15. Ongerust

Vera ligt te woelen in bed. Ze draait zich om en stoot tegen de wekker die op haar nachtkastje staat. Met een doffe bons valt die op het vloerkleed naast haar bed. Ze is meteen wakker en ziet dat het licht nog aan is.

Hoe laat is het eigenlijk? vraagt ze zich af. Ze kijkt naar het nachtkastje, maar daar staat geen klok meer. Meteen beseft ze dat de wekker op de grond is gevallen. Ze pakt hem weer op.

Tot haar schrik ziet ze dat het al bijna vijf uur is.

Tjonge, Edwin is nog niet terug? Hij heeft haar in ieder geval niet wakker gemaakt. Snel gooit ze haar benen over de rand van het bed en loopt op haar tenen naar de kamer van haar broer. Om de hoek van de deur doet ze het licht aan. Er ligt iets in bed. Zou het … Ze loopt ernaartoe, maar ziet het al. Dat is nog steeds de kleding en de bal die ze er zelf in heeft gelegd. Edwin is er dus nog niet. Vreemd. Zo ver is het toch niet naar Teunis en Maaike? Er is vast iets niet goed.

Ze voelt zich ongerust worden. Dit is niet normaal. Wat moet ze nu doen? Zal ze vader en moeder wekken? Eigenlijk durft ze niet goed, maar … Als er iets ernstigs aan de hand is, kan ze haar broer toch niet aan z'n lot overlaten!

Ze staat in hevige tweestrijd.

Dan loopt ze de kamer van Edwin weer uit. Bij de deur blijft ze staan. Links kan ze naar haar kamer. Rechts de trap af naar beneden … naar vader en moeder. Als er nu eens niets aan de hand is? En ze wekt vader en moeder voor niets? Wat zal haar broer boos zijn. Maar als er nu wel iets ergs aan de hand is en ze zou weer rustig naar haar bed gaan?

Ze slaat rechtsaf en gaat de trap af. Via de kamer loopt ze naar de slaapkamer van vader en moeder. Bij de deur staat ze weer stil. O, wat een vreselijke twijfel.

Ze pakt de klink en drukt die voorzichtig naar beneden. De deur gaat langzaam open en het geluid van een snurkende slaper wordt hoorbaar.

Vera loopt voorzichtig de slaapkamer in. Vader en moeder zijn allebei diep in slaap. Ze kan nog steeds terug naar boven gaan. Weer staat ze in hevige tweestrijd. Dan hakt ze de knoop door, loopt naar de kant waar moeder ligt en schudt zachtjes aan haar schouder.

Met een schok draait moeder zich om. ‘Huh … wat is er aan de hand?’ klinkt het slaperig.

Vera weet eigenlijk niet goed wat ze zeggen moet. ‘Ik … eh … moet u, denk ik, even wakker maken.’

‘Wakker maken … om deze tijd?’ klinkt het vanaf de andere kant van het bed. Vader is ook wakker geworden en kijkt op zijn horloge.

‘Nou eh … Edwin is weg en had al best weer terug kunnen zijn’, probeert Vera vader en moeder voorzichtig te informeren.

‘Wat zeg je me nu? Midden in de nacht?’ zegt moeder die nu klaarwakker is.

‘Hij weet waar Tim is en is hem ophalen.’

‘Tim ophalen?’

Moeder wrijft nog eens door haar ogen.

‘Waar is Tim dan?’

‘Ja, dat weet ik ook niet precies, maar Edwin en Peter hebben iets ontdekt bij Teunis van de Water of zo.’

‘Daar is Tim toch ook zoekgeraakt?’ zegt vader. Hij stapt uit bed. ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraagt hij.

‘Om een uur of twaalf.’

‘Hoe kan dat?’ zegt moeder. ‘Ik ben vannacht nog op zijn slaapkamer geweest en toen lag hij gewoon in bed, hoor. Zeg Veertje, je loopt toch niet te dromen?’

‘Mmm …’ bromt vader. ‘Ik ga wel even kijken.’ Hij heeft zijn broek al aangetrokken.

Vera loopt hem snel achterna.

Vader loopt de kamer van Edwin binnen. Het licht is nog aan.

‘Zie je nou wel, hij ligt gewoon in bed.’ Vader draait zich om naar Vera.

Vera schudt haar hoofd.

Vader kijkt nog eens naar het bed van Edwin en loopt ernaartoe. Hij trekt het dekbed terug en ziet tot zijn verbazing in plaats van zijn zoon een paar schoenen, wat boeken en een bal liggen.

‘Wel heb ik ooit!’ klinkt het. ‘Wat zijn jullie aan het uitspoken?’

‘Dat heb ik u toch al verteld’, zegt Vera zacht.

Vader wrijft over zijn kin en denkt na. ‘Is hij alleen?’

Vera schudt haar hoofd. ‘Peter is ook mee.’

Vader kijkt nog eens op zijn horloge. ‘En ze zijn met z'n tweetjes naar Teunis van de Water? Dan hadden ze toch allang weer terug kunnen zijn.’

Vera kijkt haar vader aan, maar zegt verder niets.

Even is het stil.

Dan zegt vader: ‘Kom, dan ga ik daar maar eens even met de auto heen.’

‘Mag ik mee?’ vraagt Vera.

Vader kijkt haar even bedenkelijk aan, maar zegt dan: ‘Ga je snel aankleden.’ Hij loopt de trap af, om zich in de slaapkamer verder aan te kleden.

Vera trekt ook snel haar kleren aan en hoort, nu alle deuren openstaan, vader en moeder met elkaar praten. Ze kan niet verstaan wat er gezegd wordt.

Even later gaat ze naar beneden.

Vader staat al in de hal te wachten.

Samen lopen ze door de keuken.

Vader doet even het licht aan. ‘Hé, waar is Tor?’ vraagt hij.

‘Die is met Edwin en Peter mee’, antwoordt Vera een beetje bedremmeld.

‘Jij bent ook in deze onderneming betrokken, is het niet, meisje? Je weet overal van’, zegt vader.

Samen rijden ze even later het dorp uit.