XIII. Catastrofe
De daaropvolgende dagen verliepen vreemd en
verstild voor Matthew Carse. Hij tekende uit het hoofd een kaart
van de heuvels boven Jekkara en de plaats waar de tombe verborgen
lag. Rold bestudeerde haar tot hij de ligging beter kende dan zijn
eigen huis. Daarna werd het perkament verbrand. Rold nam één schip
en een elitebemanning mee en verliet Khondor, bij nacht.
Jaxart ging met hem mee. Iedereen kende de gevaren van de reis.
Maar één snel schip met Zwemmers als verkenners kon Sark's
patrouilleerschepen ontlopen. Ze zouden meren in een verborgen
kreek die Jaxart kende. De kreek lag ten westen van Jekkara en de
rest van de weg zouden ze te land afleggen.
'Als er iets misgaat tijdens de terugreis,' zei Rold grimmig, 'dan
zullen we het schip onmiddellijk doen zinken.' Na het vertrek van
het schip kon slechts worden gewacht. Carse was geen ogenblik
alleen. Hij had drie kleine kamers in een ongebruikt deel van het
paleis gekregen, maar er waren altijd bewakers in de
buurt.
En een vretende angst knaagde aan zijn geest, hoezeer hij er ook
tegen vocht. Hij betrapte zich erop, te luisteren naar een
innerlijke stem die op het punt stond te spreken en uit te kijken
naar een klein teken of gebaar dat het zijne niet zou zijn. De
verschrikking van de beproeving van de Wijzen, in de grot, had zijn
sporen achtergelaten. Hij wist nu wat zijn vloek was en daarom kon
hij geen seconde van die gebeurtenis vergeten.
Het was niet de angst voor de dood die hem zo bedrukte hoewel hij
menselijk genoeg was om te willen leven. Nee, het was de angst om
nog eens zo'n bezeten moment te moeten doorstaan. Te moeten
toekijken terwijl elke cel van zijn lichaam en geest in het bezit
zou zijn van die indringer. Zijn ongelooflijke angst voor Rhiannon
was nog groter dan zijn nimmer wijkende afschuw voor de
waanzin.
Emer kwam telkens weer met hem praten en hem bestuderen. Hij wist
dat ze uitkeek naar tekens van Rhiannon's opstanding. Maar hij wist
ook dat hij veilig was zolang ze bleef glimlachen.
Ze keek niet meer in zijn geest, maar ééns sprak ze over wat ze
daar gezien had.
'Je komt van een andere wereld,' zei ze met rustige zekerheid. 'Ik
denk dat ik dat al wist toen ik je de eerste keer zag. Ik voelde de
herinneringen in je geest.. . Het was een desolaat, verlaten
landschap, erg vreemd en droevig.'
Ze stonden op een klein balkon, ver onder de top van de rots en de
wind blies fris uit de richting van de groene wouden.
'Het is een bittere wereld, maar hij heeft ook zijn eigen
schoonheid.' zei Carse.
'Er is zelfs schoonheid in de dood,' zei Emer, 'maar ik ben blij
dat ik leef.'
'Laten we die andere plaats dan vergeten. Vertel me liever van deze
wereld, die zo bruisend leeft. Rold vertelde me dat je dikwijls bij
de Halflingen verblijft.'
Ze lachte. 'Hij plaagt me soms en zegt dat ik een wisselkind ben en
niet helemaal menselijk.'
'Op dit moment lijk je inderdaad niet menselijk,' zei Carse, 'met
het maanlicht op je gezicht en je haar dat het helemaal
opslorpt.'
'Soms wou ik dat het waar was. Je bent nooit naar de Eilanden
van het Luchtvolk geweest?'
'Nee.'
'Het zijn als kastelen die uit de zee rijzen, bijna zo groot als
Khondor. Als het Luchtvolk me daar naartoe brengt, voel ik het als
een pijnlijk gemis dat ik geen vleugels heb. Want ik moet worden
gedragen en op de grond blijven terwijl zij als adelaars om me heen
vliegen. Dan meen ik dat vliegen het mooiste is wat er bestaat en
dan huil ik omdat ik nimmer zal kunnen vliegen.
