4
Mijn vijfenzestigste verjaardag
Mljn vijfenzestigste verjaardag viel op 17 september. Ik waste me eerst heerlijk met zoet water en pakte daarna Sheila’s verjaarscadeautje uit, een luxueuze en heel praktische zijden pyjama. Bij de gedachte aan haar toegenegenheid en liefde, en aan al het geluk dat we sedert 1937 samen hebben gehad, pinkte ik een traan. Ik begon de viering van mijn verjaardag met een fles wijn, die Monica Cooper en de andere medewerkers van onze kaartenuitgeverij mij als verjaarscadeau gaven. Dat was tegen lunchtijd. Die avond schreef ik in het journaal:
“Daar zit ik nu, in de kuip, met een champagnecocktail waarmee ik op Sheila en Giles een dronk heb uitgebracht, met mijn liefde. Geheel gekleed, huisjas, keurige nieuwe broek, zwarte schoenen, enzovoort.
Het enige mankement is dat ik mijn strikdas achterliet en het nu met een gewone zwarte das moet doen. Ik heb deze huisjas (mijn groene fluwelen, ontworpen en gemaakt door Scholte, voor ik in 1937 Sheila ontmoette) zesmaal aan boord van Gipsy Moth III mee gehad over de Atlantische Oceaan, met het voornemen op een avond een galadiner te hebben, maar nu is het de eerste keer dat ik hem aan boord werkelijk draag. Geen galadiner overigens, want ik heb in deze temperatuur van 85° nooit eerder eetlust dan midden in de nacht of in de vroege ochtend. Maar waarom zorgen als ik hier zit met mijn beste fles, die mij gegeven werd door mijn eigen jachtclub, de Royal Western Yacht Club, door die oude sater Terence (ik verwacht altijd dat hij een fluit uit de een of andere broekzak te voorschijn zal halen om een serenade aan Cupido te brengen), mijn geliefde Coz’s brandy om een cocktail mee te maken, een heerlijk kalme avond, voortjagend met een snelheid van een kleine zeven knopen over een uitzonderlijk plezierige, kalme en bijna gladde zee? Ik zal wat muziek draaien, die Giles voor mij op de band zette. Ik had hem nog willen vragen een opname te maken van Sheila en hem, samen pratend, maar vergat dat, wat weer niet te verwonderen is, omdat de hoeveelheid denkwerk en organisatiewerk voor deze reis onvoorstelbaar groot was. Wel duizend punten om aan te denken en om te verzorgen.
Dit moet wel een van de indrukwekkendste avonden van mijn leven zijn – midden in mijn wonderbaarlijke reis – nu al een afstand achter de rug die honderd mijl langer is dan enig ander solozeiler die ik ken ooit in zes dagen heeft afgelegd, en een gevoel van grote liefde en genegenheid voor familie en vrienden. Wat geeft het dat zij niet hier zijn? Dan zou ik misschien niet zo van ze houden als ik in hun afwezigheid doe, of ik zou me er niet van bewust zijn, en dat lijkt me juist waar het op aankomt.
De mensen blijven het maar hebben over mijn leeftijd. Ik geloof dat ze denken dat ik leeftijd kan inhalen. Zo gek ben ik niet. Niemand, dat weet ik zeker, kan zich er meer dan ik van bewust zijn dat mijn tijd beperkt is. Ik geloof niet dat ik het ouder worden kan ontlopen, maar waarom zou ik erover klagen? Ons enige doel in het leven – indien iets dergelijks althans kan worden gezegd – is de beste prestatie te leveren die we kunnen, in alles, en alleen daarin ligt de bevrediging van het leven.
Is het verkeerd om van mensen te gaan houden? Het zou me in stukken scheuren als de gedachte bij me opkwam dat Sheila en Giles dood waren. Aan de andere kant blijf ik denken aan het geluk en het plezier dat ik verschillende malen met hen heb gehad, meestal als we iets samen deden. Die eerste terugreis uit Amerika, die wij met elkaar maakten, blijf ik telkens weer beleven. Alle kleine momenten en de vreugde en kameraadschap ervan. Hetzelfde geldt de derde terugreis, met Giles aan boord. Ik weet niet of ik ooit van iets zó zal genieten.
Ik voel dat actie een noodzakelijk bestanddeel is voor een diep gewaarworden. Dit soort onderneming, waarin ik me thans heb gestort, is voor mij een manier om te leven. Zonder dat ben ik een zielige, incomplete en onvoldragen figuur. Het is te donker om nog te zien.
Daar zit ik dan, nu de hemel donker wordt, de muziek speelt, het schip volmaakt zeilt en nog een halve fles champagne van de sater over is om op te maken.
De duisternis kwam helaas te snel – een korte schemering is een van de slechte eigenschappen van de tropen. Ik houd van die lange noordelijke schemeringen.”
En hoewel het te vroeg donker werd, was het een magische avond. Ik had veel om te vieren, niet alleen mijn verjaardag, maar ook mijn record-afstand van de afgelopen week. Hoe vaak zit een zeiler een glas champagne te drinken terwijl zijn jacht voortglijdt met een snelheid van 7 knopen? De horizon leek een schone rechte lijn en de scheidende zon overgoot een paar wolken met een oranje gloed. De maan lag op zijn rug boven de plaats waar de zon verdween. Dit was vermoedelijk de eerste keer gedurende de reis dat ik sentimenteel was – tot nu toe leek het niet anders dan techniek en zorg te zijn geweest. Wat vreemd, dat men pas kan beginnen van een reis te genieten als er drie weken van zijn verstreken. Maar zo is het, of zo leek het mij toen toe.
