Het aandeel van een echtgenote in het grote avontuur
door Sheila Chichester
“Waarom was u niet angstig?”
Telkens en telkens weer, overal ter wereld, werd mij deze vraag gesteld, door individuele personen, door de pers, door de televisie. Het kost me moeite om hierop te antwoorden. Wil ik nu toch een antwoord formuleren, dan moet ik wat teruggaan in het verleden.
Gedurende de eerste transatlantische race voor solozeilers in 1960 bad ik dagelijks voor de vijf deelnemers. Van een onbekende man in Schotland ontving ik een paar briefkaarten, waarin hij schreef dat hij altijd bad voor zeilers op zee. Toen ik aan het eind van die wedstrijd in Amerika aankwam, ontmoette ik meer mensen die in dit soort gebed belang stelden. Steeds heb ik geloofd in de kracht van het gebed.
Slechts weinig mensen begrijpen dat ze beschikken over deze bron van kracht. Het duurt lang voor men weet hoe men hem kan oproepen.
Maar voor wie er eenmaal in gelooft, is de kracht beschikbaar. Denk aan het aanschakelen van elektrisch licht – je weet niet waar de bron is, maar het licht komt. In Amerika maakte ik vrienden die van hetzelfde gevoelen waren; zij hielpen me later bij de andere ondernemingen waarbij Francis betrokken was.
In 1962 werd ons nieuwe jacht Gipsy Moth III door ‘Tubby’ Clayton gezegend in een korte wijdingsdienst. Het was in de tijd dat ik ook een paar persoonlijke gebedskaarten voor Francis ontwierp. Aan de achterkant was de prachtige tekening van Albrecht Dürer afgebeeld van de biddende handen en aan de voorkant liet ik een gebed van sir Francis Drake opnemen en een persoonlijk gebed, dat ‘Tubby’ Clayton voor hem had voorgesteld. Ik geloof niet dat meer dan tien mensen die kaart iedere dag voor die gelegenheid gebruikten.
In 1964 had ik een soortgelijke kaart. Daarop stond weer sir Francis Drakes gebed, maar met een andere tekst van Sint Augustin. Ik gaf die kaarten aan mijn vrienden, die ervaring hadden in de kracht van het gebed. Toen Francis dat nieuwe avontuur begon, was ik er volkomen gerust op dat hij het zou volbrengen. Ik wil niet zeggen dat het alleen maar het gebed is dat een mens helpt, maar toch is de geestelijke kant van elke onderneming van grote betekenis. In zekere zin is die veel belangrijker dan de materiële zijde. Wat uiteraard niet wegneemt dat men ook goede voorbereidingen moet treffen bij het maken van plannen.
In 1966 kregen we het nieuwe jacht Gipsy Moth IV, dat door mij in maart te water werd gelaten. Na vreselijke financiële zorgen, tegenslagen en allerlei verkeerd lopende zaken, slaagden we erin haar voor de zee klaar te krijgen. We brachten haar naar Tower Pier in Londen, vanwaar de reis zou beginnen. ‘Tubby’ Clayton kwam weer aan boord en we hadden een korte wijdingsdienst. De boot was eigenlijk nog niet helemaal klaar, en dat wist ik. Ik wist ook dat hij slecht uitgebalanceerd was en bijzonder onaangenaam om in te zeilen, maar ik hoopte en bad met overgave dat de goddelijke voorzienigheid over Francis zou waken en dat hij zelf, die in deze materie zo bedreven is, in staat zou zijn het jacht in evenwicht te brengen terwijl het zeilde.
Daarom voelde ik me bij het afscheid in Plymouth bijzonder kalm, hoewel ik fysiek uitgeput was.
Waar ik ook ging, werd me van toen af aan steeds hetzelfde gevraagd:
“Waarom? Waar? Wanneer?”
“Waarom doet hij het?”, waarop ik antwoordde: “Hij doet het graag en het is het soort leven dat hem past.”