'Maar wanneer ik bij de Zwemmers ben is mijn geluk groter. Mijn
lichaam is ongeveer als het hunne, maar niet zo beweeglijk. En het
is zo ... zo wonderlijk om samen met hen in het flonkerende water
te springen en hun tuinen te gaan bezichtigen met die vreemde
zeebloemen die buigen met de tij en de kleine, glimmende vissen die
er als vogels om heen spelen.
'En hun steden, Carse. Het lijken wel zilveren bellen in de ondiepe
oceaan. De hemel daar, is gloeiend vuur, helder goudkleurig als de
zon schijnt en zilver 's nachts. Het is er altijd warm en de lucht
is rustig. Er zijn kleine vijvers waar de babies spelen om later
krachtig te zijn, als het tijd wordt om in open zee te
gaan.
'Ja, ik heb veel geleerd van de Halflingen,' zuchtte ze.
'Maar de Dhuvianen zijn toch ook Halflingen?' zei Carse. Emer
huiverde. 'De Dhuvianen zijn het oudste Halflingen-ras. Ze zijn
niet bijzonder talrijk meer. Ze wonen in Caer Dhu.'
'Je bezit Halflingenwijsheid,' zei Carse plotseling,' Is er dan
geen manier om dat monsterlijke ding in mij te verjagen?'
'Zelfs de Wijzen kunnen dat niet,' antwoordde ze somber.
De vuisten van de Aardling klemden zich woest om de rots van het
balkon.
'Jullie hadden me beter in die grot kunnen doden!'
Emer legde haar zachte hand op de zijne en zei: 'Er is nog altijd
tijd voor de dood.'
Nadat ze hem had verlaten, ijsbeerde Carse uren door zijn kamer.
Hij verlangde naar de verdoving van de wijn, maar hij durfde niet
te drinken want hij was bang om te slapen. Als hij dan eindelijk
uitgeput was, bonden zijn bewakers hem vast op het bed. Eén van hen
bleef met getrokken zwaard aan het hoofdeind van zijn sponde staan,
klaar om hem wakker te maken als hij leek te dromen. En hij
droomde. Soms waren het nachtmerries, geboren uit zijn eigen angst,
maar soms gleed het donkere gefluister van een stem in zijn
geest:
'Wees niet bang. Laat me spreken ... Ik moet je
alles verklaren.'
Carse werd dikwijls wakker met de echo van zijn geschreeuw in zijn
oren en een zwaardpunt tegen zijn keel. 'Ik wil
je geen kwaad doen. Ik kan je angst doen verdwijnen als je
luistert!'
Carse vroeg zich dikwijls af wat hij eerst
zou doen: gek worden of zich van het balkon in zee
storten.
Boghaz was meer dan ooit zijn schaduw. Hij leek gefascineerd door
het ding dat in Carse verscholen zat. Hij was diep onder de indruk,
maar niet te bang om woest te zijn over het weggeven van het geheim
van de tombe.
'Ik heb je zo dikwijls gezegd dat ik over het geheim zou
onderhandelen, zei hij dan. 'De grootste bron van macht op Mars en
jij geeft dat gewoon weg! Weggeven ... zonder zelfs de belofte te eisen, dat ze je niet
zullen doden als ze de wapens hebben.'
Zijn mollige handen maakten een berustend gebaar. 'Ik herhaal het,
Carse, je hebt me beroofd. Beroofd van een koninkrijk.'
Carse was nu blij met de onbeschaamdheid van de Valkisiaan, want
die liet hem geen minuut alleen. Boghaz zat altijd in zijn kamer en
dronk enorme hoeveelheden wijn. Nu en dan keek hij Carse aan en
grinnikte: 'De mensen hebben altijd tegen me gezegd dat ik een
duivel in me heb, maar jij, Carse, hebt DE
duivel in je.'
'Laat me spreken, Carse, en ik zal je alles doen
begrijpen!'
Carse werd mager en hologig. Zijn gezicht kreeg zenuwtrekken en
zijn handen werden onzeker.
En toen bracht een man van het Luchtvolk ontzettend nieuws met zich
mee. Hij kwam uitgeput in Khondor aanvliegen.
Emer vertelde Carse wat er gebeurd was. Dat hoefde eigenlijk niet
want toen hij haar krijtwitte gezicht zag, kon hij er wel naar
raden.
