XIX. Het oordeel van de Quiru
Die ochtend leek de hele wereld verstild. De
bark voer langzaam terug naar Sark. Niemand sprak en niemand keek
om naar die grote witte stoomkolom die langzaam en statig naar de
hemel steeg.
Carse voelde zich verdoofd, alsof elke emotie uit hem was
weggezogen. Hij had toegestaan dat de wraak van Rhiannon hem had
gebruikt en hij kon zich nog niet helemaal dezelfde voelen. Hij
wist dat iets op zijn gezicht was achtergebleven, want de andere
twee keken niet in zijn ogen of verbraken de stilte niet.
Een enorme menigte had zich aan de havenkant van Sark verzameld en
ook daar regeerde de stilte. Het was alsof al die mensen al een
hele tijd naar Caer Dhu hadden staan kijken en zelfs nu, nadat de
vernietigingsgloed de hemel had verlaten, staarden ze nog met
bleke, angstige gezichten in die richting.
Carse keek uit over de zee en zag de schepen van Khond met de
zeilen slap tegen de masten ver in zee dobberen en hij wist dat de
verschrikkelijke gloed ook de Zeekoningen tot wachten had
gedwongen.
De zwarte bark gleed naar de aanlegplaats aan de paleistrap-pen. De
menigte stormde voorwaarts toen Ywain aan land stapte. De mensen
spraken verward onder elkaar maar hun stemmen klonken verrassend
gedempt.
Ywain sprak hen toe: 'Caer Dhu en het Serpent zijn verdwenen ...
vernietigd door heer Rhiannon.'
Ze keerde zich instinctief naar Carse en de ogen van die enorme
mensenmassa bleven op hem rusten toen het nieuws zich verspreidde.
Het gefluister groeide aan tot een enorme kreet van
dankbaarheid.
'Rhiannon! Rhiannon de Verlosser!'
Hij was niet langer de Vervloekte, althans niet meer voor deze
Sarks. En voor het eerst besefte Carse hoezeer de Sarks, de
bondgenoten hadden gehaat die Garach hen had opgedrongen.
Hij liep met Ywain en Boghaz naar het paleis en voelde met een
groeiend gevoel van diep ontzag hoe het aanvoelde een god te
zijn.
Ze traden binnen in de donkere, koele zalen en het was alsof een
stinkende schaduw het paleis had verlaten. Ywain aarzelde even bij
de deur van de troonzaal alsof ze nu pas besefte dat ze thans in de
plaats van Garach heerste.
Ze wendde zich tot Carse en zei: 'Als de Zeekoningen nu nog
aanvallen
'Dat zullen ze niet. . . niet vóór ze weten wat er gebeurd is. We
moeten Rold vinden... als hij nog leeft.'
'Hij leeft nog,' zei Ywain. 'Nadat de Dhuvianen hem tot spreken
hadden gedwongen, hield mijn vader hem als gijzelaar om hem voor
mij uit te wisselen.'
Tenslotte vonden ze de Heer van Khondor vastgeketend in een kerker
diep onder de paleismuren. Hij was weggeteerd en zijn lijden had
hem getekend, maar hij had nog steeds de kracht om zijn rode hoofd
op te heffen en Ywain en Carse toe te bijten: 'Demon . . .
Verrader. Komen jij en je hellekat me eindelijk doden?'
Carse vertelde hem echter het verhaal van Caer Dhu en Rhiannon en
hij zag hoe Rold's gelaatsuitdrukking langzaam veranderde van wilde
wanhoop in verbaasde en ongelovige vreugde.
'Je vloot ligt onder leiding van IJzerbaard voor Sark,' besloot
Carse. 'Wil je de Zeekoningen van het gebeuren in kennis stellen en
ze tot onderhandelingen overhalen?' 'Natuurlijk,' zei Rold. 'Bij de
goden, zo vlug mogelijk!' Hij staarde hoofdschuddend naar Carse.
'Deze laatste dagen lijken wel vreemde, gekke dromen! En nu ... En
dat terwijl ik je graag eigenhandig zou hebben gedood in de Grot
der Wijzen!'
Het was nu kort na zonsopgang. Tegen de middag vergaderde de raad
van de Zeekoningen in de troonzaal, met Rold aan het hoofd. Emer,
die geweigerd had in Khondor achter te blijven, was er
ook.
