IV. Een gevaarlijk geheim
Maar de deur waar Carse tegenaan leunde ging
abrupt naar binnen open. Hij wankelde achterwaarts de donkere kamer
binnen.
Hij vocht om zijn evenwicht te bewaren terwijl de deur weer werd
dichtgeslagen. Hij hoorde een zware grendel vallen en een
vergenoegd geknor naast hem.
'Dat zal hen even ophouden. Maar we moeten opschieten, Khond. De
soldaten van Sark hebben die deur vlug genoeg open.'
Carse draaide zich met opgeheven zwaard om, maar zijn ogen waren
nog niet gewend aan de duisternis in de kamer. Hij rook touw, teer
en stof, maar hij zag niets. En toen werd er woest op de deur
gebonkt. Carse's ogen begonnen aan de duisternis te wennen en hij
zag een vormeloze, zwaarlijvige figuur naast zich. De man was groot
en vlezig en zag er helemaal niet gehard uit. Het was een Martiaan
met een kilt die belachelijk frivool leek door zijn zware figuur.
Zijn gezicht was als een volle maan en gerimpeld in een
bemoedigende grijns. Zijn kleine ogen keken onbevreesd naar Carse's
opgeheven zwaard. 'Ik ben geen Sark en evenmin Jekkaraan,' zei hij
sussend. 'Ik ben Boghaz Hoi van Valkis en ik heb zo mijn eigen
redenen om een man uit Khond te helpen. Maar we moeten dringend
weg.'
'Waar naartoe?' Carse moest zich dwingen om te spreken.
Zijn adem raspte nog altijd pijnlijk.
'Naar een veilige plaats. 'De ander zweeg toen het bonken opnieuw
en luider begon. 'Dat zijn de Sarks. Ik ga. Kom met me mee of blijf
hier, Khond.'
Hij draaide zich om en liep naar het einde van de donkere kamer.
Hij bewoog zich verrassend licht en lenig voor zo'n dikke man. Hij
keek niet naar Carse om. Maar die had geen keus. Hij was nog altijd
half verdoofd en zeker niet in staat het hoofd te bieden aan die
geharnaste soldaten en die menigte buiten. Hij volgde Boghaz Hoi.
De Valkisiaan schraapte tevreden zijn keel toen hij zijn
omvangrijke lichaam aan het andere einde van de kamer door een
klein open raam duwde.
'Ik ken elk rattenest in dit havenkwartier. Toen ik zag datje met
de rug tegen de deur van die ouwe schurk van een Taras Thur stond,
ging ik eenvoudig achterom en liet je binnen. Ik kaapte je vlak
voor hun neus weg!'
'Maar waarom?' vroeg Carse opnieuw.
'Dat zei ik toch al. Ik voel sympathie voor de Khonds. Ze zijn mans
genoeg om zich te verdedigen tegen de Sarks en dat vervloekte
Serpent. Ik help een Khond als ik kan.'
Die uitleg betekende niets voor Carse. Maar hoe kon het ook? Hoe
kon hij iets weten van de haat en de passies van dit Oude
Mars?
Want hij zat nu voorgoed gevangen op dit Mars van het verre
verleden en hij moest zijn weg zoeken als een onwetend kind. Eén
ding was in ieder geval zeker: die menigte daarbuiten had hem
willen doden.
Ze hadden hem aangezien voor een Khond. Niet alleen die Jekkaranen,
maar ook die vreemde slaven ... die halfmen-sen met hun gebroken
vleugels en die geketende wezens met hun vacht. Ze hadden hem
aangemoedigd vanaf de galeien. Carse rilde. Tot dan toe was hij te
veel in de war geweest om na te denken over het anderszijn van die
niet helemaal menselijke slaven.
En wie waren dan die Khonds?
'Hierlangs,' zei Boghaz Hoi en Carse schrok op uit zijn
gedachten.
