11. Geen slaap
Edwin heeft vanuit z'n schuilhoek scherp de benen van de twee mannen in de gaten gehouden. Meer kon hij niet van hen zien. Hij heeft gehoord dat z'n vriend is opgesloten en dat de mannen weer zijn weggelopen.
‘Dat joch zit daar voorlopig goed.’ Dat was duidelijk de stem van John. ‘En we zijn hier toch niet lang meer. Dat kereltje vinden ze later wel, samen met die oudjes.’
‘Wat gaan we nu doen?’ hoorde hij Falko nog vragen.
‘Dat ga ik je zo …’
Meer kan Edwin niet verstaan, omdat de mannen de deur weer dicht hebben gedaan. Ook de volgende deur hoort hij dichtslaan. Zou die weer op slot gedraaid worden? vraagt hij zich af. Dan heeft hij een probleem. Trouwens, dat heeft hij sowieso, want ook Edwin heeft het knarsende slot van de deur waarachter Peter zit opgesloten gehoord.
Het zweet breekt hem uit. En het is al zo warm hier binnen. Door de gebeurtenissen heeft hij het nog veel warmer gekregen. Zijn hart bonst nu niet zo erg meer, maar hij voelt zich nog steeds een beetje beven vanwege de spanning van zo-even. Was hij maar thuis en lag hij maar in zijn bed.
Ineens krijgt hij vreselijk spijt. Waren ze maar nooit midden in de nacht hiernaartoe gegaan.
Zo zit Edwin een poosje te piekeren. Dan schuifelt hij op zijn knieën onder de tafels door, richting de deur. Als hij onder de laatste tafel zit, wacht hij even. Zal hij eronder vandaan komen? En als John en Falko dan terugkomen?
Hij besluit het erop te wagen. Voorzichtig kruipt hij onder de tafel vandaan en sluipt naar de deur. Hij durft die niet te openen. Hij legt zijn oor tegen de deur. Vaag hoort hij stemmen.
Dan kijkt hij om zich heen. Achterin ziet hij een afgesloten ruimte. Daar zit Peter in gevangen. Hij durft er nog niet naartoe te lopen. Stel je voor dat die twee mannen weer in de grote ruimte waar hij zich bevindt, zouden komen … Hier voorin kan hij nog snel wegkruipen.
Dan ziet hij dat de ruimte achter de deur, waar hij voor staat hier voorin, eigenlijk ook een apart hok is. Een paar meter naar links kan hij een hoek om. Daar zal hij wellicht bij het schot kunnen komen tussen de werkplaats en de ruimte waar hij zich nu bevindt.
Snel glipt hij de hoek om. Inderdaad ziet hij daar, recht voor zich, weer een wand. Hij loopt er snel naartoe en legt er opnieuw zijn oor tegen. Nu kan hij de twee mannen veel beter horen, al kan hij niet verstaan wat er gezegd wordt. Soms is het even stil, maar dan ineens hoort hij een van de twee weer iets zeggen. Kennelijk zijn ze nog ergens mee bezig.
Na een kwartier slaat er een deur dicht. Was dat de buitendeur? Ja, dat kan niet anders. Meer deuren zijn er niet, behalve die van het hok naast hem. Maar daar is niemand binnengekomen.
Het is daarna stil. Heel in de verte hoort hij een auto starten en wegrijden.
Edwin wacht nog enkele minuten en loopt dan naar de deur waarachter zijn vriend gevangenzit. Dan schiet hem te binnen dat het ook zo kan zijn dat slechts een van de twee met de auto is weggereden. Dat heeft hij natuurlijk niet kunnen zien. Oei! Wat dom. Hij kijkt schichtig een keer achterom, maar loopt dan snel verder. Hij is er bijna.
Als hij bij de afgesloten ruimte in de hoek is, bekijkt hij de twee wanden. Er zit alleen een deur in. Zachtjes klopt hij op de deur. Hij hoort niets. Hij klopt nog een keer en roept zacht: ‘Peter.’ Dan klinkt er een stem aan de andere kant van de deur.
