6
De Roaring Forties
Toen ik om twaalf uur ‘s middags van de 18de oktober mijn positie bepaalde, kon ik constateren dat ik ruim halfweg Australië was. Ik had tot op dat moment 7300 mijl gezeild en moest nog 6570 mijl afleggen om bij Sydney Heads te komen. Het leek een viering van dit feit toen als bij toverslag het weer oversloeg van grijs met mistige lage wolken en een overdekte lucht in een helderblauwe onbewolkte hemel met een donkere en toch zuiver blauwe zee. Zonneschijn stelde me echter niet vrij van werk. De leuvers van de genua bezorgden me last, omdat ze zich steeds loswerkten. Het grote zeil moest dan omlaag komen om ze weer vast te maken. Ik moest de reparatie even uitstellen en het zeil dus gestreken laten omdat juist voor er weer leuvers losgingen, het deeg voor vers brood klaar was om de oven in te gaan; vlug dit de oven ingewerkt voor het gerezen gist weer inzakte. Nu liet ik het brood rustig bakken en ging het dek op. De genua werd vervangen door de halfwinder van 27m2; het jacht zeilde er in feite beter door. De wind was aan het ruimen, en om hoger te kunnen varen, moest het bezaanstagzeil ook worden gestreken. Onder het neerlaten van dat zeil werd ik bijna van mijn voeten getild – het is merkwaardig hoe de windsterkte kan toenemen zonder dat men het bepaald merkt. Er vlogen duizenden stormvogels in het rond. Dit zijn mooie vogels, zilverkleurig van onderen en zacht grijswit van boven. Ze scheren snel boven de golven en doen dan aan zwaluwen denken. Nooit zag ik ze iets uit het water oppikken en toch moet er in de zee iets voor ze te eten zijn. Ze leken niet geïnteresseerd in Gipsy Moth – vermoedelijk vonden ze haar een bijzonder langzame en plompe vogel. Een school bruinvissen speelde rond de stevens terwijl ik met het zeil vocht. Kennelijk maakte ik bij het strijken van het bezaanstagzeil te veel lawaai, want ze waren in een flits verdwenen.
Toen alle zeilen waren bijgesteld, liep Gipsy Moth mooi hoog aan de wind en ze ging er goed vandoor. Het was die zonnige middag en avond mooi zeilen, want alle blokken en zeilen waren stil; het leek lang geleden dat mijn oren niet geplaagd werden door een kakofonie van blaffende blokken en krakend tuig. Het schip voer alsof het tevreden was – voor mij is dit als het rijden op een goed paard, hard, maar niet boven zijn krachten.
De kaarten van de Zuidatlantische Oceaan konden worden opgeborgen, die van de Indische Oceaan moesten nu te voorschijn komen. Er waren niet veel routekaarten, maar wel zeilaanwijzingen van de Amerikaanse hydrografische dienst, stroomkaarten van de Britse meteorologische dienst, een zonnestandkaart en kaartvellen voor koersaantekeningen. Het was weer een sensatie van de ene oceaan in de andere te varen. Het gebeurt een jachtzeiler niet dikwijls dat hij op één reis van oceaan verwisselt!
Ik was Kaap de Goede Hoop aan het ronden, al was ik ver ten zuiden daarvan. Het weer werd onstuimiger. De ‘forties’ begonnen werkelijk te brullen met harde stoten, die plotseling tot stormsterkte dreigden toe te nemen. Nog steeds werd ik geplaagd door krampen in mijn been; gebrek aan rust deed er het zijne toe. In de nacht van de 19de op de 20ste oktober viel ik om half-drie ‘s nachts in een diepe slaap, voor het eerst sinds lange tijd, dacht ik, maar iets na half-vijf maakte een puts water me ruw wakker; een aan boord gekomen golf spatte op het hoofdeind van mijn bed en werd spoedig gevolgd door een tweede en een derde. Het was mijn eigen schuld, want ik had het bovenste schuifdeurtje van de kajuitsingang eruit gelaten; daaraan beleefde ik dus weinig plezier. Direct stond ik op, kleedde me aan, liet de stormfok vallen en draaide recht voor de wind omdat ik dacht dat de boot met wind pal achter wel voor top en takel kon weglopen. Het was ruig op het dek, veel wind en water, zowel van de zee als door de regen. Ik moest ervoor zorgen steeds een goede handgreep binnen bereik te hebben vanwege het rollen en het gebeuk door de golven.
