XV. Onder de twee manen

Met het onfeilbare instinct van zijn soort kende Boghaz elk muizegaatje in Khondor. Hij leidde hen via een reeds lang in onbruik geraakte gang uit het paleis. Het stof lag er centimeters dik en de deur was bijna weggerot. Toen bracht hij hen langs vergruizelde trappen en nauwe steegjes die niet breder waren dan scheuren in de rotsen, uit de stad. Khondor stond in rep en roer. De nachtwind droeg echo's van gehaaste voeten en gespannen stemmen met zich mee. En de lucht werd vervuld van het vleugelgeklap toen enorme drommen Luchtmensen opstegen.
Er was geen paniek. Maar Carse kon de woede van de stad voelen en de harde, grimmige spanning van een volk dat een zeker noodlot tegemoet ging. Vanuit een tempel kon hij de stemmen horen van de vrouwen die de goden aanbaden. Ze ontmoetten wat voorbij rennende mensen maar niemand schonk hen enige aandacht. Zij waren gewoon een dikke zeeman met een bundel over zijn schouder en een grote man in een mantel die naar de haven gingen. Daar zocht niemand iets achter.
Ze daalden de treden naar de haven af en nu was er veel verkeer op die duizelingwekkende trappen. Maar niemand lette op hen. Elke Khond was te vervuld van eigen zorgen in deze noodlottige nacht om op zijn buur te letten. Niettemin sloeg Carse's hart als een razende in zijn borst en prikten zijn oren van het voortdurend luisteren naar het alarm dat over de stad zou schallen wanneer IJzerbaard hun ontsnapping zou merken.
Maar ze bereikten de kaaien. Carse zag de grote mast van de galei boven de sloepen uitsteken en rende er naartoe, op de hielen gevolgd door de hijgende Boghaz. Hier brandden honderden toortsen. Krijgers en voorraden werden aan boord van de schepen gebracht. De rotswanden dreunden van het tumult. Kleinere vaartuigjes dobberden buiten de stenen kaaien.
Carse hield het hoofd gebogen terwijl hij door de menigte drong. Het water wemelde van de Zwemmers en de vrouwen namen met een bedrukt gezicht afscheid van hun man. Toen ze de galei naderden, liet Carse Boghaz voor zich uit lopen. Hij bleef in de beschutting van een stapel vaten staan en deed alsof hij een sandaalriem vastknoopte. De Valkisiaan klom ondertussen aan boord met zijn last. Hij hoorde hoe de bemanning Boghaz nerveus en moedeloos vroeg of er nieuws was.
Boghaz ontdeed zich van Ywain door haar achteloos in de kajuit achter te laten en riep toen alle hens aan dek voor vergadering bij het grote wijnvat, dat veilig in de ziekenboeg stond opgeslagen. De Valkisiaan had zijn verhaal uit het hoofd geleerd.
'Of er nieuws is?' hoorde Carse hem zeggen. 'Luister maar! Sinds Rold gevangen is genomen, is deze stad onbetrouwbaar. Gisteren waren we hun broeders en vandaag zijn we schurken en hun vijanden. Ik heb hen horen praten in de wijnkelders en onze levens zijn geen stuiver meer waard.'
De bemanning mopperde ongemakkelijk bij het horen van dit nieuws en Carse sprong ongezien op het schip. Voor hij bij zijn kajuit was hoorde hij Boghaz nog zeggen: 'Er verzamelde zich al een troep toen ik wegging. Als we in leven willen blijven, moeten we nu vertrekken!'
Carse wist vrij goed hoe de bemanning op dit verhaal zou reageren, maar hij vroeg zich af of Boghaz erg overdreef. Hij had al eerder in benarde omstandigheden kennis gemaakt met de massapsychologie van menigten en zijn bemanning van veroordeelde Sarks, Jekkaranen en andere rassen kon vlug genoeg in een nare positie verkeren.
Hij sloot de kajuitdeur en deed de grendel voor de deur. Hij legde zijn oor tegen het hout en luisterde. Hij hoorde het getrappel van naakte voeten op het dek, het vlugge staccato van orders en het geratel van de blokken toen de zeilen werden gehesen. De meerlijnen werden ingehaald en de riemen dreunden zwaar uit hun houders. De galei kwam los van de kaai.
'Orders van IJzerbaard!' schreeuwde Boghaz tegen iemand op de kaai.' Een opdracht voor Khondor!'
