2
De materiële grondslagen
Er zijn enkele materiële factoren die van evident belang zijn voor de loop van de geschiedenis, zoals klimaat en bodemgesteldheid, de organisatie van landbouw en economie, en de demografie. Men mag niet zeggen dat de geschiedenis hierdoor ‘bepaald’ wordt: een bepaalde bodemgesteldheid, een bepaald klimaat, of een bepaalde bevolkingsdichtheid moet niet noodzakelijkerwijs tot een bepaald historisch resultaat leiden. Toch kunnen deze factoren wel de ‘grondslagen’ van de geschiedenis worden genoemd: ze bepalen wat in een gegeven situatie mogelijk is en wat niet, scheppen voorwaarden voor en stellen grenzen aan het menselijk gedrag. Zo zijn culturen in aanzienlijke mate de uitdrukking van de wijze waarop groepen mensen zich weten in te passen in de ecosystemen waarin zij leven. Men zou voor het in dit hoofdstuk behandelde kunnen spreken van de ‘ecologie van de geschiedenis’ of van ‘ecologische antropologie’.
FYSISCHE GEOGRAFIE
Klimatologische en geologische verandering
De paleoklimatologie bestudeert het klimaat in het verleden: het klimaat is namelijk geen onveranderlijk gegeven, ook al voltrekken veranderingen zich langzaam. Velerlei methoden, zoals de reconstructie van de wisselende omvang van gletsjers en het meten van, wederom, jaarringen van bomen, maken het mogelijk klimaatsveranderingen op het spoor te komen. De periode vanaf 10.000 v.C., dus na het einde van de vierde ijstijd, was een periode van temperatuurstijging, waarin de grenzen tussen de klimaat- en vegetatiezones opschoven naar het noorden en verder uiteen kwamen te liggen. Dit was een geleidelijk proces: nog in 4000 v.C. was bijvoorbeeld het mediterrane gebied koeler en vochtiger dan nu het geval is. Verder treden naast dit soort veranderingen op de zeer lange termijn natuurlijk ook fluctuaties van kortere duur op: van 1300 tot 450 v.C. was sprake van een relatief koude, van 450 v.C. tot 700 n.C. een relatief warme periode.
Voor de geologie geldt hetzelfde als voor het klimaat: het aardoppervlak is aan voortdurende verandering onderhevig. Van groot belang is in dit verband de temperatuurstijging na 10.000 v.C., die het landijs deed afsmelten en daarmee een zeespiegelstijging veroorzaakte: een langlopend proces met ingrijpende gevolgen voor de kustlijnen van de continenten. Maar ook door processen als erosie of sedimentatie kunnen landschappen ingrijpend veranderen: zo zijn sommige gebieden, grote delen van Nederland bijvoorbeeld, geologisch gesproken bijzonder jong. In dit verband verdienen ook twee specifieke geologische verschijnselen vermelding: aardbevingen en vulkanisme, beide verklaarbaar uit het uiteendrijven dan wel botsen van de voortdurend bewegende aardschollen waaruit de aardkorst is opgebouwd. Zeker langs de breuklijnen waar aardschollen met elkaar botsen, vinden we actieve aardbevingsgebieden en actieve vulkanen: door het Middellandse Zeegebied, rond het Arabisch schiereiland, langs de zuidrand van de Himalaya, langs de kustlijn van heel Zuidoost- en Oost-Azië, en langs de westrand van de beide Amerika’s. Behalve de ‘gewone’ aardschokken en de verschillende vormen van vulkanische activiteit is er in het geval van aardschokken met een epicentrum in zee ook sprake van zeer destructieve vloedgolven. Het betreft vaak rampen op een dusdanige schaal dat we er in geologische, archeologische en historische bronnen vele sporen van terugvinden. Voorbeelden van dergelijke grote rampen die de historici en archeologen sterk bezighouden, zijn de explosie van het eiland Thera (Santorini) in het tweede millennium v.C. (de exacte datering is fel omstreden én zeer gewenst om een ijkpunt te hebben voor de chronologie van die periode); en de uitbarsting van de Vesuvius in het jaar 79, waarbij respectievelijk puimsteen- en asregens en lavastromen de steden Pompeii en Herculaneum bedolven, een ramp waarbij op unieke wijze een ‘momentopname’ van het leven in een Romeinse stad werd vastgelegd.
Natuurlijke vegetatiezones en klimaatzones
In de afgelopen 5000 jaar is in Eurazië en het Middellandse Zeegebied van noord naar zuid een drietal natuurlijke vegetatiezones te onderscheiden. Schommelingen in het klimaat hebben tot tijdelijke veranderingen geleid: zo lag bijvoorbeeld in de bovengenoemde warme periode van 450 v.C. tot 700 n.C. de wijngrens regelmatig noordelijker dan hieronder beschreven. Maar gedurende de afgelopen vijf millennia is het beeld in grote trekken gelijk gebleven. In de drie te beschrijven vegetatiezones gaat het om de natuurlijke vegetatie. Op veel plaatsen is deze in verregaande mate vervangen door cultuurgewassen of anderszins aangetast: de mens heeft door het bedrijven van landbouw het aanzien van het landschap ingrijpend gewijzigd, en dat proces is al in de Oudheid begonnen.