♦
Toen in die nacht om twee uur een harde vlaag Gipsy Moth op haar kant drukte, had ik liever geen kater gehad. Ik strompelde met moeite mijn kooi uit, omdat die aan de lage kant was, en voelde me nog behoorlijk vol cognac en plezierige gedachten. Ik begon naar kleren te zoeken, terwijl ik zo goed mogelijk trachtte te staan tegen de wand van de boot boven de kooi, maar een plotselinge panische angst trok door me heen toen ik besefte dat dit een noodsituatie was. Geen tijd voor kleren. Ik graaide naar de lijflijngordel en deed die aan terwijl ik naar de kuip klom. Gipsy Moth was op haar kant gedrukt, de zeilen raakten het water en het stuurapparaat werkte niet meer. Dat was geen wonder, want nadat ik het had losgekoppeld, kon ook ik het roer niet om krijgen, zelfs niet met een sjortalie aan de helmstok. De toestand was ernstig, want als ze verder zou overgaan en de zeilen geheel onder water raakten, zou de zee door de open kajuitsdeur naar binnen kunnen komen en het schip doen zinken. Gipsy Moth had elke vierkante meter doek op die ik maar had kunnen hijsen. Ik gooide het bezaanstagzeil neer (31½m2) en sleurde het de kuip binnen, waarmee die halfvol was, en nu kon ik de grootschoot losnemen en de giek uitvieren. Langzaam richtte de boot zich op, en ik kon hem voor de wind draaien en het stuurapparaat weer aankoppelen om zijn werk te doen. Daardoor was ik in staat naar voren te gaan om de 54m2 grote genua neer te halen. Toen had ik nog het grootzeil en de staggenua over. Na de bui wachtte ik enige tijd, omdat het hard regende, en om 3.17 had ik de halfwinder en de bezaan weer bijstaan.
Ik kwam in de verleiding het bezaanstagzeil ook weer te hijsen, maar wilde die nacht liever niet meer naar buiten geroepen worden voor een nieuw gevecht met een onbestuurbaar geraakt schip, en ik liet het dus daarbij. Eenmaal weer binnen, maakte ik een notitie dat een beter systeem van roertakels moest worden uitgedacht.
Ik werd gewekt toen giek en zeilen heen en weer sloegen in een kalmte, terwijl de boot bijna oost voorlag. Tropische regenbuien dreven voorbij, de lucht was bedekt en de zee zag er glazig uit. Voor me uit leek het beter. Mijn been begon weer pijn te doen. Zou ik het verrekt hebben of de oude kwaal geweld hebben aangedaan door het halen aan de vallen gedurende de nacht? Ik suste mezelf door te denken dat het alleen maar de champagne was.
Ik had weinig zin de feestkleding van de vorige avond op te ruimen, maar het moest gebeuren, dus bracht ik de kajuit wat aan kant. Daarna besloot ik brood te bakken, maakte het deeg en stak de primus aan onder de oven. Het was niet zó heel succesvol, want een serie vlagen wisselden de kalmte af, en misschien was de gist geschrokken van zoveel beweging. Ik had dan ook gebakken onder een hoek van 30°.
Mijn middagpositie (6° N., 23°45’ W.) van 18 september wees uit dat ik me op zes mijl na op dezelfde grootcirkelafstand van Plymouth bevond als Rhode Island. In de solowedstrijd van 1964 over de Atlantische Oceaan kostte het me dertig dagen om die afstand af te leggen, terwijl ik er nu tweeëntwintig dagen over had gedaan. Dit was een plezierige gedachte als troost voor het buiige en onevenwichtige weer. Maar ik was nog steeds in de Doldrums, en niets wees erop dat er een eind zou komen aan de tropische regenbuien. Die waren in alle richtingen te zien. De onophoudelijke noodzaak om voor en na elke bui de trim van roer en zeilen af te stellen lag me zwaar. Als een duveltje-uit-het-doosje moest ik de hele dag op en af naar het dek als een bui opkwam. Natuurlijk maakte ik me over het stampen en dreunen in een ruwe zee wel zorgen; dat de wind het tuig zou beschadigen, geloofde ik niet.
De fysieke inspanning van het geregelde wisselen van de zeilen, dag en nacht, liet zich op mij niet onbetuigd en ik schold erop dat ik met een zoveel grotere boot te maken had dan ik had gewenst en dat daaraan zoveel extra werk was verbonden.
Die nacht vond ik een stormvogeltje op dek; ik bracht het naar een betere plaats aan de hoge kant, waar een meer horizontale plek te vinden was en waar het beestje meer houvast kon vinden. Het voelde wollig aan en was sportief genoeg om te proberen mij te pikken. Het vloog uiteindelijk van het dek op, maar leek niet helemaal in orde.