Ze zaten allen aan een lange tafel. Ywain zat op de troon en Carse
stond apart van hen allen. Zijn gezicht stond strak en moe en
vertoonde nog steeds die vreemde, haast goddelijke glans.
Op een toon die geen tegenspraak duldde, zei hij: 'Er hoeft nu geen
oorlog te komen. Het Serpent is verdwenen en zonder de Dhuvianen
kan Sark niet langer zijn buren onderdrukken. De horige steden
zoals Jekkara en Valkis zullen vrij zijn. Het rijk van Sark bestaat
niet meer.'
IJzerbaard sprong op en schreeuwde woest: 'Dan hebben we eindelijk
onze kans om Sark voor eeuwig te vernietigen!' Ook andere
Zeekoningen sprongen op. Thorn van Tarak betuigde zijn instemming
het luidst. Ywain's hand sloot zich om het gevest van haar
zwaard.
Carse deed met woest fonkelende ogen een stap voorwaarts: 'Ik zeg
dat er vrede moet zijn! Moet ik Rhiannon oproepen om mijn woorden
kracht bij te zetten!'
Ze werden stil, verschrikt door zijn bedreiging en Rold beval hen
te gaan zitten en te zwijgen.
'Er is genoeg gevochten en er is genoeg bloed vergoten,' zei hij
zwaar. 'In de toekomst kunnen we de Sarks als gelijken ontmoeten.
Ik ben de Heer van Khondor en ik zeg dat Khondor vrede zal
sluiten!'
De Zeekoningen zaten nu gevangen tussen Carse's dreigement en
Rold's beslissing en één voor één stemden ze in. 'De slaven moeten
bevrijd worden ... Mensen, zowel als Halflingen,' zei Emer toen
beslist.
'Dat zal gebeuren,' knikte Carse.
'Er is nog een andere voorwaarde,' zei Rold die Carse met
onverschrokken beslistheid aankeek. 'Ik heb gezegd dat we vrede
zullen sluiten met Sark, maar niet als Sark nog geregeerd wordt
door Ywain... ook al stuur je vijftig Rhiannons op ons
af!'
'Ja!' schreeuwden de Zeekoningen die Ywain als
wolven aanstaarden. 'Dat is ook onze voorwaarde.'
Het werd even stil en toen kwam Ywain overeind uit de
grote troon. Haar gezicht stond trots en somber.
'Ik aanvaard die voorwaarde,' zei ze. 'Ik wens niet te
heersen over een Sark dat niet langer een wereldrijk is. Ik
haatte het Serpent zoals jullie. .. Maar het is nu te laat
voor me om koningin te zijn van een miezerig vissersdorpje.
Het volk mag een ander heerser kiezen.'
Ze kwam van het podium af en stapte naar een raam waar ze met
kaarsrechte rug over de haven uitkeek. Carse keerde zich tot de
Zeekoningen: 'De overeenkomst is dus geldig.'
'Ze is geldig,' antwoordden ze allemaal. Emer had vanaf het begin
van de vergadering Carse met haar elfenblik strak aangekeken en
kwam nu bij hem staan. Ze legde haar hand op de zijne. 'En waar is
uw plaats in deze nieuwe wereld?' vroeg ze zacht.
Carse keek een beetje verdoofd op haar neer. 'Ik heb nog niet de
tijd gehad om daarover na te denken.'
Maar die tijd was gekomen. Dat wist hij. En hij kon geen besluit
nemen. Op deze wereld zou niemand hem als een man aanvaarden zolang
hij de schaduw van Rhiannon in zich meedroeg. Hij zou
waarschijnlijk geëerd worden, maar de sluipende vrees voor de
Vervloekte zou blijven bestaan en hij zou nooit één van hen kunnen
worden. Teveel eeuwen van haat waren met die naam
verweven.
Rhiannon had zijn zonde uitgeboet, maar in de geschiedenis van Mars
zou hij als de Vervloekte blijven voortbestaan. En voor de eerste
keer sinds Caer Dhu, bewoog de donkere invaller zich in zijn brein
alsof hij wou antwoorden op Carse's dilemma. De gedachten stem
fluisterde in Carse's geest: 'Ga terug naar de
tombe waar ik je zal verlaten want ik wil mijn broeders volgen.
