1. De poort naar het oneindige

Matt Carse wist dat hij gevolgd werd toen hij Madame Kan's kroeg amper had verlaten. Het gelach van de kleine, donkere vrouwen klonk nog in zijn oren en de hete, zoete mist van de thil zweefde nog voor zijn blikveld. Maar ondanks dit alles hoorde hij toch het gefluister van sandalen, vlak achter hem in de kille, Martiaanse nacht.
Carse voelde rustig of het protonenpistool los genoeg in zijn holster zat, maar hij probeerde niet zijn achtervolger van zich af te schudden. Hij verhaastte zijn pas niet en hield nergens stil tijdens zijn tocht door Jekkara. 'De oude stad,' dacht hij, 'dat is de beste plaats. Teveel mensen hier.'
Ondanks het late uur sliep Jekkara inderdaad niet. De steden aan de Lage Kanalen slapen nooit want ze liggen buiten het bereik van de Wet en tijd betekent niets voor ze. In Jekkara, Valkis en Barrakesh is de nacht slechts een donkere dag.
Carse liep langs het rustige, zwarte water van het oude kanaal, dat in de uitgedroogde zeebodem was uitgegraven. Hij keek naar de flakkerende toortsen die de droge wind nooit kon doven en hij luisterde naar de nooit ophoudende, schrille muziek van de harpen. Slanke, lenige mannen en vrouwen passeerden hem in die schaduwrijke straten. Ze waren even behendig en stil als katten behalve de vrouwen die kleine bellen droegen. Het ragfijne gerinkel was zo delicaat als het tikken van de regen en zo zoet verdorven als Mars zelf.
Ze letten niet op Carse hoewel hij, ondanks zijn Martiaanse kleding, duidelijk een Aardling was en een Aards leven gewoonlijk niets betekende in de steden langs de Lage Kanalen. Maar Carse was één van hen. De mannen van Jekkara, Valkis en Barrakesh zijn de koningen van de dieven en ze bewonderen behendigheid, achten kennis en herkennen een heer als ze er één ontmoeten.
Matthew Carse, ex-lid van het Interplanetaire Genootschap van Archeologen, ex-assistent van de leerstoel der Martiaanse Oudheid te Kahora, vijfendertig jaar oud en Marsbewoner sinds zijn vijfde jaar was daarom opgenomen in hun zeer exclusieve dievengenootschap en had de eed van vriendschap met hen gezworen. Een eed die niet gebroken kon worden.
En toch volgde één van Carse's 'vrienden' hem door de straten van Jekkara met de omzichtigheid van een zandkat. Carse vroeg zich even af of het een agent van de Aardse Politie kon zijn, maar hij verwierp die mogelijkheid bijna onmiddellijk. In Jekkara was geen politie, van welke macht dan ook. Nee, het moest een bewoner van de Lage Kanalen zijn ... met een eigen doel.
Carse keerde de dode zeebodem de rug toe en verliet het kanaal. Voor hem lag nu, wat vroeger het binnenland was geweest. Het terrein werd snel steiler naar de klippen die erg aangevreten waren door de tand des tijds en de eeuwige wind. Daarachter sluimerde de oude stad van de Zeekoningen van Jekkara met haar versterkte vestingen. Maar hun glorie was verdwenen samen met het dalen van het zeepeil. Het Nieuwe Jekkara, de levendige stad aan het kanaal, was al oud toen het Chaldese Ur nog een pril modderdorp was. De Oude Stad Jekkara, met zijn kaaien van steen en marmer, stond nog altijd stevig en trots in zijn drooggevallen en verzande haven en was zo ongelooflijk oud dat er geen Aardse begrippen voor waren. Zelfs Carse was er diep van onder de indruk en hij kende die stad als geen ander. Hij had de Oude Stad uitgekozen omdat die verlaten was. Op die manier zou hij alleen met zijn 'vriend' kunnen praten. De lege huizen lagen open en desolaat in de nacht. Tijd en de aanvretende wind hadden hoeken en deuropeningen afgerond zodat de stad meer en meer een geheel ging vormen met het verweerde land. De kleine, lage manen weefden een net van tegengestelde schaduwen tussen deze huizen. Zonder moeite verdween de lange Aardling in zijn lange, donkere mantel plotseling in die schaduwen.
