De Haganah-spion
In januari 1947 kon Ralph Goldman met voldoening terugkijken op zijn inspanningen op het gebied van fondsenwerving voor de Aliyah Bet, niet alleen in iedere Joodse gemeenschap in de Verenigde Staten, maar ook in Mexico en de rest van Latijns-Amerika. Zelfs kleine gemeenten in afgelegen gebieden hadden geld bijeengebracht om de Aliyah Bet in staat te stellen schepen te kopen, die door scheepswerven in Baltimore en Boston werden opgeknapt. Elk schip dat van de helling gleed droeg de naam van een pionier van het zionisme: Josiah Wedgwood, Hochelaga, Henrietta Szold. In totaal verkeerden er tien schepen in uiteenlopende stadia van renovatie, met het doel ze in staat te stellen de Atlantische Oceaan over te steken en zich te voegen bij nog eens veertig andere schepen, die dankzij de fondsen die Goldman had bijeengebracht klaargemaakt werden voor de reis naar Palestina. Deze oude schepen, vaak weinig meer dan een roestige romp, stonden onder het bevel van Saul Avigur, de hoogste Haganah-commandant die verantwoordelijk was voor de Aliyah Bet in Europa.
Immigranten in Israël herinnerden zich de jaren twintig, waarin hij de verdediging van de Joodse nederzettingen in Palestina had georganiseerd; andere ouderen herinnerden zich hoe Avigur de hand had weten te leggen op de Velos, het eerste vooroorlogse immigrantenschip dat hen had afgezet op een strand nabij Tel Aviv. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog was Avigur in een Brits legeruniform naar Irak gegaan om Joden vanuit Bagdad naar Palestina te brengen. In 1942 had Avigur dat ook gedaan met Joden uit Bulgarije en Roemenië. Aan het eind van de oorlog was hij verhuisd naar Parijs, waar hij zijn intrek had genomen in een kleine hotelkamer in het Ceramic Hotel in Montmartre, om van daaruit de Aliyah Bet overal in Europa te organiseren. In de ogen van Ralph Goldman was deze zachtsprekende veteraan met zijn jarenlange ervaring in het redden van Joden de ideale man om ook deze operatie te leiden.
In New York hield Goldman zich niet alleen bezig met het vergaren van fondsen die Avigur in staat moesten stellen de geheime vloot uit te breiden. Daarnaast was er de noodzaak om gebruik te maken van het toenemende aantal vrijwilligers die de strenge selectieprocedure van Ash en Shind niet hadden doorstaan. Degenen die niet over de noodzakelijke ervaring beschikten die Ash en Shind nodig hadden, konden zich wellicht op een andere manier nuttig maken. Goldman zette daarom een nieuw agentschap op poten onder de naam Land and Labor, speciaal voor rekruten die in het Amerikaanse leger hadden gediend en nu naar Palestina wilden om daar deel te nemen aan wat hij zag als een onvermijdelijk gewapend conflict met de Arabieren daar.
Voor deze vrijwilligers werd het Hebreeuwse lied van de hoop, het Hatikvah, een oproep tot verzamelen.
Zo gij uw geboorteland wilt beërven,
gord dan aan het zwaard en neem de boog
en druk de voetsporen uwer vaderen.
Zion zal niet worden herwonnen
met geweeklaag en smeekbeden.
Met boog en zwaard – luister goed! –
zal Jeruzalem worden herbouwd.
Deze woorden van Naftali Hertz Imber, die later het volkslied van Israël zouden worden, waren geregeld te horen in de gangen van het Breslin Hotel in het centrum van New York, waar Ralph Goldman zijn Land and Labor had gevestigd. Hij liet de mare rondgaan dat iedere Joodse ex-soldaat naar het hotel kon komen. Ze kwamen bij tientallen: monteurs, infanteristen, tankchauffeurs, bemanningsleden van pantservoertuigen – iedereen die nuttig kon zijn in het conflict waarin de Ishoev spoedig verwikkeld zou raken.
Iedere vrijwilliger legde dezelfde eed van trouw aan de Haganah af als de zeelieden van de Aliyah Bet die hen naar Palestina zouden varen. Tot zolang moesten deze strijders wachten in het hotel, totdat er een schip gereed was om uit te varen. Iedere vrijwilliger werd gewaarschuwd dat iedere overtreding van de regels voor geheimhouding zou leiden tot voorgeleiding voor de krijgsraad van de Haganah. Niemand wist wat dat precies inhield, maar het klonk angstaanjagend genoeg.
Ralph Goldman was ervan overtuigd dat niemand – geen enkel lid van de Haganah-staf in het hotel, en ook geen enkele rekruut – het zou wagen de geheimhouding te doorbreken. Op een ochtend was hij echter met stomheid geslagen toen een van zijn naaste medewerkers hem zei dat een lid van de Haganah-staf ontmaskerd was als spion van de FBI. Pas op zijn drieënnegentigste was Goldman bereid toe te geven dat deze man zich bekend had gemaakt als Joe Reuben en had gezegd dat hij uit Jersey City kwam. Waarom hij het in hem gestelde vertrouwen had beschaamd en wat voor informatie hij aan de FBI had doorgegeven, of wat de FBI daaraan had gehad, waren aspecten waarover Goldman nog altijd niet wilde praten. Het enige wat hij over Joe Reuben wilde zeggen was: ‘Moge hij in vrede rusten.’
In Europa waren er echter meer uitstekend opgeleide spionnen die in de tijd van Reuben tegen de Haganah waren ingezet. Ze waren geen van alle echter zo opmerkelijk als Frederick Vanden Heuvel, ‘graaf van het Heilige Roomse Rijk’, die op zijn tweeënzestigste al twintig jaar voor MI6 had gewerkt. Hij gaf zich uit voor Brits diplomaat van Buitenlandse Zaken, maar was tot 1945 hoofd van het bureau van MI6 in de Zwitserse stad Bern, totdat hij door Stewart Menzies werd overgeplaatst naar Italië. Hij had opdracht om de smokkel van illegale immigranten naar Palestina te ontwrichten.
