VI. Op de Martiaanse Zee

De galei kreeg uiteindelijk toch een fikse bries in de zeilen en de slaven mochten rusten. Carse sliep onmiddellijk in en toen hij voor de tweede keer wakker werd was het bijna ochtend.
Door het riemgat zag hij hoe de zonsopgang de zee van kleur deed veranderen. Ironisch genoeg was dat het mooiste wat hij ooit gezien had. Het water ving de eerste, bleke tinten van het licht op en verwarmde die met zijn eigen, fosforescerende glans... en het resultaat was amethyst en parel, roze en saffraan. En toen de zee hoger aan de hemel steeg veranderde de zee in een mantel van brandend goud. Carse keek gefascineerd toe tot de laatste kleur was weggetrokken en de zee weer wit achter liet. Het speet hem dat het prachtige kleurenspel verdwenen was. Het had alles zo onecht gemaakt dat hij makkelijk had kunnen denken, dat hij in Madame Kan's kroeg aan de Lage Kanalen aan het slapen was, met de dromen van iemand die teveel thil heeft genoten.
Boghaz snorkte als een varken aan zijn zij. De trommelaar sliep naast zijn instrument en de andere slaven lagen ook over hun riemen gebogen te rusten.
Carse keek hen aan. Het leken gevaarlijke, harde mannen ... Hij veronderstelde dat de meesten veroordeelde boeven waren. Hij meende Jekkaraanse, Valkisiaanse en Keshi-trekken in hun gezichten te zien.
Maar enkelen van hen behoorden tot een ander ras, zoals de derde man aan hun riem. Hij veronderstelde dat dat Khonds waren en nu kon hij zien waarom hij voor één van hen werd aangezien. Het waren grote mannen met zware botten en lichte ogen. Hun haar was blond of geelbruin en ze hadden barbaarse trekken die Carse wel mocht.
Zijn blik zweefde over de loopplank tussen de roeiersbanken en hij zag de twee geketende wezens nu duidelijk in het zonlicht liggen. Ze waren van hetzelfde ras als de wezens die hem de vorige nacht op de kaaien hadden aangemoedigd. Ze waren niet menselijk. Ze waren verwant aan de zeehond en de dolfijn en aan de perfekte boog van een opkomende golf. Hun lichamen waren bedekt met een korte, donkere vacht die uitdunde tot fijn dons op hun gezicht. Hun gelaatstrekken waren delicaat en knap. Ze rustten nu maar ze sliepen niet want hun ogen waren open. Het waren grote, donkere ogen vol intelligentie.
Deze wezens waren de Zwemmers van de Jekkaranen, veronderstelde hij. Hij vroeg zich af waar ze voor dienden aan boord van dit schip. Eén van hen was een man en de andere een vrouw. Hij kon niet aan hen denken als aan een mannetje en een wijfje zoals bij dieren.
Hij merkte plotseling dat ze hem met intense nieuwsgierigheid bestudeerden en hij huiverde toen hij zag hoe vreemd hun ogen waren. Alsof ze tot diep in zijn ziel en voorbij zijn horizonten konden kijken.
'Welkom bij de broederschap van de zweep,' zei de vrouw zacht.
Haar toon was vriendelijk, maar hij voelde dat er reserve achter verborgen zat en een intense verwondering.
 'Dank u,' glimlachte hij.
Hij was er zich weer al te goed van bewust dat hij het Hoog Martiaans met een accent sprak. Zijn afkomst verklaren zou een probleem worden want hij wist dat de Khonds niet dezelfde vergissing zouden maken als de Jekkaranen. En toen de Zwemster opnieuw sprak, merkte hij dat onmiddellijk.
'U bent niet van Khondor,' zei ze. 'U lijkt op een Khond maar niet helemaal. Waar ligt uw land?'
'Ja, vreemdeling, waar ligt dat land?' zei plotseling een mannenstem.
Carse draaide zich naar links en zag dat de derde man aan de riem, de slaaf van Khond hem met openlijke, vijandige argwaan bekeek.
'Er wordt gefluisterd dat je een gevangen genomen spion van Khond bent, maar dat is een leugen. Je bent waarschijnlijk een door de Sarks opgeleide Jekkaraan die zich vermomd heeft om als een Khond te komen spioneren.'
Een laag gegrom zweefde ogenblikkellijk over de roeibanken.
