al zijn behoeften voorzag. Ze was een statige, lange, dertigjarige blondine met een wervende lach en de stille vastbeslotenheid om te slagen in alles wat ze deed. Zelf was de vroom rooms-katholieke Gertruda afkomstig uit een arm gezin in Dantzig, waar iedere zloty telde, hoewel haar ouders evengoed tijdens de wekelijkse collecte in de kerk een deel van hun inkomen offerden.
Al in een vroeg stadium hadden Gertruda en Lydia elkaar gevonden in hun gemeenschappelijke liefde voor Michael. Lydia’s onvergetelijk mooie gezicht straalde, telkens als ze toekeek hoe Gertruda haar zoon in bad deed en hem te eten gaf, en meer dan eens had ze gezegd dat Gertruda zelf een geweldige moeder zou zijn. Geen lof had het kindermeisje meer kunnen waarderen. Als Jacob in Europa op zakenreis was, zaten de twee vrouwen vaak bij elkaar; dan praatten ze over elkaars geloof en hun sterk uiteenlopende opvoeding die hen uiteindelijk toch samen had gebracht. De barrière tussen vrouw des huizes en kindermeisje had tussen hen nooit bestaan; ze respecteerden elkaar.
Kort voor het begin van de oorlog was Jacob naar Parijs gegaan om daar de zoveelste transactie af te ronden. Toen het nieuws kwam dat Warschau werd belegerd, had hij zijn connecties aangeboord en een beloning van tien miljoen zloty uitgeloofd voor degene die zijn gezin veilig het land uit zou brengen. Dat aanbod had echter nooit de enige man bereikt die deze transactie had kunnen fiatteren, Adolf Eichmann.
Jacobs pogingen om contact te krijgen met Lydia waren mislukt, omdat de telefoonverbindingen tussen Parijs en Warschau waren weggevallen toen een Duitse bom de telefooncentrale van Warschau raakte. Toen zij geen nieuws van haar echtgenoot ontving, had Lydia besloten met Michael en Gertruda naar Vilnius te rijden, de hoofdstad van Litouwen, waar het gezin vrienden had in de Joodse gemeente daar die bereid zouden zijn hun onderdak te verlenen. Ze waren in de schemering in de Cadillac uit Warschau vertrokken en de chauffeur had twee dagen nodig gehad om hen onderweg langs de puinhopen en om de bomkraters heen te loodsen totdat ze eindelijk de grensovergang bereikten. Die bleek onbemand. Ze wisten niet dat de Litouwse regering besprekingen voerde met de Sovjet-Unie, over een mogelijke toetreding.
Tijdens een zonsondergang die de Egyptische woestijn voorbij het Suezkanaal overgoot met een roodgouden gloed, zat Yossi Harel naast een Britse legertruck van de 32e Luchtlandingsdivisie bij Abu Sueir in de kanaalzone. Op korte afstand stonden een paar transportvliegtuigen van de raf geparkeerd. Hij wist dat hij nooit in aanmerking zou komen voor een opleiding tot piloot. Vervuld van hoop had hij zich aangesloten bij de lange rijen jonge Joden voor de ingang van het rekruteringsbureau van de Mandaat-regering in Haifa, een dag nadat de oorlog was uitgebroken. Daar was hem gezegd dat zijn Palestijnse paspoort hem uitsloot van de pilotenopleiding van de raf, maar dat hij wel dienst kon nemen als truckchauffeur van het Britse leger. Twee dagen later werd hij naar Egypte gevlogen, waar hij zijn tijd doorbracht met het in de woestijn oppikken en naar de basis brengen van Britse parachutisten na hun oefensprongen.
Een dag voordat Yossi Palestina zou verlaten, had hij de tijd gevonden om afscheid te nemen van Orde Wingate, die teruggeroepen was naar Engeland. Daarbij had Wingate met een voor hem uitzonderlijk vertoon van genegenheid Yossi omhelsd en hem eraan herinnerd dat zij allebei ‘een instrument waren van het lot. Het enige wat jij hoeft te doen, is je alles herinneren van wat je uit onze gesprekken hebt geleerd – dan komt er ooit een dag waarop je dromen werkelijkheid worden.’
Die woorden hadden zich in de jonge geest van Yossi Harel gegrift en een droom uit zijn jeugd tot nieuw leven gewekt, de droom waarin hij zich voorstelde hoe het zou zijn om op de brug van een schip te staan en bevelen te geven.
