22. Bevrijd

Enkele kilometers voor de brug over de Bergsche Maas scheurt een Porsche over de A27. John zit met een nors gezicht achter het stuur. Hij heeft de radio aangezet en laat de muziek keihard uit de speakers klinken.

Het is allemaal een beetje anders gelopen dan hij had gepland. De nieuwsgierige Teunis en die brutale jochies had hij zeker niet nodig gehad. Maar gelukkig hebben ze de planten bij zich. Als dat niet zo zou zijn, was alles voor niets geweest. De rest kan hem weinig meer schelen.

John ziet een bord langs de autosnelweg waarop wordt aangegeven dat er over 1200 meter een tankstation is. Hij werpt een blik op zijn brandstofmeter en ziet dat hij maar beter even kantanken.

Edwin merkt dat de Porsche vaart mindert. Hij ziet aan de lantarenpalen dat ze van de weg afgaan. Wat gaat er nu gebeuren? vraagt hij zich angstig af. Zou John ook naar België gaan? Edwin heeft hem ‘Tot straks’ horen zeggen. Dat betekent dat ze elkaar dus weer zullen ontmoeten. Maar ze zijn nu nog niet in België, dat weet Edwin in ieder geval wel zeker.

Het valt hem op dat er ineens veel meer lantarenpalen staan. Even later rijden ze onder een overkapping. Ineens is het Edwin duidelijk dat ze bij een tankstation zijn. Oei, als John zo meteen bij het uitstappen maar niet achterom kijkt. Edwin voelt dat z'n hart weer sneller begint te kloppen. Hij duikt zo diep mogelijk weg en trekt de jas van John zover mogelijk over zich heen.

De Porsche stopt en John stapt uit. Al snel wordt het Edwin duidelijk dat hij bezig is de auto vol te tanken. Als hij daarmee klaar is, hangt hij de slang weg, draait de dop op de tankopening en loopt naar de kassa. Vlak bij de deur bedenkt hij zich. Hij voelt in zijn broekzak maar kan kennelijk niet vinden wat hij zoekt. Dan loopt hij weer terug naar zijn auto.

Edwin zweet peentjes onder de jas. Zal hij nu ontsnappen? Voorzichtig duwt hij de jas een beetje opzij. Half onder de jas uit ziet Edwin John ineens weer naast de auto verschijnen. Edwin schrikt geweldig. Snel trekt hij zijn hoofd helemaal onder de jas. John opent het portier en klapt de bestuurdersstoel naar voren.

Edwins hart lijkt stil te staan.

John wil zijn jas pakken waar z'n portefeuille in zit.

Vader De Jongh zet de ladder tegen het balkon aan de achterkant van het huis. Achter elkaar klimmen Peter en vader De Jongh de ladder op en klauteren over de balustrade. Het raam naast de deur staat nog keurig op het haakje. Peter wipt de haak omhoog en draait het raam open.

‘Hier kunnen we naar binnen.’

Peter klimt lenig naar binnen. Vader De Jongh heeft er wat meer moeite mee.

Uiteindelijk heeft hij zich ook naar binnen gewrongen.

‘Even zien waar we nu heen moeten’, zegt vader De Jongh. ′Ik denk daar rechts. Zie je dat? Daar is een stoel onder de klink geplaatst. Daarom kunnen Teunis en Maaike er niet meer uit. Met een paar stappen staan ze bij de gebarricadeerde deur. Vader De Jongh trekt de stoel weg en opent de deur.

Daar zitten Teunis en Maaike naast elkaar op de rand van het bad. Twee paar bange ogen kijken hen aan. Teunis komt bevend overeind. Maaike blijft zitten. De tranen lopen over haar wangen. Na alles wat ze hebben doorstaan, kan ze er even niet meer tegen.

Vader De Jongh gaat naast Maaike op de rand van het bad zitten en slaat een arm om de oude vrouw heen.

Teunis staat er wat beteuterd bij te kijken. Ineens ontdekt hij Peter op de overloop. Hij loopt naar hem toe en legt een hand op zijn schouder. ‘Je hebt het dus toch voor elkaar gekregen, maar wat is er toch allemaal aan de hand? Het is zo'n drukte op het erf. En ik heb sirenes gehoord.’

Vader De Jongh bedenkt ineens dat Teunis en Maaike ongetwijfeld wat gehoord moeten hebben, maar nog niet zullen weten wat er nu precies gaande is. De badkamer ligt aan de voorzijde van het huis en de brand woedt in de loods aan de achterkant. Hij begint voorzichtig: ‘Niet schrikken, Teunis, maar je loods staat in brand. De brandweer is druk bezig om de zaak te blussen. Dat is wat je gehoord zult hebben.’

De mond van Teunis zakt open en Maaike kijkt vader De Jongh met grote ogen aan.

Teunis zakt op de rand van het bad naast vader neer.

Even is het stil. Dan mompelt hij: ‘Ik wist dat het een stelletje boeven was. Maar dat ze daartoe in staat waren!’

‘Ik weet dat jullie heel wat hebben meegemaakt, Teunis en Maaike’, gaat vader De Jongh verder. ‘Maar hebben jullie mijn zoon gezien in de loods?’

Teunis kijkt vader vragend aan. ‘Je zoon? Nee, niet gezien.’

Hij draait zich naar zijn vrouw. ‘Maaike, jij toch ook niet?’

Maaike schudt haar hoofd.

Vader De Jongh zucht. ‘Zullen we maar eens naar beneden gaan? Daar kunnen we beter zitten dan op deze harde badrand.’ Hij staat meteen op. Hij helpt Maaike, door haar bij haar arm te pakken. De oude vrouw is door de ruwe behandeling behoorlijk stijf geworden. Met z'n vieren lopen ze de trap af. Teunis loopt meteen door naar het keukenraam. Daar ziet hij pas hoe ernstig de situatie is. Hij blijft als versteend staan.

‘Ga maar even zitten, Teunis’, zegt vader De Jongh. ‘Dat is beter. Je hebt al genoeg meegemaakt.’

Maaike volgt het voorbeeld. Beiden zitten even later wezenloos aan de keukentafel voor zich uit te staren. Het eten staat nog steeds opgeschept.

Wat zou er nu in hun gedachten omgaan? vraagt Peter zich af.

‘Mijn dochter zit in de auto. Ik ga haar even roepen’, zegt vader.

Teunis knikt. Hij staat op en pakt een reservesleutel uit een lade onder het aanrechtblad.

‘O ja, natuurlijk. Anders kunnen we er niet uit’, zegt vader. Hij staat op en zegt tegen Peter: ‘Jij blijft wel even hier, toch?’