Ze waren door een schaduwrijk labyrinth van stinkende steegjes
gelopen en de dikke Valkisiaan ging nu door een smalle deur een
smerige hut binnen. Carse volgde hem. Hij hoorde het gefluit van de
klap in het donker en probeerde hem te ontwijken, maar het was te
laat. De schok explodeerde als een sterrenregen in zijn hoofd en
hij voelde nog hoe zijn gezicht tegen de ruwe vloer terecht
kwam.
Hij werd wakker toen een flikkerend licht in zijn ogen scheen. Een
kleine bronzen lamp brandde op een stoel naast hem. Hij lag op de
vuile vloer van de hut en toen hij zich probeerde te bewegen merkte
hij dat zijn polsen en enkels aan stokken in de grond waren
vastgebonden. Een misselijk makende pijn scheurde door zijn hoofd
en hij liet het zakken. Er klonk geschuifel achter hem en Boghaz
Hoi knielde naast hem neer.
Er lag een trek van medelijden op het vollemaansgezicht van de
Valkisiaan.
'Ik ben bang dat ik wat te hard heb geslagen. Maar ik ben liever
voorzichtig met een gewapend man in het duister. Kun je en wil je
praten?'
Carse keek naar hem op en een oude gewoonte maakte het hem mogelijk
zijn razernij te bedwingen. 'Waar wil je over praten?' vroeg
hij.
'Ik ben een open en rechtschapen man,' antwoordde Boghaz. 'Toen ik
je van die menigte redde was dat alleen maar om je te
beroven.'
Carse zag dat Boghaz zijn versierde riem en zijn halssnoer aan zijn
nek droeg. De Valkisiaan merkte zijn blik en bevingerde de
voorwerpen liefdevol met zijn plompe hand.' 'En zodoende,' ging hij
verder, 'kon ik. .. dit even nader bekijken.' Hij knikte naar het
kostbare zwaard dat tegen de kruk leunde. Het glansde in het
lamplicht. 'Heel wat mensen zouden slechts een knap gemaakt zwaard
zien, maar ik ben een erudiet man. Ik herkende de symbolen op het
lemmet.' Hij leunde voorover naar Carse. 'Waar heb je het vandaan?'
Instinct waarschuwde Carse en hij loog: 'Ik heb het gekocht van een
handelaar.'
Boghaz schudde treurig het hoofd. 'Je liegt. Er zijn roestplekjes
op het lemmet en stofranden tussen het snijwerk. Het gevest is niet
opgepoetst. Een handelaar zou het nooit in die staat
verkopen.
'Nee, vriend, dat zwaard heeft een hele lange tijd in het donker
gelegen ... in een tombe. Om precies te zijn: de tombe van de
eigenaar. Rhiannon.'
Carse bleef onbeweeglijk liggen en keek naar Boghaz. En hij hield
niet van wat hij zag.
De Valkisiaan had een vrolijk gezicht. Samen met een fles wijn zou
hij een goede gezel zijn. Hij zou van iemand kunnen houden als van
een broer en het ten zeerste betreuren als hij genoodzaakt zou zijn
diens hart uit diens lijf te snijden.
Carse probeerde neutraal te kijken. 'Voor mijn part kan het
Rhiannons' zwaard zijn, maar ik kocht het van een
handelaar.'
Boghaz' kleine, roze mond vertrok zich teleurgesteld. Hij klopte
Carse zachtjes op de wang.
'Lieg alsjeblieft niet tegen me, vriend. Ik wordt ziek als er tegen
me wordt gelogen.'
'Ik lieg niet,' zei Carse. 'Je hebt nu mijn zwaard en mijn
kostbaarheden. Je hebt alles wat ik bezit. Je kunt tevreden zijn.'
Boghaz zuchtte. Hij keek Carse vriendelijk aan. 'Ken je
dan geen dankbaarheid? Heb ik je leven niet gered?'
'Dat was inderdaad een zeer edelmoedig gebaar,' zei Carse
sardonisch.