Hij hurkte in een muurnis en luisterde naar de voetstappen van zijn achtervolger. Ze werden luider, versnelden, vertraagden toen besluiteloos en versnelden weer. Ze kwamen dichterbij en gingen voorbij. Plotseling sprong Carse als een grote kat uit zijn schuilplaats en greep het kleine, magere lichaam beet. Er klonk een kreet van angst en verrassing toen de man terugschrok van de ijskoude punt van het protonpistool in zijn zij.
'Nee!' gilde hij. 'Niet doen! Ik ben ongewapend. Ik wil alleen met u praten.' Door de angst heen sloop een sluwe ondertoon. 'Ik heb een geschenk voor u.'
Carse overtuigde zich ervan dat de man ongewapend was en liet hem toen los. Hij zag de Martiaan nu duidelijk in het maanlicht. Het was een kleine dief met een rattengezicht. Het zou wel een verpauperd kereltje zijn want zijn kilt en harnas waren versleten en hij droeg geen juwelen. De stegen en de modder van de Lage Kanalen spuwden dat soort mannen uit. Het waren broeders van de schorpioenwormen die plotseling uit het zand opdoken en doodden. Carse borg zijn pistool niet in zijn holster.
'Spreek op,' zei hij.
'Ik ben Penkawr van Barrakesh,' zei de Martiaan. 'Misschien hebt u van me gehoord.' Hij rechtte zijn lichaam als een verfomfaaide kemphaan, bij het uitspreken van zijn eigen naam. 'Nee,' zei Carse.
Zijn toon was een regelrechte belediging en Penkawr grijnsde gemeen.
'Dat doet er niet toe. Ik heb van u gehoord, Carse, en ik heb een cadeau voor u, zoals ik al zei. Het is een uiterst zeldzame en waardevolle gift.'
'Zo uitzonderlijk en waardevol dat je me tot hier achterna moest sluipen om het me aan te bieden, zelfs in Jekkara?' zei
Carse die Penkawr fronsend probeerde te doorgronden.
'Wat is het dan?'
'Ik zal het u laten zien.'
'Waar is het?'
'Verborgen. Goed verborgen in de buurt van de paleiskaaien.'
Carse knikte bedachtzaam. 'Te waardevol en te exclusief om mee te sjouwen of om op de dievenmarkt te laten zien. Dat interesseert me, Penkawr. Laten we je cadeau maar eens gaan bekijken.'
Penkawr grijnsde vol vreugde zijn puntige tanden bloot in het maanlicht en wees Carse de weg. Carse bewoog zich veerkrachtig, klaar om onmiddellijk te kunnen toeslaan. Zijn pistool lag gereed in zijn hand. Hij vroeg zich af welke prijs Penkawr van Barrakesh zou vragen voor zijn 'geschenk.'

Carse had, zoals altijd, het gevoel dat ze een ladder naar het verleden bestegen toen ze naar het paleis klommen over de oude riffen en de verweerde kustrosten die nog steeds de erosie van de zee vertoonden. Een koude, vreemde rilling
ging altijd door hem heen als hij de oude kaaien zag staan, met de grote meerringen van de schepen. In het bizarre maanlicht zou je haast kunnen zweren dat. .. 'We zijn er,' zei Penkawr.
Carse volgde hem in een donkere hut van afbrokkelende steen. Hij trok een kleine kryptonlamp uit zijn riemtas en stak die aan. Penkawr knielde en veegde wat steengruis weg tot hij een lang, smal voorwerp, dat in lompen was gewikkeld, tevoorschijn haalde.