Met zijn borstelige bakkebaarden, zwarte vilten gleufhoed en vooroorlogse Rolls-Royce had graaf Vanden Heuvel een steenrijke arts in een van de discrete klinieken in het Toscaanse heuvellandschap kunnen zijn: hij bewoonde daar een paleisachtige villa, vanaf de weg aan het oog onttrokken door cipressen en alleen toegankelijk via een houten hek dat door een van zijn bedienden moest worden geopend. Volgens de geruchten zou de provisiekast van de villa altijd volgestouwd zijn met eersteklas hertenvlees, wild zwijn en vis uit de meren in de omgeving. Zijn twee geregelde bezoekers kwamen altijd op vrijdagmiddag en vertrokken weer op zondagmiddag.
Een van de twee was Derek Vershoyle, een voormalige piloot van het Britse Bomber Command. De tweede was David Smiley die, als hem werd gevraagd hoe zijn oorlog was geweest, onveranderlijk antwoordde: ‘O, pretty good.’ Hij was kolonel geweest bij de Blues, een regiment dat zich in de strijd in Europa had onderscheiden – totdat de graaf in Italië was aangekomen en beide mannen had aangeworven voor MI6. Nadat zij een cursus in sabotage hadden doorlopen, werden ze de eerste leden van wat Stewart Menzies de Kent Corps Specials placht te noemen.
Vershoyle en Smiley werden belast met de taak uit te vinden welke havens de Haganah had gekozen om hun immigrantenschepen te laten vertrekken. Ze waren allebei voor een week naar de Shallow Waters Diving School van de Royal Navy op Malta gestuurd om te leren duiken. Bovendien leerden ze daar hoe ze allerlei explosieven, met inbegrip van kleefmijnen, aan scheepsrompen van uiteenlopende grootte konden bevestigen. Daarbij moest steeds een timer worden gebruikt, om te zorgen dat zo’n schip in internationale wateren explodeerde, waar het des te moeilijker zou zijn overlevenden te redden.
Begin februari 1947 reden Vershoyle en Smiley vanuit Rome naar Toscane, voor hun wekelijkse ontmoeting met graaf Vanden Heuvel. Hij was zojuist terug van een bezoek aan Haifa en zij waren erop gebrand te weten wat hij daar had gehoord. De drie mannen hadden een welhaast broederlijke relatie met elkaar die nauwelijks te rijmen viel met de kille, precieze eisen van hun dagelijks ‘werk’. In de beslotenheid van de villa werd de graaf de Funny Fixer genoemd; Vershoyle was Bombs Away en Smiley was de Cliffhanger (vanwege zijn ervaring met bergbeklimmen in de Alpen).
Tijdens het diner onthulde de graaf dat Stewart Menzies, die hij had ontmoet om over de jongste spanningen in Palestina te overleggen, had gezegd dat de blokkadebrekers naar verwachting nog meer illegale immigranten aan boord zouden hebben en dat deze weleens bewapend zouden kunnen zijn. Sir John Cunningham, had het overleg voorgezeten en gezegd dat hij al maatregelen had genomen om dit gevaar het hoofd te bieden. Vervolgens had hij luitenant-ter-zee 1e klasse Bailey aan hem voorgesteld om uitleg te geven over zijn nieuwe entertactiek. De admiraal had een kopie voorgelezen van een telegram dat minister van Buitenlandse Zaken Ernest Bevin aan de Britse ambassadeur in Washington, sir Oliver Wright, had gestuurd: ‘Breng het [Amerikaanse] ministerie van Buitenlandse Zaken ervan op de hoogte dat het Verenigd Koninkrijk over overtuigende bewijzen beschikt dat de Roemeense regering, met goedkeuring van de Sovjetautoriteiten en instemming van de Franse regering, van plan is een groot aantal met zorg gekozen sympathisanten met het communisme te verzamelen en naar Palestina te transporteren.’
Menzies had graaf Vanden Heuvel uitgelegd dat deze ‘overtuigende’ bewijzen waren geleverd door MI6, die ze had vergaard via Operation Gold, de codenaam voor de gezamenlijke inspanningen onder leiding van het onlangs in het leven geroepen gchq (Government Communication Headquarters) in Londen en het Amerikaanse National Security Agency (nsa).
Sir John had gezegd dat hij bevel zou geven de Palestine Patrol te versterken, en dat hij de surveillancetaken ervan had uitgebreid met het gebied tussen Cyprus en Gibraltar om de toegang vanuit de Atlantische Oceaan te blokkeren. Intussen zou de minister van Buitenlandse Zaken bij de Franse overheid een officieel protest tegen de toenemende steun aan illegale immigratie indienen.
Op de brug van zijn HMS Childers keek luitenant-ter-zee 1e klasse Bailey toe hoe de 28 mariniers aan boord hun entermanoeuvres oefenden. Ze verplaatsten zich met gasmaskers en armschilden over het dek, onder het nauwlettend oog van de geschutsofficier luitenant-ter-zee 2e klasse Robert MacPherson, een robuuste Schot aan wie gezagvoerder Bailey het bevel over de enterploeg had toevertrouwd.
Op Bailey’s bevel werd er een seinvlag gehesen, waarna de twee andere torpedobootjagers aan weerszijden van het schip, HMS Chieftain en HMS Charity, weer hun plaats in de lijnformatie innamen om te bevestigen dat ook hun mariniers de entermanoeuvre hadden geoefend.
Aan boord van HMS Charity was luitenant-ter-zee 2e klasse Roger Pearce benoemd tot leider van de enterploeg; hij had zijn ploeg zelf samengesteld. Hiertoe behoorde een verpleger van de ziekenboeg – te vergelijken met een hospik in het leger – een marconist en een onderofficier uit de machinekamer; deze laatste was nodig voor de machinekamer van het immigrantenschip als dat naar Haifa opgebracht werd. De rest van zijn vijftien man sterke team bestond uit matrozen en stokers.
Inmiddels waren er meer dan 400 zeelieden en mariniers opgeleid om te zorgen dat er genoeg bemanningsleden waren die konden deelnemen aan een snelle en efficiënte onderschepping op volle zee.