“Waar?” Nu, deze vraag kon ik beantwoorden met de posities, die meer en meer bekend werden naarmate men erover las in de kranten die de reis steunden en naarmate de schooljeugd ze op de kaarten en in atlassen opzocht.
“Wanneer?” sloeg altijd op “Wanneer zal hij daar aankomen?” Dit werd dan vergezeld door grote geografische mijlpalen, zoals Kaap de Goede Hoop, Kaap Leeuwin, Bass Straat en later Kaap Hoorn.
Maanden voor Francis vertrok, had ik voor mezelf passage gereserveerd op het m.s. Oriana, dat eind oktober 1966 naar Australië zou vertrekken; we spraken af dat we elkaar door radio-telefoon zouden trachten te spreken, omdat we wisten dat we aan de westkust van Australië nog geen vijfhonderd mijl van elkaar zouden zijn, als alles tenminste volgens plan verliep. Ik had geen reden om daaraan te twijfelen. Misschien moet ik hieraan toevoegen dat, in tegenstelling tot wat velen geloofden, ik Francis niet dikwijls via de radio sprak ik geloof ongeveer twee keer na zijn vertrek uit Engeland in de eerste twee of drie dagen, eenmaal vanaf de Oriana en een paar maal bij het binnenvaren van Sydney; voorts na het vertrek uit Sydney en bij het naderen van Plymouth. Voor het overige was ik, met alle andere mensen, afhankelijk van de nieuwsberichten die tweemaal per week werden gepubliceerd. De berichten werden me altijd voorgelezen voor ze werden opgenomen. Ik wilde zelf liever niet te veel met Francis spreken, omdat ik de geweldige hoeveelheid werk kende die het op spanning houden van de accu’s en het voorbereiden van zijn berichten met zich meebrachten. Ik wilde hem niet afleiden of hem herinneren aan verantwoordelijkheden thuis.
In die tijd had ik al een grotere kring voor de gebedskaarten; ik had ongeveer vijfentwintig kaarten afgegeven aan vrienden die erom vroegen, sommigen in Amerika en later ook in Australië, en die kring moet op een geweldige manier zijn uitgegroeid, want ik geloof dat toen Francis naar Plymouth thuis voer, er wel miljoenen mensen voor hem baden. Velen daarvan waren kinderen en veel anderen waren aangesloten bij religieuze groepen of sekten. De predikanten van onze kerk, St. James’, Piccadilly, en van de zusterkerk, St. Anne’s, Soho, die de kleine kapel gebruikten van het House of St. Barnabas, baden tijdens de diensten geregeld voor hem.
Eind oktober vertrok ik met de Oriana naar Australië, en vele passagiers uitten hun bezorgdheid en vroegen me: “Hebt u van hem gehoord?” “Bent u niet bang?” “Hoe gaat het met hem?” Mijn antwoord was altijd: “Nee, ik ben niet bang voor zijn veiligheid,” want dat was ik niet. Ik had er gewoon vertrouwen in dat hij zou slagen.
Er waren drie ogenblikken in de hele wereldreis dat ik twijfelde aan het succes ervan. Eenmaal gebeurde het aan boord van de Oriana. We probeerden toen contact met Francis te maken en hoorden hem zeggen: “Ik ga naar Fremantle, ik ga naar Fremantle.” Ik bracht dit in verband met een bericht uit Londen van Guardian, dat zijn stuurapparaat defect was.
Toen ik dit hoorde, zei de chef-marconist: “O, ik hoop dat hij niet naar Fremantle gaat, want dat zou alles bederven.” Ik zei: “Laten we hierover niets zeggen; morgen kan de situatie weer veranderd zijn.”
Omdat we zelf dicht bij Fremantle waren, deed zich voor mij wel het probleem voor of ik daar niet van boord moest gaan. Maar ik begreep dat het geen zin had me zorgen te maken. Ik ging naar bed en sliep zoals gewoonlijk vast en de volgende dag kreeg ik een briefje onder de deur geschoven, waarop stond: “Het is in orde, hij gaat door naar Sydney.”