Op een decemberavond in 1939 reed Jacob Kronenberg zijn auto aan diggelen toen hij vanuit Neurenberg op weg was naar huis. Ze hadden hem uit het wrak gezaagd en in allerijl naar het ziekenhuis gebracht. Misschien was het gebeurd toen ze hem klaarmaakten voor een operatie, want iemand – een arts, misschien, of een verpleegster – had opgemerkt dat hij besneden was. Het hoofd van de beveiliging was erbij gehaald. Diens beslissing was gedecideerd.
‘Een Jood! Nergens voor nodig een Jood te redden.’
Nog geen uur later had een politieauto Christabel en Freddie Kronenberg opgehaald en hen naar het hoofdbureau van politie van Neurenberg gebracht. Dit was het begin van de reis geworden die ertoe leidde dat Freddie poortwachter in Auschwitz was geworden – gered door een gril van dr. Mengele. Christabel kwam in Auschwitz om. Over het lot van Jacob Kronenberg is niets bekend.
In de loop van een avond in maart 1940 stonden Johann Goldman en Jakob Cohen te posten op de hoek van een van de straten naar de Jodenbuurt in Amsterdam. Ze zagen een Talmoed-geleerde, duidelijk herkenbaar aan zijn zwarte mantel en de pijpenkrullen onder zijn zwarte hoed, in een gebouw verdwijnen.
Verderop in de straat bevonden zich wat andere leden van enkele knokploegen, dokwerkers en fabrieksarbeiders die de geur van sigaren en het stof van steenkool om zich heen hadden, de gezichten verstopt onder zwarte capuchons. Johann wist dat ze ieder een staaf ijzer of een eind ketting bij zich hadden en zelfgemaakte boksbeugels droegen. In hun midden bevonden zich ook wat gespierde leerlingen van de Middelbare Technische School van Amsterdam, die zich hadden aangesloten bij de knokploegen om tegen de nsb te vechten.
Bij elk succes dat ze behaalden, namen de aanvallen van de NSB op Joodse winkels en gebouwen in Amsterdam echter toe. Terwijl de Joodse leiders hun mensen aanspoorden om terughoudend te blijven, bleven de NSB’ers hun aanvallen uitvoeren. Die avond behoorden Johann en Jakob tot degenen die waren gevraagd om een samenkomst van de knokploegen bij te wonen; hun was de taak toebedeeld op de uitkijk te gaan staan als beveiliging van een aanval op een nsb-vergadering.
Het afgelopen uur hadden ze de ene na de andere nsb-boef een huis op de hoek van de straat binnen zien gaan. Toen de laatste man naar binnen was gegaan, gaf Johann met zijn zaklantaarn het signaal.
Een potige fabrieksarbeider ramde de voordeur open met een moker. Uit het huis kwam luid gebrul en het geluid van ijzer en staal op bot. Binnen enkele minuten was het voorbij. De knokploeg was alweer het huis uit, met achterlating van ernstig gewonde NSB’ers. Enkele dagen later kwam een hunner in het ziekenhuis te overlijden.
Twee maanden later, op 10 mei 1940, liepen de nazihorden de Lage Landen onder de voet, met inbegrip van Luxemburg. Diezelfde dag diende Neville Chamberlain zijn ontslag in en werd Winston Churchill de nieuwe eerste minister van Groot-Brittannië. Vier dagen bleef Nederland verzet bieden aan Hitlers Blitz-krieg. Na een schandalig en vernietigend bombardement op Rotterdam capituleerde Nederland en begonnen de Britse strijdkrachten aan hun heldhaftige evacuatie vanaf de stranden bij Duinkerken. Op 22 juni capituleerde ook Frankrijk en vestigde zich een nieuwe, fascistische regering in de stad Vichy in de Auvergne. In februari 1941 weergalmden de straten van de dorpen en steden in de Lage Landen voor het eerst van het geluid van stampende laarzen en het geronk van Duitse legertrucks, die langs de huizen reden om Joden bijeen te drijven.