Op een afstand van één zeemijl aan bakboord van het trio Britse oorlogsbodems voerde het fregat HMS Cardigan Bay zijn snelheid op om weer positie te kiezen achter het in colonne varende drietal. Dit oorlogsschip was in december 1944 van stapel gelopen en had deelgenomen aan de bevrijding van Noorwegen. Bij die actie had de tweeëntwintigjarige matroos en radaroperator Geoffrey Barwell kennisgemaakt met de gewapende strijd. Hij bracht zijn werktijd door in de radarhut van het schip, waar hij de groene blieps op zijn scherm kon zien komen en gaan.
HMS Cardigan Bay was naar Haifa gedirigeerd toen de Palestine Patrol nog maar een klein smaldeel van de Middellandse Zeevloot was. Sinds de komst van sir John en diens besluit om gebruik te gaan maken van Bailey’s entertactiek was de Patrol echter uitgebouwd tot een formidabele gevechtseenheid, ondersteund door maar liefst 18 kruisers, 20 torpedobootjagers, 9 fregatten en 24 mijnenvegers – dat allemaal om de blokkadebrekers tegen te houden. Hiermee had de Royal Navy de grootste vloot in de Middellandse Zee.
Te midden van de volle boekenkasten in zijn werkkamer aan de Keren Kayemetstraat in Tel Aviv wijdde David Ben-Goerion zich op de late avond aan een taak die hem altijd sterk ontroerde. Van alle verplichtingen die hij op zich had genomen als aanstaand premier van zijn land zag hij deze taak als een van de meest eervolle: het geven van een Hebreeuwse naam aan het zoveelste immigrantenschip. Hij had die taak verricht sinds de Haganah deze traditie aan het eind van de Tweede Wereldoorlog had ingevoerd. In maart 1947 had Ben-Goerion al voor ruim zestig schepen toepasselijke namen bedacht. Er waren veel schepen om namen voor te bedenken. Soms kostte het hem uren om er een te kiezen. Andere keren overlegde hij met rabbijn Weingarten om zijn voordeel te doen met diens uitgebreide kennis en raadgevingen.
Op zijn bureau lag één enkel vel papier, met het briefhoofd van de Weston Trading Company in New York. In de Hebreeuwse code die Ze’ev Shind altijd gebruikte, las hij dat de President Warfield bijna gereed was om uit te varen.
Gedurende zijn eerste uren aan boord van dit schip herinnerde eerste stuurman Ike Ahronowitz zich er telkens weer aan dat de President Warfield in de oorlog de Atlantische Oceaan had overgestoken en de U-boten had overleefd, en dat hij die reis ook deze keer kon volbrengen. Het schip was nog altijd snel: het haalde een kruissnelheid van 14 knopen, en op korte afstand maximaal 18 knopen, bijvoorbeeld binnen de driemijlsgrens – de territoriale wateren van Palestina. Dankzij de geringe diepgang kon het schip de kust dichter naderen dan de torpedoboten van de Britse marine. Eenmaal bij het strand konden de passagiers zelf naar het strand waden.
Hij had met elk bemanningslid een praatje gemaakt om de motivatie van de man te peilen. Was die van zuiver humanitaire aard, de wens om overlevenden van de dodenkampen te helpen? Of was het uit ouderwets patriottisme dat leefde in de borst van iedere Jood? Of was het de man alleen begonnen om het avontuur, dat voorafging aan het zich vestigen in Palestina, om daar te trouwen en kinderen te krijgen? Verscheidene bemanningsleden waren lid van de Zionistische Jeugdbeweging en zij zouden, zo stelde Ike vast, de ‘morele ruggengraat van de bemanning’ zijn.
De zeelieden van de Palyam die Ze’ev Shind aan boord had gebracht waren beroeps, en erop getraind om alle weersomstandigheden en noodsituaties de baas te worden. Ze waren erop geselecteerd. Dominee Grauel had indruk gemaakt op Ike. De religieuze achtergrond van de man verleende hem status. Ash had Ike verteld dat de dominee sinds zijn komst aan boord zijn bereidheid had gedemonstreerd om iedere taak aan te pakken, naast het runnen van de kombuis; hij hamerde, boende, zaagde en schilderde tot op de late avond en hij was de eerste geweest die de eed van trouw aan de Haganah had gezworen. Hij had dat gedaan met de hand op de methodisten-Bijbel die hij altijd bij zich had.
In die eerste weken had Ike gezien hoe de President Warfield uitgerust werd met een girokompas van maar liefst 600 dollar, en de radiohut met de nieuwste zeevaarttechnologie plus bijgewerkte kaarten van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee. De stoommachine was ontdaan van alle ketelsteen en de olietanks waren afgevuld. Hoewel het marinegrijs op de romp onder de verschansing was gehandhaafd, was de bovenbouw voorzien van een laag witte verf die deed denken aan de gloriedagen van het schip in de Chesapeakebaai. De voorraadkamers bij de kombuis waren volgestouwd met ingeblikt voedsel en kratten vol flessen drinkwater ter aanvulling van de zoetwatertank van het schip zelf. Ook waren er drie miljoen pakjes sigaretten aan boord, bedoeld voor verkoop op de Europese zwarte markt, voor het geval er geld nodig was om eventuele noodreparaties tijdens de reis te betalen.
Dag in dag uit werd het tempo van de voorbereidingen opgevoerd. Vanuit zijn praktijk in de Joodse wijk van Baltimore had dr. Herman Seidel, een zestigjarige arts met veel energie en charme, farmaceutische bedrijven in de stad overgehaald om medicamenten, verbandmiddelen en chirurgische instrumenten bij te dragen. Ook had hij gezorgd voor een set instrumenten voor een verloskundige, en de bemanningsleden steeds met tien tegelijk naar zijn spreekkamer laten komen om hen tegen tropische ziekten in te enten. Een andere zionist, Moses I. Speert, had zijn connecties in het bedrijfsleven van Baltimore gebruikt om aan beddengoed, honderden zwemvesten, wiegen, eetgerei en serviesgoed te komen. Tot slot had een plaatselijke timmerfabriek verscheidene vrachtwagens vol timmerhout geschonken waarvan de bemanningsleden kooien konden timmeren.