Toen het zeil omlaag was, voelde ik me zeeziek; weer naar beneden om plat te liggen en te proberen wat meer slaap te krijgen. Het ging niet. Zodra ik uitgekleed was, gierde het jacht, zodat ik weer in al mijn dekkleding moest schieten en zo vlug mogelijk moest ingrijpen.
Gipsy Moth was dwars op de golven gedrukt en weigerde naar het roer te luisteren. Ik merkte dat de windvaan van de stuurinrichting geslipt was en geen kracht meer uitoefende op de helmstok. Ik besloot van het achterschip een zeeanker uit te werpen, in de hoop de spiegel in de wind te krijgen. Eerst moest ik een sluiting, een wartel en touw uit de achterpiek halen en een zeeanker uit de voorpiek, daarna ging dit overboord. Het hielp niet; het jacht had niet genoeg gang om het zeeanker de trek te geven die het nodig had om het achterschip rond te halen.
Gipsy Moth wilde voor top en takel niets anders doen dan de storm dwarsscheeps afrijden, zowel wind als zeeën dwars. Wat zich nu openbaarde, overtuigde mij ervan dat zij er in een dergelijke situatie niet toe gebracht kon worden de wind achter te houden. Het roer kon daar geen verbetering in aanbrengen zonder de hulp van een stormzeiltje aan het voorstag. Dit was een ernstige tegenslag. Het betekende dat Gipsy Moth in een storm voor de wind weglopend niet langzamer zou varen dan 8 knopen. Ik had nooit kunnen denken dat zo iets bestond! Gipsy Moth III kon de wind gemakkelijk recht achter zich houden als ze voor top en takel voer, zelfs met een bakstagwind, en het in Amerika ontworpen jacht Figaro had ook licht gestuurd toen we het in een nacht van harde storm in het kanaal onder naakte masten opbrachten.
Dit was verdraaid ongemakkelijk. De wind wakkerde aan tot bijna 30 meter per seconde en het jacht werd in alle richtingen heen en weer gegooid. Water kwam onder het kajuitluik naar binnen, elke keer dat een golf over het dek spoelde. Mijn sextant, die ik voor de veiligheid in een bed in de hut had gelegd, viel op de grond, gelukkig in de doos verpakt. Ik kreeg een golf over me heen toen ik in de kuip stond; het water leek vreemd warm en de golf kwam niet hard aan, waarschijnlijk omdat we weinig vaart maakten. De lucht was wel koud, en het hagelde.
De windvaan van het stuurapparaat was beschadigd. De bout en de pen die hem aan de opstaande as bevestigden, waren vrijwel doorgesleten en het leek een wonder dat de vaan niet helemaal was weggeblazen. In deze harde wind en met deze ruwe zee kon ik nog geen poging doen eraan te werken. Al wat ik doen kon, was de zaak tijdelijk aan elkaar binden.
De hele dag duurde de storm. Van tijd tot tijd leek het of de wind wat wilde afnemen, en dan ging ik naar het achterdek om te zien of ik iets aan het stuurapparaat kon doen. In een van die tussenpozen slaagde ik erin de stuurvin los te maken en binnenboord te halen, omdat het een enorm pak slaag kreeg van de golven. Het was verbazingwekkend dat de windvaan niet de lucht ingeblazen was. Steeds kwam de wind na de momenten van kalmte weer hard terug; met de reparaties was moeilijk een begin te maken. De zeevogels wonden zich op over het witte water, dat het zeeanker achter het jacht opjoeg. Mijn aandacht werd van alle narigheid afgeleid als ik zag hoe ze tegen de wind opvlogen. Het leek of ze tegen de zijden van de golven opkropen, zo laag vlogen ze. Om drie uur ‘s middags ging voor de vogels de hele pret verloren, want de lijn waaraan het zeeanker vastzat, brak en het anker was verspeeld.