'Inderdaad,' antwoordde Boghaz ernstig. 'Als ik opgepakt wordt, dan
is mijn leven niet meer dàt waard.' Hij
knipte met zijn vingers. 'Ik heb die horde een pleziertje ontroofd
en het zou me niets helpen als ik ze vertelde dat je helemaal geen
Khond bent.'
Hij zei dat langs zijn neus weg, maar hij bekeek Carse sluw
vanonder zijn dikke oogleden.
Carse keek hem strak aan en zijn gezicht verraadde niets.
'Waarom denk je dat?'
Boghaz lachte. 'Geen Khond is stom genoeg om zijn gezicht te laten
zien in Jekkara. Dat is punt één. Punt twee: niemand zou naar
Jekkara komen als hij het geheim heeft gevonden waar Mars al eeuwen
naar zoekt.. . het geheim van de tombe van Rhiannon.'
Carse's gezicht verraadde nog altijd niets, maar hij dacht
razendsnel na. De ligging van de tombe was in deze tijd dus ook een mysterie, net als in zijn
toekomst!
Hij haalde zijn schouders op. 'Ik weet niets van Rhiannon of zijn
tombe.'
Boghaz kwam gehurkt naast Carse zitten en glimlachte hem toe, zoals
je een spelend kind toelacht.
'Mijn vriend, je bent niet eerlijk met me. Er is geen man op Mars
die niet weet dat de Quiru lang geleden onze wereld verlieten
omwille van wat Rhiannon, de Vervloekte, had gedaan. En iedereen
weet dat ze een geheime tombe hebben gebouwd voor ze weggingen . ..
een tombe waarin ze Rhiannon en zijn kennis hebben
opgesloten.
'Is het zo verwonderlijk dat de mens de kracht van een god
verlangt? Is het zo vreemd dat iedereen sindsdien naar de tombe
zoekt? En nu je het geheim hebt ontdekt, zou ik het je dan
kwalijk nemen als je het voor jezelf wilt houden?'
Hij klopte op Carse's schouder en glimlachte stralend. 'Dat is
volkomen normaal. Maar het geheim van de tombe is voor één man te
groot om te bewaren. Je hebt mijn intellect nodig om je te helpen.
Samen en mét het geheim kunnen we almachtig zijn op
Mars.'
'Je bent gek,' zei Carse zonder emotie. 'Ik heb geen geheim. Ik heb
het zwaard van een handelaar gekocht.'
Boghaz staarde hem lang en zeer droevig aan. Toen zuchtte hij
zwaar.
'Denk even na, mijn vriend. Is het niet beter gewoon alles te
vertellen voor ik je de waarheid met geweld ontruk?' 'Ik heb niets
te vertellen,' snauwde Carse. Hij wilde niet gemarteld worden. Maar
dat vreemde, waarschuwende instinct hield hem in een sterke greep.
Iets diep in hem waarschuwde hem niets te vertellen over het geheim
van de tombe.
En de dikke Valkisiaan zou hem waarschijnlijk toch doden als hij
het geheim verklapte om hem te beletten iemand anders in te
lichten.
Boghaz trok gelaten en droevig zijn dikke schouders op. 'Je dwingt
me wel om extreme maatregelen te nemen. En daar houd ik niet van.
Ik ben te zacht en te bang van natuur voor dit soort werk. Maar als
het werkelijk nodig is...' Hij greep naar iets in zijn gordeltas
toen beide mannen plotseling stemmen in de steeg hoorden en het
gekletter van sandalen.
Buiten schreeuwde een stem: 'Daar! Dat is het krot van dat varken van een
Boghaz!'
Een vuist hamerde zo hard op de deur dat de kleine kamer dreunde
als het binnenwerk van een trommel.
'Doe open, vette Valkisiaan!'
Zware schouders bonsden tegen de deur.
'Goden van Mars!' kreunde Boghaz. 'De stoottroepen van Sark
hebben ons gevonden!'
Hij greep het zwaard van Rhiannon en probeerde het te verbergen
onder het bed toen de verbogen planken van de deur braken en een
aantal gewapende mannen naar binnen stormde.