Ikes enige zorg was William Schlegel. De gezagvoerder had weinig tot geen belangstelling voor de heruitrusting van het schip en bracht langdurige perioden door in zijn hut, waarna hij een sterke dranklucht verspreidde. Shind had Ike echter verzekerd dat de kapitein zijn werk zou doen als het eenmaal zover was.
In de laatste week van februari 1947 hadden Shind en Ash op de brug overlegd met Schlegel. Ze waren het erover eens geworden dat de President Warfield klaar was om uit te varen zodra het Lloyd’s-certificaat er was. Om te voorkomen dat er een kink in de kabel kwam, had Shind het zo geregeld dat het schip zou worden geïnspecteerd door Paul Schulman, een voormalige officier van de Amerikaanse marine. Schulman had in 1945, nadat hij zijn diploma aan de marineacademie in Annapolis had behaald, kennisgemaakt met David Ben-Goerion. Bij die gelegenheid had hij gehoord van de ellendige toestand van de immigranten. Hij had ontslag bij de marine genomen en was naar Tel Aviv gegaan om daar de Palyam te dienen als adviseur. Uiteindelijk was hij teruggegaan naar Baltimore, waar hij de President Warfield van tijd tot tijd had bezocht om de vorderingen in ogenschouw te nemen. Niet alleen had hij bevestigd dat Lloyd’s niet zou aarzelen het schip zeewaardig te verklaren, maar ook toegezegd dat hij persoonlijk de laatste etappe van de reis, van Frankrijk naar Palestina, zou meemaken.
Een volgende colonne trucks van de Jewish Brigade kwam aan in Sète, waardoor het totale aantal ontheemden in deze streek toenam tot meer dan 4000 mannen, vrouwen en kinderen. De meesten waren Joden uit Oost-Europa, maar er was ook een handvol Britse Joden bij die vanuit Engeland waren overgekomen om te helpen de immigranten naar Palestina te brengen. Een van hen was dr. Yossi Cohen, een welgemanierde arts met een vertrouwenwekkend optreden die altijd ruim de tijd nam om een diagnose te stellen, maar dan ook altijd zeker was van wat hij had ontdekt. Hij was opgegroeid in een van de arme wijken van Glasgow en had toen, hoewel hij niet gemakkelijk kwaad te krijgen was, een knaap die twee keer zo groot was als hij met één vuistslag kunnen vloeren. Zijn familie was tijdens een van de pogroms rond de eeuwwisseling vanuit Litouwen naar Schotland gevlucht. Zelf had hij als opgroeiende tiener nog de Grote Depressie meegemaakt en zijn broer had voor het uitbreken van de oorlog dienst genomen bij de Royal Navy. Een tijdlang had Yossi zich afgevraagd of hij hem niet naar zee moest volgen, maar in plaats daarvan had hij het besluit genomen medicijnen te gaan studeren. Tot grote vreugde van zijn ouders was hij de eerste medicus in de familie geworden. Glasgow was vanwege zijn havens een doelwit geworden van de Luftwaffe. Dr. Cohen was werkzaam geweest in het traumacentrum van het grote ziekenhuis van de stad, waar hij uit de eerste hand ervaring had opgedaan in de behandeling van ernstig letsel en ziekten die verband hielden met stress.
Thuis werd er bij hem Hebreeuws gesproken en in de Bijbel gelezen. In vele opzichten was hij opgegroeid in de familietraditie en had hij zich ontwikkeld tot een bescheiden medicus, met de vurige wens zijn leven te wijden aan het helpen van andere mensen. Zijn vastbeslotenheid was nog versterkt door het leed van de overlevenden van de Holocaust. Hij moest eropuit gaan om hen te helpen, en dat kon hij het beste doen in het zuiden van Frankrijk. Volgens de Glasgow Herald waren de Zuid-Franse havenplaatsen de poort naar Palestina geworden. Dr. Cohen had al zijn spaargeld opgenomen en een deel van het geld gebruikt voor het kopen van een enkele reis naar Parijs. Drie dagen later was hij aangekomen in Marseille. Van daaruit kon hij per bus doorreizen naar Sète, waar – zo was hem verteld – de immigranten samen werden gebracht. Toen hij in het haventje aankwam, stapte hij een café binnen waarin het wemelde van immigranten. Door de Babylonische spraakverwarring daar kon hij er niets van begrijpen, en spijtig had hij zich gerealiseerd dat zijn Schotse tongval het hem nog moeilijker maakte te communiceren toen hij een poging deed uit te leggen waarvoor hij was gekomen. Uiteindelijk was een van de immigranten weggegaan en teruggekomen met Yossi Harel. Ze hadden Hebreeuws met elkaar gesproken en Harel had dr. Cohen verteld dat hij op de eerstvolgende reis naar Palestina mee kon gaan als scheepsarts. Tot zolang kon hij zijn tijd gebruiken voor het behandelen van verscheidene immigranten in Sète en omgeving.
Rachel Biber had deel uitgemaakt van een Kindertransport dat vlak voor het uitbreken van de oorlog in 1939 in Londen was aangekomen. Ze had al een zus in Palestina en had de vurige hoop zich bij haar te kunnen voegen. Toen de nazi’s Londen begonnen te bombarderen, het begin van de Blitz, was zij samen met andere kinderen in de stad naar het binnenland geëvacueerd. Rachel was beland in Northampton, waar zij op de prille leeftijd van net vijftien kindermeisje was geworden. Het Joods Agentschap in Londen had haar naam toegevoegd aan een lijst van Poolse kinderen die naar Groot-Brittannië waren gebracht. Saul Avigur liep dergelijke lijsten geregeld na, in de hoop mensen te vinden die zich nuttig konden maken. Zijn vinger was langs de namen gegleden en bij de hare gestopt. Later zei hij dat hij ‘intuïtief’ had gehandeld toen hij om een beknopt rapport over Rachels achtergrond had gevraagd. Op grond daarvan was hij tot de conclusie gekomen dat dit knappe meisje met haar roze wangen en vloeiende Hebreeuws van grotere waarde kon zijn als ze voor de Aliyah Bet zou werken dan als gewoon kindermeisje. Nadat ze was opgeleid tot typiste, was Rachel uiteindelijk radio-operator voor de Haganah geworden. In 1946 was ze naar Marseille gestuurd, waar haar de morsecode was bijgebracht. Nu werd zij de schakel tussen elk schip vol immigranten en het geheime kantoor van de Haganah in de stad.