Van noord naar zuid is de eerste zone grofweg gelegen benoorden de wijngrens (om en nabij de 40° NB, alleen in Europa op ongeveer 50° NB) met, van noord naar zuid, toendra, boreaal bos (taiga), gemengd bos en loofbos, steppe en woestijn, en in de hoger gelegen delen specifieke bergvegetatie. Noord-, Westen Midden-Europa vormen overwegend bosgebied, uitgezonderd enige toendra in het uiterste noorden; hier heersen vochtige klimaten, van het subarctische klimaat in Noord-Europa, via het zeeklimaat in West-Europa tot het landklimaat in Midden-Europa. Centraal-Azië kent uitgestrekte steppegebieden, in oost-west georiënteerde banden van het Hongaars Bassin tot in Mantsjoerije, verder naar het noorden overgaand in woestijn, taiga en arctische toendra; hier heerst in het zuiden een droog en koud continentaal klimaat, in het noorden een vochtig subarctisch klimaat, met lange, strenge winters. Noordoost-Siberië en het noordoosten van China vormen een overgangsgebied grenzend aan de steppe en de taiga, met gemengd bos en loofbos; er heerst een vochtig continentaal klimaat, met koude winters en warme zomers.
Ten tweede een zone tussen de wijngrens en de kreeftskeerkring (23,5° NB), met mediterrane vegetatie, steppe en woestijn, en in de hoger gelegen delen bergvegetatie. Zuid-Europa en Noord-Afrika kenmerken zich door een specifieke, mediterrane vegetatie en een specifiek, mediterraan klimaat: droge warme zomers, milde vochtige winters. In Noord-Afrika ontbreekt tegenwoordig op veel plaatsen een kustzone met deze mediterrane karakteristieken en reikt de steppe of de woestijn direct tot aan de zee. De woestijnvorming in de Sahara is echter een jong fenomeen: ca. 5000 v.C. begon het klimaat in Noord-Afrika droger te worden, en in het 3de millennium v.C. was de woestijnvorming zover voortgeschreden dat noord-zuidverkeer belemmerd ging worden: Noord-Afrika raakte afgescheiden van de rest van Afrika. Sindsdien is de woestijn steeds verder naar het noorden opgerukt. Egypte, het Nabije Oosten en het Arabisch schiereiland zijn een gebied van overwegend woestijn- of steppevegetatie en woestijnklimaat. De stroomgebieden van de Nijl en van de Eufraat en Tigris vormen een opvallende uitzondering: daar geen woestijnbodems, maar alluviale bodems en voldoende water. Van Anatolië tot aan de Punjab strekt zich een reeks bergketens en overwegend hooggelegen bekkens uit, met woestijn- of steppevegetatie en specifieke gebergtevegetatie in de hoger gelegen delen. Er heerst een steppe- en woestijnklimaat, met in het Anatolisch-Iraanse bergland een uitloper van het mediterrane klimaat. Verder oostwaarts liggen de berggebieden van Afghanistan en de Himalaya, met hooggebergtevegetatie en enige hooggelegen steppegebieden. Het klimaat varieert er van warm continentaal tot een toendraklimaat in het grootste deel van de Himalaya. In China ten slotte bestaat het noorden uit uitgestrekte vlakten en lössgebieden, met woestijn- en steppevegetatie en een woestijn-, steppe- en continentaal klimaat, terwijl het zuiden juist sterk geaccidenteerd is, met subtropische bosvegetatie en een warm, vochtig, subtropisch klimaat.
Ten derde een zone bezuiden de kreeftskeerkring, met subtropische en tropische vegetatie. Hiertoe behoort het Indische subcontinent, met de alluviale vlakten van de Indus en de Ganges en Brahmaputra, en het eigenlijke schiereiland, bestaande uit verscheidene vlakten en hooglanden. De regenval neemt toe van west naar oost, met uitzondering van de westrand van het schiereiland: de vegetatie varieert van woestijn direct ten oosten van de Indus tot tropisch moessonbos in de Gangesdelta; het schiereiland zelf heeft met uitzondering van tropisch regenwoud aan de westkust en op Sri Lanka vooral een droge, tropische bos- en savannevegetatie. Het klimaat loopt overeenkomstig van een woestijnklimaat via een subtropisch tot een tropisch klimaat. Zuidoost-Azië is een gebied met voornamelijk tropisch regenwoud en moessonwoud. Het klimaat is hier, uitgezonderd het subtropische noorden van deze regio, onveranderlijk tropisch.
LANDBOUW EN DE PREINDUSTRIËLE ECONOMIE
Carrying capacity
Landbouw is het door de mens manipuleren van andere levende organismen, zowel planten als dieren, om in de eigen voedselvoorziening te kunnen voorzien. Belangrijk hierbij is het concept van de carrying capacity, het draagvermogen van een bepaald milieu, dat wil zeggen: de maximale bevolkingsdichtheid waarbij het natuurlijk evenwicht tussen milieu en menselijke bevolking in stand blijft. De technologie van voedsel- en grondstoffenvoorziening speelt een belangrijke rol bij het bepalen van de carrying capacity: indien men met jagen en verzamelen in plaats van met akkerbouw en veeteelt in het levensonderhoud voorziet, is de carrying capacity relatief gering. Een andere manier om hetzelfde uit te drukken is te zeggen dat een menselijke groep een veel groter territorium nodig heeft. Men rekent met de volgende dichtheden: in het geval van jagers-verzamelaars 0,1 persoon per vierkante kilometer of minder, zelfs wel in de orde van grootte van 0,01; gaat landbouw een rol van betekenis spelen, dan loopt dit op tot zo’n 4 à 5 personen; in een volledig ontwikkelde landbouw kunnen dichtheden van 10 tot 30 personen worden bereikt. Let wel: het gaat om gemiddelden berekend over het gehele oppervlak, maar niet alle grond is in cultuur gebracht en niet alle grond is even vruchtbaar. Die laatste cijfers zijn nog altijd relatief geringe bevolkingsdichtheden: dat is wat we maximaal kunnen verwachten bij de carrying capacity van een weinig geavanceerde landbouw. Voor het Romeinse Rijk in zijn grootste omvang, van Schotland tot de Eufraat, wordt, op andere gronden, een bevolking aangenomen tussen de 50 en 80 miljoen: dat stemt aardig overeen met de hier veronderstelde carrying capacity.
