12. Bekenden
Er is een klein lichtje aangesprongen. Daardoor kan Peter zien wat er langs zijn been schuurt. Het is Tim. Peter bukt zich en tilt het kleine hondje op. Tim is door het dolle heen en likt doorlopend Peter over zijn hand.
Vanuit een donkere hoek klinkt een bekende stem.
Peter valt van de ene verbazing in de andere.
Hij ziet een matras op de betonnen vloer met een dekbed erover. Onder het dekbed liggen Teunis en Maaike. Wat vreemd, denkt Peter.
Teunis lost dit raadsel snel op. ‘Wij zijn gevangen, net als jij nu’, zegt hij.
Peter loopt naar hem toe en gaat naast het matras op de vloerzitten.
Teunis vertelt hem het hele verhaal. John was vreselijk boos geweest dat Teunis zomaar vreemde kinderen toeliet in zijn loods, terwijl Teunis zich van geen kwaad bewust was. Vlak voordat Teunis en Maaike die middag wilden gaan eten, was John plotseling binnengekomen en had hen gedwongen mee te komen naar de loods. Daar waren ze via de spuitcabine naar het afgesloten gedeelte van de loods gebracht. Tot zijn grote verbazing had Teunis daar voor het eerst de planten gezien. Hij had geen idee waar dat voor was. Maar toen John over ‘binnenkort de planten verpatsen’ had gesproken, was hem een lichtje opgegaan. Hij had deze planten weleens op een foto gezien. John en Falko hadden in zijn loods een complete kwekerij opgezet met verboden planten. Hennep!
Teunis had zich pas afgevraagd waarom het stroomverbruik zo was gestegen, maar John had hem verteld dat de apparatuur die ze gebruikten om de auto's te repareren en vooral de verwarming in de spuitcabine veel stroom nodig hadden. Bovendien betaalden ze alles netjes.
Peter luistert stil, maar als Teunis vertelt over de hennepplanten, springt hij op. ‘Dat dacht ik ook al’, roept hij uit. ‘Hoe weet je dat?’ vraagt Teunis.
‘Ik wist het niet zeker, maar ik heb mijn vader weleens iets over het kweken van deze planten horen vertellen en dit lijkt er precies op.’
‘Nu zit je ook gevangen’, gaat Teunis verder. ‘Hoe kom je eigenlijk hier?’
Dan vertelt Peter alles over hun nachtelijk avontuur.
Teunis wrijft over zijn stoppelige kin en Maaike luistert met open mond.
‘Maar zit jouw vriend dan ook nog in de loods?’ vraagt ze.
Peter haalt zijn schouders op. ‘Ik weet het niet. Ik heb hem niet meer gezien.’
Op datzelfde moment klinkt er geluid bij de deur. Er wordt geklopt.
Even is het stil.
Opnieuw wordt er geklopt.
Peter hoort zacht zijn naam noemen en loopt naar de deur. Hij pakt de klink beet, maar beseft meteen dat het weinig nut heeft. De deur zit op slot.
‘Peter!’ klinkt het weer.
Hij weet nu zeker dat het Edwin is en antwoordt: ‘Ja.’
Hij hoort aan de andere kant van de deur: ‘Peter, ben jij het?’
‘Ja. Zit er geen sleutel in de deur?’
‘Nee, volgens mij hebben John en Falko hem meegenomen.’
‘Ligt-ie misschien ook in dat laatje?’ probeert Peter.
‘Dan moet ik gaan kijken, maar ik weet niet zeker of de mannen in de voorste ruimte zijn.’
‘Kun je geen hulp halen?’ vraagt Peter.
‘Dan moet ik toch ook weer door die voorste ruimte heen.’
‘Zit er geen luik ergens boven die planten?’
Edwin kijkt achterom en speurt langs het plafond, maar kan zo snel niets ontdekken. ‘Ik moet dat even uitzoeken.’ Dan vervolgt hij: ‘Zit er geen luik bij jou in dat hok, of heb je geen licht?’
‘Jawel, ik heb zeker licht en nog gezelschap ook.’
Edwin zet grote ogen op en kijkt naar de deur. ‘Wat … wie … hoe?’
‘Wat denk je?’
‘Tim?’
‘Inderdaad, maar Teunis en Maaike zitten of beter gezegd liggen hier ook.’
‘Liggen? Hoe … hoe is het dan met hen?’
‘O, ze maken het goed en liggen op een matras, maar ze willen er vanzelf ook uit, net als ik.’
‘Maar eh … dan kun je aan Teunis ook wel vragen of er nog ergens een luik of zoiets zit.’
Daar heeft Peter nog niet aan gedacht. Hij draait zich meteen om. Even bedenkt hij zich en draait weer naar de deur. ‘Ik ga het even vragen.’
Edwin rest niets anders dan te wachten. Ongeduldig kijkt hij in het rond. Ineens hoort hij gerommel bij de deur naar de tussenruimte. Hij schrikt. Hij had niets meer gehoord van de aanwezigheid van de mannen en was er een klein beetje van uitgegaan dat ze beiden weg waren gereden. Een van de twee is dus toch hier gebleven.
Snel duikt hij onder de tafels waar de planten op staan. Hij is net op tijd, want meteen gaat de deur open. Hij kruipt snel verder onder de tafels door en probeert meteen tussen de vele tafelpoten door de benen van de binnenkomer te ontdekken.
Hij ziet dat deze richting het hok loopt waar Peter, Teunis, Maaike en Tim gevangenzitten. Ineens moet hij aan Tor denken. Dat dier zit waarschijnlijk nog steeds buiten te wachten onder aan de ladder.
Dan hoort Peter tot zijn grote schrik achter de deur zijn naam roepen.