Een grote brekende golf raakte Gipsy Moth en duwde haar geheel rond, zodat ze noordwest voor lag. Ik kon niets doen om haar terug te sturen zonder een zeil te hijsen, maar daarvoor was het te ruw. Ik voelde dat het er niet veel op aankwam in welke richting de boot lag, want al werden we her- en derwaarts geslingerd, het was moeilijk te zeggen of er al of niet nog enige voorwaartse beweging was.
Zo langzamerhand had ik vierentwintig uur niet gegeten; toch had ik geen honger. Ik krabbelde in mijn logboek: “Het is de misselijkheid die mijn eetlust bederft, denk ik. Dit is niet de vrolijkste dag, maar het kon erger zijn. Buiten erg koud.”
Tegen het donker was het me gelukt het jacht weer gaande te krijgen.
De wind was eindelijk lang genoeg in een pauze gekomen om me in staat te stellen de kleine stormfok te hijsen en rond te halzen. Ik kreeg een heel tijdelijke reparatie van het stuurapparaat voor elkaar, met touwen, maar het deed nog geen dienst, want de stuurvin lag nog aan boord. Ik zette de helmstok vast, ervan profiterend dat Gipsy Moth graag dwars op de wind ligt, en liet het daarbij tot de volgende morgen. Het was nog steeds uiterst ongemakkelijk, maar we waren in ieder geval aan het zeilen. De golven waren imposant. Als ik onder het werken aan dek opkeek, had ik het gevoel dat ik mijn lieve leven slechts kon redden door vast te houden. Het leek onmogelijk dat de van hoog boven ons naar beneden rollende monsters niet bovenop ons zouden vallen en ons met boot en al onder water drukken.
Sommige golven noemde ik ‘boksers’, ze beukten hard op het schip in. Dat waren vermoedelijk de golven die twintig meter van de boot af begonnen te krullen. Ze leken wel dertig meter hoog, althans sommige, dus het zal wel zo zijn dat ze gemiddeld ruim tien meter hoog waren. Ze behandelden de boot als kurk, joegen hem rond en drukten hem dan opzij. Ik stelde dan het stuurapparaat bij en merkte meestal kort daarna dat ik weer 40 graden uit mijn koers lag. Dan moest ik opnieuw naar het apparaat om het verder bij te stellen. Deze grote golven, die het schip 40-60 graden ronddraaiden, moeten van het stuurapparaat wel het uiterste hebben gevergd.
Het derde gebrek van Gipsy Moth vertoonde zich nu: ze kon op de top van een golf haar richting niet houden, maar sloeg rond en gierde, zodat ze het boord aan de wind en de volgende golf presenteerde.
Soms kon het stuurapparaat haar in de juiste koers terugbrengen, maar als de windvaan plotseling onder een hoek van 60 graden tegen de stormwind werd gedrukt, was dat veelal te zwaar. Als de veiligheidskoppeling dan niet zou meegeven, moest de windvaan breken.
Gieren was het gevaar dat op de klippers het meest werd gevreesd.
Rondtornend tot dwars van een grote storm op de zuidelijke oceaan dreigden de masten omlaag te hellen, en als de zeilen daarbij het water raakten, liepen ze kans te vergaan. Wat dan ook veler lot is geweest.
Afgezien van het gevaar (dat ik in ieder geval voor Gipsy Moth niet zo groot achtte als voor de klippers, omdat het jacht een knockdown moest kunnen overleven, die het eind van een klipper zou hebben betekend) was dit gieren een bedreiging voor het stuurapparaat.
Om er paal en perk aan te stellen, moest ik het zeiloppervlak verminderen, dus minder zeil voeren dan ik in de noordelijke wateren onder dezelfde windkracht zou hebben gevoerd. Dit was weer een grote tegenslag met betrekking tot mijn plannen, want ik had erop gerekend hier in de westenwinden van het zuiden grote afstanden af te leggen. Voordat ik de reis begon, had ik gehoopt dat een lang en licht jacht als Gipsy Moth dagen achtereen afstanden van 250 mijl zou kunnen halen. Ik ben zelf geen jachtontwerper en mijn oordeel over de oorzaak van deze fout van het jacht heeft misschien geen waarde.