Moshe Bar-Gilad zat te wachten in een café aan de kade van het havenplaatsje Sulina aan de monding van de Donau in Roemenië. Wachten was een ‘bezigheid’ waaraan hij gewend was geraakt. Alleen aan zijn gezicht was te zien dat de spanningen hun tol eisten. Zijn zwarte haar begon hier en daar grijs te worden en er waren groeven om zijn ogen en mond verschenen. Het zou ongetwijfeld slechts een kwestie van tijd zijn, hield hij zichzelf telkens voor, voordat de nazi’s hem te pakken zouden nemen. Veel van zijn collega’s bij de Aliyah Bet hadden dat lot ondergaan. Zolang hij daarvoor gespaard bleef, wist Moshe Bar-Gilad dat hij een missie te vervullen had.
Dit gevaar had hem beziggehouden vanaf het moment dat hij de grens was overgestoken en de veiligheid van Zwitserland had verruild voor de steeds gevaarlijker toestand in Benito Mussolini’s Italië. In maart hadden de Duce en de Führer elkaar ontmoet op de Brennerpas om een datum voor Italiës deelname aan de oorlog vast te stellen. De vervolging van Italiaanse Joden was inmiddels al geïntensiveerd. Er waren duizenden Joden opgepakt en veel van de degenen die aan arrestatie hadden weten te ontkomen, hadden dankbaar gebruikgemaakt van Zwitserlands asielaanbod.
Vanuit Milaan was Bar-Gilad doorgereisd naar Triëst, waar hij hoopte een van de weinige resterende schepen te zullen treffen die hij voor de Aliyah Bet had aangekocht. De Hilda lag echter al niet meer in de haven en niemand scheen te weten waar het schip heen was. Ook van de passagiers – van wie sommigen tot de eersten behoorden voor wie hij uitreisvisa uit Oostenrijk had weten te verkrijgen – was geen spoor te bekennen. Omdat hij voorvoelde dat verdere naspeuringen de belangstelling van de havenautoriteiten zouden kunnen wekken, was hij doorgereisd naar Sulina, in de hoop dat een ander schip, de Maria – waarvoor de Aliyah Bet al een aanzienlijke som had betaald – daar nog zou zijn. Hij had een volle week nodig gehad om dat havenplaatsje te bereiken via een reis dwars door Joegoslavië, achtervolgd door slecht nieuws. Duitsland had nu ook Denemarken en Noorwegen bezet. Finland was in handen van de Russen gevallen. Overal om hem heen sloten de Europese grenzen zich.
Aan het eind van de haven lag de Maria. Bar-Gilad: ‘Er moesten nog tienduizend Engelse ponden worden betaald voordat de eigenaar het schip wilde overdragen en ik wist me geen raad: ik stond aan het hoofd van niet meer dan zevenentachtig Amerikaanse dollars.’ Zijn zorgen werden nog groter toen bij navraag bleek dat er in Sulina geen Joden aanwezig waren, laat staan de 700 jonge pioniers uit de opleidingskampen in Oostenrijk voor wier overtocht hij de Maria had aangekocht.
Op de kade postte een man met een gleufhoed, gehuld in een trenchcoat met ceintuur. Bar-Gilad had vaker mannen gezien die zo gekleed gingen: Gestapo-agenten. Was die man er misschien ook een, of was hij een agent van de Roemeense geheime dienst?
De man was geen van beide. Hij was een agent van MI6, een van de vele die de Britse geheime dienst langs de kust van de Middellandse Zee had gestationeerd om de Duitse oorlogsinspanningen te ontwrichten. De agent deed Bar-Gilad een voorstel. Hij had verlof om de rest van de verschuldigde koopsom voor de Maria te betalen, de vluchtelingen op te sporen en hen te voorzien van authentieke visa voor Palestina, waar de Mandaat-regering hen zou toelaten. Daarna zou de Maria terug worden gevaren naar Sulina om daar afgezonken te worden en zo de Duitse schepen die de rivier afkwamen de doortocht te versperren.
Hij had Bar-Gilad wat tijd gegeven om na te denken over dit opzienbarende aanbod. Twee lange uren brak Bar-Gilad zich in het havencafé het hoofd over wat hem te doen stond. Was dit soms een valstrik? Een wreed plan om het lot van de Joden te misbruiken door hen naar het schip te lokken, alleen om hen te laten arresteren, zodat ze op transport zouden worden gezet naar een concentratiekamp? De agent kwam terug, dit keer met een van de Joodse vluchtelingen. Hij en Bar-Gilad overlegden in het Hebreeuws met elkaar en de vluchteling legde hem uit dat de andere pioniers zich in het landschap rondom Sulina verborgen hielden. De geheim agent verzekerde Bar-Gilad dat het schip was afbetaald en dat er tegen de avond al een bemanning zou komen, zodat de emigranten in zee konden steken naar Palestina.
