III. De stad uit het verleden
De weg naar de stad was lang. Carse hield er
flink de pas in. Hij probeerde niet het makkelijkste pad te vinden,
maar overwon alle obstakels op zijn weg. Hij week niet af van de
rechte lijn die naar Jekkara leidde. Zijn mantel hinderde hem en
hij wierp hem weg. Zijn gezicht vertoonde geen uitdrukking. Er liep
zweet over zijn gezicht, dat zich mengde met het zout van
tranen.
Hij wandelde tussen twee werelden. Hij liep door valleien die
sluimerden in de hitte van de zomerdag. Bebladerde takken van
vreemde bomen sloegen soms tegen zijn gezicht en er kwamen vlekken
op zijn sandalen van het sap van het vertrapte gras. Leven vluchtte
in allerlei vormen van hem weg. Gevleugeld, met ruige vachten en op
ranke poten . . . zacht bladergeritsel begeleidde hun vlucht. Maar
toch wist hij dat hij in een woestijn wandelde waar zelfs de wind
de namen van de doden waarvoor hij rouwde was vergeten.
Hij ging over hoge heuvelruggen en daar lag eindelijk de zee voor
hem. Hij kon het dreunen van de golven op het strand horen. En toch
zag hij alleen een enorme, dode vlakte met het eenzame stof dat in
lichte golven tegen de hoge riffen lag. De waarheden van dertig
jaar leven worden niet zo makkelijk uitgeschakeld.
De zon zonk langzaam naar de horizon. Toen Carse voorbij de laatste
richel boven de stad was, wandelde hij onder haar lage vlammenboog.
De zee was als een brandende poel toen de witte, fosforescerende
kleur door de wolken werd gekleurd. Carse keek intens gefascineerd
toe hoe het goud, het purper en het rood uit de hemel leken te
vallen en zich dan vermengden met het water.
Hij kon nu over de haven uitkijken. Hij zag duidelijk de marmeren
steigers. De kaaien die eenzaam onder de manen lagen en die hij zo
goed kende, gescheurd en afbrokkelend door de eeuwige inwerking van
het woestijnzand. Het waren dezelfde steigers en toch lag nu de zee
als een melkwitte spiegel tussen hen in.
Dikbuikige handelsschepen lagen tegen hun stenen muren en hij
hoorde het geluid van de stuwadoors en de zwetende slaven. Sloepen
voeren heen en weer tussen de schepen en buiten de haven zag hij de
vissersvloot van Jekkara naar huis komen, met vermiljoenkleurige
zeilen donker tegen de westelijke horizon.
Een lange, slanke en donkere oorlogsgalei met een bronzen stormram
hurkte als een verveelde, zwarte panter tegen één van de
paleiskaaien.. . dezelfde kaaien waar hij langs was gegaan toen hij
en Penkawr naar het zwaard van Rhiannon gingen. Naast de galei
lagen nog andere schepen. En boven hen verhieven zich de trotse,
witte torens van het paleis.
'Ik ben inderdaad teruggekomen naar het verre
verleden van Mars! Want dit is het Mars van een miljoen jaar
geleden, het Mars waar de archeologen van hebben
gedroomd!'
Een planeet met vijandige beschavingen die nauwelijks een
wetenschap hadden, maar die de legende kenden van de
superwetenschap van de Quiru, een ras dat vóór hun tijd bestaan
had.
'Een planeet uit het verre verleden en volgens
God's wetten is het onmogelijk dat een mens van mijn tijd haar kan
zien!'
Matthew Carse rilde alsof hij het
koud had. Traag ging hij naar beneden, naar de straten van Jekkara
en het was alsof de ondergaande zon de hele stad in bloed deed
baden.
En toen stond hij tussen de muren van Jekkara. Er danste mist voor
zijn ogen en er klonk gebrul in zijn oren, maar hij was zich bewust
van de nabijheid van mensen. Kleine, levendige mannen en vrouwen
passeerden hem in de nauwe straten, botsten soms tegen hem op,
gingen vlug voorbij, maar bleven toen staan en keken om. Ze waren
van hetzelfde ras dat hij had gekend: de donkere en katachtige
mensen van Jekkara, het Jekkara van de Lage Kanalen uit zijn tijd.
Hij hoorde de muziek van de harpen en het kristalheldere gefluister
van de kleine bellen die de vrouwen droegen. De wind beroerde zijn
gezicht maar het was een vochtige wind die warm en zwaar was van de
adem van de zee . .. Het was meer dan hij kon verdragen.
Hij ging verder, maar hij wist niet waarheen en met welk doel. Hij
ging verder omdat hij zich al bewoog en omdat hij niet meer wist
hoe te stoppen.
Voetje voor voetje ging hij door de straten van Jekkara als een tot
leven gekomen standbeeld of een behekste zombie: een grote, blonde
man met een zwaard in zijn handen. De stadsmensen keken hem aan. De
mensen van de havenkant, van de wijnzaken en de smalle, bochtige
steegjes. Ze ontweken hem en achter hem dromden ze bijeen. Ze
volgden en staarden hem aan.
Een eeuwendiepe kloof lag tussen hen in. Zijn kilt was gemaakt van
een vreemde stof die op een onbekende manier geweven en gekleurd
was. Zijn sieraden waren van een tijd en een land die ze nooit
zouden zien. En zijn gezicht was onbekend.
Die dingen hielden hen een tijdje tegen. De adem van het
ongelooflijke hing nog altijd om hem heen en maakte hen bang. Maar
toen fluisterde iemand een naam en iemand anders herhaalde hem en
in luttele seconden was er geen mysterie of angst meer ... alleen
haat.