Gegrond op lange ervaring met het jacht zou mijn conclusie echter zijn dat het gemakkelijke rondtollen geweten moet worden aan een te korte voorvoet, als gevolg waarvan het voorschip geen greep op het water heeft. Dit bovendien gecombineerd met het niet uitgebalanceerd zijn van de romp, waardoor een uitzonderlijke kracht op de helmstok moest worden uitgeoefend.
Het lekte op tal van plaatsen. Ik maakte daar een lijst van:
Lekken
- kajuitkapstijl boven gootsteen
- kajuitkapstijl boven de primus
- kajuitkapverbindingsstuk nabij primus, zeer slecht
- stijl boven hoofdeinde hondekooi
- kajuitluik laat vrijelijk water door aan beide zijden (afhankelijk van de helling)
- geen der bouten van het kajuitluik zijn geheel dicht
- voeteneind van de hondekooi
- onder de buitenrand van de kuipbank
- door het dek naast hoofdeinde van bakboord,
- bed in de hut,
- stuurboord voorste kast – alles nat
- buitenboordkraan in toiletruimte
- beide ventilatoren in gesloten toestand
Ik moest me weer dwingen iets te eten om op krachten te blijven, en dus kauwde ik op een stuk pepermuntkoek. Het was bepaald geen succesvolle maaltijd, want toen ik op een hard stuk beet, brak een kies in tweeën. Gelukkig kon mijn tong het stuk kies van de koek onderscheiden, zodat ik het niet inslikte en kon redden, in de hoop het later bij een reparatie te kunnen gebruiken. Mijn tandarts, Nigel Forbes, had me een reparatie-uitzet meegegeven, en nu was de tijd aangebroken die te gebruiken. Overigens kon ik op dat ogenblik geen tandartsenij uitvoeren, omdat het nog steeds te ruw weer was. Het stuk kies werd schoongemaakt en afgeschrapt, geheel volgens instructies, en daarna veilig ingepakt, in afwachting van een zitting in Gipsy Moths tandartsenstoel. Ik maakte een kop thee en ging naar kooi.
Die nacht was ik twee of drie keer op om de stuurlijnen te behandelen.
Ik wilde proberen dwars op de wind te komen, maar ik wilde niet gijpen. Het bleek dat er nog een duivelse hoop harde wind was; toch lukte het me nog wat te dutten, zo goed en zo kwaad als dat kon.
Omstreeks zes uur in de morgen gijpte Gipsy Moth toch, ze begon hevig te slingeren. Het bleek dat ze westnoordwest voor lag. Het zag er buiten koud en onvriendelijk uit, maar ik was wel gedwongen de reparatie van het stuurapparaat verder ter hand te nemen, het was duidelijk dat het niet kon doorgaan zoals nu. Eerst aankleden, thee zetten, dan gereedschap bij elkaar zoeken en mijn moreel opschroeven om te gaan beginnen. Dat alles kostte een uur. Een paar uur later kon in het logboek worden genoteerd:
♦
9.09 Zo, dat is dat. De windvaan is hersteld, de stuurvin is te water en bestuurt het schip, de bezaan en de staggenua zijn gehesen. Natuurlijk is de wind weer afgenomen en hebben we eigenlijk meer zeil nodig, maar ik ben nu in staking en wil eerst wat ontbijten.
Na een storm van 20-25 meter per seconde is de zee nog monsterlijk, en het was geen pretje de windvaan te repareren, die buiten de spiegel uitsteekt. Maar ook dit had veel erger kunnen zijn. De koffie is klaar.
Die dag maakte ik een succesvol contact met radio Kaapstad, wat me bepaald goeddeed. Deze hele reis hadden slechte of moeilijke verbindingen me gekweld, en daarom was het altijd een geweldige opluchting een bericht te hebben doorgegeven aan de dagbladen die geholpen hadden de reis mogelijk te maken. Want het bezwaarde me altijd als ik faalde in het maken van die contacten, want ik had er het land aan niet te kunnen doen wat was afgesproken. Niettemin wilde het soms nog grote inspanning kosten om een in moeilijke omstandigheden tot stand gekomen verbinding te benutten. Het duurde weleens een uur en twintig minuten om een telegram van 250 woorden behoorlijk over te geven. Daarna was ik meestal bekaf.