Een vliegende vis kwam naast me neer terwijl ik op het voordek werkte. Op 19 september kreeg ik een zuidelijke wind tegen, zodat ik niet beter kon zeilen dan oostzuidoost. Over de andere boeg had ik wellicht een gunstiger rak, maar ik gaf er de voorkeur aan oostelijker te komen, in afwachting van het feit dat ik naar het westen zou worden weggezet door de zuidoostpassaat, die ik elk ogenblik kon bereiken.
Vroeg in de ochtend van de 20ste september besloot ik overstag te gaan. Daarna had ik een half uur nodig om de zeilen en het stuurapparaat bij te stellen. Gipsy Moth zeilde hoog in een wind van 11 meter per seconde. Het kostte me veel moeite haar zo te houden. Ze stampte zwaar en telkens joeg een serie van drie of vier golven haar meer in de wind tot ze uiteindelijk de wind pal voor had en stopte. Om 10.40 moest ik aannemen dat ik in de zuidoostpassaat was aangekomen. Ik hees de halfwinder in plaats van de stormfok. In het logboek klaagde ik:
“Ik moet wel erg slap zijn als alles me zoveel moeite kost. Het is ook wel een groot nadeel dat ik het evenwichtsgevoel in mijn voeten volkomen kwijt ben. In ieder geval: voorlopig genoeg voor het schip, en nu de beurt aan de inwendige mens. Een heerlijk zonnige dag, blauw en wit; wat een meesterlijke afwisseling.”
Tegen de avond hees ik het grootzeil in plaats van het trysail voor de zuidoostpassaat. Het was prettig zeilen in een mooie avond. Gipsy Moth lag nu aan de wind met 5½ knoop snelheid en koerste zuid-ten-westen. Het was op dit moment dat een van de grote tegenslagen van de reis zich aan mij openbaarde.
Laat mij de stand van zaken uitleggen. Vanwaar ik op dat moment was, 4° N, 21° W, boog de oude zuidgaande klipperroute lichtelijk naar het westen om, de Zuidatlantische Oceaan in tot Ilha da Trinidade, vanwaar de curve geleidelijk naar het zuidoosten omboog, dicht langs Tristan da Cunha, om op 40° zuiderbreedte de meridiaan van Greenwich te snijden. Langs deze route bedroeg de afstand van mijn momentele positie tot het punt waar de klipperroute zuid van Kaap de Goede Hoop was ruwweg vijfduizend mijl of 7,10 knopen gedurende zevenhonderd uur. De eerste vijftienhonderd mijl daarvan ging door de gordel van de zuidoostpassaatwinden. Zuidoost was de richting waarin de Kaap lag, dus zowel de klippers als Gipsy Moth zouden die eerste vijftienhonderd mijl dicht in de wind moeten zeilen.
Ik was ervan overtuigd geweest dat dit een zeilrichting was waarin Gipsy Moth zou uitmunten, en ik had nagegaan dat ze bijna even hoog in de wind kon varen als een 12-meterjacht bij een windkracht van vijftien meter per seconde in het betrekkelijk gladde water van de Solent. Mijn plannen voor een poging de reis naar Australië in honderd dagen te volbrengen, had ik gebaseerd op de verwachting dat ik op dit traject veel scherper zou zeilen dan de klippers dat konden. Met andere woorden, ik was van plan geweest de hoek af te snijden en de weg tot Kaap de Goede Hoop met niet minder dan achthonderd mijl te bekorten. Ik trimde het schip nauwkeurig om zo dicht mogelijk tegen de zuidoostenwind op te varen. De wind was afgeflauwd tot een matige, ideale bries en de zee was gekalmeerd. De golven waren nu bepaald klein, kabbelingen zou ik ze willen noemen, maar ik merkte dat ze Gipsy Moth op een zodanige wijze lieten hobbelen, dat drie golven achter elkaar ieder ¾ knoop van de snelheid afhaalden. De eerste golf zou de vaart van 5½ knoop op 4¾ brengen, de tweede tot 4 en de derde op 3¼ knoop. Als er een vierde was of een vijfde en zesde, zouden ze het jacht met de neus in de wind brengen, zodat het volkomen gestopt werd. De enige manier om dit te vermijden, zou zijn het stuurapparaat op 20° lager in te stellen. Dit betekende dat ik in het geheel niet dichter in de wind kon opkomen dan de klippers en dat het plan waarvan ik zoveel had verwacht, in duigen was gevallen. Dit hobbelen was de eerste van Gipsy Moths vervelende hebbelijkheden waarvan ik op de reis last had.
Het was een lastige en afmattende periode van de reis. Als ik het jacht snel in de wind liet varen, sloeg het zo hard op de golven dat ik bang werd voor de romp. Niettemin moest ik zo hard gaan als ik kon, wilde ik niet hopeloos bij de tijden der klippers ten achter raken. Ik had moeite de accu’s op te laden – het lukte me om de een of andere reden niet. Ik kon ook geen goede radioverbindingen maken, ‘s Nachts werd ik geplaagd door kramp in mijn benen, die bleek op te treden als ik twee uur in bed had gelegen en pas verdween als ik opstond.
Dat betekende dat ik nooit meer dan ongeveer twee uur slaap achtereen kreeg. Het was warm en ik transpireerde verschrikkelijk; zou mijn lichaam niet te veel zout verliezen? Wat dat betreft besloot ik een half glas zeewater per dag te drinken, waarmee het zoutverlies wel gecompenseerd zou zijn.