De galei sidderde en begon toen op de maat van de gestaag dreunende trom snelheid te winnen. En toen hoorde Carse het geluid waar hij zo ingespannen boven al het tumult uit, naar had staan luisteren . .. Het was een geloei dat van de rots kwam .. . het alarm dat zich door de stad verspreidde en naar de haven toe rolde.
Hij bleef als verlamd van spanning doodstil staan. Zou iedereen het geluid begrijpen zoals hij, zonder enige uitleg. Maar het verwarde tumult in de haven overstemde het net lang genoeg en tegen de tijd dat het nieuws vanaf de top van de rots eindelijk de haven had bereikt, was de zwarte galei al een heel eind op de waterweg en stevende op de monding van de fjord af.
In de duisternis van de kajuit sprak Ywain opeens zacht:
'Heer Rhiannon. .. Mag ik misschien weer ademen?'
Hij knielde naast haar neer en verloste haar uit haar lappendeken. Ze ging overeind zitten.
'Dank u wel. We zijn uit het paleis ontsnapt en we hebben de haven verlaten, maar we moeten nog door de fjord. Ik heb het alarm gehoord.'
'Ja,' zei Carse, 'en het Luchtvolk zal het nieuws naar de fjord brengen.' Hij lachte. 'We zullen zien of ze Rhiannon kunnen tegenhouden door keitjes van de rotsen te gooien.' Hij beval haar in de kajuit te blijven en ging aan dek.

Ze waren al een eind in de geul gevorderd en koersten behoorlijk snel naar het einde ervan. De zeilen begonnen de wind te vangen, die tussen de klippen van de fjord blies. Carse probeerde zich te herinneren hoe de catapulten stonden opgesteld en rekende erop dat ze berekend waren op schepen die in de fjord wilden en niet eruit. Hun snelheid zou beslissend zijn. Als ze de galei vlug genoeg door de engte kregen, dan maakten ze een behoorlijke kans. Niemand zag hen in het zwakke licht van Deimos ... niet tot Phobos boven de rotsen steeg en zijn speren van groen licht over de galei zond. Toen zagen de mannen hem staan. Zijn mantel wapperde in de wind en het lange zwaard lag in zijn handen.
Een vreemde kreet rees omhoog. Het was voor de helft een welkomstgroet voor de Carse die zij zich herinnerden, en voor de helft een angstkreet om wat ze over hem hadden gehoord in Khondor.
Hij gaf hen niet de tijd om na te denken. Hij zwaaide het zwaard hoog boven zijn hoofd en brulde: 'Roeien, roeien, apen! Roeien of ze jagen ons naar de bodem van de fjord!' Ze wisten niet of hij man of duivel was, maar hij sprak de waarheid.
Ze roeiden.
Carse sprong op de stuurmansplecht. Boghaz stond daar al en hij deinsde overtuigend tegen de reling achteruit toen Carse naderde, maar de man aan het stuur bekeek hem met wolfsogen waarin een gemene vonk gloeide. Het was de man met het brandmerk op de wang, die samen met Carse en Jaxart aan de riem had gezeten, op de dag van de muiterij.
'Ik ben nu kapitein,' zei hij tegen Carse, 'en ik wil jou en je vloek niet op mijn schip hebben.'
'Ik zie dat je me niet kent,' zei Carse met een verschrikkelijk diepe en trage stem. 'Vertel het hem, man van Valkis!'
Maar Boghaz hoefde niet te spreken. Er klonk het gefluit van vlerken en een gevleugelde man vloog laag in het maanlicht over het schip.
'Keer terug! Keer terug!' schreeuwde hij. 'Jullie hebben ... Rhiannon aan boord!'
'Ja!' schreeuwde Carse terug. 'Rhiannon's gramschap, Rhiannon's macht!'
Hij hief het zwaardgevest zo hoog dat het donkere juweel
boosaardig glansde in Phobos' licht.
'Durf je mij uit te dagen? Durf je dat?'
De Luchtman zwaaide wild krijsend omhoog in de wind.
Carse draaide zich om naar de stuurman.
'En jij?' zei hij. 'Wat denk jij?'
Hij zag de wolfsogen van het schitterende juweel naar zijn eigen gezicht glijden. En toen zag hij de angst, die hij maar al te goed had leren kennen, in die blik kruipen tot de ogen werden neergeslagen.
'Ik durf me niet tegen Rhiannon te keren,' zei de man hees.
'Geef mij het stuur,' zei Carse en de ander ging opzij. Het merkteken brandde vuurrood op zijn lijkbleke wang.
'Zorg ervoor dat het schip snelheid krijgt als je wilt blijven leven,' beval Carse.