'Rold heeft de tombe niet bereikt,' zei ze. 'Een patrouille van
Sark overmeesterde zijn boot tijdens een verkennerstocht. Ze zeggen
dat Rold zelfmoord probeerde te plegen om het geheim veilig te
bewaren, maar dat werd hem belet. Ze hebben hem mee naar Sark
genomen.'
'Maar de Sarks weten toch niet dat hij het geheim bezit!'
protesteerde Carse die zich met alle geweld aan die strohalm wilde
blijven vastklampen. Maar Emer schudde droevig het hoofd.
'Het zijn geen dwazen. Ze zijn beslist nieuwsgierig naar de plannen
van Khondor. Waarom zou één Zeekoning met één schip naar Jekkara
varen. Ze zullen de Dhuvianen verzoeken zijn tong los te
maken.'
Carse begreep met een misselijk gevoel wat dat betekende. De
Dhuviaanse hypnosewetenschap had bijna zijn eigen koppig en
buitenwereld brein gekraakt en zou Rold zeker al zijn geheimen
ontfutselen.
'Er is dus geen hoop meer?'
'Nee,' zei Emer. 'Nu niet en nooit meer.'
Ze zwegen een hele tijd. De wind huilde in de gaanderijen en de
golven rolden met hun eeuwige donder tegen de klippen
beneden.
'Wat gebeurt er nu?' vroeg Carse.
'De Zeekoningen hebben het bericht doorgeseind aan alle vrije
kusten en eilanden. Alle schepen en strijders verzamelen zich nu
hier en IJzerbaard zal hen naar Sark leiden. 'Er is weinig tijd.
Zelfs als de Dhuvianen het geheim kennen, dan nog zal het tijd
kosten om de wapens naar Caer Dhu te brengen en hun bediening te
leren. Als we Sark vóór die tijd !
kunnen vernietigen, dan...'
'Kunnen jullie dat?' vroeg
Carse.
'Nee,' antwoordde ze eerlijk; 'De Dhuvianen zullen tussenbeide
komen en de wapens die ze nu al hebben zullen de strijd
beslissen.
'Maar we moeten het proberen en strijdend sterven. Het zal een
betere dood zijn dan de vernietiging die ons wacht als Sark en het
Serpent Khondor in de zee zullen doen zinken.' Hij keek haar aan en
voelde dat geen ogenblik in zijn leven ooit zo bitter en eenzaam
was geweest.
'Zullen de Zeekoningen mij meenemen?'
Een domme vraag. Hij kende het antwoord al voor ze sprak. 'Ze
zeggen dat het een truuk van Rhiannon was, die Rold misleidde om
het geheim in Caer Dhu te krijgen. Ik heb hen gezegd dat dit niet
waar is, maar...'
Ze maakte een vaag, vermoeid gebaar en draaide haar hoofd om.
'Ik denk dat IJzerbaard me gelooft. Hij zal ervoor zorgen dat
je dood vlug en genadig zal zijn.'
'En Ywain?' vroeg Carse na een poos.
'Thorn van Tarak heeft een idee. Ze nemen haar mee naar Sark .
.. gebonden aan de steven van het vlaggeschip.'
Weer een stilte. Het leek Carse dat zelfs de lucht
loodzwaar op zijn hart drukte.
En toen merkte hij dat Emer stil was weggegaan. Hij draaide zich om
en ging op het kleine balkon staan en staarde naar de zee
beneden.
'Rhiannon,' fluisterde hij, 'ik vervloek je. Ik vervloek de nacht
dat ik je zwaard zag en ik vervloek de dag waarop ik naar Khondor
kwam met de belofte van jouw graf.'
Het licht vervaagde. De zee glansde als bloed in de laaghangende
zonnestralen. Carse hoorde flarden geschreeuw uit de stad en ver
beneden hem voeren de sloepen razendsnel in de fjord.
Carse lachte vreugdeloos. 'Je hebt nu wat je altijd hebt gewild,'
zei hij tegen de aanwezigheid in hem. 'Maar je zult er niet lang
van genieten.'
Een grote troost was het niet.
De spanning van de laatste dagen en deze laatste schok waren teveel
voor Carse. Hij ging op een gebeeldhouwde bank zitten en legde zijn
hoofd in zijn handen. Hij was zelfs te moe om emoties te
voelen.
De stem van de donkere indringer fluisterde in zijn brein en voor
de eerste keer was Carse te verdoofd om haar weg te
duwen.