Drie dagen later arriveerde de Maria in Haifa.
In de loop van verscheidene dagen had de Old Bay Line aan Kade nr. 10 in Baltimore een gedaanteverwisseling ondergaan. Aan de voorgevels van het hoofdkantoor van de rederij hingen gigantische kartonnen platen in de vorm van de raderstoomboten van de maatschappij. Vergrotingen van krantenknipsels herinnerden aan de geschiedenis van haar vloot; de gevels waren getooid met vlaggen, en de portretten van de vroegere president-directeuren waren voor de kantoorvensters opgehangen. Het middelpunt van de feestelijkheden, de President Warfield, voerde trots de vlag van de maatschappij, een driehoekige rode vlag met een witte ‘B’ in het midden. Over de keien van de kade weerklonken de hoefslagen van paarden en het geratel van de wielen van antieke rijtuigen, koetsjes en sjezen die de officiële genodigden kwamen afleveren: de gouverneur van Maryland, de burgemeester van Baltimore en de bestuurders van steden aan de Chesapeakebaai. Naar de loopplank van het schip was een uitnodigende rode loper uitgerold voor de gasten. Die 23e mei van het jaar 1940, kort voor twaalven, was alles in gereedheid om het eeuwfeest van de maatschappij te vieren.
Die avond om half zeven maakte de President Warfield zich los van de kade, zoals het schip iedere vertrekdag had gedaan. In de rooksalon aan boord bruiste een champagnefonteintje, en het scheepsorkest speelde een medley van populaire melodieën. Het diner stond uit schildpadsoep en fazant en er werd geklonken met een Madeira van 1870, gevolgd door de heerlijkste wijnen.
David Brierly was een van de passagiers. De vriendelijke invitatie aan de kapitein-luitenant-ter-zee van de Royal Navy was geregeld door het Amerikaanse ministerie van Marine; de minister was een van de weinigen die wist waarom Brierly erbij was. Hij was door de Britse Admiraliteit bij het ministerie gedetacheerd. Nadat Winston Churchill eerste minister was geworden, had hij president Roosevelt overgehaald hem vijftig Amerikaanse torpedobootjagers te leveren; Groot-Brittannië had ze hard nodig om te proberen de verliezen die de Duitse U-boten bleven veroorzaken terug te dringen. Churchill, die voelde dat hij op het juiste moment met zijn verzoek was gekomen, had er slim aan toegevoegd: ‘Ik zal graag eventuele andere schepen die beschikbaar zijn om ons te helpen overnemen.’ Hij had Brierly belast met de taak de havens aan de oostkust te verkennen en in het geheim voor de president een rapport over beschikbare schepen op te stellen.
Terwijl de feestelijkheden aan boord voortduurden, had Brierly de President Warfield van boeg tot achtersteven geïnspecteerd. Hij had onder meer opgemerkt, naast tal van andere zaken, dat er boven het roer een tweede stuurrad was geïnstalleerd dat via kabels vanuit de stuurhut kon worden bediend om het schip in noodgevallen toch bestuurbaar te houden. Het grote voordek bood ruimte aan een flink aantal auto’s en andere vracht. De honderdzeventig luxehutten konden gemakkelijk worden omgebouwd om veel meer personen te herbergen dan de elegant geklede stellen die er nu in sliepen. In zijn notitieboek schreef hij: ‘Al het plaatwerk keurig strak. Oersolide.’
Die nacht om twaalf uur zette het scheepsorkest het Auld Lang Syne in: ‘Should auld acquaintance be forgot, and never brought to mind? We’ll take a cup o’kindness yet, for auld lang syne.’ David Brierly zong volop mee, zich ervan bewust hoe voorspellend die woorden waren.
Gertruda stond aan het voeteneind van Lydia’s bed, haar armen om de kleine Michael heen, terwijl ze naar zijn moeder bleef kijken. De enige geluiden in de slaapkamer waren het zachte snorren van de ventilator aan het plafond en Lydia’s oppervlakkige ademhaling. Andere vrouwen zou misschien niet graag getuige zijn geweest van iemands overlijden, maar Gertruda had van kindsbeen af familieleden geholpen zich voor te bereiden op de dood: haar grootmoeder, een tante, een verre nicht. Het maakte deel uit van haar rooms-katholieke opvoeding. Lydia had een hersenbloeding gekregen die volgens de ziekenhuisartsen fataal was, zodat ze haar naar huis hadden gestuurd.