Ontstaan en verbreiding van de landbouw
Landbouw leidt dus tot de mogelijkheid meer monden te voeden met evenveel grond, of evenveel monden met minder grond. Waarom zouden mensen hieraan begonnen zijn? Er bestaan verschillende hypothesen. Eén hypothese, vrij algemeen geaccepteerd, gaat uit van schaarste, dat wil zeggen: de bevolkingsdichtheid neemt toe of de natuurlijke hulpbronnen nemen af. Landbouw is een manier om de schaarste het hoofd te bieden. Een andere hypothese zoekt het niet in schaarste maar in de wens een surplus te produceren: neemt vervolgens de bevolkingsdichtheid toe zonder dat er expansiemogelijkheden zijn, dan is er geen weg terug. Uiteraard is de overgang naar landbouw alleen mogelijk in daartoe gunstige klimatologische en geografische omstandigheden. In de noordelijke klimaat- en vegetatiezones (toendra, tajga, woestijn) hielden kleine groepen zich in leven met soms enige veeteelt, maar toch vooral met jagen en verzamelen. Centraal-Azië en Iran hebben, zoals uit het bovenstaande overzicht van klimaat- en vegetatiezones is af te lezen, een zeer gering agrarisch potentieel en daarmee een zeer beperkte carrying capacity. In het Centraal-Aziatische steppegebied werd extensieve veeteelt beoefend door nomadenvolken. Het is aan de randen van het Euraziatisch continent dat de landbouw kan opbloeien en dat ook daadwerkelijk doet, in eerste instantie in het gebied dat bekend staat als ‘de Vruchtbare Halvemaan,’ dat is het huidige Zuidoost-Turkije, Noord-Syrië, Irak en Palestina. Ongeveer 8000 v.C. is daar het langdurige domesticatieproces (een drietal millennia lang!) van een aantal planten en dieren voltooid, met name tarwe en gerst, en schapen en geiten. Vanaf 6500 v.C. krijgt de landbouw vaste voet in Europa en in het huidige West-Pakistan; in 5000 v.C. wordt er gierst verbouwd in Noord-China (rond de Huanghe) en rijst in Zuid-China en Oost-Azië. Overigens worden voortdurend nieuwe vondsten gedaan die aanleiding geven tot een steeds vroegere datering van het begin van de landbouw in Azië: waarschijnlijk gaat het om zelfstandige ontwikkelingen, die al omstreeks 9000 v.C. inzetten. Dat is wel zeker het geval in het gebied van het huidige Nieuw-Guinea, waar vanaf 7000 v.C. een zelfstandige tuinbouw tot ontwikkeling komt. Afrika is een relatieve laatkomer: vanaf het 5de millennium v.C. worden daar de gewassen gierst en sorghum verbouwd. Zuid- en Midden-Amerika gaan eigen wegen: vanaf het 7de millennium v.C. worden daar, te beginnen in Mexico, producten als bonen, pepers, maïs, aardappels en maniok in cultuur gebracht. Veeteelt nam een ondergeschikte plaats in. Geïsoleerd van de Oude Wereld zouden hier in de loop van de tijd complexe culturen met een geheel eigen karakter tot bloei komen.
Bij dit alles gaat het niet om eenmalige gebeurtenissen maar om een voortgaand proces. Domesticatie houdt niet op: druiven en olijven bijvoorbeeld worden in ongeveer 3000 v.C. gedomesticeerd in Syrië en Egypte. Nieuw gedomesticeerde dieren en gewassen blijven zich verspreiden: zo bereikt de cultivatie van druiven en olijven Griekenland in ongeveer 2500 v.C., waarmee de kenmerkende mediterrane polycultuur van graanverbouw, wijnbouw en olijventeelt compleet was. De zogenaamde secondary products revolution die op de oorspronkelijke domesticatie volgde, was zeker zo belangrijk. Bij deze secondary products revolution, die in feite geen revolutie was maar een langdurig proces, werden steeds meer secundaire producten gewonnen uit de gedomesticeerde veestapel en uit gedomesticeerde planten, zoals linnen, wol, haar en zuivelproducten, en gingen dieren gebruikt worden als trekdier voor sleden, karren en ploegen, en als rij- en lastdier.
Sedentaire beschavingen kwamen tot ontwikkeling aan de randen van het grote Euraziatische continent: in Europa, Voor-Azië, India en Pakistan, en Zuidoost- en Oost-Azië. Deze samenlevingen werden in overwegende mate gedragen door landbouwers. De noordelijkste gebieden waren te dun bevolkt voor welke staatsvorming dan ook en het Centraal-Aziatische hart werd het gebied van veeteeltnomaden. Verschillende klimaat- en vegetatiezones schenken het leven aan verschillend ingerichte samenlevingen; er groeien twee economische stelsels: dat van de veeteeltnomaden waarbij de natuurlijke hulpbronnen hoofdzakelijk geëxploiteerd worden, en dat van de sedentaire landbouwers waarbij geïnvesteerd wordt. Beide stelsels leven veelal in symbiose. Desalniettemin is er tevens sprake van endemische conflicten tussen de haves van de periferie en de have-nots uit het centrum van Eurazië. Dit waren conflicten waarbij de Centraal-Aziatische volken soms successen wisten te behalen, zoals in de laatste helft van het 2de millennium v.C., toen wat later Iraniërs en Indo-Ariërs genoemd zouden worden naar het zuiden trokken en Iran en India veroverden. Vanaf ca. 1200 v.C. begonnen de Mongoolse nomaden, en in de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling de Turkse volken een grote rol te spelen. Maar de successen van de Centraal-Aziatische aanvallers waren zelden blijvend, omdat de landbouwers aan de periferie veel talrijker waren: de Centraal-Aziaten gingen bijna altijd op in de groepen bij wie zij waren binnengedrongen.

