VIII. Het ding in de duisternis
Ywain's uitdrukkingsloze blik bleef op Carse
rusten. 'Hij kent het geheim van de tombe, Scyld. Als hij het
zwaard had, moet hij het weten.'
Ze zweeg en toen ze opnieuw sprak waren haar woorden bijna
onhoorbaar, alsof ze luidop dacht.
'Een gevaarlijk geheim. Zo gevaarlijk dat ik bijna
wenste...'
Ze stokte alsof ze al bijna teveel had gezegd. Vergiste Carse zich
of keek ze vlug even naar de tweede deur?
En toen ze ze op haar koninklijke, koude toon tegen hem: 'Je krijgt
nog één kans, slaaf! Waar ligt de tombe van Rhiannon?'
Carse schudde zijn hoofd. 'Ik weet niets,' zei hij en hij greep de
schouder van Boghaz om rechtop te kunnen blijven. Kleine, rode
druppels hadden ondertussen de vloerbekleding onder zijn voeten
besmeurd.
'Geef hem maar aan mij, Hoogheid,' zei Scyld hees. 'Nee, hij is al
te ver voor jouw methoden. Ik wil hem nog niet doden. Ik moet even
nadenken!'
Ze fronste en keek van Carse naar Boghaz en opnieuw naar
Carse.
'Ze hebben iets tegen roeien, geloof ik. Goed. Verplaats de derde
man aan hun riem. En laat deze twee de hele nacht zonder hulp
roeien. Zeg tegen Callus dat hij de dikke twee keer per glas
geselt. Vijf slagen.'
'Hoogheid, ik smeek u!' balkte Boghaz. 'Ik zou u alles vertellen
als ik iets wist, dat zweer ik!'
Ze haalde haar schouder op. 'Misschien. Maar ik wil dat je je
makker overhaalt om te praten.'
Ze richtte zich weer tot Scyld. 'Zeg tegen Callus dat de grote met
zeewater moet worden begoten, zo dikwijls als dat nodig is. 'Haar
witte tanden glinsterden. 'Het heeft helende krachten.' Scyld
lachte.
Ze beduidde hem te gaan. 'Zorg ervoor dat ze bezig blijven, maar ze
mogen beslist niet sterven. Breng ze naar me toe als ze willen
praten.'
Scyld groette haar en bracht zijn gevangenen terug naar de
roeiersput. Jaxart werd verplaatst en Carse begon opnieuw aan die
eindeloze nachtmerrie in de duistere uren. Boghaz werd regelmatig
gegeseld en had het zwaar te verduren. Hij schreeuwde telkens als
een gekeeld varken en kreunde daarna in Carse's oor: 'Ik wou dat ik
je verdomde zwaard nooit gezien had! Ze zal ons naar Caer Dhu
brengen .. . en mogen de goden dan medelijden met ons
hebben!'
Carse liet zijn tanden zien in wat op een grijns moest
lijken.
'Je praatte heel anders in Jekkara.'
'Daar was ik een vrij man en de Dhuvianen waren ver weg.' Carse
voelde hoe ergens diep in hem een zenuw begon te trillen toen die
naam werd genoemd. Op vreemde toon zei hij: 'Boghaz, ken jij die
geur die in Ywain's hut hing?'
'Geur? Ik heb niets geroken.'
'Vreemd,' dacht Carse, 'die geur maakte me
haast gek. Of misschien ben ik al gek.'
'Jaxart had gelijk, Boghaz. Iemand verbergt zich in die tweede
kajuit.'
'Ywain's lusten laten me koud,' antwoordde Boghaz
geïrriteerd.
Ze roeiden een tijd in stilte verder. Toen vroeg Carse
abrupt.
'Wie zijn die Dhuvianen?'
Boghaz staarde hem aan. 'Waar kom jij in werkelijkheid vandaan,
kerel?'
'Zoals ik zei. .. van een land ver achter Shun.'
'Dat moet wel een erg ver land zijn als je niet van Caer
Dhu en het Serpent hebt gehoord!'
Boghaz haalde zijn dikke schouders op terwijl hij verder roeide.
'Je speelt waarschijnlijk één of ander verborgen en belangrijk
spel. Als je voorgewende onwetendheid ... maar ik kan net zo goed
het spelletje meespelen.'
'Je weet toch wel,' ging hij verder, 'dat er op deze wereld al een
hele tijd menselijke volkeren, maar ook de nèt-niet-mensen die we
de Halflingen noemen, zijn geweest. De Quiru waren het grootste
menselijke ras, maar ze zijn nu verdwenen. Ze bezaten zoveel
wetenschap en wijsheid dat zij nu nog altijd als bovenmenselijk
worden vereerd.
