18. In de knel
Edwin heeft het bloedheet in de krappe ruimte achter de stoel. Gingen die kerels nu maar eens weg. Maar ze maken nog geen aanstalten om te vertrekken. Edwin kan bijna alles letterlijk verstaan. Zo weet hij inmiddels dat het vrachtje naar een tuinder in België moet, vlak bij Loenhout. Bij deze kweker moeten de planten verder groeien en tenslotte worden geoogst.
Volgens John werd het tijd dat ze hier vertrokken, want die ouwe baas werd zo nu en dan behoorlijk nieuwsgierig. Teunis had al gevraagd naar een vreemde lucht, die tot in de voorste ruimte was doorgedrongen. John had geen verder risico willen nemen en de oudjes opgesloten in het hok in de achterste ruimte. Hij zou ze vlak voor hun vertrek samen met dat joch opsluiten in hun huis. Ze zouden vanzelf wel gevonden worden, aldus John. Hij zou er wel voor zorgen dat de aandacht naar de boerderij getrokken werd. Edwin hoorde hem vals grinniken.
Wat met dat aandacht trekken werd bedoeld, was voor hem niet duidelijk. De andere man moest er ook luidkeels om lachen.
Edwin heeft Falko al even niet meer gehoord. Wel heeft hij de buitendeur horen dichtslaan. Wat zou hij aan het doen zijn?
Terwijl hij dat denkt, hoort hij John zeggen: ‘Als Falko niet snel terugkomt, dan help ik je eerst die oudjes en dat joch naar het huis te brengen en dan zal ik daarna in de loods wel even gaan zorgen voor een mooie aandachtstrekker. Er staan nog twee rolcontainers in de achterste ruimte. Verder zijn alle planten eruit. Zullen we die eerst even pakken?’
Edwin hoort hen weglopen. Hij komt omhoog, maar bedenkt meteen dat de kans groot is dat hij een terugkerende Falko tegen het lijf loopt. Moedeloos laat hij zich weer zakken.
‘Laat me los!’ roept Peter tevergeefs.
‘Dat had je gewild, ventje. Je komt maar eens mooi met mij mee.’ Falko trekt Peter hardhandig omhoog.
Peter heeft wel in de gaten dat hij geen schijn van kans heeft.
Plots slaakt Falko een rauwe kreet.
Peter voelt dat hij wordt losgelaten.
Falko schopt in het rond. Kennelijk wil hij iets raken. Hij brult het uit.
Ineens ziet Peter iets zwarts. ‘Tor!’ roept hij verbaasd uit. Hij had helemaal niet meer aan de hond gedacht.
Falko weet zijn broekspijp uit de kaken van Tor los te scheuren en zet het op een lopen in de richting van de loods van Teunis. Tor zit hem vlak op de hielen en hapt naar z'n kuiten. Falko blijft maar brullen.
Nog enigszins verbluft staat Peter hen na te kijken, tot er nauwelijks nog iets van Falko en Tor in het duister zichtbaar is. Dan zet hij het op een lopen in de tegenovergestelde richting. Hij probeert uit te vinden waar hij nu heen moet, maar dat valt in het donker midden tussen de weilanden niet mee. Door het gedoe met Falko is hij even zijn richtingsgevoel kwijtgeraakt. Hij stopt en tuurt in het rond. Rechts ziet hij een donkere rand. Dat moeten bosjes zijn, denkt hij, dan moet ik nu meer links aanhouden. In de verte ziet hij een paar lichten. Dat moet bij de Bandijk zijn, stelt hij vast.
Opnieuw zet hij de pas er stevig in. Nadat hij nog een wei is doorgedraafd, komt hij weer bij een hek. Ineens ziet hij dat vlak daarachter een weg ligt. Als dit nu de weg is waarlangs de fietsen in de slootkant liggen, dan is hij er mooi uit.
Voordat hij de weg opstapt hoort hij ineens weer gehijg. Hij schrikt, maar ziet tot zijn grote opluchting dat Tor uit het donker komt opdagen. De hond vlijt zich tegen de benen van Peter. Hij klopt de hond stevig op z'n hals. ‘Keurig gedaan, Tor! Braaf’, zegt Peter hardop.
Samen lopen ze de weg op.
Zal hij nu links- of rechtsaf gaan? Voor zijn gevoel moet hij links. Tor volgt hem trouw. Dan meent hij in de verte lichten te zien die bij de boerderij van Teunis moeten zijn. Het verrast hem dat hij zover is weggerend tijdens de achtervolging.