3 Een fries van Soemerisch inlegwerk afkomstig uit een heiligdom in Tell Oebaid, nabij Oer, nu in het British Museum, Londen. Het fries, van kalksteen, bitumen en koper, wordt gedateerd tussen 2600 en 2350 v.C. Dit is de oudst bekende voorstelling van het melken van vee (rechts) en van zuivelbereiding, waarschijnlijk het karnen van boter (links). Zuivelbereiding, het spinnen van wol en het inzetten van dieren als trek-, last- of rijdier vormen de belangrijkste verworvenheden van de zogenaamde secondary products revolution.
Landbouwopbrengsten
Een door de landbouw vergrote carrying capacity betekende nog geen overvloed. Dat is enerzijds een kwestie van demografische groei (die, zoals gezegd, mogelijk zelfs aan de introductie van de landbouw vooraf ging) en anderzijds een gevolg van de vrij beperkte mogelijkheden van de landbouw in het verleden. Een centrale vraag is dus die naar de opbrengsten, met name van de akkerbouw. Vóór de moderne systematische gewasveredeling en de toepassing van kunstmest lagen de opbrengsten zeer veel lager dan heden het geval is. Om te kunnen zeggen hoeveel lager, is veel informatie nodig: het evidente gegeven van bodem en klimaat, maar ook precieze gegevens over het type plant dat men verbouwde, dit vanwege de opbrengst per plant: zo hebben bijvoorbeeld verschillende soorten tarwe een verschillend aantal korrels per aar. Bij het bepalen van de opbrengst per grondstuk is de productiviteit van de bodem van belang, en de omvang van de braak: lag gemiddeld de helft, een derde of een ander percentage van het akkerland braak, of was er sprake van ‘eeuwige verbouw’? Werd er vruchtwisseling, waarbij om het jaar stikstofbindende gewassen als peulvruchten werden gezaaid om de vruchtbaarheid van de bodem te herstellen, of gemengde teelt toegepast? Welke andere technieken waren in gebruik en wat was de productiviteit van de arbeid? De onderlinge verhouding van de verschillende gewassen is natuurlijk ook overal anders. Zo is gerst aanzienlijk beter bestand tegen hitte en droogte dan tarwe, en dus treffen we in bijvoorbeeld mediterrane streken het eerstgenoemde graan veelvuldiger aan dan het tweede. Cruciaal is verder de hoeveelheid zaaizaad per hectare. Op al deze gebieden moeten er vele verschillen en varianten naar tijd en regio zijn opgetreden, zodat het moeilijk is algemene uitspraken te doen.
Met de schaarse gegevens die in de bronnen te vinden zijn en met vergelijkingsmateriaal aangedragen door de landbouwhistorici kunnen we gaan rekenen, al zullen we daarbij nooit meer dan gissingen met een bepaalde graad van waarschijnlijkheid kunnen bereiken. In het geval van bijvoorbeeld tarwe, gerst en rogge wordt door landbouwhistorici aangenomen dat de zaaizaadfactor, dat is de verhouding van zaaizaad en opbrengst, in de meeste gevallen nogal ongunstig is geweest: 1:3 tot 1:5. Lage opbrengsten dus, waarvan ook nog eens telkens een derde tot een vijfde gereserveerd moet worden als zaaigoed. Voor de drogere delen van de mediterrane wereld is op deze wijze berekend dat de opbrengst van één hectare graan één mens gedurende een jaar kon onderhouden, wanneer we uitgaan van de hoeveelheid calorieën die de FAO nodig acht om gezond te blijven en goed te functioneren, namelijk 2583 calorieën per hoofd per dag, en wanneer we aannemen dat in de Oudheid gemiddeld 75 procent van deze benodigde calorieën uit granen werd gehaald (voor deze aanname zijn indicaties). De behoefte aan voedsel is hier ruim genomen, de opbrengstcijfers daarentegen zijn bewust laag geschat; het is illustratief om te zien dat ook onder die veronderstellingen één hectare voldoende was om één mond te voeden.
Natuurlijk is het voorafgaande geen beschrijving van de werkelijkheid: die was uiterst divers. Irrigatiegebieden als Mesopotamië en Egypte hadden veel grotere opbrengsten; de opbrengsten konden sterk uiteenlopen van het ene gebied tot het andere, zelfs indien in elkaars directe nabijheid gelegen; er was, zeker bij de kleinere boerenbedrijven, geen sprake van een monocultuur van graan. Er moet dus worden gerekend met andere gewassen, met de opbrengsten van veeteelt (al of niet op de woeste gronden) en van visserij. De betekenis van veeteelt verschilde van streek tot streek. In Voor-Azië waren schapen en geiten al heel lang belangrijk. Rundvee was daarentegen van meer belang in Egypte en Mesopotamië, maar in alle sedentaire culturen was veeteelt altijd een aanvulling op het basisvoedselpakket dat door de akkerbouw werd voortgebracht. In Zuid-Europa was de veeteelt van minder belang dan in Voor-Azië. Geiten, schapen en varkens, waarvan de laatstgenoemde de voornaamste leveranciers van vlees waren, maakten in Griekenland het grootste deel van de veestapel uit. Plaatselijk kon de betekenis ervan groot zijn, maar over het algemeen was deze secundair. Dat gold ook voor het rundvee: runderen werden primair gehouden om de ploeg of een kar te trekken, want melk en kaas kende men alleen van schapen en geiten, niet van runderen. Vlees was altijd relatief kostbaar. Het gebruik van mest was in het mediterrane gebied beperkt omdat de veestapel gemiddeld van kleine omvang was.