De Martiaan maakte het bundeltje met een vreemde eerbied, bijna met angst, open. Carse knielde naast hem neer en besefte opeens dat hij zijn adem inhield terwijl hij naar de slanke, donkere handen van Penkawr keek. Iets in de houding van de man had hem eveneens doen verstrakken. Een half bedekt juweel flitste plotseling op in het lamplicht en toen zag hij de koele schijn van metaal. Carse leunde voorover. De nauwe wolfsogen van Pankawr, geel als topaas, ontmoetten even de harde, blauwe pupillen van de Aardling en gleden toen weer af. Met een vlugge ruk trok hij de laatste lap stof van het voorwerp op de vloer. Carse bewoog niet. Het ding lag helder en gloeiend tussen hen in en allebei waren ze nog gevangen in die adembenemende verstarring. De rode gloed van de lamp beschilderde de strakke botten boven de donkere schaduwen op die twee gezichten en de ogen van Matthew Carse waren de ogen van een man die een mirakel ziet.
Na een lange pauze nam hij het ding langzaam in zijn handen. Hij bewonderde de dodelijke slankheid, de lengte en de volmaakte balans, het zwarte gevest dat precies in zijn grote hand paste, het rookkleurige juweel dat hem met levende wijsheid leek aan te kijken en de naam die in vreemde en oude symbolen op het lemmet stond gegrift. Toen Carse eindelijk sprak was zijn stem niet meer dan een gefluister.
'Het Zwaard van Rhiannon!'
Penkawr's adem floot snijdend toen hij eindelijk weer sprak. 'Ik heb het gevonden,' zuchtte hij. 'Ik het het gevonden.' 'Waar?'
'Dat doet er niet toe. Het is van u . . . voor een onbeduidende prijs.'
'Een onbeduidende prijs,' glimlachte Carse,' voor het zwaard van een god.'
'Een boosaardige god,' mompelde Penkawr. 'Mars noemt hem al meer dan een miljoen jaar 'de Vervloekte'. 'Ik weet het,' knikte Carse. 'Rhiannon, de Vervloekte, de Gevallene, de rebelse god uit het verleden. Ik ken de legenden ook ... De oude goden die Rhiannon overmeesterden en hem in een verborgen tombe gevangen hielden.'

Penkawr wendde zijn hoofd af. 'Ik weet niets van een verborgen tombe.'
'Je liegt,' zei Carse zacht. 'Je hebt de Tombe van Rhiannon gevonden. Anders had je het zwaard nooit kunnen vinden. Op één of andere manier heb je de sleutel ontdekt tot de oudste heilige legende van Mars. Alleen al de stenen van de Tombe zouden voor bepaalde mensen hun gewicht in goud waard zijn.'
'Ik heb geen tombe gevonden,' herhaalde Penkawr koppig. Hij ging vlug verder. 'Maar het zwaard alleen is een fortuin waard. Ik durf het niet te verkopen. De Jekkaranen zouden het als wolven uit mijn handen grissen, als ze het zouden zien.'
'Maar jij kunt het wel verkopen, Carse,' zei de kleine dief trillend van hebzucht. 'Je kunt het naar Kahora smokkelen en het voor een fortuin aan een Aardling verkopen.' 'Dat zal ik doen,' gromde Carse, 'maar eerst halen we de andere voorwerpen nog uit de tombe.'
Penkawr begon duidelijk te zweten. Na een lange stilte fluisterde hij: 'Laten we het bij het zwaard houden, Carse. Dat is genoeg.'
Carse zag dat Penkawr's zielestrijd er één was van angst en hebzucht. En zijn vrees gold niet de Jekkaranen maar iets anders ... iets dat verschrikkelijk genoeg moest zijn om zijn enorme hebzucht in te tomen.
Carse vloekte laatdunkend. 'Ben je bang voor de Vervloekte? Bang voor een legende die in de loop der tijden is ontstaan en die gewoon slaat op één of andere oude koning die al een miljoen jaar dood is?'