In februari 1947 had Rachel via haar koptelefoon het drama gevolgd van een blokkadebreker tot deze erin geslaagd was de Palestine Patrol te slim af te zijn en opzettelijk aan de grond was gezet op een zandbank voor de kust bij Haifa, waarna de passagiers in allerijl van boord waren geklauterd om naar het strand te waden. Ze waren daar opgewacht door gewapende Britse soldaten, die hen hadden gearresteerd. Een week later was hetzelfde schip achtervolgd door een ander schip van de patrouille. Met 800 immigranten aan boord was de kotter erin geslaagd dicht bij een strand ten zuiden van Tel Aviv te komen, waar zij deze keer waren opgevangen door vrachtwagens die hen wegbrachten naar Joodse nederzettingen, terwijl de Mandaat-troepen vergeefs naar hen op zoek waren.
Iedere keer als Yehuda Arazi en Ada Sereni de mare van dergelijke successen verbreidden onder de duizenden wachtende immigranten in Sète, werd hun dezelfde vraag gesteld: ‘Wanneer komt óns schip?’
In zijn kantoor aan de achterzijde van de Britse ambassade in Washington kreeg sir William Stephenson een telefoontje van een MI6-agent die hem belde via een telefooncel bij Steiger 5 van het Rutlet-havenhoofd in de haven van Baltimore. Twee dagen eerder was de President Warfield van Steiger 8 weggesleept naar de beter onderhouden Steiger 5 van het havenhoofd. De MI6-agent had ontdekt dat het schip de volgende dag, een zondag, de leiders van de Joodse gemeenschappen aan de oostkust – die het geld voor de renovatie van het schip hadden gefourneerd – zou ontvangen. De volgende dag zou het schip afvaren naar Europa. Stephenson was na dat telefoontje naar de radiokamer van de ambassade gegaan om daar een boodschap te dicteren aan de officier van dienst: ‘SCHIP MET DE NAAM PRESIDENT WARFIELD VERTREKT 25 FEBRUARI OM TWAALF UUR UIT BALTIMORE. STOP. ONDER HONDURESE VLAG. STOP. GEEN PASSAGIERSLIJST BESCHIKBAAR. STOP. TUSSENSTOP: AZOREN, OM BIJ TE TANKEN. STOP. OPGEGEVEN EINDBESTEMMING: MARSEILLE, FRANKRIJK. STOP.’
Het telegram was gericht aan Stewart Menzies, met een kopie naar Prodome, het telegrafieadres van de minister van Buitenlandse Zaken.
In de gelederen van de Labour Party bleef Bevin volharden in zijn verzet tegen wat hij ‘illegale immigratie’ noemde, maar waarmee hij de rijzende sterren in de partij, zoals Denis Healey, in verlegenheid bracht. Healey, zelf een krachtig pleitbezorger van de Joodse zaak, beschouwde Bevins vastbeslotenheid om de blokkade voort te zetten als een gevaar voor het buitenlandse beleid van Amerika, waaronder de betrekkingen tussen Groot-Brittannië en dat land ernstig konden lijden. De invloed van de zionistische beweging in de Verenigde Staten was enorm groot. Healey wist echter dat noch hij noch enige andere politicus van Labour de hoop mocht koesteren dat hij Bevin zou kunnen bekeren van zijn keiharde houding jegens de Joden. Het nieuws dat er alweer een schip onderweg was naar Frankrijk om nog meer Joden op te halen, zou de minister van Buitenlandse Zaken alleen maar nog kwader maken.
De stemming rond het vertrek van de President Warfield vanuit Baltimore had wel iets weg van de atmosfeer rond de afvaarten van het voormalige cruiseschip vanuit Baltimore naar Norfolk. Onder aanvoering van Rudolf Sonneborn kwamen vooraanstaande zionisten uit New York, Boston, Philadelphia en Baltimore zelf naar de met sneeuw overdekte Steiger 5 aan het Rutlet-havenhoofd. Zij allemaal hadden hun deel bijgedragen aan de kosten van de renovatie en de noodzakelijke proviand voor de reis.
De ketels waren onder druk gezet en de ratten aan boord waren nagenoeg verdwenen dankzij de onvermoeibare inspanningen van het bemanningslid dat was aangesteld tot rattenvanger. Honderden dode ratten waren overboord gegooid.
Samen met de voltallige bemanning verzamelden de gasten zich in de voormalige grote mess, waar vroeger rijke passagiers tijdens de cruises door de Chesapeakebaai luxueuze maaltijden hadden genoten. Degenen die er nu waren, moesten het stellen met bagels, gerookte zalm en een frisdrankje. Op een tafel stond een eenzame fles champagne, die pas op zee zou worden geopend als het schip de Palestijnse kust had bereikt. Ze’ev Shind bood Ike een blauwwitte vlag aan, getooid met de Magen David, die op dat moment in de mast zou worden gehesen.
De spanningen tussen de Joodse kapitein Ash en kapitein Schlegel waren voor dominee Grauel niet onopgemerkt gebleven. In een poging de situatie te verlichten, vertelde de dominee de gasten over een incident waarvan hij getuige was geweest tijdens de invasie van Europa, toen een Amerikaanse legereenheid zijn kamp had opgeslagen naast een rooms-katholiek klooster. ‘Op de vooravond van de Joodse sabbat wilden de Joodse soldaten van die eenheid hun traditionele sabbatsdienst houden. Volgens uw wetten moet daar echter altijd een minjan van tien volwassen mannen bij aanwezig zijn. Als gevolg van de geleden verliezen waren er echter maar negen Joden present. Ik maakte hen toen attent op een beeld van Jezus Christus in de kloostertuin en herinnerde hen eraan dat ook hij een Jood was geweest. De dienst kon met zijn zegen beginnen. Zo is het ook met deze reis.’