Wat voor Griekenland gold, gold in grote trekken ook voor Italië, al kan daar de veeteelt relatief belangrijker zijn geweest. Dat laatste mag zeker gezegd worden van Noordwest-Europa, waar varkens en runderen een normaler bezit waren dan in Griekenland. Van een kwantificering kan hier geen sprake zijn. Maar het is zeker dat we elke vergelijking met de moderne landbouw uit ons hoofd moeten zetten. Het eigenlijke werk werd verricht met handenarbeid en gebruik van ossen en ezels; werktuigen bleven voornamelijk beperkt tot de hak, de ploeg, de sikkel en de molensteen om het graan te malen. Arme boeren, maar ook bewerkers van akkers op steile hellingen, gebruikten een hak en moesten dus met eigen lichaamskracht de bodem voor het zaaien gereedmaken; de iets beter gesitueerde landbouwer bezat een paar ossen die hij voor een eenvoudige ploeg kon spannen, zodat hij een groter stuk land kon bewerken dan met een hak mogelijk was.
Nadelige gevolgen voor het milieu
Landbouw mag dan leiden tot vergroting van de carrying capacity, maar daarvoor moet wel een prijs worden betaald. Er is reeds opgemerkt dat de natuurlijke vegetatie op veel plaatsen door de mens is vervangen door cultuurgewassen. In het algemeen geldt dat, zelfs wanneer wij de grootschalige ontwikkelingen van de vorige en deze eeuw buiten beschouwing laten – met name het dankzij irrigatie en bemesting in cultuur brengen van immense stukken steppe en woestijn –, het Euraziatisch landschap zoals zich dat aan ons voordoet, sterk getekend is door menselijk ingrijpen. Het gaat hier zo goed als altijd om door de mens veroorzaakte verslechtering van het leefmilieu. De mate waarin menselijk handelen het leefmilieu beïnvloedde, verschilde vanzelfsprekend van regio tot regio: zo heeft de mens in het merendeel van Centraal-Azië tot in deze eeuw weinig invloed op het milieu uitgeoefend.
In het algemeen geldt dat afnemende complexiteit van het ecosysteem, bijvoorbeeld in termen van het aantal soorten planten en/of dieren, leidt tot afnemende stabiliteit van het systeem. Zelfs bodemverbeterende maatregelen kunnen in deze zin kwalijke gevolgen hebben, maar we denken natuurlijk in de eerste plaats aan ontbossing, ten gevolge van veldwisseling (shifting cultivation, het steeds in gebruik nemen van nieuwe akkers na door roofbouw de bodem te hebben uitgeput), houtkap, houtskoolproductie en overbeweiding. Erosie en een verstoorde waterhuishouding zijn de gevolgen. Maar er zijn vele andere wijzen van bodemdegradatie: inklinking en oxidatie door ontwatering, zoals in de Nederlandse veengebieden, of verzilting van de bodem door toevoer van irrigatiewater, zoals langs Tigris, Eufraat en Nijl. Niet alleen bodemkwaliteit en het aanzien van het landschap zijn door menselijk ingrijpen veranderd, tot woestijnvorming toe. Ook heeft de mens altijd al vervuilende stoffen in het milieu gebracht: dit is geen probleem van de recente geschiedenis. Daarbij gaat het in de eerste plaats om rook, huisvuil en afvalwater, maar ook om zaken als de bijproducten van mijnbouw en metaalsmelterij. Zo was lood een bijproduct van zilverwinning, en werden kwik en arseen toegepast in bepaalde productieprocessen. Een toename van de hoeveelheid lood in de atmosfeer ten tijde van het Romeinse Rijk is aantoonbaar in boorkernen uit de polaire ijskap.
Uitwisseling
Zeer eenvoudige boerensamenlevingen met een zelfvoorzienende economie zijn vrij zeldzaam. Voor de Oudheid moet men zich meestal een zogenaamde peasant-samenleving voorstellen: boeren die zichzelf voeden én een surplus produceren. Dit feit, plus het gegeven dat er geen plaats op aarde is die bij een bepaald niveau van productie en consumptie buiten een aanvoer van grondstoffen en/of halffabrikaten van buitenaf kan, maakt dat er sprake is van uitwisseling. Het spreekt vanzelf dat deze uitwisseling allerlei vormen kan aannemen. Uitwisseling in een peasant-samenleving betekent dat het surplus wordt afgezet op een markt of toevloeit aan een machtscentrum van waaruit redistributie plaatsvindt. Dit alles impliceert dat er bepaalde overkoepelende sociale en politieke verbanden bestaan. Het thema van uitwisseling is niet alleen van belang uit strikt economisch oogpunt, maar ook omdat uitwisseling interactie betekent; bij deze interactie worden niet alleen objecten of levende wezens verplaatst van punt a naar punt b, maar worden ook ideeën overgedragen en invloeden uitgeoefend. Deze verplaatsing van organismen, goederen en informatie, ofwel diffusie, is één van de belangrijkere exogene stimuli die tot maatschappelijke verandering aanzetten (andere van dergelijke exogene stimuli zijn oorlogvoering en migratie; endogene stimuli zijn bijvoorbeeld demografische verandering en inventie: het proces waarbij zelfstandig nieuwe ideeën worden ontwikkeld).
