31
De relatie uit ‘zielsverwantschap’
Soms ontmoeten we in ons leven iemand met wie we meteen of vrij snel een diepe verwantschap voelen. Mensen met een spirituele achtergrond beschrijven zo’n ervaring vaak in termen als zielsverwantschap, een ontmoeting met iemand met wie je al vele levens gedeeld hebt, een karmische verbondenheid, een open hartsverbinding, tweelingzielen of iets dergelijks. Het wordt als een wonder ervaren dat je elkaar gevonden hebt. En ‘het moest zo zijn’.
Zolang de liefde wederzijds is, draagt deze manier van kijken ongetwijfeld bij aan een gelukkig samenzijn. Toch lopen deze relaties net als alle andere soms ook spaak, en dan voegt het idee van zielsverwantschap enorm veel lijden toe aan deze toch al pijnlijke gebeurtenis. Wat is hier werkelijk aan de hand?
In hoofdstuk 4 beschreef ik al hoe ons ego, zodra aan de belangrijkste voorwaarde ervan wordt voldaan – de wederzijdse verliefdheid –, min of meer transparant lijkt te worden, en er kortstondig een grote hoeveelheid energie vanuit onze natuurlijke staat begint te stromen. Dit tijdelijke contact met onze natuurlijke staat is echter geen realisatie omdat ze nog steeds afhangt van een externe voorwaarde. Vandaar ook dat we dit geluk doorgaans niet herkennen als onze eigen natuur, en ervan overtuigd zijn dat het afkomstig is van de geliefde. Dat maakt dat we de ander aan ons willen binden om dit geluk en deze liefde veilig te stellen. Met een averechts resultaat als gevolg.
Een van de aspecten van onze natuurlijke staat van Zijn is een diepe verbondenheid met alles wat leeft, en sommige mensen zullen bij een wederzijdse verliefdheid dat aspect daadwerkelijk ervaren. Maar die ervaring van diepe verbondenheid wordt geprojecteerd op de ‘trigger’: de geliefde. En als iemand dan ook nog thuis is in het spirituele jargon, dan zal men die ervaring beschrijven in termen van ‘zielsverwantschap’ of ‘tweelingzielen’ of ‘zielemaatje’ of zoiets. Dat past zo goed bij het romantische beeld dat het ego heeft van de liefdesrelatie: de verbinding met die ene, de ware, die voorbestemd is je levensgezel te zijn, die ten diepste en onvoorwaardelijk van je houdt en er altijd voor je zal zijn. Maar hoe fraai dit beeld ook is, het is een projectie van ons gemis aan het enige wat werkelijk onvoorwaardelijk liefheeft: onze natuurlijke staat van Zijn.
In de oorspronkelijke spiritualiteit wordt het begrip ‘zielsverwantschap’ niet gebruikt. In feite is het geloof in een ‘ziel’ een door het ego aangegrepen misvatting om zijn eigen sterfelijkheid te ontkennen, en daarmee hoort het thuis binnen een pre-rationele c.q. religieuze kijk op de werkelijkheid. Zowel in traditionele religies als in het newagedenken gelooft men soms in een onsterfelijke ziel. Ook het uit de oosterse spiritualiteit afkomstige begrip ‘reïncarnatie’ wordt doorgaans op deze religieuze manier geïnterpreteerd: als de wedergeboorte van een onsterfelijke ziel. In de werkelijkheid bestaat er geen onsterfelijke kern die zou kunnen overgaan van het ene leven in het volgende. De oorspronkelijke spiritualiteit kent wel het begrip ‘onderlinge afhankelijkheid’, waarmee aangegeven wordt dat alle verschijnselen afhankelijk zijn van elkaar en van onze waarnemende geest. Alles wat we doen en laten heeft effect op alles en iedereen, en dat effect houdt niet op bij het overlijden. Onze ego-verkramping in dit leven zal – als we hem niet overstijgen – zich voortzetten in ‘een volgend leven’. Je kunt het vergelijken met een biljartbal die tegen een andere bal botst. De eerste bal blijft stilliggen (dood) en de volgende rolt verder (een volgend leven) met het momentum en het effect van de eerste (karma, de wet van oorzaak en gevolg). Een ander beeld dat vaak gebruikt wordt om dit duidelijk te maken is dat van de oceaan en de golven. Doorgaans identificeren we ons volledig met ons lichaam, onze gedachten en gevoelens, c.q. ons zelfbeeld. Dit is te vergelijken met een golf in de oceaan. Onze natuurlijke staat is het water. Onze ego-identificatie stopt op het eind van ons leven zoals een golf in de oceaan te pletter slaat op een rotsige kust. Maar de energie van die ene golf wordt voortgezet in een of meer andere golven. Zolang we niet zien dat we de oceaan zijn in plaats van de individuele golf, zal het water zich onmiddellijk weer opnieuw identificeren met een volgende golf. De ego-identificatie zet zich voort in een ‘volgend leven’ zonder dat er ‘iets’ is wat zich identificeert. Maar dit is zo moeilijk voor te stellen met onze gewone denkende geest, zo lastig in woorden te vatten, dat we haast wel onze toevlucht moeten nemen tot termen als reïncarnatie en zielsverhuizing. En dat is alleen problematisch wanneer we er echt in geloven zonder de beperking van de gebruikte begrippen te doorzien.