'Ik had je dit kunnen besparen als je had
willen luisteren. Dwazen en kinderen zijn jullie! Waarom wilde je
niet luisteren?'
'Goed dan . .. Spreek!' mompelde Carse zwaar. 'Het kwaad is nu toch
geschied en IJzerbaard zal vlug hier zijn. Spreek,
Rhiannon!'
En dat deed Rhiannon. Hij overstroomde Carse's geest met zijn
gedachtenstem en hij ging tekeer als een stormwind, gevangen in een
nauwe kloof. Hij smeekte wanhopig.
'Ik kan Khondor nog steeds redden als je me
vertrouwt, Carse. Leen me je lichaam, laat mij het gebruiken
...'
'Ik ben nog niet diep genoeg gezakt om dat toe te laten.
Zelfs nu niet.'
'Bij de goden!' raasde Rhiannon's gedachte.
'En er is zo weinig tijd. .. '
Carse voelde hoe Rhiannon zijn woede probeerde te bedwingen en toen
de gedachtenstem opnieuw sprak was ze beheerst en rustig met een
verschrikkelijke eerlijkheid.
'Ik vertelde je de waarheid in de grot. Jij
bent in mijn tombe geweest, Carse! Hoe lang kon ik daar, in die
gruwelijke duisternis buiten tijd en ruimte blijven liggen, zonder
te veranderen, denk je? Ik ben geen god! Jullie noemen ons thans
zo, maar wij, de Quiru, zijn nooit goden geweest . . . slechts een
mensenras dat vóór de huidige mensen leefde.
'Thans noemen ze me slecht en Vervloekt. .. Maar zo was ik niet! Ik
was verwaand en trots, ja, en een idioot, maar ik had geen slechte
bedoelingen. Ik leerde enkele geheimen aan het Slangenvolk omdat
het intelligent was en omdat ze mij vleiden . . . en toen ze mijn
kennis gebruikten om kwaad te doen, probeerde ik hen tegen te
houden en faalde omdat ze een verdediging tegen mij hadden
opgebouwd. Zelfs mijn kracht kon hen niet bereiken in Caer
Dhu.
'Daarom veroordeelden mijn broeders mij. Ze sloten me op in een
plaats buiten tijd en ruimte en ik moest daar blijven zolang de
vruchten van mijn zonde in deze wereld zouden gedijen. En toen
verlieten ze me.
' Wij waren de laatsten van ons ras. Er was niets dat hen nog hier
hield en niets dat zij konden doen. Ze verlangden slechts vrede en
wijsheid. Daarom gingen zij verder langs het pad dat zij hadden
gekozen. En ik wachtte. Kun je je indenken wat dat wachten heeft
betekend?'
'Ik denk dat je het hebt verdiend,' zei Carse moeizaam. Hij was
plotseling erg gespannen. Een schaduw . .. een zweem van een
krankzinnige hoop . . .
Rhiannon ging verder. 'Dat is zo. Maar jij hebt
me de kans gegeven om mijn zonde uit te wissen en vrij te zijn om
mijn broeders te volgen.
De gedachtenstem rees plotseling met een gevaarlijke
hartstocht.
'Leen me je lichaam, Carse! Leen me je lichaam
zodat ik kan doen wat ik moet doen!' 'Nee!' fluisterde Carse.
'Nee!'
Hij was zich bewust van het gevaar en bevocht die wilde, eisende
kracht met alles wat hij in zich had. Hij wierp ze terug en sloot
zijn geest voor haar.
'Je kunt me niet overmeesteren,' fluisterde hij. 'Dat kun je
niet!'
'Nee,' zuchtte Rhiannon bitter, 'dat kan ik niet.'
En de innerlijke stem was verdwenen.
Carse leunde tegen de rots. Hij transpireerde en was diep geschokt,
maar tegelijkertijd werd hij aangespoord door een laatste, wanhopig
idee. Het was niet meer dan een vage gedachte, maar genoeg om hem
op te zwepen. Beter een straaltje hoop, dan als een rat in de val,
op de dood te moeten wachten.
Als de goden van het geluk hem enige tijd gunden. .. En toen hoorde
hij binnen een deur open gaan en het wachtwoord van de bewakers en
zijn hoop verdween. Hij bleef ademloos staan en wachtte op de stem
van IJzerbaard.