Carse hoorde de naam, vaag alsof er vanop grote afstand naar hem
geschreeuwd werd. Maar het geluid groeide aan van een gefluister
tot een huilende kreet die wolfachtig door de straten
weerkaatste.
'Khond! Khond! Een spion van Khondor!' En toen een ander woord:
'Dood de Khond!'
Het woord 'Khond' betekende niets voor Carse, maar hij hoorde het
aan hun toon: het was een bijnaam en een vloek. De stem van de
massa droeg doodsdreiging in zich en hij probeerde zijn instinct
tot zelfbehoud tot leven te laten komen. Maar zijn brein was nog
altijd verdoofd en wou niet ontwaken.
Een steen raakte hem in het gezicht. De schok bracht hem een beetje
bij kennis. Er vloeide bloed in zijn mond. De zoutzoete smaak
vertelde hem dat ze hem probeerden te doden. Hij trachtte de
donkere gordijnen in zijn geest zover weg te duwen dat hij deze
nieuwe vijand kon zien. Hij stond nu op een soort marktplein voor
de haven. In de invallende duisternis gloeide de zee met een koud,
wit vuur. De masten van de gemeerde schepen staken er scherp tegen
af. Phobos rees aan de hemel en in het vale licht zag Carse hoe
wezens in het want van het schip kropen. Ze waren niet helemaal
menselijk want ze hadden een vacht en ze waren geketend.
En op de aanlegplaatsen zag hij twee slanke, zeer witte mannen met
vleugels. Ze droegen de lendendoek van de slaven en hun vleugels
waren gebroken. Het marktplein was nu vol mensen. Steeds meer
kwamen erbij uit de nauwe steegjes, aangelokt door de kreet
'spion'. Het geluid weerkaatste van de gebouwen en de naam
'Khondor' was als een zweepslag voor Carse. Hij hoorde plotseling
een gloedvolle schreeuw vanaf de steiger waar de gevleugelde slaven
en de geketende wezens toekeken.
'Heil Khondor! Vecht dan, man!'
Vrouwen begonnen als harpijen te krijsen. Weer floot een steen
langs zijn oor. De massa duwde en drong, maar de mensen die het
dichtst bij Carse stonden bleven op afstand en keken ongerust naar
het grote, versierde zwaard en het glinsterend lemmet.
Carse schreeuwde. Hij zwaaide het zwaard in een zoemende boog om
zich heen en de Jekkaranen met hun kortere zwaarden trokken zich
terug.
En toen hoorde hij weer van de steiger: 'Heil Khondor! Vervloekt
zij de Serpent en de Sarks! Vecht dan, Khond!' Hij wist dat de
slaven hem hadden geholpen als ze dat hadden gekund.
Een deel van zijn brein begon nu te werken. Het deel dat altijd
bezig was met overleving en daar heel wat ervaring in had. Hij was
slechts enkele passen verwijderd van de gebouwen achter zijn rug.
Hij draaide zich om en sprong plotseling voorwaarts terwijl zijn
zwaard een doodslied zong. Het staal beet twee keer in vlees en
toen stond hij al in de deuropening van de werkplaats van een
kaarsenmaker zodat ze hem alleen van voren konden aanvallen. Het
betekende maar een klein voordeel, maar elke seconde die hij in
leven kon blijven was een seconde gewonnen. Hij bouwde een
flikkerende barrière van staal om zich heen en schreeuwde toen in
hun eigen taal, het Hoog Martiaans: 'Wacht! Ik ben geen
Khond!'
De massa lachte spottend.
'Hij zegt dat hij geen Khond is!'
'Je eigen vrienden sporen je aan, Khond! Vervloekt zij de Zwemmers
en het Luchtvolk!'
Carse schreeuwde: 'Nee, ik ben niet van Khondor! Ik ben niet van ..
.' Hij zweeg abrupt want bijna had hij gezegd dat hij niet van Mars
was.
Een groenogig meisje, een kind nog, sprong bijna in de dodelijke
cirkel die hij telkens beschreef. Haar tanden waren even wit en
klein als die van een rat. 'Lafaard!' schreeuwde ze. 'Domkop!
Alleen in Khondor zijn er mannen als jij, met je bleke haar en je
ziekelijke kleur! Waar kom je anders vandaan, grove kerel met je
barbaarse uitspraak?'
Iets van de vreemde blik van een halfuur eerder, kwam terug in
Carse's ogen en hij zei: 'Ik ben van Jekkara.'
Ze lachten.
Ze lachten zo schril en zo hard dat het marktplein er van daverde.
Ze hadden nu al hun angst verloren. Zijn woorden stempelden hem
inderdaad tot een lafaard en een gek, net zoals het meisje had
beweerd. Ze vielen overmoedig aan. Maar die aanval was echt genoeg voor Carse. Hij zag het aan
de hatelijke gezichten en de venijnige, korte zwaarden,die naar hem
werden opgeheven. Hij hakte woedend met het zwaard van Rhiannon op
hen in. Zijn razernij was meer gericht tegen het lot dat hem op hun
wereld had geworpen dan tegen de moorddadige bende zelf. Het
versierde zwaard velde verscheidene Jekkaranen voor ze zich
terugtrokken. Ze gluurden als jakhalzen die een wolf in de val
hebben. En toen brak er een juichende kreet door hun teleurgesteld
gesis.
'De soldaten van Sark komen! Ze zullen die spion van Khond voor ons
uitbenen!'
Carse week terug tegen de gesloten deur en hij zag hijgend hoe een
kleine falanx soldaten met zwarte harnassen en helmen door de massa
gleed als een schip door de golven. Ze kwamen recht op hem af en de
Jekkaranen gilden vergenoegd om het schouwspel dat nu ging
volgen.