Het schip begon sneller te varen. De galei stoof met een beangstigende vaart tussen de klippen. Het was een zwart en spookachtig schip tussen het witte vuur aan beide kanten van de fjord en het koude, groene maanlicht. Carse zag de open zee voor zich opdoemen en spande biddend zijn spieren.
Een fluitende snauw echode van de rotsen toen het eerste rotsblok in het water viel. Een watergeiser ontstond vlak bij de boeg van de galei en ze sidderde, maar raasde verder. Met intens vertrokken gezicht in die vreemde gloed, stond Carse met druipende mantel over de helmstok gebogen en dwong het gemartelde schip in de keel van de fjord. Katapulten floten en rotsblokken donderden in het water zodat ze door een brandende mist- en schuimwolk zeilden. Maar het verliep zoals Carse had gehoopt. De verdedigings-ring was ondoordringbaar voor een frontale aanval, maar week in omgekeerde richting. Inschieten op de vaargeul was moeilijk en richten op een vluchtend doelwit nog moeilijker. Die feiten en de adembenemende snelheid van de galei redden hen.
Ze bereikten de open zee. De laatste steen viel ver achter hen in het water en ze waren vrij. Carse wist dat de achtervolging snel zou worden ingezet, maar nu waren ze even veilig. Hij begreep toen pas hoe moeilijk het is om een god te zijn. Hij wilde op het dek gaan zitten en een fikse slok wijn drinken om zijn trillende zenuwen te bedaren. Maar in plaats daarvan moest hij een echoënde lach uit zijn keel wringen alsof het hem amuseerde te zien hoe gewone stervelingen zich met een Onoverwinnelijke probeerden te meten.
'Hier, jij die jezelf kapitein noemt! Neem het roer over... en zet koers naar Sark.'
'Sark!' De ongelukkige kapitein kreeg die nacht heel wat te slikken. 'Heer Rhiannon, heb medelijden! In Sark zijn wij veroordeelde boeven!'
'Rhiannon zal jullie beschermen,' zei Boghaz.
'Stilte!' brulde Carse. 'Wie ben jij dat je voor Rhiannon wilt spreken!' Boghaz kromp bevreesd in elkaar en Carse gromde: 'Breng Vrouwe Ywain naar me toe . .. Maar bevrijd haar eerst van haar ketens!'
Hij daalde de ladder af en bleef wachtend op het dek staan. Achter hem hoorde hij de gebrandmerkte man kreunen en mompelen: 'Ywain! Bij de goden, de Khonds zouden ons een betere dood hebben gegeven!'
Carse stond onbeweeglijk en de mannen keken hem aan. Ze durfden niet te spreken, wilden opstaan en hem doden, maar ze waren te bang. Bang voor het onbekende, sidderend en bevend als ze dachten aan de macht van de Vervloekte die hen kon wegbranden.
Ywain kwam bij hem staan. Haar ketens waren verdwenen en ze boog voor hem. Hij draaide zich om en riep naar de bemanning: 'Jullie volgden de barbaar toen jullie tegen haar in opstand kwamen. Nu is de barbaar niet meer zoals jullie hem kenden. En jullie zullen Ywain opnieuw dienen. Als jullie dat goed doen, zal ze jullie misdaad vergeven.'
Hij zag hoe haar ogen begonnen te gloeien en hoe ze wilde protesteren, maar hij wierp haar een harde blik toe die haar deed zwijgen.
'Zweer het,' beval hij, 'op de eer van Sark!' Ze gehoorzaamde. Maar Carse voelde opnieuw dat ze nog niet helemaal overtuigd was dat hij werkelijk Rhiannon was. Ze volgde hem naar zijn kajuit en vroeg of ze binnen mocht komen. Hij stond dat toe en zond Boghaz weg om wijn te halen. Toen was het een poos stil. Carse zat nadenkend in Ywain's stoel en probeerde het nerveuze gebons van zijn hart te bedaren terwijl zij hem van onder haar neergeslagen oogleden bestudeerde.
De wijn kwam eraan. Boghaz aarzelde en liet hen toen noodgedwongen alleen.
'Ga zitten,' zei Carse, 'en drink.'
Ywain trok een lage stoel dichterbij en ging zitten met haar lange benen voor zich uit. Ze was zo slank als een jongen in haar zwarte maliënkolder. Ze dronk en zei niets. 'Je twijfelt nog aan me,' zei Carse abrupt.
'Nee, heer!' zei ze verrast.
'Probeer niet me te beliegen,' lachte Carse. 'Je bent een trotse, hooghartige meid, Ywain, en bekwaam ook. Hoewel je een vrouw bent, zou je voortreffelijk over Sark kunnen heersen.'