Vera kan het niet langer uithouden in bed. Ze doet haar bedlampje weer aan en kijkt op de klok. Drie uur. Ze heeft Edwin nog niet terug horen komen. En ze heeft toch echt niet geslapen.
Opnieuw stapt ze uit bed en kijkt snel even om het hoekje van Edwins kamer.
Beneden hoort ze iemand lopen. Pa of ma, denkt ze, zeker even naar het toilet. Oei, als het ma maar niet is. Die heeft nog weleens de gewoonte om even boven om het hoekje van hun slaapkamers te kijken. En dan ziet ze natuurlijk dat Edwins bed leeg is. Dan heb je de poppen aan het dansen.
Wat moet ze nu doen? Snel neemt ze een besluit. Ze glipt Edwins kamer binnen. Vlug slaat ze zijn bed open en kijkt om zich heen. Ah, z'n tas, denkt ze en legt hem op bed. Ze pakt een paar stapels boeken uit Edwins boekenkast en legt die erbovenop. Er ligt nog een voetbal. Die legt ze op het kussen. Vooruit, z'n zondagse schoenen aan het voeteneind.
Snel trekt ze het dekbed tot over de voetbal. Er ligt een langwerpige bobbel onder het dekbed. Het lijkt net of er iemand in bed ligt.
Ze hoort dat beneden de wc wordt doorgetrokken. Met een paar stappen staat ze weer bij de deur en doet vlug het licht uit. Ze sluipt op haar tenen naar haar eigen kamer en zet de deur op een kier. Dichttrekken durft ze niet, want ze hoort de onderste trede van de trap al kraken. Het is vast moeder.
In een wip ligt ze in bed. Ze hoort een kort hoestje boven aan de trap. Moeder komt het eerst voorbij de kamer van Edwin. Zou ze het ontdekken? Door haar deur, die op een kier staat, ziet ze ineens een flauw schijnsel op de overloop. Moeder heeft het licht op de overloop aan gedaan.
Vera houdt haar adem in. Het duurt vreselijk lang voordat het licht weer uitgaat.
Ineens schrikt ze vreselijk. Ze heeft haar eigen licht niet uitgedaan. Ze grijpt naar de knop, maar beseft dat dit nu ook geen zin meer heeft. Zonder er verder bij na te denken pakt ze het boek dat naast haar bed op het kastje ligt en slaat het open.
Precies op tijd. Moeders hoofd steekt om de hoek van de deur. ‘Ben jij nog wakker?’ klinkt het verbaasd. ‘Ga toch gauw slapen, net als je broer.’
‘Ik kon niet slapen’, zegt Vera. Dat is nog waar ook, bedenkt ze. Dus moeder denkt echt dat Edwin in bed ligt. Dan is haar list gelukt.
Moeder loopt even de kamer in.
‘Ik lees nog maar een stukje. Dan krijg ik zo weer slaap’, zegt Vera.
‘Niet te lang, hoor,’ waarschuwt moeder. ‘Het is maar goed dat het herfstvakantie is. Ik begrijp best datje niet zo goed kunt slapen, nu Tim kwijt is, maar je hebt wel je rust nodig.’
Moeder strijkt even over Vera's hoofd.
‘Zo meteen maar weer proberen te slapen, hoor.’
Moeder verdwijnt weer en Vera slaakt een zucht van verlichting.
Ineens komt de geschiedenis van Michal in haar hoofd op. Die had een beeld en een geitenvel in het bed van haar man David gestopt, nadat deze was gevlucht. Er waren boden van vader Saul gekomen met de opdracht om David de volgende ochtend te doden. Eigenlijk heeft zij net een beetje hetzelfde gedaan. Gelukkig was moeder geen bode. Stel je voor!
Vera moet in haar eentje ineens glimlachen om haar vreemde gedachten. Ze leest nog een stukje, maar voelt dan dat haar ogen beginnen te prikken. Ze wil eigenlijk best wel wakker blijven, maar wie weet hoelang het nog duurt. Moeder heeft gelukkig niets ontdekt en Edwin heeft beloofd dat hij Tim mee terug zou brengen. Vera wordt wat rustiger en doet haar ogendicht.