8
Wederzijdsheid als ego-voorwaarde en als hulpmiddel bij spirituele groei
Door onze identificatie met een aangeleerd zelfbeeld geloven we dat geluksgevoelens afhangen van voorwaarden en omstandigheden buiten ons. Telkens als we erin slagen aan zo’n voorwaarde te voldoen, ervaren we een goed gevoel. Als die voorwaarde een ander mens betreft, ontstaat er een bijzondere wisselwerking tussen twee ego’s. Wederzijdsheid is daarbij cruciaal, niet alleen bij verliefdheid maar bij alle individuele sociale contacten. Stel je maar eens voor dat je over straat loopt en iemand tegenkomt met wie je vroeger wel enig contact hebt gehad, maar al een hele tijd niet meer. Je maakt aanstalten om te stoppen voor een paar vriendelijke woorden maar de ander knikt slechts en loopt door. Meteen voel je iets ongemakkelijks, een heel lichte afwijzing. Andersom ook: jij loopt door terwijl je in je ooghoek nog ziet hoe de ander aanstalten maakt om te stoppen. Je voelt nu misschien een lichte angst dat de ander zich afgewezen voelt, en je stopt alsnog om een beleefd praatje te maken. In alle contacten met medemensen zijn we er volledig op gericht wederzijdsheid te creëren en in stand te houden, en telkens als dit niet lukt, schuurt het een beetje, vooral als de ongelijkheid zichtbaar wordt. Stel dat je bij de school van je kinderen regelmatig een vriendelijke collega-ouder tegenkomt met wie je enkele woorden wisselt, en op een dag doet de ander jou het voorstel: ‘Zullen we binnenkort eens samen koffie drinken?’ En stel nu dat je daar helemaal geen zin in hebt. Het eerlijkst zou zijn als je zegt: ‘Heel vriendelijk van je, maar ik heb daar geen behoefte aan.’ Volgens de sociale conventies moet je echter het ontbreken van wederzijdsheid camoufleren en niet al te enthousiast zoiets zeggen als: ‘Ja, dat kunnen we weleens doen.’ Zolang je er geen concreet voorstel aan vastkoppelt, kan de ander aanvoelen dat je niet op de uitnodiging ingaat, zonder dat dit te veel zichtbaar wordt als afwijzing. Heel pijnlijk wordt het als de ander dit niet aanvoelt en meteen een datum voorstelt. De meeste mensen zullen zich hier met een smoes uit redden: ‘O, dan kan ik niet. En ik heb nu mijn agenda niet bij me, laten we een andere keer afspreken.’ En dan maar hopen dat de ander er niet op terugkomt.
Iedereen weet tot welke pijnlijke gevoelens het ontbreken van wederzijdsheid kan leiden. Als de collega op je werk met wie je al jarenlang een fijne professionele samenwerking hebt op een dag zijn diepe gevoelens van liefde voor je bekent, en je kunt deze niet beantwoorden, dan zal hierna de prettige samenwerking waarschijnlijk flink verstoord zijn. Vanuit ons ego vinden we het niet kunnen beantwoorden van iemands liefde soms bijna net zo vervelend als wanneer onze liefde door de ander niet beantwoord wordt. Vandaar ook dat het zo verschrikkelijk spannend is om je gevoelens voor iemand te uiten. En vandaar ook dat de omgang tussen mensen zo volledig bepaald wordt door conventies die de wederzijdsheid in stand houden of tenminste moeten voorkomen dat het ontbreken van wederzijdsheid al te pijnlijk aan de oppervlakte komt.