Met wat beter weer voelde ik mijn eetlust ook enigszins terugkomen, en mijn logboek vermeldt een merkwaardig menu van zaterdag 22 oktober:
♦
Ai, dat was een goed ontbijt! Een mok warme chocolade met suiker, een pannekoek van gedroogde bananen, bloem en uien (had eigenlijk omelet met gedroogde eieren moeten zijn), toost van zelfgebakken volkorenbrood met citroenmarmelade, mok koffie.
♦
Nu haalde ik het tandartsgereedschap voor den dag en bracht een uur zoek met de gebroken kies. Het lukt me het gebroken stuk weer vast te kitten, maar ik cementeerde er een plukje watten bij van het wattenkussen dat ik in mijn mond had om de tong af te houden van de kies waaraan ik werkte. Ik liet het pluisje er maar in zitten – durfde het er niet uit te trekken, uit angst dat ik daarmee het stuk kies, dat juist vastzat, weer los zou halen.
Op het dek vond ik een mooie 15 centimeter grote inktvis. Hij had aantrekkelijke gevarieerde kleuren, die aan een schildpadschaal deden denken en was niet zo bleek als de vorige die ik zag. Hij leek precies goed voor een bouillabaise, maar ik kon het niet over me verkrijgen hem op te eten.
Vogels bleven veel levendigheid aan mijn bestaan toevoegen. Ze vlogen als razenden om het jacht heen. Het leek of ze het leuk vonden door de luwten van de zeilen te vliegen – ik denk dat de luchtrafelingen voor hen onverwacht waren en intrigerend. Ik gooide wat zaad uit, maar daarvoor bleek geen belangstelling te bestaan. Als ik mijn vuilnisemmer uitstortte, bonsde ik ermee tegen het boord en dan kwamen de Cape Hens (wit gehalsde stormvogels) aanvliegen. Ze streken op het water neer en pikten het afval op. Ik had wel een krenterig gevoel als dat gebeurde, want vergeleken met het afval van een passagiersschip moesten mijn groentekliekjes door de vogels wel geminacht worden. Door de gedwongen zuinigheid met voorraden was mijn afval soms niet meer dan een lepel vol. In die tijd begon ik ook échte albatrossen te zien. Niet dat mijn eerdere albatrossen, of de vogels die ik zo noemde, niet echt waren, maar die leken klein vergeleken bij de grote knapen die ik nu zag. Een prachtige vogel scheerde langs met een vleugelwijdte van wel tweeëneenhalve meter.
Helaas, mijn tandreparatie hield niet. Ik probeerde het bij het avondeten, maar het leek op niets: het gebroken stuk kwam er gewoon weer af zodra ik probeerde ermee te bijten. Misschien mengen betere tandartsen hun cement niet met watten. Ik probeerde het nogmaals met cement, ditmaal zonder wattenresten, maar de reparatie was evenmin succesvol. Uiteindelijk nam ik de vijl en vijlde de scherpe randen van het stuk kies dat nog in de kaak zat wat af en liet het daarbij.
Wat had ik van de ‘Roaring Forties’ verwacht? Het is geen water waar veel jachtzeilers komen. In feite komen er nog maar weinig schepen, van welk soort ook, omdat met stoom- en motorvermogen en het Suezkanaal de moderne route naar Australië een heel andere is.
Door het lezen van de logboeken van de klippers had ik de indruk gekregen dat er een constante stuwende en sterke wind zou zijn, die de schepen dag in, dag uit naar het oosten joeg. Natuurlijk komt het leven niet overeen met het geordende beeld dat wij ervan wensen te maken. De klippers hadden hun goede en slechte reizen, en het is meer de voorspoed die in de herinnering blijft dan de dagen en weken van bittere tegenslagen, die ook werden beleefd.
Ook kan men bij het lezen van de journalen van de grote schepen een verkeerde indruk krijgen van de golven. Vergeleken met Gipsy Moth waren Cutty Sark, Tbermopylae en schepen van die afmeting enorm groot. Een storm die mij, solozeiler, dwong te gaan bijliggen, overgeleverd aan wind en zee, kon voor hen een goed bezeilbare bries zijn.
