II. Een vreemde wereld

Carse leek door een middernachtelijke afgrond te duiken en toen was het alsof hij door elkaar werd geschud door alle snerpende ruimtewinden zelf. Het was een eindeloze val, tijdloos en gruwelijk als een nachtmerrie. Hij vocht met de bittere weerzin van een dier dat gevangen zit in het onbekende. Zijn strijd gebeurde niet op lichamelijk niveau want in dat blinde en schreeuwende niets was zijn lichaam nutteloos. Nee, het was een geestelijk gevecht en zijn diepste, innerlijke kracht kwam in opstand, wilde een einde aan die nachtmerrieachtige val door de duisternis maken. En terwijl hij viel werd hij getroffen door een nog afgrijselijker gevoel. Het was het gevoel dat hij niet alleen was in die gruwelijke reis door het onbekende. Hij voelde een donker, sterk en pulserend iets dicht bij hem. Iets dat naar hem greep met ijzige, verlangende vingers.
Carse deed een uiterste, vertwijfelde, geestelijke poging. Het vallende gevoel leek te verminderen en toen voelde hij stevige rots onder zijn handen en voeten slippen. Hij sprong in een ultieme, lichamelijke poging voorwaarts. En lag plotseling op de vloer in de grafkamer en naast hem zinderde de donkere bel.
'Verdomme, bij alle Negen Hellen . . .,' begon hij geschokt, maar toen besefte hij hoe kinderachtig de vloek leek in vergelijking met wat er gebeurd was en hij zweeg. De kleine kryptonlamp aan zijn riem, gloeide nog altijd rood
op en het zwaard van Rhiannon glinsterde nog altijd in zijn hand.
En de donkere bel trilde nog altijd, doorweven met de flikkeringen van duizenden gloeiwormen. Carse begreep dat die helse val zich helemaal in die bel had afgespeeld. Welke oude, duivelse wetenschap was hier aan het werk? Hij veronderstelde dat het een vreemde, eeuwige energievortex was, die de mysterieuze Quiru eeuwen geleden hadden opgesteld.
Maar waarom had zijn val zo eindeloos geleken? En van waar kwam het gevoel van sterke vingers die tijdens zijn val begerig naar zijn brein hadden gegrepen? 'Een truuk van die Quiru tovenaars,' mompelde hij geschokt. 'En die bijgelovige Martiaan meende me te doden door me in dat ding te duwen.'
Penkawr? Carse sprong overeind en het zwaard van Rhiannon glinsterde gemeen in zijn hand. 'Vervloekt zij zijn lage ziel!'
Penkawr was niet in de kamer, maar hij kon nog niet ver zijn. Carse's glimlach was niet vriendelijk toen hij door de deur ging. Maar in de buitenste kamer bleef hij doodstil staan.
Er stonden vreemde, grote schitterende voorwerpen in de kamer, die er eerder niet hadden gestaan. Waar waren ze vandaan gekomen? Was hij dan langer in die duistere bel geweest dan hij dacht? Of had Penkawr ze gevonden in verborgen nissen en ze hier opgestapeld om ze later te komen halen?
Zijn verwondering groeide nog toen hij die nieuwe voorwerpen tussen de wapenuitrustingen bekeek. Ze leken mèèr dan gewone kunstvoorwerpen . .. alsof het zorgvuldig vervaardigde en ingewikkelde instrumenten waren. Maar naar hun doel kon hij alleen maar raden.
Het grootste voorwerp was een wiel van kristal met de omtrek van een kleine tafel. Het was horizontaal op een metalen, eivormige bol gemonteerd. De buitenrand van het wiel glinsterde van juwelen die in precieze, veelhoekige figuren waren geslepen.
Carse vond ook kleinere apparaten met prisma's van kristal, verbonden met cilinders en dingen gemaakt van concentrische, metalen ringen. Hij zag ook dikke cilinders met lussen van massief metaal.
Waren deze glinsterende voorwerpen misschien onbegrijpelijke apparaten van een oude, Martiaanse wetenschap? Die veronderstelling leek onredelijk. De geleerden wisten dat het Mars van het verre verleden alleen een rudimentaire wetenschap had gekend. Het was een wereld geweest van krijgshaftige zeekrijgers die onderling zeegevechten hielden tussen hun koninkrijken.
Maar misschien had Mars in een ongelooflijk ver verleden toch een wetenschap gekend met ongewone en onherkenbare technieken?
Maar waar zou Penkawr dit alles hebben gevonden en waarom hadden ze die voorwerpen niet eerder gezien? En waarom had hij nog niets meegenomen? Toen herinnerde hij zich dat Penkawr met elke minuut die verstreek, verder kon vluchten. Bij die gedachte klemde hij zijn vuist grimmig om het gevest van het zwaard en liep door de vierkante tunnel naar de uitgang.