Vanaf dat moment had Gertruda geen aandacht meer voor de wereld buiten de gesloten slaapkamergordijnen: dit hier was haar wereld, waar ze Lydia geregeld waste en in al haar andere behoeften voorzag. Als Lydia haar moeizaam lispelend iets probeerde te zeggen, reageerde Gertruda meteen; en als Lydia wilde rusten, zag Gertruda erop toe dat zij niet werd gestoord door bezoekers. Sommige bezoekers hielden Lydia’s hand vast, waarbij ze haar huid nauwelijks aanraakten, alsof de aanraking haar pijn zou doen; andere bleven zwijgend naast het bed naar haar staan staren, alsof woorden niet toereikend waren om hun verdriet over te dragen. Gertruda wist inmiddels beter. Lydia had er behoefte aan te voelen dat zij nog deel uitmaakte van het leven. Om die reden had Gertruda een dagindeling gemaakt waarop ze niet alleen had aangeduid wanneer ze Lydia moest helpen eten, wassen of haar nachthemd verschonen, maar ook wanneer ze Michael bij haar moest brengen, waarbij ze hem aanmoedigde zijn moeder te vertellen wat hij die dag had gedaan. Eens per week kwam de rabbijn. Hij stelde dan een paar vragen en vertrok weer. Gertruda’s sterke katholieke geloof verzekerde haar dat niemand, ook Lydia niet, bij zijn of haar overlijden definitief zou sterven en dat zelfs een vroege dood kon worden gezien als een terugkeer naar een betere wereld.
Vandaag, op die zomermiddag, voelde Gertruda dat Lydia iets wilde zeggen. Ze liep naar voren, de kleine Michael nog in haar armen. Ze wist intuïtief dat er bij Lydia geen verzet was om zich over te geven aan haar onvermijdelijke lot. Toen ze Lydia’s lippen zag bewegen, boog Gertruda zich over haar heen, Michael tegen zich aan drukkend. Dit moment zou voorgoed in Michaels geheugen gegrift staan: ‘Gertruda heeft mij later verteld dat mijn moeder had geweten dat haar tijd gekomen was en dat zij nog een laatste verzoek wilde doen. Ze wilde dat Gertruda mij zou redden door mij naar Palestina te brengen.’
Tot op dat moment was Gertruda een toegewijd kindermeisje geweest. Nu werd haar gevraagd de plaats in te nemen van Michaels eigen moeder. Ze had naar Lydia’s verstilde gezicht gekeken. Toen had ze zich opgericht en een stap teruggedaan van het bed. Voor Lydia kon ze niets meer doen. Nu was Michael haar verantwoordelijkheid. Zij zou zijn tweede moeder zijn.
Op een broeierige ochtend, halverwege juni 1942, stonden David Brierly en twee andere mannen rondom een vergadertafel in het Commerce Building in Washington, D.C. John McLay was een telg uit een van de Engelse aristocratische families en David Boyd was een pientere Londense zakenman. Rederijen in vele delen van de wereld – Nieuw-Zeeland, Australië, Zuid-Amerika en India – hadden hun zeewaardige schepen verkocht voor het in konvooi vervoeren van oorlogsvoorraden naar Groot-Brittannië. Bij hun laatste verblijf in Washington, D.C. hadden ze op het punt gestaan naar de eilanden in de Caribische Zee te gaan en waren de Verenigde Staten nog niet in oorlog. Voor de Japanse overval op Pearl Harbor hadden er diverse geheime ontmoetingen plaatsgehad tussen Winston Churchill en president Franklin D. Roosevelt. Na hun laatste ontmoeting was Churchill teruggekeerd naar Londen om zijn oorlogskabinet mee te delen dat Roosevelt mét hem van mening was dat de dag zou komen waarop de oorlog moest worden verplaatst naar de kusten van het door de nazi’s bezette Europa en ‘het verdorven hart van Hitlers hol in Berlijn’. Om te kunnen slagen, vereiste zo’n strategie echter schepen met weinig diepgang die Het Kanaal konden oversteken.