Haar mond vertrok bitter. 'Mijn vader Garach heeft me gemaakt zoals ik ben. Het is een zwakkeling zonder zoon ... Iemand moest het zwaard dragen terwijl hij met de scepter speelt.'
'Ik denk dat je het niet met tegenzin hebt gedragen,' zei Carse.
'Nee,' glimlachte ze, 'ik ben niet gemaakt voor zijden kussens.'
Ze ging plotseling verder: 'Maar laten we het niet langer hebben over mijn twijfels, heer Rhiannon. Ik heb u eerder gekend... ééns, in deze kajuit, toen u S'San doodde en opnieuw, in de grot van de Wijzen. Ik ken u nu.'
'Het is niet zozeer van belang of je twijfelt of niet, Ywain. De barbaar alleen versloeg je al en ik denk dat Rhiannon geen moeite zou hebben.'
Haar wangen werden woedend rood. Haar nog steeds broeiende achterdocht was nu duidelijk zichtbaar. Haar woede verraadde haar.
'De barbaar overmeesterde me niet! Hij kuste me en ik liet hem genieten van die kus om mijn brandmerk voor eeuwig op zijn lippen te plaatsen.'
Carse knikte minzaam en wakkerde zo haar woede nog aan. 'En één ogenblik hield jij er ook van. Je bent een vrouw, Ywain, ondanks die korte tuniek en die maliënkolder.
En een vrouw weet altijd welke man haar kan overmeesteren.' 'Denk je?' fluisterde ze.
Ze was nu dichterbij gekomen en haar rode lippen weken uit elkaar, zoals al eerder was gebeurd,... verleidend . .. met opzet provocerend.
'Ik weet het,' zei hij.
'Als je alleen die barbaar was en niets anders,' mompelde ze, 'dan zou ik het ook kunnen weten.'
De valstrik werd bijna verdoezeld. Carse wachtte tot de gespannen stilte weggedreven was. Toen zei hij koud: 'Dat geloof ik ook. Maar ik ben niet meer de barbaar, maar Rhiannon. En het is nu tijd dat je gaat rusten.'
Hij bekeek haar met grimmig plezier toen ze achteruit week. Ze was van haar stuk gebracht en waarschijnlijk voor de eerste keer in haar leven volkomen in de war. Hij wist nu dat hij minstens voor een hele tijd haar vage achterdocht had weggebrand.
'Je kunt de tweede kajuit nemen,' zei hij.
'Ja Heer,' zei ze en nu was er geen spot meer in haar stem.
Ze draaide zich om en liep langzaam door de kajuit. Ze deed de binnendeur open en bleef toen even staan met haar hand tegen de deurpost. Hij zag dat er een trek van afschuw over haar gezicht gleed.
'Waarom aarzel je?' vroeg hij.
'De kajuit stinkt nog naar het Serpent,' zei ze. 'Ik slaap liever aan dek.'
'Dat zijn vreemde woorden, Ywain. S'San was uw raadgever en uw vriend. Ik moest hem doden om het leven van de barbaar te redden... Maar Ywain van Sark zal toch haar eigen bondgenoten niet verafschuwen?' '
Het zijn mijn bondgenoten niet, maar die van Garach,' zei ze terwijl ze zich omdraaide en hem aankeek. Hij zag dat haar woede over haar nederlaag haar alle voorzorgen deed vergeten.
'Rhiannon of geen Rhiannon!' riep ze. 'Ik wil eindelijk eens zeggen wat al zovele jaren in mijn geest verborgen zit! Ik haat uw kruipende leerlingen van Caer Dhu! Ik verafschuw ze met heel mijn hart... en nu mag u me doden als u dat wenst!'
En ze rende aan dek terwijl ze de deur hard achter zich dichtsloeg.
Carse bleef zitten. De spanning deed zijn lichaam trillen en nu kon hij eindelijk een glas wijn voor zichzelf uitschenken. Maar dat deed hij nog niet: hij was te verbaasd over zijn eigen geluk. En hij was gelukkig omdat hij nu wist dat Ywain Caer Dhu ook haatte.
Tegen middernacht viel de wind weg en de galei ploegde moeizaam met de riemen verder. Het ging veel minder hard dan normaal, omdat de roeiersbanken onvolledig waren bezet. De veroordeelde Khonds waren niet meer bij de bemanning.
En tegen de ochtend zag de uitkijk vier kleine stippen aan de horizon. Vier schepen van Khondor.