De fietsen moeten dan hier vlakbij in de slootkant liggen, denkt hij en speurt naar links. Vlak bij een dam vindt hij de fietsen. Ze liggen er allebei. Edwin is dus nog niet weg, stelt hij teleurgesteld vast. Hij had stiekem gehoopt dat zijn vriend ook ontsnapt zou zijn. Hij doet een stap naar beneden en trekt zijn fiets aan een stang omhoog. De riem van Tor zit nog achter op de fiets van Edwin.
Peter zet zijn fiets op de standaard op de weg en loopt naar de slootkant terug. Daar trekt hij de riem onder de snelbinders vandaan en doet de halsband om de kop van Tor.
Edwin zit nog steeds op zijn benauwde plekje. Hij hoort dat de laatste twee rolcontainers uit de achterste ruimte worden gerold, in de richting van de buitendeur.
Een moment later zijn John en de chauffeur al weer terug en lopen weer naar achter.
Opnieuw krijgt Edwin de neiging om nu te ontsnappen, maar hij durft het niet zolang Falko niet terug is.
Er klinken alweer voetstappen vanuit de achterste ruimte. Hij hoort John flink tekeergaan. ‘Waar is dat joch dan gebleven?’ brult John.
‘Hij is weg.’
Hé, dat lijkt Teunis wel, denkt Edwin, dat moet haast wel, want ze gingen die oudjes halen, had John gezegd. Edwin spitst zijn oren.
‘Je hebt geluk dat we op het punt staan te vertrekken, anders had ik uitgebreid de tijd genomen om je te laten vertellen hoe dat kereltje is ontsnapt. Vooruit, lopen!’
Edwin hoort hoe Teunis even struikelt.
‘Voorzichtig toch!’ hoort hij Maaike angstig roepen.
Ineens hoort hij iemand bij de buitendeur.
Edwin herkent de opgewonden stem van Falko.
‘O, zie je nu wel. Hij is hier niet meer. Dat joch is ontsnapt. Ik had hem bijna te pakken. Wat zeg ik? Ik had hem bij z'n kladden, maar toen viel een hond mij aan. Ik denk dezelfde die jij straks gezien hebt. Zo'n zwarte, hij heeft me flink te pakken gehad. Moet je zien. M'n broek gescheurd. Kijk, ik bloed zelfs. Als ik dat beest nog eens te grazen kan nemen…’
‘Help eerst onze chauffeur maar om deze oudjes op te sluiten in hun huis. Daar zul je ongetwijfeld wel een plekje voor vinden’, zegt John. ‘Voor mijn part in de badkamer en barricadeer de deur. Als je maar zorgt dat ze er voorlopig niet uit komen. Vooruit! Ik ga nog wat regelen achterin. We laten geen sporen achter.’
Edwin heeft ademloos geluisterd en hoort nu John naar achter lopen, terwijl de stemmen van Falko en de chauffeur door de buitendeur verdwijnen.
Het is weer stil in de voorste ruimte. Hoewel? Er piept iets. Zacht gejank. Maar, maar … dat lijkt wel een hond. Tor? denkt Edwin. Dat kan haast niet. Het is aan de rechterkant, tussen de auto waar hij in zit en de wand.
Snel kruipt hij achter de bijrijdersstoel en loert voorzichtig over de rand van het achterraam. Nee maar, wat is dat nu? Daar staat Tim! De kleine hond heeft Edwin al gezien. Zijn staartje staat meteen rechtop. Hij laat een korte kef horen. Hé, baasje. Kom er eens uit.
Edwin weet even niet wat hij moet doen. Stel je voor dat Tim nog meer gaat blaffen. Dan is hij er wellicht gloeiend bij. Snel neemt hij een beslissing en klapt de voorstoel naar voren. In een wip heeft hij het portier open. Tim springt onmiddellijk in de auto. Vlug, maar wel zo geluidloos mogelijk trekt hij het portier in het slot en zet de stoel weer recht.
Tim duwt zich tegen zijn borst en likt Edwin een paar keer over zijn gezicht. Het dier is uitgelaten.
Edwin duikt weer in elkaar en geen seconde te vroeg. Uit de achterste ruimte komt John aangelopen. Vreemd, denkt Edwin, het lijkt wel of er water over de vloer sijpelt.