Ik weet genoeg van alleenzeilen in kleine boten af om deze dingen verstandelijk te kunnen waarderen, maar verstandelijk waarderen en emotionele voorbereiding voor iets reëels in het leven zijn bepaald niet hetzelfde. Uit wat ik gelezen en bestudeerd had over de klipperreizen, zou ik bovenal verwachten dat de Forties constant waren. Maar dat waren ze nu juist niet, het was hollen en stilstaan en nog eens hollen en stilstaan, de hele tijd door. En daar was werkelijk geen kinderspel bij. De verschillen waren te vergelijken met het gespeel van een jong poesje enerzijds en de sprongen van een tijgerjong anderzijds. De buien, die het weer van karakter deden veranderen, schakelden als het ware een versnelling in. Het was niet als het eenvoudig opvoeren van de snelheid van een auto van 30 tot 40 of 50 kilometer per uur, maar als de acceleratie van een racewagen van 30 naar 150 of 180km.
Een ander moeilijk te definiëren iets was de geestelijke eenzaamheid in dit lege deel van de wereld; ik kan dit nauwelijks onder woorden brengen. Ik was gewend aan de Noordatlantische Oceaan, ruw en soms verschrikkelijk, inderdaad; maar toch heerst daar een sfeer die doortrokken schijnt van de geesten van de mannen die er gevaren hebben en er ten onder gingen. Hier beneden in de zuidelijke oceaan was slechts een grote leegte. Men voelde zich hier op astronomische afstanden verwijderd van de rest van het mensdom.
Net was ik klaar voor het ontbijt op zondag 23 oktober, toen ik een grote schrik had. Ik had in Engeland voor mijn vertrek van Sheila Scott een koalabeertje gekregen; dat leefde op een plankje, naast het marconitoestel. Geregeld viel het eraf, en ik ging het ook die morgen weer oprapen, zoals ik dat zo veel keren heb gedaan. Ik hield de beer in een hand, en hield, door de hut lopend, met de andere hand de ene handgreep na de andere vast, tot een hevige slingering me plotseling tegen de tafel kwakte. Toen ik weer rechtop stond, deed een plek in mijn ribben onder mijn rechterarm hevig pijn. Ik dacht dat er wel een paar ribben gebroken konden zijn, maar ik voelde niets verkeerds. De eeuwige oude les werd me weer ingehamerd – beweeg je beneden nooit door het schip ponder een houvast, of op zijn minst met het volgende houvast in het oog, zodanig dat dit onmiddellijk kan worden vastgegrepen als het schip slingert. Als Gipsy Moth door een golf geraakt werd, kon ze een zwieper maken als een knallende zweep. Ik troostte mezelf en mijn pijnlijke rib met de gedachte dat ik veel erger gewond had kunnen zijn en dat dit voorval zijn goede zijde zou hebben gehad als het een herinnering voor me was geweest aan de les van het vasthouden. Nadat ik van de schok was bekomen en wat ontbeten had, ging ik naar boven om het trysail te vervangen door het grootzeil.
De wind scheen af te nemen; ik voelde dat Gipsy Moth het grootzeil nodig had. Ik hield niet van dat grootzeil, het was mijn minst geliefde zeil. Om te beginnen was er te veel brute kracht nodig om het te bedienen, want telkens was het tegen het want gedrukt of tegen een fokkeschoot; verder moest ik van mast naar kuip heen en weer hollen, zo iets van zes keer gedurende het hijsen. In de eerste plaats moest ik de neerhouders van de giek opvieren als het zeil hoger begon te komen; dan moest ik de automatische stuurinrichting bijstellen om meer in de wind te zeilen teneinde de top van het zeil niet achter het hoofdwant te laten komen. Daarna was het een paar maal nodig de schoot op te vieren als het zeil in top kwam. Tenslotte moest de hefboom van het achterste hoofdwant worden losgemaakt, dit want naar voren worden gebracht en aan een ander want worden vastgebonden. Waarom gebruikte ik dan toch het grootzeil? Wel, het was ruim dubbel zo groot als het trysail en ontwikkelde meer voortstuwende kracht, en als ik het eenmaal op had, en getrimd, stond het er beter bij. Verder was het mijn opvangzeil voor regenwater en ik moest nog steeds meer water in de tanks hebben. Maar een mens is vindingrijk, en voor het eind van de reis had ik een methode uitgevonden om het grootzeil zonder enige moeite te hijsen, zelfs in windkracht 6 en voor de wind zeilend!