'Maar er waren ook de Halflingen. .. wezens die op de mensen
lijken, maar niet dezelfde oorsprong hebben. De Zwemmers zijn
voortgesproten uit de zeewezens, het Lucht-volk uit de vogels ...
en de Dhuvianen ... uit de serpenten.'
Een koude rilling trok door Carse. Waarom was dit verhaal zo
vertrouwd? Hij hoorde het toch pas voor de eerste keer? Hij was er
toch zeker van dat hij dit verhaal over de Martiaanse evolutie
nooit eerder had gehoord? In wezen vreemde rassen die evolueerden
naar een oppervlakkige gelijkenis met de mens... Dat had hij zeker
nooit eerder gehoord ... of wel?
'De Dhuvianen zijn altijd zo sluw en wijs geweest als de slang die
hun voorouder was,' ging Boghaz verder. 'Ze waren zo sluw dat ze
Rhiannon van de Quiru overhaalden om hen wat van zijn wetenschap te
leren.
'Een beetje, maar niet alles! Maar wat ze leerden was genoeg om hun
zwarte stad in Caer Dhu oninneembaar te maken.
Nu en dan hielpen ze hun bondgenoten van Sark om hen tot het
overheersende menselijk ras te maken.'
'En dat was dus de zonde van Rhiannon?' vroeg Carse.
'Ja, dat was de zonde van de Vervloekte. In zijn trots, had hij de
raad van zijn broeders in de wind geslagen. Zij wilden niet dat hij
de Dhuvianen zulke krachten schonk. Voor die zonde veroordeelden de
andere Quiru hem en sloten hem op in een verborgen plaats voor ze
onze wereld verlieten. Zo verhaalt de legende...'
'Maar de Dhuvianen zelf zijn geen legende?'
'Nee. Een vloek over hun hoofden,' mompelde Boghaz. 'Zij zijn de
reden waarom iedere vrije man de Sarks haat. Ze hebben een
onwaardig verbond met het Serpent gesloten.'
Ze werden onderbroken door Lorn, de slaaf met de gebroken vleugels.
Hij had een emmer water uit de zee opgehaald en kwam nu naar hen
toe.
De gevleugelde man sprak en zelfs in die voor hem zo pijnlijke
omstandigheden klonk zijn stem nog als muziek. 'Dit zal pijnlijk
zijn, vreemdeling. Maar wapen je tegen de pijn. .. het zal je
helpen. 'Hij hief de emmer op. Het glanzende water gulpte naar
beneden en bedekte Carse's lichaam met een glimmende
laag.
Carse wist onmiddellijk waarom Ywain had geglimlacht. Het chemisch
element waardoor de zee die fosforescerende glans gaf, mocht dan
wel geneeskrachtig zijn, maar het middel leek erger dan de kwaal.
De vretende pijn leek het vlees van zijn beenderen weg te
branden.
Maar de uren verstreken en na een tijd voelde Carse dat de pijn
minder werd. Zijn wonden bloedden niet langer en het water begon
hem te verfrissen. En tot zijn eigen verbazing zag hij de tweede
ochtend aanbreken boven de Witte Zee. Net na zonsopgang klonk er
geschreeuw van de uitkijkpost.
De Zwarte Zeebanken lagen voor het schip.
Door het gat van de riem zag Carse een chaos van brekend water die
mijlen breed en diep was. In het schuim zag hij hier en daar riffen
en zandbanken en zwarte rotstanden. 'Ze zijn toch niet van plan
door dit labyrinth te varen?' vroeg Carse.
'Het is de kortste route naar Sark,' antwoordde Boghaz. 'En er door
komen. .. waarom denk je dat elke galei van Sark gevangen Zwemmers
aan boord heeft?'
'Dat vroeg ik me al af.'
'Je zult het vlug genoeg zien.'
Ywain kwam aan dek en Scyld ging onmiddellijk naar haar toe. Ze
keken niet naar de twee uitgeputte mannen, aan hun riem, beneden in
de put, 'Genade, Hoogheid!' loeide Boghaz ogenblikkelijk.
Ywain lette niet op hem. 'Vertraag het ritme en stuur de Zwemmers
uit,' zei ze tegen Scyld.
Naram en Shallah werden van hun ketens verlost en renden naar de
boeg. Daar werden ze in metalen harnassen gestoken, waaraan lange
lijnen waren bevestigd, die op hun beurt aan twee ringen op de
voorsteven werden vastgemaakt.
De twee zwemmers doken onbevreesd in het schuimende water. De
lijnen gingen strak staan en Carse zag hun hoofden als dobberende
kurken terwijl ze moeiteloos voor de galei in de ziedende
zandbanken zwommen.
'Zie je?' zei Boghaz. 'Ze peilen een vaargeul. Ze kunnen een schip
door alles heen krijgen.'