Maar terwijl hij vorderde, merkte Carse dat de lucht in de Tombe vreemd vochtig was. En toen zag hij vocht glinsteren op de muren. Die volkomen on-Martiaanse vochtigheid verraste hem.
'Waarschijnlijk water, als van de ondergrondse bronnen die de kanalen bevoorraden, waar dat hier door de stenen sijpelt,' dacht hij. 'Maar daarnet was het hier toch droog?'
En toen viel zijn blik op de vloer van de gang. Het stof lag er even dik als toen ze binnen waren gekomen. Maar er stonden geen voetafdrukken in. Geen afdrukken, behalve van de passen die hij nu maakte ...

Een verschrikkelijke, onwezenlijke twijfel bestormde Carse. Deze ongewone vochtigheid en het verdwijnen van hun voetstappen . . . wat was er verdomme gebeurd toen hij in die donkere, trillende bel zat?
Hij bereikte nu het einde van de vierkante tunnel. De uitgang was afgesloten ... met een enorm, monolithisch rotsblok.
Carse bleef staan en staarde naar de steen. Hij vocht tegen zijn groter wordende paniek. Hij kreeg het gevoel dat hij buiten de realiteit was geworpen en hij probeerde die gedachte te verdringen door een geforceerde verklaring.
'Er moet een stenen deur geweest zijn die ik niet heb gezien... En Penkawr heeft ze gesloten om me hier te houden.'
Hij probeerde de stenen versperring weg te duwen. Ze bewoog niet. Er was ook geen sleutelgat, een hendel of iets anders te zien.
Hij week tenslotte een stap achteruit en trok zijn protonpistool. De atoomvlam vrat door de stenen deur, maar die was erg dik. Hij had een paar minuten geconcentreerd vuur nodig vóór het blok met een holle, echoënde klap in kleine stukken brak.
Maar in plaats van open lucht zag Carse een stevige massa donkere, rode aarde.
'De tombe... begraven... Penkawr heeft zeker een grondverschuiving veroorzaakt.'
Carse geloofde zijn eigen theorie niet. Hij geloofde er geen barst van, maar hij probeerde erin te geloven want hij werd hoe langer hoe ongeruster. En de oorzaak van zijn angst KON GEWOONWEG NIET BESTAAN. Blind van woede gebruikte hij de vlamstraal van het pistool en sneed een weg door de dikke aarde. Hij vorderde vrij goed tot de straal plotseling doofde. De lading van zijn pistool was op. Hij wierp het onbruikbare wapen weg en hakte woest met zijn zwaard in de hete, rokende massa aarde. Zijn geest was een wirwar van vreselijke speculaties, maar zijn lichaam werkte onverdroten en zwetend verder tot hij een smalle streep daglicht zag verschijnen. Daglicht? Dan had hij langer in die vreemde bel gezeten dan hij had gedacht.
De wind blies door de opening in zijn gezicht. En het was een warme wind. Een warme en een vochtige wind zoals die nooit op het woestijnachtige Mars kon waaien. Carse werkte zich door de spleet en stond in het volle daglicht. Hij keek om zich heen.
Op sommige momenten kan een man geen emoties of reacties hebben. Er zijn momenten die alle centra van de geest verdoven. Er zijn momenten waarop de ogen zien en de ogen horen, maar waarop niets tot het brein doordringt. Het brein probeert zich op die manier tegen krankzinnigheid te verdedigen.
Uiteindelijk probeerde hij te lachen om wat hij zag, maar uit zijn keel kwam slechts een schor gekakel. 'Een luchtspiegeling, natuurlijk,' fluisterde hij. 'En een grote. Zo groot als heel Mars.'
De wind speelde met zijn strokleurig haar en blies zijn mantel tegen zijn naakte huid. Een wolk dreef voorbij de zon en ergens schreeuwde een vogel. Carse bewoog niet. Hij keek naar een oceaan.
Een oceaan die zich tot aan de horizon voor hem uitstrekte. Een ongelooflijke hoeveelheid water, melkwit en bleek van kleur, dat zelfs in het daglicht een fijne, fosforiserende glans afgaf.
'Luchtspiegeling,' fluisterde hij koppig weer. Zijn wankelend brein klampte zich wanhopig vast aan dat laatste sprankje verklaring. 'Moet wel. Dit is nog altijd Mars.' Nog altijd Mars, nog altijd dezelfde planeet. Hij stond op dezelfde heuvels die hij en Penkawr de nacht daarvoor hadden beklommen.
Dezelfde? De nacht daarvoor was de ingang naar de tombe van Rhiannon een nauwe opening geweest, in een steile rotswand. Nu stond Carse op de begroeide helling van een hoge heuvel.