Carse had geweten dat het zover zou kunnen komen en hij had razendsnel nagedacht.
'Ik ben geen Jekkaraan, maar een krijger van een stam ver achter Shun' zei hij vlug. 'Ik kom van zo ver dat dit een nieuwe wereld voor me lijkt.'
'Het kon waar zijn,' gromde de grote Khond tegen zijn zin. 'Je ziet er vreemd uit en je praat raar. Hoe ben je hier samen met dat varken uit Valkis terecht gekomen?'
Boghaz was wakker geworden en de dikke Valkisiaan antwoordde vlug: 'Mijn vriend en ik werden vals beschuldigd door de Sark! Van diefstal! De schande! Ik . . . Boghaz van Valkis, werd vals beschuldigd van een kruimeldiefstal! Het is een schande voor de gerechtigheid.'
De Khond spuwde verachtelijk over de reling en draaide zich om. 'Ik dacht al zoiets.'
Boghaz fluisterde sluw tegen Carse: 'Ze denken nu dat we een paar veroordeelde dieven zijn. Laat hen in de waan, vriend.'
'Ben jij soms iets anders?' vroeg Carse brutaal.
Boghaz bestudeerde hem met sluwe, kleine oogjes. 'En wat ben jij, vriend?'
'Je hebt me gehoord ... Ik kom van een land ver achter Shun.'
Ver achter Shun en niet van deze wereld, dacht Carse. Maar hij kon deze mensen onmogelijk de ongelooflijke waarheid vertellen.
De dikke Valkisiaan haalde zijn schouders op. 'Je houdt je blijkbaar aan je verhaal. Mij goed, mij goed. Ik vertrouw je onvoorwaardelijk. We zijn toch partners.?'

Carse glimlachte zuur om die sluw gestelde vraag. De onbeschaamdheid van de dikke dief had toch iets opens waar hij wel van hield.
Boghaz merkte de glimlach maar al te goed op. 'Ah, je denkt aan die onfortuinlijke gewelddaad van gisteravond jegens jouw persoon,' zei hij pompeus. 'Laten we het vergeten. Het was gewoon impulsiviteit.
'Ik, Boghaz, heb het incident al lang uit mijn geest verdreven,' voegde hij er grootmoedig aan toe. 'Maar, mijn vriend, het feit blijft dat jij het geheim van de tombe van Rhiannon kent,' ging hij op een fluistertoon verder. 'Het is maar goed dat die domme Scyld de symbolen op het zwaard niet herkende. Als het geheim goed wordt uitgebuit kunnen we de machtigste mannen van Mars worden!'
'Waarom is die tombe van Rhiannon zo belangrijk?' vroeg Carse.
Boghaz was duidelijk in verwarring door die vraag. Hij keek ten zeerste verwonderd.
'Wil je zeggen dat je zelfs dàt niet weet?'
'Ik vertelde je toch al dat ik van zo ver komt dat dit een nieuwe wereld voor me is,' zei Carse geduldig.
Het mollige gezicht van Boghaz toonde zowel ongeloof als verwondering.
'Ik weet écht niet of je werkelijk bent wie je zegt of dat je die kinderachtige onwetendheid om één of andere reden speelt.' Hij haalde zijn schouders weer op. 'Maar wat het ook is, het verhaal zou je toch vlug genoeg van iemand anders horen. Ik kan je evengoed de waarheid vertellen.'
Hij begon snel en stil te spreken en keek Carse daarbij sluw aan. 'Zelfs een barbaar moet toch gehoord hebben van de bovenmenselijke Quiru die lang geleden alle macht en wetenschappelijke wijsheid bezaten. En hoe de Vervloekte onder de Quiru, Rhiannon, zondigde omdat hij teveel wijsheid leerde aan de Dhuvianen.
'Door de gevolgen van die misstap verlieten de Quiru onze wereld. Waar naartoe weet geen mens. Maar ze hebben Rhiannon voor hun vertrek uit hun midden gestoten en hem opgesloten in een verborgen tombe samen met zijn machtige instrumenten.
'Is het dan zo verwonderlijk dat Mars sindsdien achter de vindplaats van de Tombe jaagt? Is het zo vreemd dat zowel het keizerrijk van Sark als de Zeekoningen alles zouden doen om de macht van de Vervloekte te bezitten? En weet je nu waarom ik, Boghaz, het je niet kwalijk neem dat je voorzichtig bent met het vertellen van de vindplaats van de tombe?
