2. Tim verdwijnt

‘Eddie!’

Edwin zit aan de keukentafel met het bouwpakket van een modelauto voor zich. Voorzichtig zet hij het dashboard op z'n plek en lijmt het vast. Het motorblokje ligt op een krant te drogen. Hij heeft het zojuist zilvergrijs geverfd. Het bouwpakket heeft hij op zijn verjaardag van opa en oma gekregen. Het is een Audi R8, schaal 1 : 18. Een schitterende auto. Het bouwpakket heeft een tijd onaangeroerd op z'n kamer gestaan, maar sinds hij vorige week bij Teunis in de loods enkele sportauto's heeft gezien, is hij weer enthousiast aan het bouwpakket verdergegaan.

‘Eddiiieee!’ Vader roept nog een keer.

Edwin komt langzaam overeind. Wat moet vader nu weer? Als het maar geen boodschap is. Daar heeft hij geen zin in en geen tijd voor ook. Hij is net zo lekker aan het knutselen. Met tegenzin loopt hij de trap af naar de praktijkruimte, die in de kelder van het huis is gevestigd.

‘Wil je deze medicijnen even voor me wegbrengen?’

‘Moet dat nu meteen?’

‘Ja vanzelf, anders had ik het je toch niet gevraagd?’

‘Ik was eigenlijk nog bezig’, zegt Edwin.

‘Bezig?’ lacht vader.

‘Ja, met m'n bouwpakket.’

‘O, maar waar je deze medicijnen naartoe moet brengen, hebben ze hele grote versies van jouw bouwpakket.’

‘Moet ik soms naar Teunis van de Water?’

‘Heb je nu ineens wel tijd?’ zegt vader lachend.

‘O … maar dat is niet zo ver. Dat doe ik wel’, antwoordt Edwin.

‘Halverwege de Biesbosch is ineens niet meer zo ver. Eddie, Eddie toch! Hier, breng dit doosje maar snel weg. Teunis wacht erop.’

Edwin pakt het doosje snel aan en rent de trap weer op. In de gang loopt hij Vera bijna ondersteboven.

‘Hé pas op, wat heb jij haast!’ roept ze.

‘Medicijnen voor Teunis van de Water.’

‘Dan ga ik ook even mee’, roept Vera hem achterna.

Edwin stopt. Eigenlijk vindt hij dat niet zo leuk. Dan moet z'n zus natuurlijk weer naar die pony's. Hij gaat liever alleen. Nee, dat is flauw, denkt hij en draait zich om. ‘Dan kunnen we Peter ook wel even vragen.’

Als Edwin verder wil lopen, staat in de deuropening ineens Tor voor hem te kwispelen.

‘Jij wil zeker ook mee?’ vraagt Edwin aan de hond.

Tor begint nog veel harder te kwispelen. Het woordje ‘mee’ begrijpt hij wel.

‘Vooruit dan maar,’ gaat Edwin verder, ‘een stukje lopen is niet verkeerd voor jou, want je begint aardig dik te worden.’

‘Dan neem ik Tim mee in m'n fietsmand’, zegt Vera.

‘Moet je zelf weten’, bromt Edwin.

Snel belt hij even naar de familie Groeneveld en krijgt meteen Peter aan de lijn. ‘Jou moest ik net hebben’, begint Edwin.

Het telefoongesprek is snel beëindigd. Peter gaat ook mee en zo zitten de tweelingbroer en -zus even later op de fiets en rijden de sluis over, het Steurgat op en de Biesbosch in. Ze rijden niet al te hard, zodat Tor hen met gemak bij kan houden. Tim zit rustig rond te kijken in het mandje voor op het stuur van Vera's fiets.

Peter staat al aan de weg te wachten als de tweeling nadert. Hij fietst meteen mee.

‘Is dat die boer waar die sportauto's staan?’ vraagt Peter.

‘Ja, daarom heb ik je ook opgebeld of je meeging. Dat wilde je toch?’

Peter knikt.

Een kwartier later rijden ze het erf van Teunis op. De oude boer gooit wat brood in de kippenren. Als hij de kinderen aan ziet komen, loopt hij onmiddellijk naar hen toe.

‘Julie komen weer medicijnen brengen? Dat noem ik nog eens service. Jullie zullen vast wel dorst hebben. Ik zal eens kijken of Maaike nog iets heeft voor jullie. Of willen jullie eerst even bij de auto's kijken? Ik zie dat jullie vriend Peter er ook bij is.’

‘Eerst maar bij de auto's kijken’, vindt Edwin. Dat is belangrijker dan drinken, denkt hij, want daar zijn we tenslotte niet voorgekomen.

‘Oké,’ zegt Teunis, ‘dan gaan we eerst naar de loods.’ Hij haalt een sleutelbos uit zijn zak, opent een deur en gaat naar binnen. ‘John en Falko zijn er even niet, maar die zullen zo wel terugkomen’, zegt Teunis. Hij doet het licht aan.

Meteen ziet Edwin hem staan. ‘Zo hééé! Een echte R8!’ roept hij verbaasd uit. ‘Is dat die nieuwe die zou komen?’

‘Inderdaad’, antwoordt Teunis. ‘Hoe noem je die? R8?’

‘Ja, een Audi R8. Ik ben hem net als model aan het bouwen. Misschien mag ik een volgende keer wat foto's maken. Da's wel handig bij het bouwen. Maar eh … heeft deze ook een ongeluk gehad?’

‘Aan de andere kant is het spatbord kapot’, zegt Teunis.