Die avond werd ik voor een gekke complicatie aan het tuigage geplaatst. Ik had het stuurboord-achterwant, waarvan de hefboom losgespannen was, naar voren aan een ander want vastgebonden, om dit staaldraad niet tegen het grootzeil te laten schavelen. De sjorring schoof geleidelijk naar boven om de beide wanten heen, tot zij bijna bij de onderste zaling was. Als dat zo bleef, zou ik het want niet meer kunnen strak zetten wanneer dat nodig zou zijn. Een half uur lang probeerde ik de lus met een bootsmanshaak naar beneden te krijgen, maar ik kon er geen beweging in krijgen. Toen werd het donker. Ik dacht het maar zo te laten tot de volgende morgen. Dan zou ik in de mast klimmen om de zaak los te maken, ‘s Nachts maakte ik me zorgen over de veiligheid van de mast met een niet gespannen want, en om half-twee stond ik maar op en bescheen de mast met een zoeklicht. Alles zag er volkomen ongewijzigd uit, maar ik durfde niet scherper in de wind te varen, wat ik anders juist zou willen. Om half-zes ging ik het dek op om de zaak aan te pakken. Ik wilde nog een poging doen om het te klaren voor ik de mast in moest. Ik nam mijn lange trommelstok (ruim 1,60 m) en bond daar een mes aan van 30cm lengte. Het had een smal, scherp blad. Al tien jaar lang had ik het op verschillende jachten meegenomen en dit was de eerste keer dat ik het gebruikte. Door op de giek te staan, kon ik met het mes juist het stuk nylontouw bereiken dat de twee wanten samenbond. Ik sneed en zaagde, en na veel pogingen slaagde ik erin het door te snijden.
Onder al dit werk door joeg Gipsy Moth voort in een grijsgroene zee.
De slagzij was te groot om nog maar enigszins gerieflijk te zijn, maar ik liet het grootzeil op, omdat ik verwachtte dat de wind zou ruimen en het schip dan makkelijker zou varen. Dus ging ik naar beneden om nog wat te slapen. Helaas, ik had het bij het verkeerde eind, want in plaats van te ruimen, kromp de wind en Gipsy Moth lag weldra dicht aan een vanuit het zuidoosten komende wind. Ik zwoegde aan het grootzeil om het in een betere stand te krijgen en vond dat ik hoogst oneerlijk behandeld werd, omdat volgens de U.S. Pilot Charts een zuidoostenwind uiterst zelden in dit stuk zee voorkomt. Ik schreef in het journaal: “Wat een belediging om met een oostelijke wind te doen te hebben in de westenwinden-zone van de Roaring Forties.” De volgende vierentwintig uur bleef de wind krimpen, terwijl er ook tussenpozen waren met lichte, aarzelende vlaagjes of bijna zelfs windstilten. Ik was druk in de weer met de zeilen, onophoudelijk experimenterend met de trim om er het beste uit te krijgen, en op den duur werd ik slaperig en versuft van moeheid. Eindelijk, in de ochtend van de 25ste oktober, begon de wind weer naar het westen te draaien, onderwijl in kracht toenemend. Kort daarop kwam ik voor een ernstige situatie te staan. Het spreekt vanzelf dat ik mezelf niet had mogen laten verrassen, maar door de vermoeidheid was ik niet op mijn best om noodsituaties het hoofd te bieden. De kwestie was dat een bijzonder hevige bui me overviel terwijl ik aan het ontbijten was. Ik greep mijn gecapitonneerde jas – nog in mijn schapelerenhuisschoenen – en rende de kuip in om te proberen af te vallen en voor de wind te komen. Met het vele zeil dat bijstond kon ik echter het stuur niet om krijgen, zelfs niet met behulp van een takel, en ondanks de losgekoppelde windvaan. Later besefte ik mijn fout: ik had de windvaan van de helmstok losgekoppeld, maar niet de lijnen naar het roerkwadrant.