Ywain stond met wapperend haar in haar blinkende maliënkolder bij
de man aan de helmstok. Scyld en zij keken vlak voor de boeg. De
ruwe wateren schuurden sissend langs de kiel en één roeispaan brak
op een rots, maar ze kropen veilig voorwaarts.
Het werd een lange, moeizame doorgang. De zon steeg aan het zenith.
Er hing een bijna ondraaglijke spanning over de galei.
Carse hoorde alleen vaag het gebrul van de brekende golven. Boghaz
en hij moesten zwoegen aan de riemen. De dikke Valkisiaan kreunde
nu onophoudelijk en Carse's armen waren loodzwaar en zijn brein
leek in staal gevat te zijn.
Op den duur vond de galei toch rustig water en schoot voorwaarts,
weg van de Zandbanken. Het doffe gedonder was nu achter het schip
te horen. De Zwemmers werden weer aan dek gehesen.
Ywain keek voor de eerste keer in de roeiersput naar de uitgeputte
slaven.
'Geef hen een korte rust,' zei ze kortaf. 'De wind zal spoedig
opsteken.'
Haar blik zwaaide naar Carse en Boghaz. 'Scyld, breng die twee
opnieuw bij me.'
Carse zag Scyld over het dek gaan en de ladder afkomen. Een
misselijk makend voorgevoel overspoelde hem. Hij wilde niet opnieuw
in die kajuit gaan. Hij wilde die deur met die spottende kier niet
meer zien en die ziekelijke, boosaardige geur niet meer
ruiken.
Maar Boghaz en hij werden opnieuw losgemaakt en naar voren geduwd
en hij kon niets doen. De deur zwaaide achter hen dicht. Scyld en
Ywain wachtten in de kajuit en het zwaard van Rhiannon blikkerde op
de tafel voor haar. De deur van de tweede kajuit in het voorste
schot was weer niet helemaal dicht - net niet.
Ywain sprak. 'Jullie hebben al een flinke voorsmaak gekregen van
wat ik met jullie kan doen. Willen jullie nu de volle laag? Of ga
je me vertellen waar Rhiannon's tombe is en wat je daar hebt
gevonden?' Carse antwoordde toonloos. 'Ik heb u al verteld dat ik
niets weet.'
Hij keek Ywain niet aan. Die binnendeur fascineerde hem, trok zijn
blik magnetisch aan. Ergens in zijn achterhoofd, in het uiterste
puntje van zijn hersens, bewoog iets... ontwaakte iets. Het was een
voorkennis, een haat, een gruwel die hij niet kon
begrijpen.
Maar hij begreep wel dat dit de ontknoping, het einde kon worden.
Een rilling trok door hem heen, een onwillekeurige samentrekking
van de zenuwen.
'Wat is dat ding toch dat ik niet ken, maar dat
ik me bijna meen te herinneren?'
Ywain leunde voorover. 'Je bent sterk en je bent trots op je
kracht. Je weet dat je veel lichamelijke kwellingen kunt verdragen,
misschien meer dan ik je durf te geven. Ik denk dat je dat kunt.
Maar er zijn nog andere manieren. Snellere, betere manieren,
waartegen zelfs een sterke man geen kans heeft.'
Ze volgde zijn blik naar de binnendeur. 'Misschien,' zei ze zacht,
'raad je wat ik bedoel.' Carse's gezicht was nu volkomen
uitdrukkingsloos. De muskusgeur dreef zo zwaar als rook in zijn
keel. Hij voelde die geur in zijn lichaam kruipen, zijn longen
vullen en in zijn bloed sluipen. Hij was subtiel giftig, wreed en
ijzig met een vóórmenselijke kilte. Hij trilde op zijn benen, maar
sloeg zijn ogen niet neer.
'Ik kan het raden, ja,' mompelde hij hees. 'Goed. Spreek. Dan hoeft
de deur niet open.' Carse lachte. Het was een ruw, laag geluid.
Zijn ogen waren mistig en onnatuurlijk om te zien.
'Waarom zou ik spreken? U zou me alleen iets later doden om het
geheim veilig te houden.'
Hij stapte naar voren. Hij wist dat hij zich bewoog. Hij wist dat
hij sprak hoewel het geluid van zijn eigen stem slechts vaag in
zijn oren klonk.
Maar er was een donkere verwarring in hem. De aderen op zijn
voorhoofd stonden als koorden gespannen en het bloed klopte woest
in zijn hersens. Hij voelde druk alsof er iets barstte, alsof iets
zijn boeien afwierp en zich vrijrukte.
Hij wist niet waarom hij naar de deur toe stapte. Hij wist niet
waarom hij riep, op een toon die de zijne niet was: 'Doe open, Kind van de Slang!'
Boghaz loeide klagelijk en dook in een hoek terwijl hij zijn
gezicht verborg. Ywain kwam half overeind, plotseling bleek. De
deur zwaaide langzaam open.