Carse negeerde die laatste woorden. Hij herinnerde zich opeens de vreemde, rijk versierde instrumenten en prisma's gevat in metaal in de tombe van Rhiannon.
Waren dat werkelijk de overblijfselen van een oude wetenschap ... een wetenschap die verloren was gegaan in dit halfbarbaarse Mars van deze tijd?
'Wie zijn die Zeekoningen?' vroeg hij. 'Ik mag aannemen dat het de vijanden van de Sarks zijn.'
Boghaz knikte. 'De Sarks besturen de landen ten oosten, noorden en zuiden van de Witte Zee. Maar in het westen zijn er kleine, vrije koninkrijken van geharde zeerovers zoals de Khonds en hun Zeekoningen weerstaan de macht van Sark.' En hij voegde er ernstig aan toe: 'Ja, en heel wat onderhorige landen van Sark, zoals mijn land Valkis, hebben veel onderdanen die de Sarks in het geheim haten omwille van de Dhuvianen.'
'De Dhuvianen?' vroeg Carse. 'Wie zijn die Dhuvianen die blijkbaar zo'n grote rol spelen?'
Boghaz snoof laatdunkend. 'Luister, vriend, je mag voor mijn part de onwetende spelen, maar dit gaat te ver. Er is geen enkele krijger, waar hij ook vandaan komt, die het Vervloekte Serpent niet kent en vreest!'
Het Serpent was dus de algemene naam van de mysterieuze Dhuvianen. Carse vroeg zich af waarom ze zo genoemd werden.
Hij voelde plotseling dat de vrouwelijke Zwemmer hem scherp bekeek. Eén kort en intens verwonderd moment lang had hij de indruk dat ze in zijn gedachten keek.
'Shallah bekijkt ons . . . zwijg nu maar,' fluisterde Boghaz scherp. 'Iedereen weet dat de Halflingen een beetje gedachten kunnen lezen.'
Als dat zo is, bedacht Carse grimmig, dan heeft Shallah zeker heel wat ongelooflijke zaken in mijn gedachten gelezen!
Hier zat hij nu geketend aan een riem en plotseling op een volkomen onbekende wereld geworpen. Een Mars dat nog grotendeels een mysterie voor hem bleef. Maar als Boghaz de waarheid vertelde, als die vreemde objecten in de tombe van Rhiannon werkelijk instrumenten waren van een oude, vergeten wetenschap, dan hield hij, ondanks zijn slavernij op dit moment, de sleutel in handen van een geheim dat door een hele wereld begeerd werd. En dat geheim kon zijn dood betekenen. Hij moest het zorgvuldig bewaren tot hij weer vrij was. Hij was inderdaad maar van twee dingen zeker: hij zou proberen zijn vrijheid te heroveren en hij haatte de brallende Sarks hoe langer hoe meer.
De zon stond nu hoog boven hun hoofden en brandde rechtstreeks in de onbeschermde roeiput. De wind die boven hen in de strak gespannen zeilen blies, verminderde de hitte beneden niet. De mannen braadden als vissen aan het spit en tot dan toe hadden ze water noch voedsel gekregen.
Carse keek met lusteloze ogen naar de soldaten van Sark die arrogant op het dek boven de roeiput lummelden. Op het achterste gedeelte van dat dek stond de lage hoofdkajuit waarvan de deur gesloten bleef. Op het platte dak ervan stond de stuurman, een stoere zeeman van Stark die het massieve roer vasthield en zijn orders van Scyld kreeg.
Scyld stond nu naast de stuurman met zijn vierkant geknipte baard hoog in de lucht. Hij had geen ogen voor de ellende in de put onder hem, maar speurde de horizon af. Af en toe gromde hij korte orders naar de stuurman.
Op den duur kwamen dan toch de rantsoenen... zwart brood en een pannetje met water. De rantsoenen werden uitgedeeld door die vreemde, gevleugelde slaven die Carse al eerder in Jekkara had gezien. Het Gevleugeld Volk had de menigte hen genoemd.
