23. Een wanbetaler
Als John zijn jas wil pakken, waar de portefeuille in zit, klinkt er gegrom, gevolgd door een luid gekef. Hevig geschrokken deinst John terug. Met grote ogen kijkt hij naar een paar rode plekjes op zijn hand. De scherpe tandjes van Tim hebben een paar vingers te pakken gehad. Ineens schiet er iemand langs hem heen, gevolgd door een hond, die luid keffend naar hem omkijkt.
Even is hij verbluft, maar dan komt hij in actie. Snel zet hij de achtervolging in op Edwin.
Edwin kijkt schuw achterom. Hij ziet het gevaar op zich afkomen. Wat moet hij nu doen? Een wilde paniek maakt zich van hem meester. Hij kan natuurlijk nooit tegen John op. Naar binnen vluchten, de shop in, is het enige wat hij kan doen. Dat is de beste oplossing, want daar zijn nog meer mensen. Hij is al vlak bij de deur. John zit echter ook al dicht achter hem.
De schuifdeur gaat automatisch open en een breedgeschouderde vrachtwagenchauffeur komt met een bekertje koffie op z'n gemak naar buiten wandelen.
‘Help!’ schreeuwt Edwin. ‘Help me, meneer!’
De grote man kijkt verbaasd van Edwin naar de naderende John. Zijn ogen vernauwen zich.
John remt af.
Edwin gaat achter de chauffeur staan. Tim staat naast hem.
‘Hij wil … hij wil me weer meenemen’, hakkelt Edwin, wijzend op John.
De chauffeur kijkt om naar Edwin en dan weer naar John, die nu vlak voor hem staat.
‘Wat heeft dat te betekenen?’ vraagt de chauffeur. Hij kijkt John met een dreigende blik aan.
John laat er geen gras over groeien. Hij draait zich om en rent terug naar de Porsche. Hij springt in zijn auto en scheurt weg.
Een van de mannen achter de kassa komt er nu ook bij. ‘Hé, wat is dat voor gast? Hij heeft nog niet betaald.’
‘En hij wilde dit jochie kidnappen’, bromt de chauffeur.
‘O! Nu, die vinden we wel. De camera heeft alles opgenomen. Ik zal meteen de poltie bellen.’
De chauffeur kijkt naar Edwin.
‘Wat is er nu eigenlijk aan de hand?’ vraagt hij.
‘Kom maar even naar binnen, dat lijkt me beter’, vindt de man van de kassa. Hij loopt naar een statafel. ‘O, je hebt nog koffie, zie ik wel’, zegt hij tegen de chauffeur en kijkt vervolgens Edwin aan. ‘Ik zal eerst de politie bellen. Wil jij ook iets drinken, jongen? Dan neem ik dat meteen mee.’
Edwin heeft nog niets gezegd. Nu hij verlost is van John en de spanning een beetje wegzakt, staat het huilen hem nader dan het lachen. Maar hij wil zich niet laten kennen. ‘Cola … alstublieft’, antwoordt hij en slikt een keer.
De man loopt even naar achter.
Even later komt hij terug met een blikje cola. ‘Zo, en dan moet je nu maar eens vertellen wat er precies aan de hand is.
Die man die zo-even met die Porsche wegreed, is dat familie van je?’
‘Gelukkig niet!’ antwoordt Edwin. ‘Da's een crimineel. Ze hebben van die planten bij zich … eh, hoe heten die ook alweer? Die je niet mag hebben. Enne … ze hadden oude mensen in die loods opgesloten.’
‘Wie zijn “ze”?’ wil de vrachtwagenchauffeur weten.
‘O, eh … John en Falko. Hun achternamen ken ik niet. En die oude mensen heten Teunis en Maaike.’
‘Hoort dat hondje ook bij jou?’ vraagt de man van de kassa vervolgens aan Edwin.
Edwin kijkt om zich heen en ziet dat Tim geduldig achter hem zit. Hij tilt hem op en zegt: ‘Dit is eigenlijk de hond van m'n zus en daar waren we naar op zoek.’
De kassaman en de chauffeur kijken elkaar nog eens vragend aan.
‘Het wordt steeds ingewikkelder, geloof ik’, zegt de man van de kassa.
Edwin vertelt wat er allemaal is voorgevallen. Nog voor hij is uitverteld komen er ineens twee agenten de shop in gelopen.
‘Goedemorgen heren’, zegt een van hen. Beiden geven een hand en stellen zich voor.
‘Ook koffie, mannen?’ vraagt de kassaman.
‘Lekker.’
‘Laat meteen horen wat er aan de hand is’, vervolgt een van hen.
Opnieuw moet Edwin z'n verhaal doen.
Een van de agenten maakt aantekeningen. De andere belt de meldkamer. Als het gesprek is afgelopen, weet hij te melden dat er inderdaad een grote brand is in de Biesbosch, maar dat er ook al groot materieel is ingezet.
‘Je had het zojuist over een paar oude mensen die uit de loods zijn gehaald. Waar zijn die nu?’ vraagt de agent aan Edwin.
Edwin haalt zijn schouders op.
‘En waar zijn die mensen met de vrachtauto en die andere auto's naartoe?’ vervolgt de agent die het woord voert.