De aard van de economie in de Oudheid
Uitwisseling in enigerlei vorm is de basis van elk economisch netwerk. Elke algemene kenschets van de preindustriële economie moet beginnen met de constatering dat de landbouw de belangrijkste sector van de economie was, slechts in een enkel geval aangevuld met mijnbouw of steenwinning. Ambacht, handel en dienstverlening bleven altijd relatief marginaal, en dat is het fundamentele contrast met de economie van de moderne industriële samenleving. Maar niet alleen het economisch handelen, ook het economisch denken week af. Hoewel bezit verwerven zeker algemeen gezien werd als nastrevenswaardig, is daarmee nog niet aangetoond dat men daarbij volgens onze hedendaagse economische rationaliteit te werk ging. In het premoderne economisch denken ontbreken elementaire begrippen uit de moderne economie als afschrijving, diepte-investering of winstmaximalisatie. En niet alleen de begrippen ontbreken: men handelde er ook niet naar. Zo is rationeel calculeren (natuurlijk iets anders dan rationeel denken), bijvoorbeeld door rekening te houden met afschrijvingen, een recente ontwikkeling.
De voorgaande constateringen hoeven niet te leiden tot een al te primitivistische kijk op de preindustriële economie. De agrarische sector kende wel degelijk voorbeelden van marktgerichtheid, en de ambachten en handel mochten dan van ondergeschikt belang zijn, ze waren toch essentieel voor de zich ontwikkelende geldeconomieën. Het Romeinse Rijk van de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling is een fraai voorbeeld van een dergelijke geldeconomie. Ook moeten we aan het economisch leven van de Oudheid niet alle dynamiek ontzeggen. Ook hier kan weer op Rome in de eerste en tweede eeuw n.C. gewezen worden als een periode van economische bloei. Daarvoor zijn allerlei indicatoren aanwezig, zoals het aantal scheepswrakken, de geldhoeveelheid, en ook de bovengenoemde milieuverontreiniging door Romeinse industriële activiteit. Wel was deze dynamiek van een beperkt karakter: er is sprake van groei (en krimp) tussen nauwe grenzen. Doorslaggevend zijn op dit punt demografische en technologische factoren, die onneembare barrières opwierpen, maar er zijn ook andere zaken in het spel. Om te beginnen is in elke premoderne economie de koopkracht gering. De eerste levensbehoeften slokken alle of een groot deel van de eigen productie of inkomsten op. De vraag blijft dus algauw achter bij het aanbod. Ook de bereidheid tot investeren is gering: het marginale bestaan van vele kleine boeren, ambachtslieden en handeldrijvenden nodigt niet uit tot innovaties in de productie: heeft men een marge, dan gaat men eerder over tot besparingen met het oog op consumptie in magere jaren (die ongetwijfeld komen), dan tot gevaarlijke experimenten: ‘money not spent is money earned’, ‘wie wat bewaart, die heeft wat’. Maar ook het inkomen van de rijken wordt voor een flink deel consumptief besteed, in de vorm van conspicuous consumption (dit levert wel vraag op, maar de rijken zijn beperkt in aantal). Niet-consumptieve bestedingen worden veelal gestoken in vergroting van het grondbezit: in een samenleving waarin de agrarische sector overheerst, wordt welvaart meestal uitgedrukt in grond.
Zeer belemmerend voor de handel is de totale of vrijwel totale afwezigheid van giraal verkeer, schuldbekentenissen, wissels, cheques en dergelijke. In de Mesopotamische wereld en later in Egypte werden wel stappen in deze richting gezet, maar op doodlopende wegen. Samenvattend kan men zeggen dat de geringe omvang van de geldhoeveelheid (geld stond gelijk aan edelmetaal) een grote rem vormde op economische groei. Geldscheppende instellingen, zoals onze primaire banken, bestonden niet. Verder is de rol van overheden, voor zover die bestaan, marginaal. Zelden probeerden deze de economie te sturen, de voedselvoorziening daargelaten, waarschijnlijk omdat men de mogelijkheid van sturen gewoonweg niet zag: het ongedifferentieerd belasten van alle in- en uitvoer bijvoorbeeld zou in die richting kunnen wijzen.
Omstreden is de rol van de mentaliteit. In ieder geval bleven agrarische normen en waarden dominant: het ideaal was grondbezit, liefst veel grondbezit, waarop men volgens de zeden der vaderen het boerenbedrijf uitoefende, of, alle ideologische ophemeling van het boerenbedrijf ten spijt, liefst liet uitoefenen. Top van de maatschappelijke piramide is een grondbezittende leisure class. Onder deze klasse bevinden zich zelfstandige boeren, levend van eigen grond, en daaronder boeren in allerlei vormen van afhankelijkheid, loonwerkers, handelaars, ambachtslieden en eventueel slaven. Dat de grondbezittende elite best een graantje wilde mee pikken in de handel, laat de lage waardering voor andere inkomstenbronnen dan grond onverlet. De moderne notie van industrie en handel als motoren van economische groei ontbreekt, de idee van economische groei zelf (macro-economisch gedacht) is afwezig; wat een acquisitive mentality is genoemd (tegenover een moderne productive mentality), prevaleert. Zo bleven ook op terreinen waar voldoende technische kennis aanwezig was, technologische toepassingen uit. Als oorzaak is wel de beschikbaarheid van slaven of andere vormen van afhankelijke arbeid aangewezen. Hoewel dit in een aantal gevallen een factor kan zijn geweest, is het zeker niet de hele verklaring: in de wereld van de Oudheid waren niet altijd en overal slaven, en bovendien waren slaven duur in aanschaf en onderhoud. Onwil tot verandering lijkt de hoofdreden.