Hij lachte en maakte een flitsende beweging met het zwaard in het lamplicht.
'Trek het je niet aan, kereltje. Ik hou de geesten wel van ons af. Denk aan het geld! Je zult je eigen paleis hebben met honderd lieflijke slavinnen die alles zullen doen om je gelukkig te maken.'
En opnieuw zag hij angst en begeerte vechten in het Martiaanse gezicht.
'Ik heb daar iets gezien, Carse. Iets dat me de stuipen op het lijf jaagt. Ik weet niet waarom.'
Maar de woorden van Carse hadden doel getroffen. 'Maar misschien zijn het alleen maar legenden zoals jij zegt,' zei Penkawr die zijn lippen aflikte. 'En er liggen daar inderdaad schatten... zelfs mijn helft is al genoeg om me rijker te maken dan ik ooit heb gedroomd.'
'De helft?' zei Carse koel. 'Je vergist je, Penkawr. Jij krijgt één derde.'
Penkawr sprong met een van woede vertrokken gezicht op. 'Maar ik heb de Tombe gevonden! Het is mijn ontdekking!' Carse schraapte zijn keel. 'Als je niet op mijn manier wilt delen, hou dan je geheim. Hou het tot je 'broeders' uit Jekkara het uit je mond rukken met hete brandijzers wanneer ik ze vertel wat je hebt gevonden.'
'Zou je dat doen?' hijgde Penkawr. 'Ze vermoorden me als je
dat doet.'
De kleine dief staarde stikkend van machteloze woede naar Carse die groot en gespierd in het lamplicht stond met het zwaard in zijn handen. Zijn mantel hing over zijn naakte schouder en zijn halssnoer en rierh schitterden van de juwelen, geroofd uit het graf van de één of andere dode koning. Er was geen zachtheid in Carse, geen zwakke plek. De woestijnen en de zonnen van Mars, de koude en de hitte en de honger, hadden alles weggevreten behalve zijn botten en ijzeren spieren. Penkawr rilde: 'Goed dan, Carse. Ik breng je er naartoe. Voor één derde van de buit.' Carse knikte en glimlachte: 'Ik dacht al dat je dat zou doen.' Twee uur later klommen ze over de donkere, door de tijd aangevreten heuvels die achter Jekkara en de dode zeebodem lagen.
Het was erg laat en Carse hield van dat tijdstip in de nacht omdat Mars dan helemaal zichzelf was. Het deed hem denken aan een oude krijger, gehuld in een zwarte mantel, zijn gebroken zwaard nog altijd in de hand, verzonken in de oude dromen die zo dicht bij de werkelijkheid staan en die herinneren aan trompetgeschal, gelach en kracht. Het stof van de oude heuvels fluisterde onder de eeuwige wind die door Phobos werd veroorzaakt. De sterren waren koude speldeprikken. De lichten van Jekkara en de grote, zwarte leegte van de oude zeebodem lagen nu ver achter en onder hem. Penkawr leidde de weg langs stijgende kloven. Hun bizarre rijdieren waren verrassend behendig op die verraderlijke grond.
'Ik vond de tombe,' zei Penkawr, 'toen mijn rijdier een been brak in een kuil op een richel. Het zand gleed in de opening, verwijdde de kuil en ik zag de tombe die in de rots van de klip zelf was uitgehakt. De ingang was bedolven onder het zand toen ik hem vond.'
Hij draaide zich om en keek Carse met een doffe, gele blik aan. 'Ik vond de tombe,' herhaalde hij. 'Ik begrijp nog altijd niet waarom ik jou het leeuwedeel moet afstaan.' 'Omdat ik de leeuw ben,' antwoordde Carse vrolijk. Hij zwaaide met het zwaard en voelde verheugd hoe het één werd met zijn wentelende pols. Hij zag het sterrelicht langs het lemmet glijden. Zijn hart sloeg sneller van opwinding en het was de opwinding van de rover en van de archeoloog. Hij begreep beter dan Penkawr het belang van deze vondst. De Martiaanse geschiedenis is zo oud dat ze vervaagt in vreemde legenden ... legenden over mensen en halfmenselijke rassen, over vergeten oorlogen en verdwenen goden.