Op de 21ste september werd ik ‘s morgens wakker en ontdekte dat het schip oost voorlag, met alle zeilen bak. In mijn slaap moet het hobbelen de kop in de wind hebben gebracht, en na te zijn gestopt, moet het zijn afgevallen over de andere boeg. Ik maakte de giek los om het grootzeil geheel te laten overkomen en halsde het schip terug naar zijn oorspronkelijke koers. Tegen de middag zag ik een tanker, het laatste schip dat ik in twee maanden zou zien. Dit was op 2° 19’ N, 21° 43’ W. Het was de African Neptune. Ze draaide en volgde me, dicht aan lij langskomend. Ik ben altijd wat achterdochtig wanneer een schip in open zee dicht bij een jacht komt. Als het aan loef opkomt, neemt het alle wind weg, zodat het jacht stuurloos is. Het schip drijft langzaam met de wind af en het slingerende jacht kan ernstige beschadigingen aan want en zalings opdoen tegen het boord van het schip. Dit overkwam David Lewis in de Singlehanded Transatlantic Race in 1960. Maar de African Neptune manoeuvreerde goed en ik had niet bang hoeven te zijn. De gezagvoerder vroeg me of er iets was waarmee hij mij helpen kon op het gebied van luxe of iets dergelijks, wat ik aardig van hem vond. Ik was op dat ogenblik in de kuip bezig met de handpomp en had onderdelen daarvan overal in het rond liggen. Toen ik het schip zag aankomen, ging ik naar beneden om de vlaggen van mijn naamsein GAKK te halen; ook een seinlamp en een scheepsroeper. Met de seinlamp probeerde ik contact te maken, maar daar werd geen aandacht aan geschonken. Nadat het schip in de verte was verdwenen, ging ik door met de pomp. Er was veel water op de kiel, dat door de buis van de ankerketting naar binnen kwam als er zeewater over het dek spoelde. Het zou niet mooi zijn als ik het water met een emmer zou moeten hozen, als de pomp niet wilde functioneren.
Uiteindelijk vond ik een fout: een van de rubberkleppen paste niet goed. Ik maakte dat in orde en de pomp deed het weer. Ik was trots op dit succes en wilde nu ook het mankement aan het biervat aanpakken. In die hitte was het een jammerlijke gedachte dat al dat bier daar onbereikbaar in het vat lag. Ik zocht naar een luchtbel of een kink in de pijp, die naar het in de kiel weggestuwde vat liep, maar kon daar niets fouts vinden. De conclusie kon zijn dat de koolzuurcilinder had gelekt en er geen druk meer was om het bier op te stuwen.
Die avond schreef ik het volgende:
“Ik kan maar niet begrijpen waarom ik bijna nooit honger heb. Nu is het 9 uur ‘s avonds en al ij uur donker, en ik heb helemaal geen trek. Ik heb alleen maar twee sneden volkorenbrood met beleg gehad als ontbijt, een boterham en een Ryvita met dadels en kaas als lunch. Niets bij de thee.”
Op 22 september passeerde ik de evenaar. Dat was belangwekkend. Ik ging het dek op om enkele zonswaarnemingen te doen om twaalf uur plaatselijke tijd en richtte de sextant eerst naar het zuiden, zoals gebruikelijk. Het verbaasde me de zonreflectie in het noordoosten te vinden, en toen begreep ik dat ik de zon had ingehaald in mijn reis naar het zuiden en dat het culminatiepunt nu noordelijk van mij zou liggen. Ik begon te ‘schieten’, en als de zon de meridiaan passeerde, moest ik zo snel ik kon ronddraaien – een ogenblik keek ik naar het noordoosten, en het leek maar enkele seconden later dat ik front maakte naar noordwest. Het is moeilijk in dergelijke omstandigheden een juiste waarneming te doen, want de manier om na te gaan of men de zee verticaal in lijn met de zon meet, is de sextant licht te schommelen als een slinger, tot de richting wordt gevonden waarbij de hoogte van de zon boven de horizon het kleinst is. Deze slingerbeweging laat het beeld van de zon een platte boog boven de horizon beschrijven en men moet dan zien te constateren waar dat zonnebeeld de zee ‘kust’.
Ik had al een paar dagen lang een privé-wedstrijdje met de zon, die naar de zuidelijke declinatie toe ging, overeenkomstig met winter in het noorden. Ik won het met het kleine verschil van 22 mijl, want de aardse projectie – het punt dat verticaal onder de zon op de aarde ligt – was om twaalf uur middag die dag 22 mijl ten noorden van de evenaar. Ik borg mijn Noordatlantische kaarten weg en diepte een stel voor de Zuidatlantische Oceaan op. Het was wel een gewaarwording van de ene oceaan in de andere te varen.
Omdat plaatsbepaling door middel van de zon in een bijna loodrechte stand bezwaren met zich meebrengt, was het goed nog wat sterrenwaarnemingen erbij te doen. Gelukkig had ik een mooie, heldere sterrenhemel. Ik vroeg me af wat die mooie heldere ster in de buurt van Canopus zou zijn, tot ik ontdekte dat hij bewoog! Hoe ontzagwekkend zijn deze satellieten – ik bedoel de fantasie van de mens, die hen daar boven heeft gebracht! Ik geloof dat het de sterachtige helderheid is die de meeste indruk maakt.