Was de mentaliteit anders geweest, dan nog was een aantal van de bovengenoemde hindernissen onneembaar gebleven: ze bleven dat tot de Industriële Revolutie en de 19de- en 20ste-eeuwse revoluties in de wetenschap. In de eerste plaats is er een ‘technologisch plafond’: (materiaal)kennis schoot tekort, en aldus bleven bepaalde dingen onmogelijk. Dit is bijvoorbeeld goed te zien op het terrein van het transport dat traag en meestal duur was, en dat op de meeste plaatsen zou blijven tot de ommekeer die werd teweeggebracht door stoommachines en verbrandingsmotoren. Voor de Romeinse wereld is berekend dat, afhankelijk van de omstandigheden, de kostenverhouding tussen zee-, rivier- en landtransport ongeveer 1:5:25 of meer was. Dat betekent niet dat landtransport per definitie te duur was: dat hangt helemaal af van welk product met welke prijs over welke afstand via welke kwaliteit weg vervoerd moest worden. Maar vervoer van bulkgoederen zoals graan over grotere afstanden op een andere manier dan over water was zeker een moeilijke zaak. Op het agrarisch vlak is het technologisch plafond ook zeer evident aanwezig: tot de komst van de kunstmest en moderne methoden van gewasveredeling, fokken en irrigeren bleef een grote groei van de productie onmogelijk. De agrarische productie kon toenemen wanneer bij een groeiende bevolking een grotere hoeveelheid land bebouwd werd, tot en met zeer marginale gronden, of door verandering van strategie, bijvoorbeeld intensificatie. Maar was alle bruikbare grond ontgonnen, en waren alle mogelijke strategieën toegepast, dan stokte de productiestijging onverbiddelijk.
4 Het gezicht van de Tollund man: een veenlijk van vóór het begin van de christelijke jaartelling. Veenlijken zijn menselijke resten uit veenmoerassen, waar de condities voor de conservering van organisch materiaal vaak zeer gunstig zijn. Zelfs de interne organen kunnen bewaard zijn gebleven, zodat zaken als laatst genoten voedsel, het voorkomen van parasieten en de algehele gezondheidstoestand kunnen worden onderzocht. De Tollund man is in 1950 gevonden in een veen in Jutland, Denemarken. Veel lichaamsdelen waren uitzonderlijk goed bewaard gebleven. Na onderzoek is het hoofd geconserveerd; het is nu met een reconstructie van het lichaam te zien in het museum te Silkeborg. De Tollund man is op een gewelddadige wijze aan zijn eind gekomen: hij is gewurgd en in het moeras achtergelaten. Een dergelijke doodsoorzaak is gebruikelijk in het geval van veenlijken uit de brons- en ijzertijd. Of het gestraften of geofferden betreft, is omstreden. Natuurlijk kan het van geval tot geval verschillen, en ook hoeft het een het ander niet uit te sluiten.
DEMOGRAFIE
Grenzen aan de groei
De beperkingen waaraan de voedselproductie onderhevig was, stelden, samen met andere factoren zoals de weerloosheid van de mensheid tegenover vele ziekten, strikte grenzen aan de mogelijke bevolkingsgroei. Natuurlijk, zonder landbouw kon er helemaal geen sprake zijn van bevolkingsgroei op termijn: eerst met het tot ontwikkeling komen van de landbouw was de voorwaarde voor een langdurige en krachtige groei geschapen. Onder bijzondere omstandigheden – ook bij een verdere wijziging van de carrying capacity, zoals bij de introductie van nieuwe landbouwmethoden of gewassen of bij een klimaatsverbetering – kon een relatief grote groei van de bevolking optreden, maar deze bleef gebonden aan de genoemde grenzen. Ook de ziekten die onder elke menselijke groep voorkomen, maar vooral onder landbouwers die ziekten van hun huisdieren overnemen en die in grotere groepen sedentair leven, stonden een grote bevolkingsgroei in de weg. Weliswaar ontstaat binnen een menselijke groep altijd immuniteit tegen bepaalde ziekten, zodat virussen en bacteriën ofwel onschadelijk worden of als verwekkers van relatief onschuldige kinderziekten voortbestaan. Maar voor ‘overwonnen’ ziekten kwamen nieuwe ziekten in de plaats, door mutaties onder de ziekteverwekkers óf door contact met andere menselijke groepen waar bepaalde ziekten endemisch waren. Tot de komst van antibiotica was de mens hier keer op keer weerloos. Hij kon weinig uitrichten en had geen weet van micro-organismen, en dus onvoldoende notie van besmettingsgevaar. Voedselgebrek en ziekte bewerkstelligden dat het ‘demografisch plafond’ in zijn algemeenheid niet kon worden doorbroken. Slechts weinig steden konden als centrum van macht en rijkdom hun eigen achterland voor kortere of langere tijd ontgroeien, mits er elders een structureel surplus aan voedsel én mensen bestond.
