XVII. Caer Dhu

De enkele uren die daarop volgden waren een eeuwigheid van ondraaglijke spanning voor Carse. Hij eiste vertrekken voor zichzelf, met als voorwendsel dat hij alleen moest zijn om zijn plannen te ontwikkelen. Maar in plaats daarvan ijsbeerde hij doodnerveus door de kamer en leek bepaald ongoddelijk.
Maar misschien was hij wel geslaagd. De Dhuviaan had hem aanvaard. Hij hoopte dat het Slangenvolk misschien de verrassend sterke extrazintuigelijke krachten van de Zwemmers en het Luchtvolk miste.
Nu kon hij niets anders meer doen dan af te wachten tot de Dhuviaan terugkwam met de wapens, die aan boord van zijn schip laden en wegzeilen. Dat moest mogelijk zijn want niemand zou de plannen van Rhiannon in twijfel durven trekken of zelfs ernaar vragen en hij had nog de tijd ook. De vloot van de Zeekoningen lag voor Sark en wachtte tot alle schepen verenigd waren. Vóór de volgende ochtend zou er geen aanval komen ... en helemaal gèèn aanval als hij slaagde.
Maar een rauwe, primitieve zenuw in hem, trilde en rook gevaar en Carse werd teneergedrukt door een somber voorgevoel.
Hij liet Boghaz bij zich komen met als voorwendsel dat hij hem orders moest geven in verband met de galei. De echte reden was dat hij niet alleen kon blijven. De dikke dief was buiten zichzelf van genoegen toen hij het nieuws hoorde. 'We hebben het gehaald,' grijnsde hij en hij wreef in zijn handen van voldoening. 'Ik heb altijd gezegd, Carse, dat een hoge, bittere nood een man door alles heen kan loodsen. Ik, Boghaz, had het niet beter kunnen doen.'
'Ik hoop maar dat je gelijk hebt, zei Carse zuur. Boghaz keek hem zijdelings aan: 'Carse 'Ja?'
'En de Vervloekte zelf?'
'Niets. Geen teken. Ik maak me zorgen, Boghaz. Ik heb het gevoel dat hij wacht.'
'Als je de wapens in je handen hebt,' zei Boghaz veelbetekenend, 'zal ik bij je staan met een korvijnagel.' De kamerheer was zacht naderbij gekomen en berichtte hen dat Hishah uit Caer Dhu was teruggekeerd en een audiëntie met Rhiannon aanvroeg.
'Goed,' zei Carse en hij knikte kort naar Boghaz. 'Deze man komt met mij mee om het vervoer van de wapens te regelen.' De bolle wangen van de Valkisiaan verbleekten aanzienlijk maar hij moest Carse noodgedwongen volgen. Garach en Ywain waren in de troonzaal, samen met het in zijn zwarte kapmantel gehulde wezen uit Caer Dhu. Allen bogen toen Carse binnentrad.
'En?' vroeg Carse aan de Dhuviaan. 'Heb je mijn orders opgevolgd?'
'Heer,' zei Hishah zacht, 'ik heb het advies van de Ouderen gevraagd en ze zenden u het volgend bericht. Als ze hadden geweten dat Heer Rhiannon was teruggekeerd, dan zouden ze zijn instrumenten niet hebben aangeraakt. Nu zijn ze bang om ze opnieuw te verplaatsen, omdat ze door onwetendheid schade zouden kunnen veroorzaken.
'Daarom, Heer, smeken zij u om zelf het vervoer te regelen. Ook zijn ze hun liefde voor Rhiannon niet vergeten, wiens lering hen uit het stof heeft verheven. Ze willen u verwelkomen in uw oude koninkrijk in Caer Dhu want uw kinderen hebben lang in de duisternis vertoefd en zouden graag opnieuw het licht van Rhiannon's wijsheid, en zijn kracht kennen.'
Hishah boog diep. 'Heer, wilt u hen dit voorrecht schenken?