McLay en Boyd waren naar Amerika gekomen om zulke schepen te verwerven. David Brierly had een reeks foto’s en blauwdrukken van schepen op de tafel uitgespreid die elk met onmiddellijke ingang beschikbaar waren aan de Amerikaanse oostkust. Brierly’s ervaren bezoekers keurden er een tiental af. Zes andere werden afgewezen omdat ze niet zeewaardig genoeg waren voor de overtocht over de Atlantische Oceaan. De rest kon ermee door. De laatste drie waren stoomschepen die de Chesapeakebaai bevoeren. Wijzend naar een foto en een aantal bouwtekeningen van de werf zei Brierly glimlachend: ‘Ik houd altijd graag het beste voor het laatst. Deze hier lijkt me ideaal.’
De twee uit Engeland waren het met hem eens. Een aantal handtekeningen onder een koopakte bezegelde de transactie. Requisition Order 227753 bekrachtigde de overdracht van de President Warfield aan het Britse ministerie van Oorlogstransporten.
Op zondag 11 juli 1942, ’s middags om vier uur, liet de kapitein van de President Warfield de scheepshoorn éénmaal dreunend loeien. Op de kade bleven mensen staan en sommigen lieten het hoofd even zakken, alsof er een begrafenisstoet voorbijkwam, toen het vlaggenschip van de Old Bay Line aan zijn laatste reis onder die vlag begon. Tien minuten later bereikte het schip de steiger van de Maryland Dry Dock Company. Een paar uur later was de lucht vervuld van hamerslagen en reden kranen over hun spoorrails heen en weer langs het schip. De oorlog eiste zeven dagen per week werkdagen van vierentwintig uur per etmaal.
Op het droogdok zelf had de ploeg die opdracht had het schip te verbouwen klaargestaan. Lassers met hun lastangen, klinkers met hun luchthamers en kolenvuurbakken, boorders met hun boormachines en elektriciens met hun gereedschapskoffers. Ze waren stuk voor stuk een specialist in hun vak en wisten exact wat hen te doen stond. Ze hadden het sinds Pearl Harbor al vaak genoeg gedaan. Onder aanvoering van de ploegbaas verdwenen ze onderdeks. Kort daarna was het eerste geluid van een drilboor te horen.
In Berlijn werd Wernher von Braun voor de zoveelste keer door Hitlers slonzige oudste secretaresse, Christa Schroeder, naar de ruim bemeten werkkamer van de Führer geëscorteerd, voor een bespreking van de blauwdrukken voor zijn nieuwste raket: de V2.
Hitlers enthousiasme werkte aanstekelijk, zo vertelde Von Braun later. Was het mogelijk tweeduizend van deze raketten per maand te lanceren? Von Braun knikte. Konden ze elk twee ton aan springstof meenemen? Opnieuw een hoofdknik. Von Braun zelf had een verzoek. De oorlog had de toevoer van arbeiders zwaar belast. Er zou een nieuw fabricagecomplex nodig zijn voor de bouw van de V2’s en er zouden meer arbeiders nodig zijn.
Hitler nam meteen de hoorn van de telefoon op zijn bureau om Albert Speer te instrueren. Hij moest in de concentratiekampen iedere gevangene die tot werken in staat was – mannen, vrouwen en zo nodig zelfs kinderen – aan het werk zetten in de rakettenfabricage. ‘Fehler sind nicht gestattet!’
Von Braun verliet Hitlers werkkamer als de nieuwste slavendrijver van het Reich.
De urgentie om aan de eisen van de oorlog te voldoen, had geleid tot koortsachtige bedrijvigheid op de President Warfield. De spiegels en schilderijen in vergulde lijsten, afkomstig uit de immense villa van wijlen Solomon Warfield, werden van de wanden genomen, in lakens gewikkeld en naar verhuiswagens gedragen. Datzelfde lot onderging het sanitair in de badcellen, het handgeslepen kristal, de kroonluchters, en de kostbare linnen tafellakens en het beddengoed. Vloerbedekking werd opgerold. Plantenpotten die het promenadedek hadden gesierd werden omlaaggetakeld, naar de laadbak van een open vrachtwagen. Het had veel weg van het leegplunderen van een middeleeuws paleis.