Er was niets achter die deur behalve duisternis en schaduw. Een
schaduw met mantel en kap, neergedoken in die donkere kajuit, als
was ze niets meer dan de geest van een schaduw. Maar ze was er. En
Carse, de man, gevangen in de val van zijn vreemde lot, herkende
haar voor wat ze was.
De schaduw was vrees. Het was een oeroud, boosaardig ding, dat in
den beginne door het gras had geslopen, anders dan het overige
leven, maar het met koude wijsheid bekijkend, geluisloos lachend en
niets anders gevend dan een bittere dood.
Het Serpent.
De voorhistorische aap in Carse wou weglopen en zich verbergen.
Elke cel van zijn lichaam deinsde terug, elk instinct waarschuwde
hem.
Maar hij vluchtte niet en in hem groeide een ongelooflijke woede
die langzaam alle angst opslorpte. Ywain en de anderen ... alles
was vergeten behalve de hunkering om dat achter het licht gehurkte
schepsel te vernietigen.
Zijn eigen woede... of een grotere razernij?
Iets dat geboren was uit schaamte en pijn die hij nooit zou kunnen
voelen?
Een stem sprak uit de duisternis, zacht en sissend.
'Je hebt het gewild. Zo zij het.'
Er hing een diepe stilte in de kajuit. Scyld was achteruit
gedeinsd. Zelfs Ywain was aan het andere einde van de tafel gaan
staan. De trillende Boghaz in zijn hoek ademde
nauwelijks.
De schaduw bewoog met licht, droog geritsel. En plotseling
verscheen er een mat glimmende plek, vastgehouden door onzichtbare
handen. Het was een schijnsel dat geen gloed verspreidde. Het leek
een ring van kleine, ontzettend verre sterren.
En die sterren begonnen te bewegen in hun verborgen banen. Ze
zwierden vlugger en vlugger rond tot ze een wiel werden. Een wiel
dat abrupt vervaagde. En van dat wiel kwam een ijle, hoge noot. Het
was een kristallen lied dat de oneindigheid weerkaatste want het
had begin noch einde.
Een zang ... een lokroep, speciaal afgestemd op zijn gehoor? Of was
het zijn eigen gehoor, zijn eigen hersens? Misschien 'hoorde' hij
het met elke sidderende zenuw in zijn lichaam want Ywain, Scyld en
Boghaz waren er duidelijk niet door aangetast.
Carse voelde ijzige kilte in hem omhoog kruipen. Het was alsof die
zingende sterren hem riepen vanuit een andere oneindigheid, hem
naar de diepten van de ruimte lokten waar de lege kosmos de warmte
en het leven uit zijn lichaam zoog.
Zijn spieren ontspanden zich en hij voelde zijn zenuwen smelten en
wegdrijven op de ijzige vloed. Hij voelde hoe zijn brein langzaam
oploste.
Hij zakte langzaam op zijn knieën. De kleine sterren bleven zingen.
Hij begreep ze nu. Ze vroegen hem iets. Hij wist dat hij zou kunnen
slapen als hij antwoordde. Hij zou niet meer wakker worden, maar
dat was niet belangrijk. Hij was bang, maar als hij sliep zou hij
zijn angst vergeten.
Angst... Angst! De oude rassenangst die de ziel
behekst ... de gruwel die rondwaart in de stille
duisternis...
Door slaap en dood kon hij die angst vergeten. Hij moest alleen
antwoorden op die hypnotisch gefluisterde vraag.
'Waar is de tombe?'
Antwoord. Spreek. Maar iéts ketende nog immer zijn tong. De rode
vlam van de woede flikkerde nog in hem en bevocht de glans van de
zingende sterren.
Hij vocht, maar de sterrezang was te sterk. Hij hoorde zijn droge
lippen spreken.'De tombe . . . de plaats van Rhiannon
...'
'Rhiannon! Duistere Vader die je macht gaf, jij
gebroed uit het ei van het Serpent!'
De
naam zinderde in hem als een strijdkreet. Zijn razernij schoot
hemelhoog. Het rookkleurige juweel in het gevest van het zwaard op
de tafel leek plotseling om zijn hand te roepen. Hij sprong op en
greep het gevest.
Ywain sprong met een verraste kreet naar voren, maar het was al te
laat. Het grote juweel leek op te gloeien, de kracht van de
zingende sterren op te nemen en die terug te werpen. Het kristallen
lied werd scherper en brak. De gloed vervaagde. Hij had die
onaardse hypnose verbroken.
Het bloed vloeide opnieuw in zijn aderen. Het zwaard voelde levend
aan in zijn handen. Hij schreeuwde de naam Rhiannon en dook in de duisternis. Hij hoorde een
sissende kreet toen het lange lemmet het hart van de schaduw
vond.