Daarna ben je vrij. Ik kan je over het pad terug leiden naar je
eigen tijd als je dat wenst. Of je kunt hier blijven.'
En nog steeds kon Carse geen besluit nemen. Hij hield van dit
groene en vriendelijke Mars. Maar terwijl zijn blik weggleed van de
Zeekoningen die op zijn antwoord wachtten, en door het raam achter
hen, op de Witte Zee en de moerassen ging rusten, besefte hij
opeens dat dit zijn wereld niet was, dat hij er nooit echt zou
kunnen aarden. Op den duur opende hij zijn mond en toen hij sprak
zag hij hoe Ywain vanuit de schaduwen naar hem keek.
'Emer en de Halflingen wisten dat ik niet van uw wereld ben. Ik ben
door ruimte en tijd gekomen langs het pad dat verborgen ligt in
Rhiannon's tombe.'
Hij pauzeerde even om dat te laten bezinken, maar ze keken niet erg
verbaasd. Na wat er gebeurd was, geloofden ze alles van hem, al
ging zijn verklaring hun bevattingsvermogen te boven.
'Een man wordt geboren en in die wereld hoort hij thuis,' zei Carse
zwaar. 'Daarom ga ik terug naar mijn eigen wereld.' Hij zag dat de
Zeekoningen opgelucht waren hoewel ze beleefd
protesteerden.
'Moge de zegen van de goden daar op je rusten, vreemdeling,'
fluisterde Emer en ze kuste hem teder op de lippen. Toen liep ze
samen met de jubelende Zeekoningen de troonzaal uit. Boghaz was ook
in het gedrang verdwenen en alleen Carse en Ywain bleven over in de
grote lege zaal. Hij ging naar haar toe en keek in haar ogen die
zelfs nu hun oude vuur niet verloren hadden. 'En waar ga jij nu
naartoe?' vroeg hij.
'Ik ga met jou mee als je me mee wilt nemen,' antwoordde ze
stil.
'Hij schudde zijn hoofd. 'Nee. Jij zou niet kunnen leven in mijn
wereld, Ywain. Het is een wrede en bittere plaats, oeroud en op
sterven na dood.'
'Dat doet er niet toe. Mijn wereld is ook dood.' Hij legde zijn
handen op haar schouders, die sterk aanvoelden onder haar
maliënkolder. 'Je begrijpt het niet... Ik ben van ver gekomen, door
de tijd heen. Een miljoen jaren.' Hij zweeg want hij wist niet goed
hoe het haar te vertellen.
'Kijk eens naar buiten. En denk eraan hoe het zal zijn als de Witte
Zee niets meer dan een zandwoestijn zal zijn... als het groen van
de heuvels zal zijn verdwenen, de witte steden verkruimeld en de
rivierbeddingen droog.'
Ywain begreep hem en zuchtte: 'Niets ontkomt aan ouderdom en dood.
En de dood zal me vlug genoeg vinden als ik hier blijf. Ik ben een
uitgestotene en mijn naam wordt even diep gehaat als die van
Rhiannon.'
Hij wist dat ze niet bang was van de dood, maar dat ze gewoon dat
argument gebruikte om hem te vermurwen.
En tegelijkertijd had ze gelijk.
'Zou je gelukkig kunnen zijn, met de herinneringen aan je eigen
wereld die je zullen blijven achtervolgen bij elke stap?' vroeg
hij.
'Ik ben nooit gelukkig geweest,' antwoordde ze, 'en daarom zal ik
deze wereld niet missen. 'Ze keek hem openlijk aan. 'Ik wil het
risico lopen. En jij?'
Zijn vingers drukten in haar schouders. 'Ja,' zei hij hees, 'ja ik
ook.'
Hij nam haar in zijn armen en kuste haar. Toen ze zich zacht
losmaakte, fluisterde ze met een schuwheid die helemaal nieuw was
in haar: 'De 'Heer Rhiannon' sprak de waarheid toen hij me plaagde
met de Barbaar!'
Ze zweeg even en voegde er toen aan toe. 'Ik geloof dat de wereld
waarin we zullen leven niet zoveel belang heeft, zolang we maar
samen zullen zijn.'