De artefacten maakten plaats voor bewapening. Een hijskraan zette zware ijzeren montagesteunen voor vier zware mitrailleurs, kaliber 20mm, aan boord, plus een ijzeren voetstuk voor een zwaarder stuk geschut, een twaalfponder, dat met zware bouten aan het dek werd bevestigd. Er werden stalen pantsers gemonteerd voor de bescherming van schutters en kanonniers en er werden extra brandstoftanks geïnstalleerd om de actieradius van het schip flink te vergroten. De stuurhut werd van buiten bekleed met een beschermende laag asfalt van vijfentwintig centimeter dik. Andere arbeiders brachten stalen platen aan die de vrachtdeuren en ankerkluizen moesten beschermen.
Het overstekende deel boven het hoofddek, karakteristiek voor alle Chesapeake-stoomschepen, veroorzaakte aanvankelijk een probleem. Een scheepsbouwingenieur van de Admiraliteit, gedetacheerd bij het New Yorkse kantoor van het Britse ministerie van Oorlogstransporten, gaf bevel de ‘overhang’ te ombouwen met zware houten balken. De slanke romp, die zoveel bewonderende blikken had geoogst sinds het schip die maandag de 28e februari 1928 van de helling was gegleden, verdween achter een houten omkasting.
Op de laatste inspectiedag had David Brierly het gevoel ‘alsof we een Hollywood-filmster ruw hadden ontdaan van haar makeup, zodat ze er nu uitzag als een oude heks’. Twee uur lang klauterde en liep hij met de scheepsbouwingenieur over het schip, klaar om iedere vraag te pareren. Er waren geen vragen. De President Warfield was klaar voor oorlog.
In het Derde Rijk werd de vijftienjarige Helena Levi, net als alle andere gevangenen, al voor het krieken van de dag aan het werk gezet, om pas twaalf uur later te worden teruggebracht naar het eind augustus 1943 in gebruik genomen concentratiekamp Mittelbau-Dora bij Peenemünde. Dezelfde felle schijnwerpers die het kamp omringden verlichtten ook haar arbeidsplaats diep onder de grond. Helena’s leven – in een blauwwit gestreepte gevangenenjurk, de voeten gestoken in de laarzen van een oudere vrouwelijke gevangene die aan uitputting was bezweken – werd beheerst door het geschreeuw van bewakers die voortdurend ‘Schneller, schneller!’ brulden, afgewisseld door het knallen van een zweep die iemands rug striemde, terwijl zij het zoveelste brok rots naar een kiepkar sjouwde en het ding, als hij vol was, over het spoorlijntje naar het aardoppervlak duwde. Ze waren bezig aan het uithakken van Von Brauns ondergrondse fabricagehallen voor de seriebouw van zijn V2-raket.
Helena had tot de eerste groep aangevoerde gevangenen behoord. Binnen enkele weken zwoegden er 12.000 slavenarbeiders ondergronds. De omstandigheden waren gruwelijk en het sterftecijfer was zo hoog dat er vlak naast de ingang een verbrandingsoven moest worden gebouwd. Ernaast was een rij galgen opgericht voor van sabotage verdachte arbeiders, die hier – in groepen van tien – werden opgehangen. De nazi’s lieten hen steeds een dag lang hangen zodat iedereen ze moest zien, voordat ze omlaag werden gehaald. Vanwege het gebrek aan ventilatie, sanitair, stromend water en ontoereikende voeding waren veel slavenarbeiders ondervoed of ziek. Ze likten het smerige water van de rotswanden en de grond was glibberig van hun feces. Het werk zelf was onmenselijk zwaar en het gevaar dat een tunnel zou instorten was constant aanwezig. Dat gebeurde meerdere keren, maar levend begraven zijn kon alleen maar een welkome ontsnapping zijn aan dit Dante-inferno.
Bij het krieken van de dag, die 20e augustus 1942, was een militaire bus tot stilstand gekomen op Kade nr. 3 voor Pratt Street in Baltimore, waaraan de President Warfield lag afgemeerd. Toen de passagiers de bus verlieten, werd de lucht vervuld van ongebruikelijke tongvallen: Schots, Welsh, Cockney en de langgerekte vocalen van de bewoners van Engelse graafschappen. Dit waren de zeelieden van de koopvaardij die gekomen waren om de President Warfield over te varen naar Engeland.
Zoals bij elk schip in iedere zeehaven aan de Amerikaanse oostkust maakten de inwoners van die havenplaatsen zich zorgen over het lot van een schip dat uitvoer. In de kathedralen, kerken en synagogen werd gebeden voor de veiligheid van de bemanningen.