Al deze ego-conventies worden soms als een belemmering opgevat voor spirituele ontplooiing. Maar zoals het oude boeddhistische gezegde luidt: ‘Op het spirituele pad zijn geen obstakels, obstakels zijn het spirituele pad’. Of om met de grote voetballer te spreken: ‘Elk nadeel hep se foordeel’. Of zoals mijn leraar Sogyal Rinpoche placht te zeggen: ‘Probleem en oplossing zijn hetzelfde: zonder inzicht is het een probleem, met inzicht de oplossing’. Kortom: de vele ego-conventies vormen aanvankelijk een belemmering voor spirituele ontplooiing, namelijk zolang je ze niet doorhebt en er dus mee versmolten bent. Maar ze worden een hulpmiddel als je ze wel door begint te krijgen. In dat laatste geval is er eerst nog de dissociatie-valkuil: je wordt je bewust van je ego-conventies maar vervolgens veroordeel je die als ‘niet spiritueel’ en doe je je best om er vanaf te komen en ego-loos gedrag aan te leren. Je mag dan bijvoorbeeld nooit meer een sociaal wenselijke smoes gebruiken om je uit een situatie te redden, op straffe van een flinke zelf-afwijzing. Het resultaat is dat je alleen maar een nieuw ego-patroon ontwikkelt, namelijk arrogantie, waar je eerst weer een tijd mee versmolten bent en anderen mee voor het hoofd stoot. Totdat je ook dit patroon weer door begint te krijgen zodra het voldoende ellende in je leven heeft opgeleverd.
Met veel vallen en opstaan wordt het op den duur duidelijk dat ego-conventies alleen een probleem opleveren als je ze niet doorhebt, of als je ze wel doorhebt maar ze tevens veroordeelt. Zodra de versmelting met het ego oplost in helder gewaarzijn, en de neiging tot het veroordelen ervan in liefdevolle omhelzing, verdwijnt je identificatie ermee. Je bent dan als het ware niet langer je ego, maar het liefdevolle gewaarzijn dat vrij is om zich wel of niet aan de spelregels te houden zonder een ‘zwaard van zelf-afwijzing’ boven je hoofd. Dat maakt dat je soms heel spontaan eerlijk kunt zijn tegen iemand zonder dat dit kwetsend hoeft te zijn. In het bovengenoemde voorbeeld kun je op de vriendelijke uitnodiging om eens samen koffie te drinken heel vriendelijk reageren: ‘Nou, wat vriendelijk van je om me uit te nodigen. Ik ga er nu niet op in want ik zie al zoveel mensen door mijn werk dat ik de momenten van alleen zijn moet bewaken als een kostbare schat.’ Of iets dergelijks. Het is vooral bevrijdend dat je eerlijkheid niet belast wordt door angst voor afwijzing en zelf-afwijzing en daardoor ook minder belastend is voor de ander. Maar op een ander moment reageer je misschien spontaan met een vriendelijke smoes en dan is dat ook oké.
MARJOLEIN (29):
Ik heb al zes jaar een latrelatie met Pieter. We hebben besloten om niet samen te gaan wonen omdat Pieter om de andere week zijn kinderen bij zich heeft en ik geen zin heb om moedertje te spelen. Hij vindt dat oké en we genieten van ons samenzijn in de weken dat hij geen kids bij zich heeft. Nu merk ik al een tijd dat ik altijd degene ben die het initiatief neemt om samen te zijn. Ik doe de voorstellen, ik regel de gezamenlijke uitstapjes of ik ga naar hem toe. Hij vindt alles best, laat zich graag door me verwennen, maar komt nooit eens uit zichzelf met een voorstel. Dat gaat me steeds meer storen. Ik voel me dan afhankelijk en daar heb ik een hekel aan. Ik heb weleens overwogen om een tijdje geen enkel initiatief te nemen en dan af te wachten hoe lang het duurt voordat hij iets doet. Maar na een of twee dagen word ik zo bang! Het gevoel dat hij het misschien wel best vindt als ik niet meer in zijn leven ben, grijpt me naar de keel. Dus stuur ik maar weer een sms’je of een mailtje met een leuk ideetje om samen iets te gaan doen. Ik voel me liever zwak en afhankelijk met hem dan zonder hem. Maar zo blijft het wel een beetje wringen…
Een spirituele manier om deze ego-conventies te benutten, is om die sterke drang tot wederzijdsheid als een hulpmiddel te gebruiken om ze aan het licht te brengen. Doorgaans zien we bepaalde ego-trekjes namelijk veel gemakkelijker bij anderen dan bij onszelf. Tegelijkertijd druist het volledig tegen de conventies in om anderen erop te attenderen. Zelfs in boeddhistische kringen is het doorgaans not done om iemand op zijn of haar ego-gedrag te wijzen. Maar als je elkaar van tevoren toestemming geeft om dat te doen, en je kunt elkaars ego-dingetjes aanwijzen zonder die te veroordelen, dan ontstaat een bijzonder krachtig hulpmiddel op het spirituele pad. Dit gebeurt bijvoorbeeld in spirituele workshops en trainingen, waarin de deelnemers op speelse wijze elkaars knoppen van afwijzing en zelf-afwijzing indrukken. In een van mijn workshops lopen deelnemers rond en keuren elkaars kleding af: ‘Die trui van jou vind ik maar niks.’ Iedereen weet dat het niet echt gemeend is omdat het een opdracht is. Maar toch ervaren mensen na een paar van deze ‘afwijzingen’ vaak een vorm van zelf-afwijzing. Zodra je dat gevoel herkent zonder verzet en veroordeling is er weer een stap gezet in het loslaten van je identificatie ermee en verdwijnt de beknelling. Zo verandert voorwaardelijke eigenwaarde geleidelijk in autonomie en onvoorwaardelijke vriendelijkheid voor jezelf en anderen.