De volgende avond spraken we met elkaar, honderd mijl van elkaar vandaan.
De enige andere malen dat ik me bezorgd maakte, waren bij de naderingen van Sydney en van Plymouth, omdat er toen zo verschrikkelijk op hem werd gejaagd. Ik heb andere zeilers gekend, die beschadigingen opliepen door enthousiaste persmensen in tegemoetvarende boten, en ik dacht hoe erg het zou zijn als hem zo dicht bij zijn doel iets zou overkomen.
Terwijl we in Sydney bezig waren hem gereed te krijgen voor het tweede deel van de reis, ging er van sponsors, pers, vrienden, enzovoort, een intense druk uit, waarbij getracht werd Francis te overreden niet door te gaan. Ik besteedde hieraan geen enkele aandacht; het leek mij ondenkbaar dat hij niet zou doorreizen, en de gedachte dat hij zou opgeven, is nimmer bij me opgekomen.
In Sydney kreeg ik honderden brieven van allerlei mensen, die schreven dat ze voor mijn man hadden gebeden en met de grootste belangstelling zijn reis hadden gevolgd. Geen van hen heeft me ooit gezegd: “Laat hem niet gaan.” Dat vond ik interessant; de mensen kunnen gedacht hebben dat mijn mening weinig gewicht in de schaal zou leggen, of ze durfden me die raad niet te geven omdat ikzelf zo vol vertrouwen was.
Het radiocontact met Gipsy Moth was iets wonderbaarlijks, en de mannen die eraan meewerkten, waren fantastisch. Mij boezemden ze steeds een groot vertrouwen in. Ik geloof dat deze radiomensen ook iets begrepen van de geheimzinnige band tussen het gebed en deze verbindingen.
Toen Francis uit Sydney vertrok, zei hij me dat hij zich afvroeg of hij me ooit zou weerzien. Ikzelf had er groot vertrouwen in dat alles goed zou gaan, hoewel ik er het land aan had dat die vreselijke orkaan op hem inliep. Toen hij aan Sydney telegrafeerde dat hij was gekenterd, vroeg hij de telegrafist mij niet voor de ochtend op de hoogte te stellen, want hij had geen hulp nodig. Mijn gastvrouw, Bar Eaton, wekte me om zeven uur en ik herinner me het vervelend te vinden zo vroeg gestoord te worden. Ze gaf me het bericht. Het verwonderde me hoe kalm ik het verwerkte. Ik moet bekennen dat mijn eerste gedachte was: O, hemel, al die mooi opgestapelde voorraden en dat prachtige stuwageplan, wat moet dat nu een bende zijn geworden!
Hugh Eaton zei: “Geloof je dat je sir Alan MacNichol moet inlichten (hij is bevelhebber van de Australische marine) omdat ze misschien een helikopter kunnen uitzenden?”
Ik dacht kalm na en zei: “Nee, ik geloof niet dat Francis dat op prijs zou stellen.” Hij zou niet gestoord willen worden; bovendien zou hij met die wind snel naar Sydney kunnen terugkeren als dat nodig was, hoewel ik niet geloofde dat hij dat zou doen. Maar ik belde de chef van Sydney Radio op en vroeg hem het telegram voor me te herhalen.
Ik vroeg hem hoe zijn stem had geklonken.
“O,” zei hij, “hij had zijn gebruikelijke opgewekte stem en wilde zich niet laten vermurwen om hulp te aanvaarden. Ik ben er zeker van dat het in orde is.” Deze radioman had vertrouwen in hem, evenals ik.
Die avond kwam Francis over de telefoon bij mij door en vroeg me te luisteren naar het verhaal van het omslaan. We spraken bijna een uur.
Hij was niet terneergeslagen en ik deed mijn best om hem verder op te beuren.