En voor hem lagen er nog golvende, groene heuvels, bezaaid met donkere bossen .. . daar waar eerst alleen een woestijn was geweest. Groene heuvels, groene bomen en een sprankelende rivier die zich met een brede uitloper in zee stortte... de zee die een paar uur geleden nog een verdroogde bodem was geweest.
Carse's doffe blik zweefde langs het brede strand dat ver onder hem lag. Op een punt van die verre, zonverlichte kust zag hij het glinsteren van de torens van een witte stad en hij wist dat dit Jekkara moest zijn.
Jekkara, glanzend en sterk tussen de welige heuvels en de machtige oceaan. De oceaan die een miljoen jaar geleden op Mars had bestaan.
En Matthew Carse wist toen dat dit geen luchtspiegeling was. Hij ging op de grond zitten en verborg zijn gezicht in zijn handen. Zijn lichaam trilde koortsachtig en zijn nagels groeven diepe, bloedende kerven in zijn eigen wangen. Hij wist nu wat er met hem gebeurd was in die donkere energiebei en het leek alsof een donderende stem in hem, de waarschuwing van die inscriptie herhaalde. 'De Quiru zijn de meesters van ruimte en tijd, van tijd... VAN TIJD!'
Carse staarde naar de groene heuvels en de melkkleurige oceaan en hij deed een bovenmenselijke poging om het ongelooflijke te aanvaarden.
'Ik ben in het verleden van Mars terecht gekomen. Mijn hele leven heb ik dat verleden bestudeerd en er van gedroomd. En nu ben ik hier. Ik, Matthew Carse. . . archeoloog, renegaat, grafschenner.
'De Quiru hebben met geheimzinnige bedoelingen deze weg door de tijd gebouwd en ik heb hem gevolgd. Tijd is voor ons een onbekende dimensie maar de Quiru beheersten haar!'
Carse was wetenschapsmens genoeg want om planetair archeoloog te worden moet je de basisbegrippen van een half dozijn wetenschappen kennen. Hij begon gejaagd zijn geheugen te plunderen om een verklaring te vinden. Was zijn eerste vermoeden over die donkere bel juist geweest. Was het werkelijk een gat in het continuum van het universum? Als dat het geval was, kon hij tenminste vaag begrijpen wat er met hem gebeurd was. Want het tijd-ruimte continuum van het universum is eindig. Einstein en Riemann hadden dat al lang geleden bewezen. Hij was door dat continuum heen gevallen en toen er weer in . . . Maar in een ander tijdraam dan het zijne. Wat had Kaufman ooit eens geschreven? 'Het Verleden is het Heden-dat-op-een-afstand-bestaat.' Hij was gewoon teruggekomen in dat 'Verre Heden'. Er was dus geen reden om bang te zijn.
Maar hij wàs bang. De gruwel van die onwezenlijke verplaatsing die uitmondde in dit groene en lachende Mars van het verre verleden deed hem schreeuwen van angst. Blindelings, met het kostbare zwaard nog altijd in zijn handen, sprong hij op en draaide zich om, om weer in de tombe terug te keren.
'Ik kan dezelfde weg terugnemen, door dat gat... in het continuum.'
Maar toen bleef hij doodstil en trillend van kop tot teen staan. Hij kon zichzelf niet dwingen die sidderende, zwarte bel opnieuw te doorworstelen en meegesleurd te worden door die interdimensionele oneindigheid. Hij durfde niet. Hij had de kennis van de Quiru niet. Die gevaarlijke duik door de dimensies had hem door louter geluk in het verleden van Mars doen belanden. Hij mocht niet verwachten dat een nieuwe reis hem opnieuw in zijn eigen tijd zou brengen.
'Ik ben hier,' mompelde hij schor. 'In het verleden van Mars... en ik moet hier blijven.'
Hij draaide zich weer om en staarde over die onmetelijke zee. Hij bleef een hele tijd roerloos staan. De zeevogels gedragen door de wind kwamen dicht bij hem, keken hem aan en verdwenen toen weer met een vinnige klap van hun witte vleugels. De schaduwen werden langer. Zijn ogen gingen opnieuw naar de witte torens van Jekkara in de verte. De stad was als een koningin in het zonlicht boven de haven. Het was niet het Jekkara dat hij kende, de dievenstad aan de Lage Kanalen, die wegrotte in het stof, maar het was tenminste toch een verbinding met iets bekends. En Carse had zo'n verbinding erg hard nodig.
Hij zou naar Jekkara gaan... en proberen niet na te denken. Hij mocht niet denken... of hij zou krankzinnig worden.
Hij greep het gevest van het met juwelen versierde zwaard steviger vast en daalde de met gras begroeide helling van de heuvel af.