De tweede onhebbelijke gewoonte van Gipsy Moth openbaarde zich in die dagen. Het kwam af en toe voor dat ik bij afnemende wind in het logboek schreef dat ik heerlijk zeilde. Helaas werd dan een paar minuten of soms een paar uur later altijd opgemerkt hoe moeilijk het was Gipsy Moth in haar koers te houden. Het logboek is doorspekt met opmerkingen als: “Gipsy Moth wil maar steeds scherper tegen de wind opvaren en verliest dan vaart” – “Ik geloof dat ze te veel overhelt, zwaar stampt en afgeremd wordt” – “Het besturingsapparaat kon geen evenwicht vinden en geen koers houden; te loefgierig” – “Ik zie dat ze nu te ruim zeilt; moet er weer naar kijken, verdraaid nog aan toe” – “Ik kon het heftige stampen niet meer harden, dat ontstond als de wind boven de 10 meter per seconde kwam; een helling van 40 graden is niet helemaal normaal” – “Ik geloof dat de windvaan van het stuurapparaat wel moet slippen in enkele van die harde vlagen” – “Gipsy Moth zeilt met een hoek van 65 graden aan de wind.” (Ze behoorde niet verder dan hoogstens 50 graden van de wind te zeilen.) Er brak nu een tijd aan dat ik, behalve wanneer de wind wegviel en de zee kalmer werd, een bijna onophoudelijk gevecht leverde om Gipsy Moth in een aandewindse koers te houden. Ik dacht toen nog dat de moeilijkheid oorzaak vond in het feit dat het stuurapparaat de helmstok niet kon houden. Eindelijk echter vond ik de fout. Ik stond op het dek en keek vooruit. De wind kwam plotseling van 10 op 13 meter per seconde. De boot helde verder over en tot mijn verbazing zag ik de boeg over het water glijden tot 30 graden verder van de wind af. Het was zoals een mes dat boter uitsmeert over het brood schuift. Wat mij had gepijnigd en beziggehouden, werd me ineens duidelijk: de boot had een kritische hellingshoek. Als de romp een graad of twee rechter kwam, zou het schip naar loef opkomen en vaart verliezen. Maar als de romp een graad of twee meer overhelde dan de kritische hellingshoek, schoof het voorschip af naar lij. De boot had dus verschillende zeileigenschappen naarmate het meer of minder overhelde. Was de kritische hoek overschreden, dan wilde de boot 30 graden afvallen, maar ging er tegelijkertijd met grote vaart vandoor. Die grote snelheid gaf mij geen voordeel als daarbij met een dergelijke grote koersafwijking werd gevaren. Toen ik deze eigenschap had ontdekt, werd me ook iets anders duidelijk waarover ik al lang had nagedacht. Gewoonlijk zal men, als men dicht aan de wind vaart en 5 of 10 graden wil afvallen, volstaan met het op vieren van de grootschoot, en de richting zal daardoor direct de bedoelde verandering ondergaan. Met Gipsy Moth was het juist nodig het omgekeerde te doen. Om een paar graden af te vallen, moesten de schoten worden aangehaald! Dan veranderde de hellingshoek, ze zou afvallen en er met grote vaart vandoor gaan.
Op 23 september at ik bij de lunch mijn eerste oogst tuinkers, aan boord geplant. Het was erg lekker ook, vooral met Barmene, wat mayonaise, een beetje knoflook en een paar rozijnen. Ik was besloten meer van deze kers te zaaien, maar maakte me zorgen over de ontzettende loomheid, die me verlamde. Als ik eraan moest denken iets tweemaal per dag te doen, zoals het begieten van een tuinkers-aanplant, was dat op zichzelf al een last voor me. Het was warm, te erg om aan dek te blijven in de warme uren van de dag; ook beneden was het behoorlijk heet: 83° om vijf uur ‘s middags. Het zou beneden beter zijn geweest als ik de koekoek had kunnen openhouden, maar dan kwam het buiswater onmiddellijk naar binnen. Bij dat alles vond ik het extra vermoeiend om wat dan ook te doen onder een constante helling van 20 tot 30 graden. Ik friste me in de kuip op door emmers zeewater over me heen te gieten.
Het geweldige gebeuk dat optrad bij een windkracht van meer dan 10 meter per seconde kon ik maar nauwelijks verdragen, en hellingen tot 40 graden waren ook wel abnormaal. Maar ik zei tegen mezelf dat ik eraan moest wennen, want deze zuidoostpassaatwinden zijn geen zefiers. Ik besloot mijn vruchten te schiften en te verwijderen wat slecht was. Daarbij telde ik nog zeven sinaasappels, twaalf appels, dertien citroenen en ongeveer een dozijn grapefruits (ik vergat te tellen hoeveel). Zeer weinig was bedorven. De vruchten waren in netten gestuwd en elke vrucht in zijn eigen vloeipapier gewikkeld.
Ik probeerde Kaapstad op te roepen, maar dat mislukte. De telegrafist van Kaapstad zei dat hij me op sterkte twee kon horen, en ik kon hem bij tijden ook zwak verstaan, maar toen begon een vrouw met een luid en schel gesprek, waardoor alles werd overstemd.