Carse bekeek de slaaf nieuwsgierig. Hij leek op een kreupele engel met zijn glanzende vleugels zo wreed gebroken en met zijn knap en lijdend gezicht. Hij bewoog zich langzaam over de loopplank alsof lopen alleen al een last voor hem was. Hij
glimlachte of sprak niet en zijn ogen waren mistig. Shallah bedankte hem voor het voedsel. Hij keek haar niet aan, maar ging langzaam verder met zijn lege mand. Ze keek naar Carse.
'De meesten sterven als hun vleugels gebroken worden,' zei ze.
Hij wist dat ze de dood van de geest bedoelde. En de aanblik van die gebroken Halfling vuurde Carse's haat voor de Sarks nog sterker aan dan zijn eigen slavernij. 'Vervloekt zij de bruten die zoiets doen,' gromde hij.
'Zeker, en vervloekt zij die verbroederen met het kwaad in het Serpent,' gromde Jaxart, de grote Khond aan hun roeispaan. 'Vervloekt zij hun koning en die duivelin, zijn dochter Ywain. Ik liet onmiddellijk het hele schip met iedereen erop zinken als ik de kans had. Dat lot is beter dan de duivelskunsten te trotseren die ze weer in Jekkara heeft uitgebroed.'
'Waarom laat ze zich niet zien?' vroeg Carse. 'Is ze zo delicaat dat ze de hele weg naar Sark in haar kajuit moet blijven?'
'Die duivelse kat delicaat?' spuwde Jaxart verachtelijk. 'Ze is aan het hoereren met haar minnaar, in de kajuit. Gehuld in zijn kapmantel kroop hij in Sark aan boord, en hij is sindsdien niet buiten gekomen. Maar we hebben hem wel gezien.'
Shallah keek naar achter met een vreemde blik en mompelde: 'Het is geen minnaar die ze daar verbergt, maar een vervloekt iets. Ik voelde het toen het aan boord kroop.' Ze keek met haar lichte, indringende ogen naar Carse. 'Ik geloof dat er ook een vloek op jou rust, vreemdeling. Ik voel het, maar ik begrijp het niet.'
Carse voelde opnieuw de kilte langs zijn ruggegraat sluipen. Deze Halflingen met hun buitenzintuigelijke talenten konden vaag zijn bizarre buitenwereldsheid voelen. Hij was blij toen Shallah en Naram, haar gezel, uit zijn buurt gingen.
Tijdens de volgende uren merkte Carse dikwijls dat zijn blik omhoog klom naar het achterdek. Hij voelde een grimmig verlangen om Ywain van Sark, wier slaaf hij nu was, te zien. 's Namiddags begon de wind, na uren een flinke bries te hebben aangehouden, in kracht te verminderen. Niet lang daarna ging hij helemaal liggen.
De trommel begon te slaan. De roeispanen werden uitgestoken en opnieuw zweette Carse bij die ongewone arbeid en voelde hij de kus van de zweep op zijn rug.
Boghaz was echter veel opgewekter. 'Ik ben geen zeeman,' verklaarde hij hoofdschuddend. 'Voor een Khond zoals jij, Jaxart, is de zeeroverij een normale zaak. Maar in mijn jeugd was ik delicaat en daarom voorbestemd om rustiger taken te volbrengen. Ah! Gezegende kalmte van toen! Zelfs het vervelende getrek aan deze riemen is te verkiezen boven het als een wild beest dansen over de golven!' Carse vond die pathetische woorden maar vreemd tot hij plotseling ontdekte waarom Boghaz niet zoveel maalde om het roeien. De Valkisiaan boog alleen maar voor- en achterover terwijl Jaxart en Carse duwden. Carse sloeg hem zo venijnig dat hij bijna van de bank viel en daarna deed hij kreunend zijn deel van het werk.
De namiddag sleepte zich heet, eindeloos en doordrongen van het dreunen van de trommel verder. Carse's handen kregen blaren die later openbarstten en bloedden. Hij was een krachtig man, maar zijn kracht vloeide als water uit zijn lichaam, dat aanvoelde alsof het gemarteld werd. Hij benijdde Jaxart die zich gedroeg alsof hij op de roeibank was geboren.
Op den duur verminderde de totale uitputting zijn pijn. Hij viel in een soort verdwaasde verdoving die zijn lichaam mechanisch deed bewegen.
En toen hief hij ineens zijn hoofd op. Hij hield zijn adem in toen hij in de laatste stralen van het zonlicht, die zijn gezichtsveld deden trillen, een vrouw op het dek boven hem zag staan kijken naar de zee.