In Washington, D.C. prevelde Leo Bernstein zijn eigen Joodse gebeden als hij vanuit zijn snelgroeiende makelaardij in onroerend goed tegenover St. Mary’s Church de rooms-katholieke kerkgangers die naar binnen gingen gadesloeg. Zijn familie stamde af van de Joden die zich in Washingtons 5th Street hadden gevestigd: overlevenden van de pogroms in het Polen en Rusland van de vorige eeuw die de wijk hadden genomen naar de Verenigde Staten. Andere familieleden van Leo bevonden zich in handen van de nazi’s. Alles wat hij deed en zei werd gemotiveerd door zijn streven hen te redden. Hij was een van de beste fondsenwervers van het United Jewish Appeal in Washington, een organisatie die zich richtte op het leveren van een bijdrage aan de oorlogsinspanning. Na Pearl Harbor had hij royale bedragen gegeven en hij wist precies hoeveel hij mocht verwachten van iedereen die hij om geld benaderde. Hij herinnerde iedereen eraan dat iedere dollar zou worden gebruikt om alle Joden in Europa te helpen. Toch waren zijn gebeden niet volledig aan hun lot gewijd; hij smeekte God ook om de schepen die de oostkust verlieten te sparen, opdat ze deze Joden in het Beloofde Land in veiligheid konden brengen.
Zijn geloof was zo groot dat hij in het derde jaar van de oorlog begonnen was een deel van zijn inkomen opzij te leggen en anderen aanmoedigde hetzelfde te doen, bij wijze van hulp aan de wanhopige Joden in Europa. Hoe meer Leo voor hun vrijheid bad, hoe sterker zijn gevoel werd dat zij zouden worden gered.
Johann Goldman en Jakob Cohen stonden, gehuld in de kleding van Hollandse vissers die hen beschutte tegen de van de Noordzee afkomstig kille wind, op de dijk bij Den Helder te kijken naar de platte Duitse Schnellboot van de Kriegsmarine die langs hen heen schoot. De afgelopen drie dagen hadden ze nauwkeurig het tijdstip bijgehouden waarop de langs de kust patrouillerende Schnellboot hier langs kwam: heen om 14:00 u en terug naar de marinebasis om 19:00 u. Dit was ook het tijdstip waarop plaatselijke vissersschepen het ruime sop kozen om te gaan vissen. De jongens hadden vastgesteld dat de Duitse schildwacht in zijn hut op de kade in de haven van Den Helder nooit de moeite nam de uitvarende of terugkerende vissersboten te tellen. Op grond daarvan hadden ze hun plan uitgebroed.
Er was in Den Helder een boot opgelegd waarop Johanns oom had gevaren voordat hij als een van de Joden in Den Helder was gedeporteerd om in de oorlogsindustrie van het Reich te werk te worden gesteld. Johann had zijn tante niets verteld over wat hij en Jakob van plan waren. De afgelopen twee dagen hadden ze de motor gecontroleerd en de brandstoftank bijgevuld. Nadat ze de Schnellboot voorbij hadden zien komen, waren ze weer naar de haven gegaan, ‘gewoon’ twee vissers die hun boot klaarmaakten om ’s nachts te gaan vissen. Eenmaal boven de visgronden zouden ze doorvaren naar Engeland.
Toen ze het wachthuisje passeerden, kwam de schildwacht met het geweer in handen naar buiten. Hij vroeg om hun Ausweis. In het wachthuisje zat een man met de beruchte overjas en gleufhoed van de Gestapo. De schildwacht overhandigde de papieren aan de Gestapo-agent. Zodra hij er een blik op had geslagen, liep hij naar buiten om de gesloten legertruck die verderop stond geparkeerd te wenken. Het plan van Johann en Jakob om naar Engeland te vluchten was verijdeld.
Aan boord van de President Warfield zag kapitein Williamson de donkere schaduw van de kustlijn opdoemen, lang voordat hij aan het afnemen van de deining voelde dat de kust niet meer ver was. Binnen een uur waren ze in de luwte van de Hebriden. Ze passeerde South Uist en zetten koers naar de Binnen-Hebriden voor de westkust van Schotland. Voor hen verhieven zich de heuvels van Argyll en Bute. Ten zuiden daarvan lag hun bestemming: Belfast.