Edwin haalt zijn schouders opnieuw op. ‘Ho, wacht eens. Ik weet het wel.’ Het schiet hem te binnen dat hij iets heeft horen noemen toen hij zich in de Porsche verborgen hield. ‘Ze hadden het over ehm … Loen, eh … en nog wat.’
‘Loenersloot?’
‘Eh … nee, dat was het niet.’
‘Hebben ze misschien België genoemd?’ vraagt de agent die nog niet veel gezegd heeft.
Edwin knikt.
‘Loenhout soms?’ vraagt de agent.
‘Ja, dat was het.’
De agenten kijken elkaar aan en dan zegt de een: ‘Neem jij even contact op. Een vrachtauto, een Audi R8 en een Porsche lijkt een mooie combinatie om in ieder geval daar in de buurt even in de gaten te houden. En geef ook door dat een paar oude mensen uit de loods zijn gehaald, maar dat onbekend is waar die nu zijn.’
De agent kijkt Edwin even aan en vraagt: ‘Wat voor kleur hebben de auto's?’
‘De Porsche zilvergrijs en de R8 blauw’, antwoordt Edwin.
‘Kentekennummer misschien?’ vraagt de agent.
‘Dat weet ik niet’, antwoordt Edwin. ‘De R8 had in ieder geval een Duits kenteken. Dat weet ik wel.’
De collega van de agent knikt en loopt meteen naar de politieauto.
‘En u heeft filmbeelden van deze wanbetaler met die Porsche?’ vervolgt hij tegen de kassaman.
De kassaman knikt.
‘Oké, da's bij elkaar geen slechte oogst om te beginnen.’
Hij draait zich naar Edwin. ‘Zullen wij jou maar meenemen? We gaan eerst naar de Biesbosch. Collega's van ons zullen de heren in België warm ontvangen.’
Edwin volgt de agent met Tim op zijn arm.
‘Succes, heren’, hoort hij achter zich.
De agent draait zich half om en zegt: ‘Bedankt, we zullen zorgen dat iemand van ons dat filmpje komt halen.’
‘Laat maar komen’, glimlacht de man van de kassa.
Edwin mag achter in de politie-Volvo stappen.
Even later draaien ze bij afslag Hank-Dussen de autosnelweg af en aan de andere kant er weer op.
Edwin wijst de weg naar de boerderij van Teunis en Maaike. Best wel stoer, meerijden in zo'n politieauto, denkt hij. Maar als ze dicht bij de boerderij komen, schrikt Edwin. Hij ziet blauwe zwaailichten op het erf van Teunis. Het dak van de loods is gedeeltelijk ingestort en hier en daar ziet hij nog vuur smeulen, terwijl brandweermensen druk in de weer zijn. Ook ziet hij de auto van vader staan.
Het stoere gevoel in de politieauto is op slag verdwenen. Ineens voelt hij weer die misselijkheid opkomen. Als de politiemannen zijn uitgestapt, komt Edwin langzaam uit de auto. Hij heeft Tim nog in zijn armen. Ineens ziet hij dat Vera in de auto van vader zit. Hij rent naar haar toe en rukt het portier open.
Vera springt uit de auto en grijpt hem meteen bij zijn arm. Ze drukt Tim tegen zich aan. Ze kan niets meer zeggen. Er zit een dikke brok in haar keel.
Op dat moment komen vader en Peter met een van de agenten aanlopen.
Vader is duidelijk opgelucht dat z'n verdwenen zoon weer boven water is. Hij grijpt hem bij zijn schouder en zegt: ‘Wat zijn jullie toch een stelletje … eh, ach, laat maar. Ik hoop datje niet meer van die avonturen opzoekt, we hebben flink in angst gezeten. Ik heb zojuist moeder opgebeld, zodra ik van een van de politiemensen hier hoorde dat je was gevonden.’
‘U hebt gelijk’, zegt een van de agenten. ‘Maar … aan de andere kant is de kans groot dat we, door toedoen van uw zoon en deze jongen, die boeven te pakken gaan nemen.’
De agent geeft Peter een schouderklopje.
Peter staat er stilletjes bij te kijken en glimlacht weer.
Ook Teunis en Maaike komen samen met een andere politieman aangelopen. Het is duidelijk aan hen te zien dat ze veel hebben meegemaakt. Toch zijn ze ook opgelucht.
‘Het is niet niks als je bedrijfje in vlammen opgaat’, zucht Teunis. ‘Maar de Heere heeft ons gespaard en ook de jongens.’ Teunis kijkt hen even aan.
Een moment is het stil.
‘Misschien moeten jullie er maar eens over na gaan denken om in het dorp te komen wonen’, stelt vader voor.
Teunis zwijgt.
Maaike pakt haar man bij zijn arm.
Samen staren ze in de vlammenzee.
Teunis zucht diep. ‘Misschien hebben we geen andere keus’, zegt hij zacht.
Er klinkt een gedempte blaf. Ze kijken allemaal om en zien Tor achter een beslagen autoruit.
Mag ik er ook uit, alsjeblieft? lijkt hij te denken.
Tim springt van Vera's arm en rent naar het portier waarachter Tor zit opgesloten. Bij de auto kijkt hij achterom. Hij keft een paar keer. Het is alsof hij wil zeggen: Toe, haal m'n maatje er dan ook uit!