Edwin loopt er meteen naartoe en Peter volgt hem op de voet. Ze zien dat het spatbord flink is opgekruld, maar dat moet voor John en Falko niet zo'n probleem zijn.

De Ferrari is inmiddels weer rondom netjes rood gespoten.

‘Waar spuiten ze de auto's?’ vraagt Edwin nieuwsgierig.

Teunis wijst naar een brede deur. ‘Daarachter, maar daar heb ik geen sleutel van, dus kan ik het jullie niet laten zien.’

De jongens kijken hun ogen uit, terwijl Tim en Tor wat rondsnuffelen.

Teunis knipoogt naar Vera en zegt: ‘We gaan zo ook nog even bij de pony's kijken. Je mag er ook zelf wel alvast naartoe gaan.’

Dat laat Vera zich geen twee keer zeggen. Ze loopt snel de loods uit naar het weitje naast de loods.

Tim kijkt z'n verdwijnende bazinnetje even na maar snuffelt dan weer verder. Er zijn hier een heleboel interessante geurtjes die hij nog niet kent. Het maakt hem reuze nieuwsgierig. Even later vind hij een kleine opening in de grote afscheiding halverwege de loods. Hij kan er net door. Op z'n buik kruipt hij verder. Hij botst ergens tegen aan en meteen valt er achter hem iets op de grond. Tim kijkt even achterom, maar volgt dan snel weer het interessante spoor.

image

Edwin hoort een auto naderen.

Hij kijkt door een van de ramen in de grote deur naar buiten.

Daar ziet hij dat een grote Mercedes het erf van Teunis opdraait.

De auto stopt vlak voor de loods. Er stappen twee mannen uit, die meteen naar de loods lopen.

Edwin herkent onmiddellijk de man die ze een paar dagen geleden tegenkwamen in de grote Mercedes, toen ze van Teunis naar huis fietsten. Hij kijkt boos.

‘Kijk,’ zegt Teunis, ‘daar heb je John en Falko.’

Voor hij verder kan spreken valt John hem in de rede. ‘Ik heb liever niet dat je hier Jan en alleman mee naar binnen neemt.’

‘Och, ik wilde ze even iets van die mooie auto's van jullie laten zien, John’, antwoordt Teunis.

‘Dat moet je dan maar niet meer doen’, snauwt John. ‘Daar zijn die auto's veel te duur voor. Stel dat er krassen op komen. Wie gaat dat betalen?’

‘Nou nou nou’, mompelt Teunis. ‘Dat valt toch nog wel mee? Ik ben er toch zelf bij, en deze jongens vinden die auto's natuurlijk prachtig.’

‘Ik wil hier geen pottenkijkers!’ zegt John boos. ‘Ik spreek je hier straks nog over.’

Teunis lacht maar een keer naar de tweeling. ‘Het zal zo'n vaart niet lopen’, mompelt hij. ‘Dan gaan we maar weer naar buiten.’

Zonder verder iets te zeggen, volgen Peter en Edwin de oude man.

Buiten zegt Teunis: ‘Die is vast niet met het goede been uit bed gestapt vanmorgen.’

Met z'n allen gaan ze naar het weitje naast de loods. Vera rijdt parmantig haar rondjes op de pony. Het dier is al helemaal aan haar gewend. Als ze vlakbij is, stapt ze af en loopt naar de anderen toe.

‘Hij kent me al, denk ik’, zegt ze tegen Teunis. ‘Hij doet precies wat ik wil.’

‘Je hebt het snel geleerd, Veertje’, antwoordt Teunis.

Ineens kijkt Vera zoekend om zich heen. ‘Waar is Tim?’ vraagt ze.

Edwin haalt zijn schouders op. ‘Is die niet gelijk met jou naar buiten gelopen dan?’

‘Ik heb er eigenlijk niet op gelet.’

‘Is dat het kleine hondje?’ vraagt Teunis. ‘Die heb ik eigenlijk niet meer gezien.’

‘Ik ook niet meer’, zegt Peter.

‘Misschien is hij toch nog binnen’, oppert Edwin.

‘Wacht maar’, stelt Teunis voor. ‘Ik zal wel even kijken voor jullie.’

Meteen loopt hij naar binnen, maar komt even later hoofdschuddend naar buiten.

‘Er is binnen geen hondje te bekennen. Misschien moet je eens even roepen.’

Vera doet meteen wat haar gevraagd wordt, maar zonder resultaat. Tim is en blijft weg. Daar wordt ze toch wel een beetje zenuwachtig van. Tim kan toch niet plotseling van de aardbodem verdwenen zijn?

Met z'n allen zoeken ze verder. Achter de loods. In het schuurtje dat aan het huis vastzit. In de wei. Langs de weg. Maar Tim is en blijft zoek.

Peter kijkt op zijn horloge. Bijna vijf uur. Hij moet eigenlijk naar huis om zijn vader te gaan helpen.

‘Weet je wat,’ stelt Teunis voor, ‘zo'n hondje loopt niet in zeven sloten tegelijk. Hij zal best weer voor de dag komen. Ik zou, als ik jullie was, maar naar huis gaan. Zodra hij er weer is of ik hem gevonden heb, zal ik meteen opbellen en kunnen jullie hem weer ophalen. Is dat goed?’

Ze knikken, maar Vera staat het huilen nader dan het lachen. Ze weet dat verder zoeken niet veel zin heeft. Ze hebben immers overal al gekeken. Verdrietig stapt ze op de fiets met een leeg mandje en rijdt de jongens achterna.

‘Hij komt heus wel weer terecht, meidje’, roept Teunis haar na.