Dagen later kwam de Zwarte Galei in de haven van Jekkara aan en
beëindigde haar laatste reis onder de vlag van Ywain van
Sark.
Zij en Carse kregen een ongewone begroeting. De hele stad was
samengestroomd in het havengebied om de vreemdeling te zien die ook
de Vervloekte was en de Koninklijke Hoogheid van Sark die niet
langer een vorstin was. De menigte hield zich eerbiedig op afstand
en juichte de vernietiging van Caer Dhu en het Serpent toe, maar
voor Ywain had ze geen welkomstwoorden.
Slechts één man stond op de kaai bij het schip om hen te begroeten.
Het was Boghaz . .. maar een bijzonder schitterende Boghaz, gekleed
in fluweel en beladen met juwelen en een gouden kroon.
Op de dag van de beraadslaging was hij uit Sark verdwenen met een
eigen opdracht en blijkbaar was hij daarin geslaagd. Hij boog met
overdreven hoofsheid voor Carse en Ywain.
'Ik ben naar Valkis gegaan,' zei hij. 'Het is opnieuw een
vrije stad. En wegens mijn onnavolgbare moed in het helpen
vernietigen van Caer Dhu ben ik tot koning gekozen.' Hij straalde
van vreugde en voegde er met een samenzweer-dersgrijns aan toe: ik
heb er altijd van gedroomd dat ik ooit een koningsschat zou
roven.'
'Maar,' vermaande Carse hem, 'het is nu toch jouw schat?'
Boghaz schrok. 'Bij de goden, dat is waar!' Hij rechtte zijn
mollige rug en werd plotseling ernstig, ik merk dat ik in Valkis
streng zal moeten optreden tegen dieven. Er zullen zware straffen
staan op elke misdaad tegen het eigendom ... in het bijzonder tegen
koninklijke bezittingen!'
'Prijs jezelf gelukkig,' zei Carse bedaard, 'datje zo vertrouwd
bent met al die afschuwelijke en achterbakse
dieventruuks.'
'Dat is waar,' zei Boghaz bescheiden, ik heb altijd beweerd dat
kennis een achtenswaardig iets is. Kijk nu maar hoe mijn puur
akademische studie van de wetteloze leden in de maatschappij me nu
zullen helpen mijn volk te beschermen!'
Hij begeleidde hen door Jekkara tot ze opnieuw het open land achter
de stad bereikten. En toen nam hij afscheid. Hij trok een ring van
zijn vingers die hij in Carse's hand drukte. Tranen biggelden op
zijn dikke wangen.
'Draag dit, oude vriend, zodat je je Boghaz zult herinneren die
jouw stappen wijs heeft gericht in een vreemde wereld!' Hij draaide
zich overmand door emotie om en wankelde weg. Carse zag hoe zijn
dikke gestalte werd opgeslokt door de gebouwen van de stad waar ze
elkaar voor het eerst hadden ontmoet.
Helemaal alleen beklommen Carse en Ywain nu de heuvels boven
Jekkara, tot ze uiteindelijk bij de tombe kwamen. Ze stonden samen
op de rotsrichel en keken uit over de beboste heuvels en de
gloeiende zee en de verre torens van de witte stad in het
zonlicht.
'Ben je er nog steeds zeker van, dat je dit alles wilt
achterlaten?' vroeg Carse.
'Ik heb hier geen plaats meer,' antwoordde ze droevig. 'Ik wil deze
wereld achterlaten zoals hij mij wil achterlaten.'
Ze draaide zich om en ging zonder aarzeling in de donkere tunnel.
Ywain de Trotse, die zelfs de goden niet konden breken. Carse ging
haar achterna met een brandende toorts in zijn handen.
Ze liepen door de echoënde gewelven en toen door de deur met de
ingegrifte vloek van Rhiannon in de binnenkamer waar het
toortslicht de duisternis verdreef... de ondoordringbare duisternis
van die vreemde scheur in het ruimtetijd continuüm.
Op het laatste ogenblik toonde Ywain's gezicht enige angst en greep
ze de hand van de Aardling. Voor hen zwermden de kleine,
glinsterende deeltjes rond, in de schemer van de tijd zelf. De stem
van Rhiannon sprak in Carse en hij stapte voorwaarts in de
duisternis terwijl hij Ywain's hand stevig vasthield.