Een week na Francis vertrok ik uit Sydney en bleef een tijd in Hongkong. Toen ik daar was kwam het passagiersschip Himalaya van de P&O binnen; ik bracht een bezoek aan de kapitein, omdat dit schip in de Tasmanzee dezelfde nacht als Francis door een reusachtige golf was overvallen. De Himalaya had het radiobericht van Francis opgevangen en de kapitein liet zijn marconist komen, die voor mij een band afspeelde van de stem van Francis. Ze hadden het bericht op de band opgenomen omdat ze het woord ‘kapseizen’ hadden gehoord en dachten dat hun hulp misschien nodig zou zijn. Maar toen ze de woorden ‘geen hulp nodig’ hadden opgevangen, besloten ze, na scheepsraad te hebben gehouden, hun weg te vervolgen. Het boeide me de stem van Francis zo luid en duidelijk te horen in zijn gesprek met Sydney Radio, waarin hij ook nog naar weerberichten en dergelijke vroeg.
In Hongkong kwamen weer dezelfde vragen op me af. “Waarom bent u niet bang?” “Wat was het geheim?” Het was niet altijd makkelijk daarop te antwoorden, maar ik was vastbesloten de mensen niet pessimistisch en bezorgd over Francis te maken, want dat is een negatieve kracht, en ik geloof in positieve gedachten.
Toen ik van Hongkong naar Londen was gevlogen, wachtten enkele journalisten me op, die me vroegen wanneer ik dacht dat Francis Kaap Hoorn zou passeren. Ik voorspelde ruwweg de 20ste maart, en het bleek later dat ik gelijk had. Dit was niet zo maar een gissing, maar het resultaat van nauwgezet denken en berekenen en ook van het gevoel van grote verbondenheid met Francis. Ik kan bepaald zeggen dat ik in gedachten de hele reis met hem meezeilde.
Thuisgekomen, stelde een merkwaardige man zich met mij in verbinding, broeder Markus. Hij kwam me ook bezoeken. Hij heeft een enorme gebedsgroep voor zieken en anderen onder de naam World Healing Crusade en had met zijn verwanten dagelijks voor Francis gebeden. We waren het erover eens dat het gebed iets is dat zich op een hoogst merkwaardige wijze steeds door vermenigvuldigt. Ik gaf hem een plaat om er zijn zieken over de hele wereld mee te helpen.
Het mag vreemd klinken, maar ik heb nooit een werkelijk slapeloze nacht gehad. Vermoedelijk komt dat omdat ik zo geloof in geestelijke krachten. Graag wil ik hier citeren uit een brief die de artiest Claude Muncaster me schreef. Na het te hebben gehad over het belang van deze onderneming voor de natie en de jeugd, zei hij: “Behalve dat is er nog een grotere betekenis. Hier wordt namelijk een belangrijk voorbeeld gegeven van de kracht die kan worden uitgeoefend wanneer gedachten van duizenden en duizenden samenkomen, wat meer betekent dan alleen het goede te wensen. Deze afzonderlijke grote kracht, de kracht van het gebed, als men wil, ook al weten de mensen daar als zodanig niet van af, is uitgegaan als een soort bescherming. Hij is omgeven geweest van een beschermend omhulsel van kracht.” Daarmee worden mijn gevoelens veel beter weergegeven dan ik het zelf zou kunnen uitdrukken.
Mijn vertrouwen werd ook gesteund door het feit dat ik wist wat oceaanzeilen is. Natuurlijk was ik zelf niet in de Roaring Forties geweest, maar tweemaal zeilde ik met Francis de Atlantische Oceaan over. Ik kende zijn capaciteiten en wist dat we alles zo goed als het maar kon hadden voorbereid, zodat er geen reden was om bezorgd te zijn. Doorlopend had ik het gevoel alsof iets buiten mezelf mij leidde. Bijzonder gegrepen was ik door een uitzonderlijk gelukkig voorval: Francis volbracht de werkelijke omcirkeling van de aardbol op 11 april – mijn verjaardag. Voor mij was dit meer dan zo maar een toeval.