Carse bleef zwijgend staan en probeerde wanhopig zijn angst te verbergen. Hij kon niet naar Caer Dhu gaan! Hij durfde niet! Hoe lang zou hij zijn bedrog kunnen verbergen voorde kinderen van het Serpent, de oudste Bedrieger van allen? Voor zover hij iets verborgen had kunnen houden .. . want Hishah's zachte woorden roken naar een subtiele val.
En hij zat in die val en hij wist het. Hij durfde niet te gaan, maar nog minder durfde hij te weigeren.
'Ik zal graag aan hun bede voldoen,' zei hij. Hishah boog zijn hoofd in zwijgende dank. 'De voorbereidingen zijn al klaar, Heer. Koning Garach en zijn dochter zullen u vergezellen zodat uw gevolg aan uw status voldoet. Uw kinderen beseffen de dringendheid van deze zaak ... de sloep wacht.'
'Goed,' zei Carse die zich omdraaide en Boghaz met een stalen blik aankeek. 'Jij zult me ook vergezellen, man van Valkis. Ik zal je kunnen gebruiken voor het vervoer van de wapens.'
Boghaz begreep het. Eerder was hij al bleek geworden, maar nu werd hij krijtwit van pure verschrikking. Maar hij kon niets zeggen. Als een man die naar zijn terechtstelling gaat, volgde hij Carse uit de troonkamer.

De nacht lag donker en zwaar over de stad toen ze in een laag, zwart schip zonder zeilen of riemen van de paleiskaai wegvoeren. Wezens met mantels en kappen als Hishah staken lange palen in het water en de bark voer stroomopwaarts de riviermonding in.
Garach plofte neer in de kussens van sabelbont van een divan. Hij zag er beslist niet koninklijk uit met zijn trillende handen en lijkbleke gezicht. Zijn steelse blik bleef de gedaante van Hishah volgen. Het was duidelijk dat hij dit bezoek aan het hof van zijn bondgenoten niet bepaald een plezierreisje vond.
Ywain had zich zover mogelijk bij de boeg van de bark teruggetrokken. Ze staarde in de sombere duisternis van de moerassige kust. Carse vond dat ze er bedrukter uitzag dan ze ooit was geweest, toen ze nog een geketende gevangene was.
Ook Carse zat in zijn eentje, uiterlijk wel erg heerszuchtig en magnifiek, maar inwendig diep geschokt. Boghaz hurkte dicht bij hem en diens ogen waren de ogen van een ziek man. En de Vervloekte, de Echte Rhiannon, hield zich stil. Te stil. In die begraven hoek van Carse's geest was er geen beweging. Niets. Het was alsof de donkere banneling van de Quiru zich gedroeg als de andere opvarenden: teruggetrokken en wachtend.
De tocht op het estuarium leek lang. Het water gleed met sissend gefluisterde vreugde langs de bark. De zwart geklede figuren bogen en zwaaiden over de palen. Nu en dan schreeuwde een vogel in het moeras. De nachtlucht was zwaar en drukkend.
En toen zag Carse in het licht van de twee kleine, lage manen, de verbrokkelde muren en wallen van een stad uit de mist opdoemen. Het was een oude, oeroude stad, omwald als een kasteel. Alle buitenwijken waren tot puin vervallen en alleen de centrale burcht was nog intact. Een flikkerende straling hing in de lucht om het fort. Carse dacht dat het zijn verbeelding was of anders een gezichtsbegoocheling, opgewekt door het maanlicht, het glanzende water en de bleke mist.
De bark voer naar een afbrokkelende kaai, meerde aan en Hishah sprong aan wal en boog terwijl hij op Rhiannon wachtte.
Carse liep koninklijk over de kaai met Garach, Ywain en de trillende Boghaz achter zich aan. Hishah volgde eerbiedig op zijn hielen.