De mess was te klein voor het daverende applaus.
In de kleine uurtjes van 26 februari 1947 werden de sneeuwvlokken die wilden neerdwarrelen op de dekken van de President Warfield door de vlagerige wind weggeblazen. Bij het krieken van de dag koos het schip het ruime sop, richting Atlantische Oceaan. In de stuurhut haalde Schlegel herinneringen op aan de oorlog: het tot zinken brengen van het lijnschip de Athenia en daarna het verlies van de Royal Oak door toedoen van de Duitse U-boten die in het gebied dat zij nu zouden doorkruisen voortdurend jacht hadden gemaakt op geallieerde schepen. Op zijn uitkijkpost begon Murray Aronoff de melodie van Give Me Five Minutes More te fluiten. Ike hield de dalende barometer in het oog. Tegen zonsopgang werd het schip geteisterd door lange golven die door de storm hoog werden opgestuwd en tegen de romp beukten, afgewisseld door diepe dalen. Onderdeks werden de eerste twee bemanningsleden, Ben Foreman en Reuven Margolis, zeeziek.
Toen het volop dag werd, kwam er een eind aan het sneeuwen en was de hemel verkleurd tot vuilgeel. In de radiohut luisterde Ike aandachtig naar de weerberichten. Er werden voor overal in het noordelijke deel van de Atlantische Oceaan stormen met windkracht 10 voorspeld, met windsnelheden van bijna 100 km/ uur. Diezelfde avond redde de Amerikaanse kustwacht negen bemanningsleden aan boord van een zinkende kustvaarder, de Catherine L. Brown.
Tegen het ochtendgloren werden delen van de houten verschansing van de President Warfield – het enige dat kon voorkomen dat zeelieden van dek konden worden gespoeld – door de golven weggeslagen. Het water stroomde het inwendige van het schip binnen. Hoofdmachinist John Crabson brak een rib toen hij op de vloer van de machinekamer uitgleed. De schrik verbreidde zich onder de bemanningsleden die moesten worstelen om overeind te blijven; sommigen raakten uitgeput en lagen in hun eigen braaksel.
De volgende ochtend hield de woedende storm de President Warfield nog steeds in zijn greep. Circa tweehonderd zeemijl ten noordoosten van Bermuda had een sleepboot van de Amerikaanse marine de grootste moeite om het vrachtschip Georgia, dat door het verlies van zijn schroef stuurloos was geworden, op sleeptouw te houden. Overal op de Atlantische Oceaan zonden schepen noodsignalen uit; het was de hevigste storm voor de oostkust sinds meer dan tien jaar. Aan boord van de President Warfield traden de karakters van de bemanningsleden op de voorgrond. Mannen die nooit op zee waren geweest – zoals Avraham Sygal en Frank Levine – vonden op de een of andere manier de fysieke kracht om toch hun werk te blijven doen. De zeelieden van de Palyam waren een soort duizendpoten: ze zorgden voor de zeezieken en gewonden, brachten hen ondanks de storm over het dek naar hun hutten en hielpen hen in hun zwemvest, voor het geval het bevel mocht komen om het schip te verlaten.
Ike was vastbesloten het niet zover te laten komen. Voor hem was er niet zoiets als vaste werktijden; hij gunde zichzelf zelfs niet de tijd om even te rusten. Hij was overal tegelijk en gebruikte zijn leiderskwaliteiten om de beproeving voor de mannen zo draaglijk mogelijk te maken. Hij controleerde de waterdichte schotten en zeulde een pomp naar boven om het water van het hoofddek te pompen. In de machinekamer bleven Roger Rofe en Samuel Schiller ogenblikkelijk elk bevel van hem van de brug uitvoeren. Bij alles wat Ike deed of zei, was hij het toonbeeld van kracht en onverzettelijkheid. Zo slaagde hij erin de moed er bij iedereen in te houden. Zijn tegenwoordigheid was een geweldige geruststelling voor iedereen en hij bleef zonder ophouden alles van zichzelf geven, ook al bleven de uren zonder slaap zich aaneenrijgen. Hij was volkomen uitgeput, maar wist dat dit deel uitmaakte van zijn gezagvoerdersrol, als de keerzijde van het respect dat hem werd betoond. Het weer kon hem niet klein krijgen. Voor de jonge stuurman Bill Bernstein was het een indrukwekkende les in gezagvoerderschap.
Toen de golven tegen de ramen van het stuurhuis braken, duwde Schlegel de roerganger, Bill Millman, opzij en nam zelf de besturing over. Iedere keer dat de President Warfield een golfdal indook en weigerde boven te komen doordat de achtersteven hoog werd opgetild door de achterop komende volgende golf, een beweging die ertoe kon leiden dat het schip zonk, bezwoer kapitein Schlegel dit gevaar met corrigerende manoeuvres, brute kracht en uitstekend zeemanschap. Stuurrad driekwart naar rechts. Midscheeps. Roer naar rechts. Driekwart draai naar rechts. Langzaam kreeg hij het schip weer onder controle. Hij liet expres de achtersteven omhoogkomen onder de volgende kam, zodat de voorsteven, zwaarder door al het geschepte water, diep het volgende golfdal in dook. Hij wist echter dat hij dit slechts gedurende een beperkte tijd kon volhouden. De orkaan huilde als een leger spoken en smeet vele tonnen water tegen de romp, zodat het ijzige buiswater het stuurhuis overspoelde.
Om twaalf voor zes ’s avonds, de volgende dag, beval Ike de marconist, Harold Leidner, een sos uit te zenden, gevolgd door hun positie en koers. Het noodsignaal werd opgevangen door het districtshoofdkwartier van de Amerikaanse kustwacht in Norfolk. Die gaf het door aan de kustwachter Cherokee. Het was een van de 27 noodsignalen van die dag.