Er waren echter ook goede momenten. De nacht van de 23ste op de 24ste was heerlijk, en ik voelde dat ik de hele nacht in de kuip zou kunnen blijven. Gipsy Moth zeilde prachtig, snelheid 6½ knoop. De schaduw van de maan vormde een volmaakte curve op het goed bol staande grootzeil en het water was gladjes, wat minder gebeuk betekende. Ik berekende dat we nog 1250 mijl in de wind zouden moeten zeilen.
Het was een succesje dat ik erin slaagde mijn oude elektrische klok weer aan de gang te krijgen. Die klok bezat ik al op de Gipsy Moth II in 1957 en hij overwinterde elk jaar in mijn slaapkamer thuis. Maar hij was blijven stilstaan. Door het reguleergaatje aan de achterkant spoot ik silicone-spray naar binnen. Dat bracht hem weer op gang, en ik hoopte dat hij een nieuw stuk leven zou tegemoetgaan. Ik moest wel denken aan Joshua Slocum en zijn eenwijzerige klok, die hij in olie kookte.
De 24ste september was de vierde week op zee verstreken. Ik had 3887 mijl afgelegd met een gemiddelde snelheid van 138,6 mijl per etmaal. Die dag brak ik met mijn gebruikelijke regel niet te drinken voor de avond. Het was een dag om gek van te worden. Ondanks onophoudelijke zeilwijzigingen kon ik Gipsy Moth er niet toe krijgen de koers te volgen die ik wilde. Op het laatst had ik er genoeg van en liet haar aan haar lot over. Ik ging naar beneden om te lunchen of liever gezegd vroege thee te gebruiken, met gin and lime en mijn op een na laatste stuk Schotse cheddar, een van de beste kaassoorten die ik ooit ben tegengekomen. Ik maakte de natuurboter op. Het Engelse merk had ik voor het laatst bewaard en niets ervan is ooit ranzig geworden, wat me vrij wonderbaarlijk leek in de tropen.
Met het automatisch sturen had ik weer last. Het touw naar de helmstok was gebroken en ik bracht met enige moeite een nieuwe lijn aan.
Het leek op het in bedwang houden van een halfafgericht paard zonder hoofdstel. Ik hanneste met het leiblok en probeerde de loop van de lijnen te verbeteren, maar de moeilijkheid was dat zodra ik bij de spiegel kwam, Gipsy Moth eerst trachtte mij van het achterdek te schudden door hard te steigeren en daarna door de wind draaide, zodat ik hard naar het stuur moest draven om te voorkomen dat ze door de wind zou gaan of in de wind gestopt zou worden. Waar de stuurlijnen het meest schavelden, wreef ik ze met kaarsvet in. Ik besefte dat ik dat eerder had moeten doen. Weer probeerde ik verbinding te krijgen met Radio Kaapstad, maar weer werd alles gestoord door een harde vrouwenstem op de golflengte van Kaapstad.
Zondagmorgen 25 september werd ik gewekt door de tafelklok, die op mijn buik viel. Dit zette me aan om weer aan het werk te gaan. Het schip lag kalm, en ofschoon er enkele zwarte wolken rondom hingen, waren het er niet veel. Ik schudde het rif uit het grootzeil en hees de staggenua in plaats van het kleinere stagzeil. Toen pakte ik een werkje aan dat ik al enige malen had geschuwd – de eieren.
Ik kon het niet langer harden, of die stankbron moest overboord óf ik. Dus haalde ik de doos te voorschijn en ontdekte dat er een paar gebarsten waren, die een bijna hoorbare staat van verrotting hadden bereikt. Ik was wel bezorgd over mijn eieren. Het laagje bijenwas eromheen, dat een vriend me had voorgesteld, bleek een grote mislukking te zijn. De dooiers plakten tegen de binnenkant van de schalen en sommige eieren hadden zwarte vlekken, die ik voor schimmel hield. Maar ik maakte een omelet van wat ik uit een paar schalen kon krijgen, en dat scheen vrij goed. Het moeilijke met eieren is dat je al misselijk wordt door de verbeelding dat een ei bedorven is, ofschoon het in feite nog fris en gezond kan zijn. Ik ruimde de doos in, gooide alle gebroken en kennelijk bedorven eieren overboord en hoopte er verder het beste van.
In deze periode bleek de wind elke avond tot kracht 6 aan te wakkeren.
Ik constateerde dat de barometer in de namiddag een of twee millibar pleegde te zakken, om na het donker weer te rijzen. Op die zondagavond pijpte het als gewoonlijk weer op, en ik vroeg me af of mijn volle tuig het zou kunnen uithouden. Het werd knokerig varen met een wind die van 10 tot 12 meter per seconde was toegenomen, maar ik nam aan dat dit veroorzaakt werd door de zwarte wolk die boven ons voorbijging, en dat de bui niet lang zou duren. Het was zonde het tuig te veranderen als dat kon worden voorkomen. Dus liet ik alles zoals het was, en het ging goed.
Naarmate we zuidelijker kwamen, werd de verandering in de temperatuur merkbaar; ik begon weer onder een wollen deken te slapen.