Reconstructie van een bevolkingspatroon
De geschiedenis van menselijke populaties is het onderzoeksobject van de historische demografie. Uit de Oudheid zijn er geen statistische gegevens, terwijl geschreven én ongeschreven bronnen slechts spaarzame en moeilijk te duiden gegevens opleveren. De (historische) demografie verschaft het wiskundig instrumentarium en het vergelijkingsmateriaal om op basis van deze schaarse bronnen toch tot demografische reconstructies te komen, in de zin dat we kunnen aangeven binnen welke grenzen de bevolking zich in het verleden heeft ontwikkeld. Een bevolking ontwikkelt zich nu eenmaal op een manier die beantwoordt aan een aantal algemene regels. Meer dan het aangeven van de onder- en bovenmarges zal het voor de Oudheid echter nooit zijn: exactheid is daar niet te bereiken.
De menselijke vruchtbaarheid en levensverwachting worden beïnvloed door zeer veel factoren: het milieu, de voedselsituatie en drinkwatervoorziening, hygiëne en ziekten, woonomstandigheden, culturele achtergronden enzovoort. Cultureel bepaald zijn bijvoorbeeld de huwelijksleeftijd, de toepassing van geboortebeperking, abortus en infanticide, de duur van de borstvoeding enzovoort. Voor de meeste plaatsen en tijden ontberen we goede informatie over al, of minstens een deel van de genoemde aspecten. Verder zijn migratiebewegingen altijd een verstorende factor bij demografische reconstructies op basis van een verondersteld algemeen patroon, wanneer we althans geïnteresseerd zijn in het inwonertal en de bevolkingsontwikkeling van afzonderlijke regio’s of nederzettingen. Hetzelfde geldt voor het relatief kortetermijneffect van sterfte door oorlog, hongersnood, epidemieën en natuurrampen.
Als de samenlevingen van de Oudheid vergelijkbaar zijn met andere preindustriële samenlevingen, en er is geen reden te veronderstellen dat dat niet het geval is, zal tegenover een hoog sterftecijfer (ongeveer 40 promille) een hoog geboortecijfer (ongeveer 40 tot 45 promille) hebben gestaan. De jaarlijkse groei van de bevolking lag dan tussen 0 en 0,5 procent. Een groei van 0,5 procent is overigens al vrij aanzienlijk: door het cumulatieve effect zal de bevolking dan in 140 jaar in omvang verdubbelen. Als dit patroon ongeveer juist is, dan volgt daaruit dat bijna een derde van alle kinderen stierf gedurende het eerste levensjaar, en ruim de helft van alle geborenen vóór de vijftiende verjaardag. Van elke honderd borelingen haalden er ruim veertig hun vijfentwintigste en vijfentwintig hun vijftigste verjaardag. Het hoge sterftecijfer is dus voor een groot deel op het conto van de kindersterfte, of liever, de zuigelingensterfte, te schrijven. De levensverwachting bij geboorte is slechts 25 jaar, maar de levensverwachting van de vijfjarige is 40 jaar. De leeftijdsopbouw van samenlevingen in de Oudheid moet een piramide met een brede basis geweest zijn: 40 tot 45 procent van de bevolking was onder de 18 jaar, en de gemiddelde leeftijd lag tussen de 25 en 30 jaar. Geen vergrijzing dus, wat overigens niet betekent dat mensen niet oud werden: ook in de Oudheid werden sommigen zonder twijfel oud of zeer oud, alleen waren het er percentueel aanzienlijk minder dan tegenwoordig, terwijl het aandeel jongeren veel hoger lag.
De hier veronderstelde grote sterfte in de jonge jaren maakt dat zeker de helft van de geborenen zelf nooit de vruchtbare jaren haalt. Wil een bevolking zichzelf onder die condities toch reproduceren, dan moeten de vrouwen die hun vruchtbare jaren ook daadwerkelijk benutten gemiddeld tussen de vijf en zes levendgeboren kinderen baren. Dit feit, plus de aanname dat in de meeste preindustriële samenlevingen gedurende enkele jaren borstvoeding werd gegeven, wat leidt tot een lange periode – tot wel twee jaar – van onvruchtbaarheid van de vrouw, had belangrijke consequenties voor de huwelijksleeftijd. Die zal in de wereld van de Oudheid in ieder geval voor meisjes laag hebben gelegen, zodat zo lang mogelijk van de vruchtbare jaren kon worden geprofiteerd. Inderdaad vinden we op vele plaatsen leeftijden van 12 tot 18 jaar genoemd. Dat leverde een volledige of vrijwel volledige benutting van de vruchtbare jaren van de vrouw op. Een gemiddelde van vijf tot zes levende geboorten (wat ten gevolge van de zuigelingen- en kindersterfte dus niet hetzelfde is als de gemiddelde gezinsgrootte) was dan zeker haalbaar.
Het voorgaande impliceert dat er bijna altijd een enorme sociale druk bestond om te trouwen en voor wettig nageslacht te zorgen. Dit gold eigenlijk voor alle culturen in heel Eurazië van deze tijd. Kinderen verwekken was een burgerplicht en tegelijk de grootste zegen die de goden konden schenken. Het is dan ook geen wonder dat we nergens horen van bewegingen of ideologieën die oproepen om niet te trouwen of om geen kinderen te verwekken. Toch zou zo’n beweging nog vóór 500 v.C. in India de kop opsteken, maar de gepredikte idealen zouden nooit massaal worden gepraktiseerd. Toen vergelijkbare ideeën later ook in de mediterrane wereld verschenen, zouden ze als zeer wezensvreemd aan de antieke cultuur op veel weerstand stuiten. Ascese werd hier in het vroege 1ste millennium v.C. eigenlijk nergens verkondigd. Integendeel, de godsdienst werd overal geacht met haar rituelen de vruchtbaarheid van mens, dier en gewas te helpen bevorderen.