De omstandigheden aan boord van de President Warfield werden steeds beroerder. Het aantal zieken en gewonden nam gestaag toe. Abe Lippschitz raakte door zijn voorraad anti-zeeziekpillen heen. Algauw waren nog maar zes mannen fysiek in staat het schip de baas te blijven. Dominee Grauel geloofde dat ‘ik de komende gebeurtenissen niet zelf meer in handen had, maar dat ze in de handen van de Almachtige lagen. Ik zocht mijn kooi op en viel in slaap – een slaap zonder dromen.’
Op 27 februari koos de tanker H.C. Sinclair positie aan de loefzijde van de President Warfield om zijn massa te gebruiken als een schild tegen de huizenhoge golven en de razende orkaan.
Aan boord, op de brug, was ruzie ontstaan. Schlegel wilde de veilige luwte van de Chesapeakebaai opzoeken. Ike, zich bewust van zijn plicht tegenover de Haganah, wilde er niet aan, maar moest uiteindelijk inzien dat er geen andere keus was. Murw gebeukt en beschadigd, met zeewater dat omlaagstroomde, benedendeks, zodat de machinekamer gevaar liep onder te lopen, terwijl de bovenbouw dreigde te bezwijken en er nog maar een handvol zeelieden in touw was, maar zo uitgeput dat ze zich nog nauwelijks konden bewegen, hinkte de President Warfield terug naar de Chesapeakebaai. Hoofdmachinist Crabson werd in het ziekenhuis opgenomen en de rest van de bemanning begon zich langzamerhand te herstellen. In de volgende paar weken werd het schip leeggepompt. De overstroomde provisiekamers werden leeggehaald en opnieuw gevuld, de verschansing werd gerepareerd en tot slot werden ook de zuigers van de stoommachine getest.
De New York Times kwam met een verslag van de gebeurtenissen onder de kop: MYSTERIESCHIP MET BESTEMMING PALESTINA NA AVERIJ OP ZEE TERUG IN HAVEN. Dit bericht was aangereikt door sir William Stephenson, als de zoveelste zet in de propagandaoorlog over de blokkadebrekers. Stephenson had de journalist van de krant verteld dat de Britse regering zich steeds meer zorgen maakte over de mogelijkheid dat de Haganah voorbereidingen trof om een ‘hele vloot, bekostigd door rijke Joden in de Verenigde Staten, uit te zenden’. Er zouden ‘geloofwaardige bewijzen’ zijn – een zinswending die in Stephensons vocabulaire over dit onderwerp vaak voorkwam – dat er 15.000 illegale immigranten werden voorbereid op de overvaart naar Palestina en dat hun aankomst uiteindelijk tot een echte oorlog met de Arabieren zou kunnen leiden, een conflict waarbij onvermijdelijk ook de Verenigde Staten betrokken zouden raken.
In informele voorlichtingssessies verklaarde het persbureau van de Britse ambassade in Washington dat de Franse regering ‘de illegale immigranten in Zuid-Frankrijk onderdak en bescherming bood’. Ernest Bevin, die zich steeds ongeruster maakte over de ontwikkelingen, was naar Parijs gevlogen voor een onderhoud met Georges-Augustin Bidault, de toenmalige Franse minister van Buitenlandse Zaken.
De elegante, tweeënvijftigjarige Bidault, katholiek en afgestudeerd aan de Sorbonne, had deelgenomen aan de Franse verzetsbeweging en was opgeklommen tot voorzitter van de Conseil de la Résistance. Hij stond alom bekend om zijn bereidheid de Joden te helpen. Hoewel Bidault samen met Bevin had gewerkt aan het consolideren van de gemeenschappelijke Europese reactie op het Marshallplan en Bevin had geholpen bij diens inspanningen om het Sovjetgevaar voor het Westen te keren, liet hij er tegenover Bevin, kort en goed, geen twijfel over bestaan dat zijn oppositie tegen het antisemitisme even sterk was als tegen het fascisme. Hij had de Britse minister van Buitenlandse Zaken duidelijk te verstaan gegeven dat hij alle mogelijke steun zou blijven geven aan Joodse ontheemden die naar Palestina wilden. Volgens de persoonlijke secretaris van Bevin had de minister van Buitenlandse Zaken tijdens de retourvlucht naar Londen ‘vuur gespuwd als een vulkaan’.
De spanning die dominee Grauel had bespeurd tussen de kapiteins Ash en Schlegel was toegenomen nadat gezagvoerder Schlegel de President Warfield naar het droogdok in Philadelphia had gevaren waar de averij zou worden hersteld. Schlegel had plotseling geweigerd het certificaat van zeewaardigheid over te dragen aan de havenautoriteiten. De President Warfield zou niet kunnen uitvaren zonder dat dit document en andere papieren waren ondertekend.
Het geschil op de brug ontaardde in een daverende ruzie: Schlegel schreeuwde dat het schip zou zinken als er niet extra reparaties werden gedaan, terwijl kapitein Ash even luidkeels verklaarde dat Lloyd’s het schip opnieuw als zeewaardig had gecertificeerd. Ike stelde voor dat ze gedrieën het schip minutieus zouden inspecteren om zelf te zien of er gebreken waren. Schlegel bulderde dat de hele bovenbouw versterkt diende te worden. Shind opperde dat, als Schlegel het schip buiten de territoriale wateren bracht en hij dan nog problemen zag, de President Warfield terug kon keren naar de haven. Schlegel weigerde. Plotseling sprong Ash uit zijn vel en zei tegen Schlegel dat hij ontslagen was. De kapitein schreeuwde dat dit het beste nieuws was dat hij had gehoord, omdat het schip een drijvend wrak was. Hij stormde de brug af en wankelde over de loopplank naar de wal. Kort daarna werd hij in het ziekenhuis opgenomen: hij zou nooit meer varen.
Binnen enkele uren had kapitein Ash een nieuwe tijdelijke kapitein gevonden, Vigo Thompson, die erkende dat hij graag een borreltje lustte, maar pas na de reis. Nadat hij het schip vanbinnen en vanbuiten had bekeken, vroeg hij echter om zijn volledige gage – op voorhand. Toen Ike naar het waarom vroeg, antwoordde Thompson: ‘Bij wijze van verzekering.’