De grootsten onder die goden waren de legendarische Quiru, de held-goden die menselijk en bovenmenselijk tegelijk waren en die alle wijsheid en macht bezaten. Maar er leefde een rebel in hun midden, de donkere Rhiannon, de Vervloekte, wiens zondige trots één of andere geheimzinnige katastrofe had veroorzaakt.
De legende vertelde verder dat de Quiru, Rhiannon voor die zonde hadden uitgestoten en hem in een verborgen tombe hadden opgesloten. En meer dan een miljoen jaar lang, hadden mannen naar de Tombe van Rhiannon gezocht, omdat ze geloofden dat ze daar de geheimen van zijn macht zouden vinden.
Carse wist teveel van archeologie om die oude legenden al te serieus op te nemen. Maar hij geloofde wel dat er een verschrikkelijk oude tombe moest zijn die voedsel had gegeven aan al die legenden. En dat oudste overblijfsel van het voorhistorische Mars, samen met de dingen die hij erin zou vinden, zouden Matthew Carse de rijkste man op drie werelden maken ... als hij het overleefde.
'Deze kant op,' zei Penkawr kortaf. De Martiaan had een hele tijd gezwegen en leek op iets te broeden.
Ze waren nu ver van Jekkara en op de hoogste heuvels.
Carse volgde de kleine dief langs een smalle richel op een steile rotswand.
Penkawr steeg af en rolde een grote steen weg. Er kwam een opening in de rots vrij, nauwelijks groot genoeg om één man door te laten.
'Jij eerst,' zei Carse. 'En neem de lamp mee.'
Penkawr gehoorzaamde met tegenzin en Carse volgde hem in de nauwe opening.
Eerst was er alleen de diepste duisternis achter het schijnsel van de krypton-lamp. Penkawr dook ineen en gedroeg zich weer als een bange jakhals.
Carse griste de lamp uit zijn vingers en hield ze omhoog. Ze waren terechtgekomen in een gang die naar het hart van de rots leidde. Hij was gewoon vierkant en kaal, maar de steen was mooi gepolijst. Carse ging verder en Penkawr volgde. De gang eindigde in een groot vertrek. De kamer was ook vierkant en even glad en effen gepolijst. Aan één kant van de kamer stond een podium met een marmeren altaar waarin hetzelfde symbool was aangebracht als in het gevest van het zwaard. De worm ouroboros in de vorm van een gevleugeld serpent. Maar de kring was verbroken. Het hoofd van het serpent was omhoog geheven alsof het in een nieuwe oneindigheid keek.
Penkawr fluisterde hees achter Carse's rug. 'Hier vond ik het zwaard. Er zijn nog andere dingen in de kamer, maar ik heb ze niet aangeraakt.'
Carse had inderdaad voorwerpen gezien die tegen de wanden van de kamer stonden. Ze glinsterden vaag in het schijnsel. Hij haakte de lamp aan zijn riem en begon ze te onderzoeken.
Schatten, het waren ongelooflijke schatten! Maliënkolders, geweven van ongelooflijk fijne ringen en blazoenen met vreemde, juwelenpatronen, ongewoon gevormde helmen van onbekende, glimmende metalen ... Verder vond hij een zware stoel die op een troon leek en gemaakt was van goud, subtiel ingelegd in een donker metaal. Op elke armleuning glinsterde een groot, geelbruin juweel. Carse wist dat deze voorwerpen ongelooflijk oud waren. Ze kwamen uit het verste verleden van Mars. 'Laten we ons haasten!' smeekte Penkawr. Carse ontspande zich en grinnikte om zijn eigen vergeetachtigheid. De geleerde in hem had even de plaats ingenomen van de rover.
