19. Tegenliggers

Peter is in het nachtelijk donker op zijn fiets gestapt. Tor rent naast de fiets aan de riem mee. Ze zijn nog geen honderd meter ver, als Peter in de verte de koplampen van een auto ziet. De auto komt zijn kant uit. Zal hij hem aanhouden? Het is een mooie kans om meteen al alarm te slaan.

Hoewel? Als het nu eens iemand is die bij die criminelen hoort? Dan is hij alsnog het haasje. Zal hij wegduiken in de slootkant? Dat is eigenlijk al te laat. De inzittenden van de auto zullen ongetwijfeld zijn fietslamp al hebben gezien. Hij zou door weg te duiken nog meer argwaan wekken.

Gewoon doorfietsen, neemt hij zich voor. Hij wordt een beetje verblind door de koplampen van de auto. De auto is al vlak bij hem en remt iets af.

Peter trapt flink door. De hondenriem komt strak te staan. ‘Kom Tor’, roept hij achterom. ‘Kom op!’

De auto is al gepasseerd. Achter zich hoort Peter de auto nog meer afremmen en ten slotte stoppen.

Peter wil nog harder gaan fietsen, maar daar heeft Tor kennelijk geen zin meer in. Peter kijkt schichtig achterom naar de hond. Die lijkt alleen maar terug te willen. Er is geen houden aan. Peter moet vlug stoppen om niet ondersteboven te worden getrokken. Dan laat hij de riem schieten en Tor gaat er als een speer vandoor richting de auto.

In de Porsche zit Edwin zich steeds meer te verbijten. Hij voelt dat er iets gaat gebeuren. De vrachtauto is vol en Teunis en Maaike zijn naar hun huis gebracht. En wat bedoelde John nu met die aandachtstrekker? Edwin voelt zich een beetje misselijk worden.

John is in de voorste ruimte en Falko komt samen met de chauffeur ook weer binnen.

‘Zo, nu nog even twee auto's in de aanhanger van de vrachtauto’, hoort Edwin John zeggen. ‘Doe de Mercedes en de Ferrari maar. Die Mercedes is niet zo snel, mocht dat nodig zijn en die Ferrari zou te veel aandacht trekken.’

Edwin hoort de andere mannen instemmend mompelen.

‘Rijd jij zo meteen met de R8? Dan neem ik de Porsche wel.’

De Porsche? denkt Edwin. De Porsche? Daar zit ik in. Zijn hart begint nog sneller te kloppen en zijn ademhaling versnelt. Hij raakt in paniek. Rustig blijven, probeert hij zich in te prenten.

Hij hoort John weer zijn bevelen geven. ‘Als jij even die oprij-platen uit de aanhanger schuift, dan kan Falko de auto's er zo in rijden. Intussen zorg ik hier voor de laatste zaken.’

Edwin hoort John grinniken. Het is een geluid dat hem kippenvel geeft.

Al snel hoort hij de grote deur opengaan en even later de Ferrari starten. Met korte, schorre stootjes gas verlaat de sportwagen de loods. Edwin hoort de auto buiten nog even ronken en wat heen en weer rijden. Even later is het weer stil.

Er wordt buiten nog een auto gestart, die even later ook weer stil is.

Na enkele momenten start ook de vrachtauto en komt Falko de loods weer in lopen.

‘Zo, alles is gepiept. We kunnen vertrekken.’

‘Rijd maar vast met de R8 weg. Ik volg je zo.’

‘Oké, tot straks.’

Edwin hoort een portier openen en weer sluiten. De motor van de Audi R8 start met bulderend geluid. Vervolgens rijdt de auto achteruit de loods uit.

Ineens wordt het portier van de auto waarin Edwin zich bevindt ook geopend. Edwin schrikt geweldig. Hij hoort iemand op de bestuurdersstoel ploffen. De auto start en beweegt een stukje naar voren. De motor draait nog.

Hij hoort John uitstappen en weer naar binnen lopen.

Edwin kijkt vanuit zijn benauwde positie omhoog en ziet door de achterruit dat de Porsche net buiten de deur van de loodsstaat.

Zou hij nu nog een kans krijgen om weg te komen? Voorzichtig komt hij iets omhoog en kijkt de loods in. Hij ziet dat John slechts enkele meters van hem verwijderd op zijn hurken bij de ingang van de spuitcabine zit. Zo kan hij nog niet ongezien vluchten.

Er vonkt iets tussen de handen van John. Een aansteker, denkt Edwin. Ineens kruipt er een spoor van vuur over de grond. Edwin ziet het in de spuitcabine verdwijnen.

Dan hoort hij plots een geluid: WHOEP! De hele ruimte achter de spuitcabine wordt fel verlicht.

John staat op en draait zich om.

Net op tijd duikt Edwin weg.

Hij hoort de voetstappen van John op de auto afkomen. Het portier gaat open. Dan verwijderen de voetstappen zich weer.

Angstig vraagt Edwin zich af wat er nu weer gaat gebeuren. Opnieuw hoort hij dat John naar de auto toe rent. Door het geopende portier wordt iets achter de bestuurdersstoel gegooid. Edwin krijgt het half over zich heen. Het is een jas.

Tim gromt zacht.

De auto start onmiddellijk en met gierende banden rijdt hij de loods uit.

Edwin wordt in de benauwde ruimte tegen de achterwand geduwd. Gelukkig heeft John niets gehoord. Hij zou het wel willen uitgillen, maar weet zich te beheersen. Tim rolt even ondersteboven, maar drukt zich dan dicht tegen Edwins borst.

Edwin voelt hem heel zacht grommen en klemt meteen een hand om de bek van het hondje. Gelukkig maakt de Porsche een veel harder geluid.

Wat nu? denkt Edwin. Hij zou zo in tranen kunnen uitbarsten. Maar hij wil nog steeds niet dat John hem zal ontdekken. Hoe dichtbij de man ook zit. Hij kan hem gewoon ruiken. Door het werk van zo-even is hij flink gaan zweten. Ook hangt de zoete henneplucht nog in de auto. Edwin krijgt het gevoel dat hij moet overgeven. Wat een ellende. Was hij maar nooit met Peter naar de loods gegaan. Heere, help me! bidt hij. Het is mijn eigen schuld! Hij drukt Tim strak tegen zich aan.