Dientengevolge was ik in feite bezig met de helmstok de druk van de roervin te neutraliseren, wat bijzonder moeilijk ging, omdat die vin nog aan de windvaan verbonden zat en een enorme kracht uitoefende.
Ik bleef echter met de takel aan de helmstok trekken, tot plotseling de boot meegaf. Voor ik de zwenking weer kon afremmen, had Gipsy Moth gegijpt.
De giek kwam met een enorme dreun over, waarbij de bulletalie een scepter uit het dek trok. Onder het overkomen vloog de grootschootslee over de overloop en trok daarbij de permanente stop, die aan het eind van de overloop vastgeschroefd zat, eruit. De slee, waaraan twee bochten van de schoot waren verbonden, kwam toen van de rail en het steunblok af.
Ik gijpte weer terug, omdat de voorzeilen over de andere boeg stonden. Het was me ontgaan dat toen de giek de eerste maal naar stuurboord overkwam, de kraanlijn van de masttop naar het schooteind van de giek zich om de bovenzaling had geslagen. Het was verbazingwekkend dat die zaling zich niet loswerkte toen ik teruggijpte; een groot compliment voor tuigage en rondhouten. Al die tijd was ik nog in mijn huisschoenen, blootshoofds en zonder veiligheidslijn.
Gelukkig had ik een reservegordel in een vakje aan de kant van de kuip opgeborgen. Ik werkte me erin, deed mijn schoenen uit en gooide die de kajuit in, omdat ik ze beter droog kon houden. In die schoenen zou ik de kuip toch niet hebben kunnen verlaten, ze hadden geen antislipzolen en dat zou te gevaarlijk zijn geweest bij het werken op het dek.
Zodra ik het roer zodanig had geborgd dat er voldoende tijd was voor opnieuw gegijpt of door de wind gegaan zou worden, ging ik op blote voeten over het dek naar voren. Ik streek het grootzeil, waarbij het grootste deel ervan, de buik, in het water terechtkwam.
De giek stond immers bijna dwars. Daarna gooide ik de staggenua en de fok neer, telkens de vallen beleggend nadat de zeiltoppen waren losgemaakt. Ik wilde niet ook nog vallen om de zalings! De zeilen liet ik liggen, gedeeltelijk in het water. Toen ik uit de kuip wegging, had ik de bezaansval losgemaakt, in de hoop dat de bezaan uit zichzelf zou neerkomen. Dat gebeurde niet, en in plaats daarvan werd het zeil beschadigd. Ik zei tot mezelf: “Geeft niet, het had veel erger kunnen zijn.”
Pas toen de grote giek aan de beurt kwam, merkte ik dat de kraanlijn om de loefzaling heen zat. Eerst doekte ik zo goed als het kon het grootzeil op en bond ik het op drie plaatsen vast om het minder wind te laten vangen – het woei op dat moment een straffe 22 meter per seconde – en daarna haalde ik de giek binnenboord door aan de loefwaartse neerhouwer te halen. Zodra ik het eind van de giek kon grijpen, maakte ik de kraanlijn los en legde de boom op het dek, waar ze werd vastgebonden. Met de stormfok gehesen en het automatische stuurapparaat opnieuw ingeschakeld, begon Gipsy Moth weer te lopen.
Ik had met deze manoeuvres haast gemaakt, omdat de golven van opzij zo krachtig tegen het stuurapparaat sloegen, dat het hele schip ervan schudde. Ik wilde de stuurinrichting behoeden voor schade.
Het is merkwaardig hoe iemands gedachten zich op ogenblikken van dergelijke crises kunnen losmaken van het feitelijke gebeuren. Mijn voornaamste zorg tijdens het gijpen en de moeilijkheden die daarna volgden, was dat mijn bril niet beschermd was nu ik geen pet op had en kans liep weggeblazen te worden. Ik was van plan geweest die morgen een bad te nemen en bedacht dat mijn voeten nu hun wasbeurt bij voorbaat ondergingen.