Dit keer viel hij eerst niet halsoverkop in het niets. De wijsheid
van Rhiannon leidde hen op een veilig pad. De toorts doofde uit en
Carse liet haar vallen. Zijn hart bonsde en hij was blind en doof
in die geluidloze vortex van kracht. Opnieuw sprak Rhiannon:
'Zie nu met mijn geest wat uw mensenogen eerder
niet konden zien.'
De kloppende duisternis week terug, op een manier die niets te
maken had met licht of zien. Carse keek op Rhiannon neer.
Zijn lichaam lag in een kist van donker kristal die van binnen
gloeide met een verborgen kracht die hem daar voor eeuwig hield
alsof hij bevroren was in het hart van een juweel.
Carse kon door de bewolkte substantie vaak de naakte vorm van een
lichaam zien dat meer dan menselijke kracht en schoonheid bezat.
Het was zo intens geladen met vitaal en instinctief leven dat het
een verschrikkelijke straf leek om het gevangen te houden in een
dermate nauwe plaats. Het gezicht was ook knap, donker, gebiedend
en bewogen, zelfs nu de ogen gesloten waren alsof het lichaam dood
was.
Maar op die plek kon geen dood bestaan, want ze stond buiten de
tijd en zonder tijd is er geen verval. Rhiannon had hier de hele
eeuwigheid moeten liggen, met voor immer de herinnering aan zijn
zonde in zijn geest.
Terwijl hij toekeek, besefte Carse dat het vreemde wezen zich zeer
zacht en voorzichtig uit zijn geest had teruggetrokken. Zijn geest
had nog contact met Rhiannon's geest maar het vreemde dualisme was
geëindigd. De Vervloekte had hem verlaten.
Maar door de empathie die zolang tussen beide geesten die een hele
tijd één waren geweest, had bestaan hoorde Carse Rhiannon's
hartstochtelijke roep .. . Het was een mentale schreeuw die
uitdeinde over het pad door ruimte en tijd.
'Mijn broeders van de Quiru, hoort mij aan! Ik
heb mijn oude misdaad uitgewist!'
En opnieuw schreeuwde hij met al die wilde kracht van zijn wil. Er
volgde een periode van stilte en van absolute leegte, maar toen
voelde Carse geleidelijk de nabijheid van krachtige, ernstige,
bezonken geesten.
Hij zou nooit weten van welke ene wereld ze gekomen waren. Lang
geleden hadden de Quiru langs dit pad het universum verlaten en
waren doorgedrongen tot kosmische regionen die voor altijd buiten
het menselijke bevattingsvermogen zouden liggen. En nu waren ze als
antwoord op Rhiannon's roep voor slechts korte tijd teruggekeerd.
Carse zag vaag hoe schaduwachtige, goddelijke vormen zich
materialiseerden als glinsterende rook in de schemer.
'Laat me met jullie meegaan, broeders! Want ik
heb het Serpent vernietigd en mijn zonde is
uitgewist!'
Het was alsof de Quiru nadachten en in Rhiannon's hart naar de
waarheid polsten. Uiteindelijk stapte één gedaante voorwaarts
en legde haar hand op de kist. De subtiele
vuren doofden.
'Het is ons besluit dat Rhiannon vrij mag
gaan.'
Carse voelde een lichte duizeling. De scène begon te vervagen. Hij
zag Rhiannon opstaan en naar zijn broeders gaan. Zijn lichaam werd
schaduwachtig naarmate hij vorderde. Hij draaide zich nog één keer
om naar Carse en zijn ogen waren nu open en vervuld van een vreugde
die te groot was voor menselijk begrip.
'Bewaar mijn zwaard, Aardling... en draag het
met fierheid want zonder jou had ik Caer Dhu nooit kunnen
vernietigen!'
Carse ontving dat laatste
bevel terwijl hij vocht tegen de opkomende flauwte. En terwijl hij
met Ywain door de donkere vortex wankelde en thans met
nachtmerrieachtige snelheid door die bizarre schemer viel, hoorde
hij de echo van Rhiannon's laatste vaarwel nog in zijn oren
gonzen.