Een zwart geplaveide straat, ingezakt en gebroken door de tand des tijds leidde naar de citadel. Carse zette er resoluut zijn voeten op. Nu was hij er zeker van dat een vaag, pulserend lichtweb Caer Dhu omhulde. Het overkoepelde de stad en glinsterde met een stalen glans, zoals sterrelicht in een vriesnacht.
De aanblik van dat web beviel hem niet. Toen hij dichterbij kwam, merkte hij dat het als een sluier voor de grote poort over de weg schoof en nu stond het hele gedoe hem nog minder aan.
Maar niemand sprak en niemand aarzelde. Er werd blijkbaar van hem verwacht dat hij de groep aanvoerde en hij durfde zijn onbekendheid met de aard van dit ding niet te verraden. Daarom dwong hij zich, met krachtige passen en zeker van zichzelf verder te lopen.
Thans was hij het glanzende web dicht genoeg genaderd om een vreemde prikkeling van krachten te voelen. Nog één stap zou hem in de sluier doen belanden. En toen fluisterde Hishah scherp in zijn oor: 'Heer! Bent u de Sluier vergeten, die bij aanraking doodt?'
Carse bleef doodstil staan. Een angstgolf daverde door hem heen en tegelijkertijd besefte hij dat hij een enorme blunder had begaan.
'Natuurlijk ben ik dat niet vergeten,' zei hij vlug.
'Nee, Heer,' mompelde Hishah, 'hoe zou u ook? U leerde ons het geheim van de sluier die de ruimte zelf op afstand slingert en Caer Dhu tegen elke aanval beschermt.' Carse wist nu dat het glanzende web een energetisch afweer-schild was, dermate krachtig dat het een ruimtebei vormde waardoor niets kon binnendringen.
Het leek ongelooflijk. Maar de wetenschap van de Quiru was ver gevorderd en Rhiannon had slechts kruimels ervan aan de voorouders van deze Dhuvianen onderwezen. 'Hoe zou u dat inderdaad kunnen vergeten?' herhaalde Hishah.
Er viel geen spottende ondertoon in zijn stem te bespeuren, maar Carse voelde dat die er toch was. De Dhuviaan stapte naar voren en stak zijn armen uit de wijde mouwen, als een signaal voor een bewaker achter de poort. De glans van de Sluier doofde boven de weg en liet een pad vrij.
Toen Carse zich omdraaide om verder te gaan, zag hij dat Ywain hem aanstaarde met een van verrassing vervulde blik, waarin de twijfel al begon te groeien. De grote poort zwaaide open en Heer Rhiannon van de Quiru werd ontvangen in Caer Dhu.

De oude zalen werden vaag verlicht door voorwerpen die op bollen gevangen vuur leken en die ver van elkaar op driepoten stonden. Ze gaven een koel, groenachtig licht af. De lucht was warm en de geur van het Serpent zweefde er zwaar doorheen. Carse voelde een brok van afschuw en misselijkheid in zijn keel groeien.
Hishah ging nu voor en dat was op zichzelf al een gevaarlijk teken omdat Rhiannon toch de weg hoorde te kennen. Maar Hishah zei dat hij graag de eer kreeg om zijn heer aan te kondigen en Carse kon niets anders doen dan zijn groeiende angst wegslikken en te volgen.
Ze kwamen nu op een groot, centraal plein, ingesloten door dermate hoog oprijzende, zwarte rotsmuren, dat het gewelf onzichtbaar werd in de schaduwen erboven. In het midden van het plein stond één enkele grote bol, die de zware schaduwen verlichtte.
Er was weinig licht voor mensenogen. Maar zelfs dat was te veel!
Want de kinderen van het Serpent hadden zich hier verzameld om hun heer te groeten. En hier, in hun eigen stad, verborgen ze zich niet in de kapmantels die ze droegen als ze onder de mensen kwamen.
De Zwemmers behoorden tot de zee en het Luchtvolk tot de wijdse hemel en ze waren mooi en volmaakt afgestemd op hun element. En nu zag Carse het derde pseudomenselijke ras van de Halflingen... de kinderen van de verborgen plekken, het angstaanjagend volmaakte nakomelingsschap van een andere grote levenstak.