Nog bijzonderder wordt het als twee liefdespartners samen besluiten deze spirituele weg in te slaan. Omdat je juist als je verliefd bent ook zo bijzonder gevoelig bent voor verlatingsangst, en zo’n sterke neiging hebt deze angst toe te dekken met verplichte wederzijdsheid, kun je elkaar ook heel erg helpen bij de bewustwording van deze ego-tendens. Wederzijdsheid van de toedekkingsmechanismen verandert zo in wederzijdsheid van ego-feedback, en in wederzijdsheid van de liefdevolle humor die je over elkaars ego-neigingen kunt voelen. Onszelf zien met de liefdevolle blik waarmee we elkaar zien, dat is wat we in zo’n spirituele liefdesrelatie van elkaar kunnen leren! In plaats van elkaars angst en behoeftigheid op te vullen, worden ze in het licht van de wederzijdse liefde gebracht, waar ze kunnen oplossen in de natuurlijke staat van Zijn.
RONALD (41):
Mijn spirituele relatie met Koen is zo fijn omdat we eerlijk zijn, maar het is ook andersom: om het zo fijn te houden, moet ik telkens wel eerlijk zijn. Iedere keer dat ik namelijk niet eerlijk ben over of ik bijvoorbeeld ergens wel of geen zin in heb, sluipt er onechtheid in, onzuiverheid, en dat doet af aan de liefde. Dat is zo doodzonde dat ik het zo snel mogelijk herstel als ik het merk, en hoe eng dat ook is, het blijkt altijd de liefde weer te herstellen en zelfs te vergroten. Het gevoel van geluk en vrijheid wordt ook groter. De volgende keer is het dan alweer makkelijker om ergens eerlijk over te zijn. Niet dat iedere scheet besproken moet worden – de meeste waaien vanzelf en snel over – maar wat niet overwaait blijkt dan relevant om te bespreken. Het kan dan gaan over dingen verzwijgen uit angst dat hij het bedreigend vindt, tot afspreken uit gewoonte terwijl ik soms liever alleen blijf.
Het motiveert me om ook met mijn vrienden eerlijker te zijn. Je zou zeggen dat dat makkelijker is, omdat er minder op het spel staat. Maar dat valt tegen. Met hen heb ik niet die bondgenootschap op spiritueel gebied. Sommige vriendschappen worden er beter op naarmate ik eerlijker word, maar niet iedereen staat ervoor open, heb ik al gemerkt. En dan blijft het dus eng. Maar omdat de vriendschappen er vaak leuker door worden, neem ik dat risico toch graag. Als iemand er niet goed op reageert, dan kan een gesprek daarover alsnog de band verdiepen, en zo niet, dan is dat misschien een vriendschap die steeds minder bij me gaat passen.
Hoe wonderlijk:
elk beklemmend gevoel verandert
– zodra het gevoeld mag worden –
in openheid, humor en vriendelijkheid!
Alleen niet zolang je er nog vanaf wilt.