Het was bepaald niet gerieflijk in deze harde winden te zeilen. Grote, van voren inkomende golven remden de boot sterk af, en de neiging om dan in de wind op te draaien gaf telkens de indruk dat het stuurapparaat werd geforceerd. Ik denk trouwens dat dit inderdaad gebeurde, en ik gaf het dan een lijwaartse duw. Ik vond dat ik zowel een aap als een olifant als bemanning moest hebben. De aap om karweitjes te doen als het schip 30 graden of meer helde en de olifant om het roer over te nemen wanneer het schip in een bui stuurloos was geworden.
Het was maandagnacht, 26 september; ik had me prettig in mijn kooi geïnstalleerd en was in beslag genomen door Maigret en La grande perche. Een harde knal schrok me op. Heftig geklapper van zeilen volgde en ik dacht dat iets aan de stuurinrichting kapot was. Ik ging gauw naar het dek, maar zag dat het geen weer was om daar zonder veiligheidsgordel te komen. Tot mijn geruststelling zag ik dat alleen maar een stuurlijn was gebroken. Ik pakte een van de spinnakerborgtouwen en bracht dat aan, in de hoop dat de oude lijn op natuurlijke wijze doorgesleten was en de nieuwe zou houden. Het was weer een vrij langdurig karwei in harde wind en ruwe zee, maar ik kreeg het voor elkaar en ging zó slaperig naar mijn kooi terug dat ik mijn ogen nog maar nauwelijks open kon houden. Een lange slaap was me niet gegund, Gipsy Moth kreeg er zodanig van langs dat ik het niet meer kon harden. Weer aan dek en het grootzeil neergelaten; daarna kon ik inderdaad wat rust krijgen. Na een paar uur stond ik op, wilde naar het dek gaan om het grootzeil weer op te zetten, maar besloot eerst een kop warme chocolade te drinken. De wind nam in kracht toe tot 13 meter per seconde in de tijd dat ik van mijn chocolade nipte, daarom hees ik maar de kleine stagfok in plaats van het grootzeil. Die morgen had het afgelopen kunnen zijn met mijn reis, want ik kroop door het oog van de naald in een akelig en vrij absurd ongeluk. Het weer bleef vuil en het jacht werd behoorlijk heen en weer geslingerd.
Ik ging naar het toilet; de deur sloeg tot tweemaal toe open en ik drukte hem weer dicht. Onverwachts zwaaide de deur weer open en kwam met een klap terug, waarbij de knop me half van opzij een flinke tik tegen het voorhoofd gaf en mijn bril afsloeg. De knop schramde mijn voorhoofd, een paar centimeter boven het oog, en ik was even versuft. Merkwaardig genoeg was de bril niet gebroken, en voor wat de snee betreft was wat afbetten met een desinfecterend middel het enige wat nodig was. Maar het was wel een wonderbaarlijke ontsnapping – stel je voor dat de deurknop in mijn oog was gekomen, door de brilleglazen heen!
Een grote gebeurtenis was het scheren, de volgende dag. De spiegel in de toiletruimte kon ik niet gebruiken, want er was geen mogelijkheid om mezelf zodanig schrap te zetten dat ik aan de gang kon gaan als Gipsy Moth zo sterk helde. Ik gebruikte dus een emmer om in de doorloop op te zitten en nam een handspiegel. Ik vertel dit omdat sommigen denken dat het alleen maar een kwestie is van een scheermes nemen onder het zeilen en er dan verbaasd over zijn waarom jachtzeilers zo slordig zijn!
De zware lagers van het stuurapparaat schenen behoorlijk veel speling te hebben; ik was niet al te gerust over de hele inrichting. Zoveel ervan zou defect kunnen raken.
Ondanks mijn poging orde te scheppen in de eierenhuishouding, ging niet alles goed in de eierendoos. Ik kon de stank in de kajuit niet meer harden en sleepte de doos dus maar naar de kuip, waar ik in het achterluik een hoekje vrij vond. Een doos met veertien dozijn eieren, bedorven of niet, is geen al te handig object om in ruw weer in een bootje te versjouwen. Ik geloof dat dit grote (te grote) pak op weg naar de boot voor het vertrek gevallen moet zijn en dat de lucht grotendeels of misschien zelfs geheel afkomstig was van daarbij gebarsten eieren. De partij hield het nog twee dagen uit. De stank werd steeds erger en uiteindelijk zette ik de hele zaak overboord en keek de doos na, die op de oceaan al gauw niet meer dan een klein stipje was. Het gebeurt niet dikwijls dat men bijna veertien dozijn eieren moet weggooien. Het was een verlies.
Met dit verhaal over de eieren ben ik vooruitgelopen op de feiten van de dag. In de middag dat ik me schoor, gebeurde er iets vreemds.
Ik besloot het schip lens te pompen om te controleren of de pomp het nog goed deed. Ik verwachtte niet veel slagen te hoeven maken, omdat ik geregeld de waterhoogte naging, en die morgen was er bij mijn controle bijna niets. Ik begon ietwat werktuiglijk te pompen en ging door in een soort van dromerige toestand, tot ik me plotseling bewust werd dat ik al een hele tijd aan het pompen was. Ik dacht dat misschien een van de kleppen niet werkte en dat ik hetzelfde water steeds heen en weer aan het halen was. Ik ging naar voren om een stok te zoeken, waarmee ik de onderkant van de zuigpijp wilde klaren, en zag toen dat er water uit de toiletruimte kwam! Ik moet de inlaatkraan voor zeewater opengelaten hebben toen ik probeerde me daar te scheren en daarvandaan naar de hut vluchtte met het scheergerei. Van toen af had de open kraan rustig de boot laten vollopen.