Kapitein Ash schreef voor Thompson een cheque ter waarde van 5000 dollar: zijn gage voor het overvaren van de President Warfield naar Marseille, met een tankstop op de Azoren. Ash had die haven gekozen omdat de Haganah daar een agent had die ervoor moest zorgen dat alle Haganah-schepen op weg naar Palestina daar konden bijtanken.
Diezelfde avond werd John Crabson, die nog in het ziekenhuis lag, vervangen door een nieuwe hoofdmachinist, Frank Stanczak. Op de ochtend van 29 maart, een zaterdag, terwijl de loods al aan boord was om de President Warfield over de Dalawarerivier naar de Atlantische Oceaan te brengen, ontving Shind een dringend telegram van de Hondurese consul-generaal in New York: ‘BEN GEÏNSTRUEERD DOOR ZIJNE EXCELLENTIE DE AMBASSADEUR. STOP. HIJ HEEFT VAN DE BRITSE AMBASSADE EEN KRACHTIG PROTEST ONTVANGEN. STOP. UW REGISTRATIEPAPIEREN ZIJN GEANNULEERD. STOP.’
Shind rekende uit dat de consul-generaal verscheidene uren nodig zou hebben om Philadelphia te bereiken. Hij telegrafeerde terug dat de papieren en de vlag tegen de middag klaar zouden liggen om te worden opgehaald. Tegen twaalf uur volgde roerganger Bill Millman de instructies van de loods toen hij de President Warfield voorzichtig de Delaware op stuurde. Achter hem op de brug keken Ike en Vigo Thompson elkaar grijnzend aan. In de top van de mast van het schip wapperde de Hondurese vlag.
Bij de Admiraliteit in Londen was een nieuwe communicatiesuite ingericht die vierentwintig uur per etmaal en zeven dagen per week werd bemand door vrouwelijke operators van de Royal Navy. Zij stonden in verbinding met Haifa, Cyprus, New York, Washington, D.C. en het kantoor van Stewart Menzies, op het adres 54 Broadway in het hart van Londen. Van hieruit had de Secret Intelligence Service al sinds 1924 geopereerd. In één kamer van de communicatiesuite gingen de muren schuil achter kaarten van het Middellandse Zeegebied en vergrote luchtfoto’s die surveillerende toestellen van de raf hadden gemaakt van alle havens langs de kusten. In een andere kamer van de suite hingen foto’s van alle blokkadebrekers die sinds 1945 waren onderschept, samen met alle details: waar en wanneer het schip was aangehouden, hoeveel illegale immigranten het aan boord had gehad en welke oorlogsbodem het schip had opgebracht. Een kleinere zijkamer, uitgerust met telefoons die rechtstreeks waren verbonden met 10 Downing Street en het secretariaat van het ministerie van Buitenlandse Zaken, werd gebruikt voor vergaderingen.
Op 20 maart, in aansluiting op het bericht in de New York Times, was het vraagstuk van de illegale immigratie het voornaamste punt op de agenda van de Britse ministerraad. Sir John Cunningham was er speciaal voor overgevlogen uit Haifa en hij vertelde de ministers dat hij nog eens vier oorlogsbodems vanuit de marinebasis in Hongkong naar Haifa liet komen. Hij had ook op Cyprus detentiekampen voor 10.000 immigranten laten inrichten als deze eenmaal door zijn Palestine Patrol waren opgebracht. Na uitleg te hebben gegeven over de nieuwe entertactiek, voegde hij eraan toe: ‘Het welslagen van een enteroperatie is grotendeels afhankelijk van de mate waarin de enterploeg erin slaagt al bij het eerste contact een groot aantal van onze mannen aan boord te krijgen; de rest is afhankelijk van hun moed, vindingrijkheid en juiste instelling tegenover een vastberaden en provocerende oppositie.’
De advocaat-generaal, de hoogste wetsdienaar van de regering, had zich verdiept in de juridische positie van Haganah-schepen, varend onder vreemde vlag. Hij verklaarde: ‘Het zou geen onredelijke aanname zijn dat wij ons kunnen beroepen op het recht op zelfverdediging tegen de mogelijkheid dat gewapende mannen pogingen doen in Palestina aan wal te komen om de wettige regering daar aan te vallen of aan te stoken tot een burgeroorlog. Het is essentieel de bemanning van alle schepen onder vreemde vlag kenbaar te maken dat de regering van Zijne Majesteit de volle kracht der wet zal aanwenden ter ontmoediging van schepen om illegale immigranten te vervoeren. Gevangengenomen bemanningen dienen te weten dat zij snel zullen worden berecht en op een zware straf moeten rekenen.’
Niettemin zouden er zich problemen kunnen voordoen. Een daarvan was dat er Amerikaanse Joden konden worden gearresteerd die een beroep op hun eigen land zouden doen om voor hen te interveniëren. Een ander probleem zou zich aandienen als de advocaten van zo’n opgepakte bemanning de kapitein van het schip dat de blokkadebreker had opgebracht, wilden verhoren, om te vernemen waar precies die arrestatie op zee was gebeurd. Volgens de advocaat-generaal was het ongewenst dergelijke details te onthullen. Het zou beter zijn zo’n schip in beslag te nemen, de immigranten aan boord te arresteren en onder te brengen in een detentiekamp en de bemanning vrij te laten.
Tegen eind maart had het communicatiecentrum van de Admiraliteit de President Warfield een eigen codenaam gegeven: Operation Mae West. De naam van de Hollywood-filmster was gekozen door Stewart Menzies, toen het bureau van de eerste minister het Illegal Immigration Committee in het leven had geroepen, kort nadat Bevin uit Parijs was teruggekeerd na een tweede ontmoeting met Bidault, voor een poging hem over te halen tot inbeslagname van de President Warfield als dat schip de Franse territoriale wateren bereikte. Bidault had gezegd dat het onmogelijk was enige toezegging tot actie te doen voordat het schip daar was – áls het er ooit zou komen.
De woedende Bevin was naar huis gegaan en had de commissie bevel gegeven al het mogelijke te doen om de President Warfield tegen te houden. De eerste zet was een bericht naar de Britse ambassadeur in Lissabon: hij moest de Portugese regering overhalen het bijtanken van het schip op de Azoren te verbieden.