'We nemen zoveel kleine juwelen mee als we kunnen dragen,' zei hij. 'Alleen al deze eerste tocht zal ons rijk maken.' 'Maar jij zult twee keer zo rijk zijn als ik,' zei Penkawr zuur. 'Ik had een Aardling in Barrakesh als partner moeten zoeken. Hij zou deze dingen verkopen en me de helft van de prijs geven.'
Carse lachte. 'Inderdaad, Penkawr, maar als je hulp vraagt
aan een bekend specialist betaal je nu éénmaal hoge honoraria.
Zijn zoektocht door de kamer had hem bij het altaar gebracht. Nu zag hij dat er een deur achter het altaar was. Hij ging door de opening met Penkawr angstig op zijn hielen.
Achter de deur lag een korte gang en aan het einde ervan was er weer een kleine, metalen deur die met zware grendels was afgesloten. Maar de grendels waren weggeschoven en de deur stond op een kier. Boven de deur hing een inscriptie in de oude, onveranderlijke Hoog Martiaanse lettertekens. Carse kon de spreuk makkelijk ontcijferen. Dit is Rhiannon's doem, hem opgelegd, door de Quiru, meesters van Ruimte en Tijd.
Carse duwde de metalen deur open en ging door de opening. Hij bleef staan en keek om zich heen. Deze kamer was even groot als de eerste. Maar er was slechts één ding te zien. Het was een grote bel duisternis. Een sombere bol trillende duisternis, waardoor kleine, flikkerende en gloeiende deeltjes schoten als vallende sterren uit een andere wereld. Het lamplicht week ketsend van die bel trillende duisternis af, alsof het bang was.
Een koude, tintelende schok sloop langs Carse's ruggegraat. Hij wist niet of verbijstering, bijgeloof of alleen een fysieke krachtbron er de oorzaak van was. Hij voelde zijn haar te berge rijzen en zijn vlees leek haast van zijn botten te scheuren. Hij probeerde te spreken maar zijn keel was dichtgeknepen door spannning en bange verwachting. 'Dit is het ding waarover ik vertelde,' fluisterde Penkawr. 'Dat is het ding dat ik gezien heb.'
Carse hoorde hem nauwelijks. Zijn brein werd verdoofd door een ongelooflijk vermoeden. De extase van de geleerde had hem nu in haar greep, een extase die op waanzin lijkt. Dit. .. deze broeiende bel trillende duisternis ... leek vreemd genoeg op de duisternis in de Zwarte Gaten, ver weg in de galaxis. Geleerden vermoedden dat daar het materiaal van het continuum gebroken is, dat de Zwarte Gaten vensters zijn naar het oneindige buiten ons universum! Het was ongelooflijk! En toch ... die vreemde inscriptie van de Quiru... Carse kwam gefascineerd een paar stappen dichterbij, ondanks het aura van gevaar dat in de kamer hing.
Hij hoorde het snelle schuifelen van sandalen achter hem. Penkawr sprong snel als een kat op hem toe. Carse wist onmiddellijk dat hij een ongelooflijke blunder had gemaakt door. de teleurgestelde kleine dief de rug toe te keren. Hij
draaide
zich bliksemsnel om en hief zijn zwaard. Maar Penkawr's handen stompten in zijn rug vóór hij zich helemaal om kon draaien. Carse voelde hoe hij in de trillende duisternis werd geduwd.
Hij voelde een verschrikkelijke, scheurende schok door elk atoompje van zijn lichaam en toen leek het alsof de hele wereld van hem weg viel.
'Deel dan maar Rhiannon's vloek, Aardling! Ik heb je gezegd dat ik een andere partner kon krijgen!' De hese kreet van Penkawr leek van ver weg te komen toen hij door een zwarte, bodemloze oneindigheid tuimelde.