Wat betreft de ‘zielsverwantschap’ die sommige geliefden met elkaar ervaren, ook dat is geen probleem zolang je weet dat het een romantische formulering is voor de diepe gevoelens van verbondenheid die beide geliefden in elkaar opwekken. Het wordt wel een probleem als de gebruikelijke neiging om je vast te klampen aan je geliefde nog versterkt wordt door het idee dat hij of zij de enige op de wereld is met wie dit geluk ervaren kan worden. ‘Zielemaatje’ of ‘tweelingzielen’ suggereert dat als je het met deze ene ware geliefde verknalt, je het de rest van je leven wel kunt schudden met de liefde. Relaties die ervaren worden als zielsverwantschap lopen niet minder snel stuk onder invloed van veiligheidsclaims dan andere relaties, maar de pijn en (zelf-)verwijten als dat gebeurt zijn zo mogelijk nog groter dan anders al het geval is.
Natuurlijk is binnen de spirituele visie van onderlinge afhankelijkheid élke liefdesrelatie een gevolg van oorzaken die in het verleden gelegd zijn. Dat geldt immers voor elke pijnlijke of gelukkige omstandigheid. Op die manier kun je dus wel spreken van een karmische verbondenheid tussen twee verliefde ego’s. Maar die verbondenheid kan zich net zo goed uiten in een problematische ego-relatie met veel strijd en beknelling. Dan zeggen we dat deze partners ‘kennelijk nog wat oud karma met elkaar moeten vereffenen’. Als deze manier van kijken je helpt om verantwoordelijkheid te nemen voor je eigen pijnlijke gevoelens en zo bijdraagt je identificatie met je ego te overstijgen, dan is het een authentieke spirituele visie. Als het daarentegen toevoegt aan je ego-beknelling, dan is het geen spirituele visie maar hooguit een religieuze. Ik denk weleens dat echte verlichting betekent dat je helemaal vrij bent van visies op de werkelijkheid. Dan bén je de werkelijkheid.
EDUARD (56):
Na mijn scheiding ben ik zeker vijf jaar alleen geweest, zonder liefdesrelatie. Ik moest echt herstellen van alle emotionele spanningen van mijn huwelijk en de scheiding. Maar toen ik weer wat beter in mijn vel kwam te zitten, ontmoette ik Stephanie en het klikte meteen op een hele fijne rustige en vertrouwde manier. Zij was al jaren met spiritualiteit bezig en in het begin stond ik soms met mijn oren te flapperen over de zweverige opvattingen die ze had, zoals over onze zielsverwantschap en de astrale energieën tussen ons. Ik ben wetenschapper dus dat was wel even wennen. Maar ach, Stephanie is een waanzinnig mooie en lieve vrouw, dus ik deed niet moeilijk over haar onwetenschappelijke kijk op de werkelijkheid. Haar liefde en warmte en passie, daar was echt niks mis mee!
Alleen als we elkaar wat langer dan een paar dagen niet zagen, dan had ze het moeilijk. Ik zit regelmatig in het buitenland op congressen en zo, en ging me dan steeds meer storen aan haar bijna permanente stroom van sms’jes, mailtjes en ellenlange telefoongesprekken. Ze beschreef haar pijnlijke gevoelens als het gevolg van een breuk in de astrale connectie tussen onze tweelingzielen die optrad als ik ver weg ben, en ik moest haar telkens weer kalmeren en geruststellen om die breuk een beetje te herstellen. Ik ging hier een hele tijd in mee omdat ik het zo naar vond voor haar, maar het werd steeds erger. Op een dag, ik zat op een seminar in Florida, belde ze me ’s avonds op na het tiende sms’je die dag, en ineens had ik er genoeg van. Ik heb het heel direct en rustig tegen haar gezegd: ‘Liefste, je moet hier zelf iets aan doen, ik stop ermee je telkens weer gerust te stellen.’ Ik zei dat ze meer moest vertrouwen op onze liefde en op zichzelf, in plaats van telkens te moeten sleutelen aan onze zogenaamde astrale verbinding. Gelukkig heeft ze dat goed opgevat en is ze echt met haar onzekerheid aan het werk gegaan. Ik bel haar nog steeds af en toe als ik weg ben, maar ze is opgehouden met aan me te trekken. Daar heb ik echt veel bewondering voor. Het heeft onze zielsverwantschap (grapje) nog sterker gemaakt!
‘Met jou, alleen met jou
voel ik me zielsverbonden’,
zegt het ene blaadje tegen het andere.
De boom glimlacht…