Op de 32ste dag na mijn vertrek (28 september) was ik 1940 mijl verwijderd van de plaats waar ik op 40° breedte de meridiaan van Greenwich zou kruisen. Cutty Sark was op de 32ste dag 1900 mijl van dat punt af geweest. Ze had dus na 3 2 dagen zeilen een voorsprong op mij gehad van veertig mijl. Het werd veel kouder; wollen kleding begon nodig te worden. Ik merkte dat Antarctica zich deed voelen.
Na mijn moedgevende berekening betreffende Cutty Sark, op 28 september, begon de volgende dag slecht, en wel met de ontdekking dat het kastje van de bank aan bakboord achter vol water zat. Ik begreep dat dit het gevolg moest zijn van het feit dat de grote giek tijdens een zeilwisseling heftig had gezwaaid, waardoor de bulletalie een leioog gedeeltelijk uit het dek moest hebben losgetrokken. Het trof niet dat die kast vol boeken zat; die waren nu allemaal aangetast. Bij wijze van voorzorgsmaatregel pompte ik nog eens en telde dat het vijfendertig slagen kostte om lens te pompen. Hopelijk was er nog water bij van het toilet, dat zijn weg naar achteren nog niet gevonden had toen ik de vorige dag pompte. Na dat werk merkte ik dat ik mijn broek steeds moest ophijsen. Ik nam de maat van mijn middel en zag dat dit was afgeslankt tot 78cm – nogal vrouwelijk. Ongetwijfeld was ik magerder geworden, dat verwonderde me niet, maar ik wou dat ik meer eetlust had. Enkele maaltijden nuttigde ik met plezier, maar er waren vele dagen waarop ik niets voor eten voelde en mezelf dan min of meer moest forceren om iets naar binnen te krijgen. Ik gunde mezelf een glas gin, wat beslist fout was, daar gin meestal een bui en hard dekwerk uitlokte.

Dit is de kajuit onder een hoek van 35 graden naar stuurboord.
Tijdens mijn reis heb ik eens acht dagen achtereen in deze toestand
geleefd.
Dit glas hield zich aan die traditie, want er kwam een stormvlaag vanuit 160°, ruwweg zuidzuidoost, en een verschrikkelijke zee. De wind kwam uit de hoek waarheen ik gaan moest, dus ik kon er vooreerst niet veel aan doen. Ik probeerde in bed te blijven, maar werd eruit gedwongen door kramp in mijn rechterbeen. Ik had genoeg van het soort narigheden die de gin en de champagne voor mij hadden opgepot, en schonk mezelf toen voor de afwisseling een glas cognac in, heet, en ‘met’. Ik kan me niet herinneren wat Jorrocks met dat ‘met’ bedoelde, maar ik denk dat het suiker en citroen was. In ieder geval was mijn brouwsel een uitermate goed drankje om ervan op te kikkeren. De vlaag bedaarde wat, maar het was nog steeds een ruwe zee en we sukkelden voort onder een gereefde bezaan en de stormfok.
De cognac gaf me moed om wat werk te doen. Ik vette twee lieren in, die ‘s nachts hun werk niet naar behoren hadden gedaan en smeerde ze. Ook bevestigde ik een nieuw koord aan de stuurinrichting. Dit was urgent werk, want zowel de lieren als de stuurinrichting hadden me in het nachtelijk gevecht uiterst dwars gezeten. De situatie was zodanig dat ik dacht dat het niet de moeite zou lonen om overstag te gaan, dus ging ik naar binnen. Toen het schip zichzelf door de wind bracht, maakte de klap me echter wakker. Het geratel en geklapper kon in de nacht hard genoeg klinken om een olifant in paniek te brengen. Ik zwaaide een lijflijngordel om me heen en kwam op blote voeten in pyjama aan dek; tijd om me verder aan te kleden had ik niet.
Omdat de voorzeilen bak stonden, besloot ik de situatie te aanvaarden en het jacht over stuurboord te laten. Geen van de lieren wilde werken.
Daarna weigerde de stuurinrichting te draaien. De stuurvin lag hard aan boord en mijn meest herculische pogingen konden hem niet midscheeps krijgen. Ik moest met de stuurtakels werken om het schip weer op gang te krijgen, terwijl ik het stuurapparaat tegelijkertijd onder handen nam. Dit was moeilijk, want het apparaat was verbonden met de helmstok, en de helmstok, die onder een zeer zware druk stond, kon zelfs met stuurrepen nauwelijks worden bediend. Al die tijd worstelde ik bovendien met schijnwerpers, een om te zien wat er met de stuurinrichting aan de hand was, een andere voor de gebruikelijke dekverlichting. Intussen viel dan nog een lege fles van de kuiprand en kwam terecht op mijn voet (wat me een blauwe teen opleverde).
Dit laatste incident deed me goed, want het toonde de absurditeit aan dit alles te ernstig op te vatten. Al met al kon ik dus nauwelijks verwonderd zijn over het gewichtsverlies.