Door die eerste, overdonderende schok van afschuw hoorde Carse nauwelijks dat Hishah de naam Rhiannon uitsprak. En het zachte, sissende welkomstsgeroep was niets anders dan een nachtmerrie die tongen had gekregen. Ze begroetten hem vanuit de hoeken van het plein en vanop de open galerijen erboven. Hun bodemloze ogen glinsterden en hun smalle, slangenhoofden bogen nederig. Ze hadden kronkelende lichamen die moeiteloos en soepel bewogen. Ze leken meer te glijden dan te lopen. Ze hadden handen met gewichtsloze en beweeglijke vingers en voeten die geen geluid maakten. Hun liploze monden waren onmenselijk wreed, verstard als ze leken in een eeuwig, stil gelach. Over dat enorme plein flinsterde een droog, ruw geritsel. Het was de lichte wrijving van huid die zijn oorspronkelijke schubben had verloren, maar de ruwheid van het slangenvel had bewaard.
Carse hief het zwaard van Rhiannon, als teken dat hij hun begroeting aanvaardde en dwong zich te spreken. 'Rhiannon is verheugd door deze begroeting van zijn kinderen.'
Hoorde hij een zacht, sissend geritsel van pret door de grote zaal? Hij kon er niet zeker van zijn want Hishah zei al: 'Heer, hier zijn uw oude wapens.'
Ze stonden in het centrum van dat lege plein. De geheimzinnige mechanismen die Carse in de tombe gezien had, waren er allemaal: het grote, platte kristallen wiel, de brede, gedraaide, metalen staven en al die andere dingen die glinsterden in het gedempte licht.
Carse's hart sprong op en begon heftig te bonzen. 'Goed,' zei hij. 'Er is weinig tijd. Breng alles aan boord van de bark, zodat ik onmiddellijk naar Sark terug kan varen.' 'Zeker, heer,' zei Hishah, 'maar wellicht wilt u alles eerst inspecteren om u ervan te overtuigen dat alles in orde is. Onze onwetende behandeling ... !
Carse ging naar de wapens en deed alsof hij ze grondig onderzocht.
Toen knikte hij.
'Er is geen schade aangericht. En nu ...' Hishah onderbrak hem met zalvende onderdanigheid: 'Zou u misschien zo goed willen zijn de werking van deze instrumenten te verklaren voor u weggaat? Uw kinderen hongeren nog altijd naar kennis.'
'We hebben geen tijd,' zei Carse kwaad. 'En jullie zijn wat jullie zeggen... kinderen. Jullie zouden het niet kunnen bevatten.'
is het mogelijk, heer,' vroeg Hishah zeer zacht, 'dat u de werking van deze instrumenten zélf niet begrijpt?'
Er viel een dodelijke stilte en de ijzige zekerheid dat hij verloren was, klauwde naar Carse's keel. Hij zag nu dat de rijen Dhuvianen achter hem waren opgedrongen. Er was geen ontsnappen mogelijk.
Garach, Ywain en Boghaz stonden ook in die cirkel. Garach's gezicht verraadde zijn geschokte verbazing en de Valkisiaan wankelde onder het gewicht van de nederlaag die hij verwacht had. Alleen Ywain was niet verbaasd of bang.
Ze keek Carse aan met de ogen van een vrouw die bang is, maar op een andere manier. Carse voelde dat ze bang was voor hem, dat ze niet wilde dat hij zou sterven. Carse deed nog een laatste vertwijfelde poging om zich te redden en schreeuwde woest.
'Wat betekent deze vrijpostigheid? Willen jullie dat ik mijn wapens opneem en hen tegen jullie gebruik?'
'Doe dat als je kunt,' zei Hishah zacht. 'Doe dat, valse Rhiannon, want alleen op die manier zul je ooit Caer Dhu kunnen verlaten.'