3. Een geheim plan

De volgende ochtend rijden Vera en Edwin al vroeg op de fiets naar de boerderij van Teunis. Edwin denkt terug aan gisteravond. Vera had voortdurend in de buurt van de telefoon gezeten, maar Teunis belde niet. Edwin zag dat ze moest huilen. Hij had medelijden met haar. Voordat ze naar bed gingen, had hij haar verzekerd dat Tim hoe dan ook gevonden zou worden en dat hij er zelf voor zou zorgen. Hij had zich voorgenomen dat hij niet verder zou bouwen aan zijn modelauto voordat Tim gevonden zou zijn. Op bed had hij zich suf gepiekerd, maar nog geen oplossing kunnen bedenken. Eerst morgenvroeg maar weer naar Teunis, had hij gedacht. Daar zouden ze wel verder zien.

En zo zitten ze deze morgen dus weer op de fiets. Het is prachtig weer, maar ook Vera heeft er weinig erg in. Ze denkt maar aan één ding: Tim.

Ze rijden voorbij de boerderij van Peters vader.

‘Zal ik even vragen of Peter ook meegaat?’ stelt Edwin voor.

Vera knikt en stopt voor aan het erf.

Edwin rijdt alleen verder naar het huis waar Peter woont en gaat naar binnen.

Even later verschijnt hij weer en loopt naar de stallen.

‘Peter is in de stal aan het werk!’ roept hij naar Vera.

Het duurt niet lang of Edwin komt opnieuw tevoorschijn … zonder Peter. Een paar tellen later is hij bij z'n zus.

‘Peter is nog niet klaar met werken. Dat duurt nog wel even. Wij moesten maar alvast gaan en als hij klaar is en wij zijn nog niet terug, komt hij ook nog naar Teunis.’

Vera knikt opnieuw en stapt dan snel op de fiets. Ze wil naar Teunis, want daar moet Tim ergens zijn.

Na een kwartiertje fietsen, draaien ze het erf bij Teunis op. De oude boer is in zijn voortuin bezig en ziet hen aankomen. Snel loopt hij op hen af en voordat ze bij de loods zijn, staat hij al naast hen. Hij kijkt niet zo blij.

‘Het hondje is nog niet opgedoken. Als hij er is, bel ik wel op. Dat heb ik toch gezegd?’

De woorden van Teunis klinken een beetje kortaf. Edwin en Vera zijn een beetje verbaasd. De vorige keren was de oude man veel vriendelijker.

‘Maar kunnen we dan niet zoeken?’ vraagt Edwin.

‘Nee, we hebben gisteren alles al afgezocht. Dat heeft geen zin. Zoals ik al zei, ik bel echt wel als dat beestje terecht is.’

Edwin en Vera vinden het echt vreemd. Zo kennen ze Teunis helemaal niet.

Teunis kijkt snel een keer om naar de loods. Er staat een grote donkere Mercedes vlak bij de ingang. John en Falko zijn er vast ook, denkt Edwin. Die waren ook al niet zo vriendelijk gisteren.

‘Jullie kunnen beter weer gaan’, spoort Teunis hen aan. ‘Ik ben nu druk.’

Edwin kijkt Vera snel een keer aan. Haar ogen staan verdrietig, maar het lijkt hem het beste om maar weer te vertrekken. Hij begrijpt niets van Teunis. ‘Goed, dan gaan we maar weer’, zegt hij en draait z'n fiets.

Vera volgt hem teleurgesteld.

Edwin kijkt nog een keer om en steekt zijn hand op. Teunis kijkt hen met een vreemde blik na. Heel even steekt hij flauwtjes een hand op en draait zich dan snel om. Hij gaat verder in de voortuin.

Als ze een eindje hebben gereden, zegt Edwin: ‘Hier begrijp ik niks van. Teunis is ineens heel anders.’

Even is het stil.

Dan vervolgt hij: ‘We gaan sowieso even bij Peter langs. Ik heb een ander plan om Tim te vinden, maar dat vertel ik je nog wel.’

Vera wordt hier wel een beetje nieuwsgierig van, maar Edwin wil er nog niets over kwijt. Eerst met Peter overleggen.

Niet lang daarna draaien ze het erf van de Groeneveldjes op. Peter komt juist naar buiten met een lege kruiwagen.

‘En?’ vraagt hij. ‘Gevonden?’

Edwin schudt zijn hoofd. ‘Er is iets vreemds aan de hand. Teunis heeft liever niet meer dat we komen.’

Peter trekt een bedenkelijk gezicht. ‘Hoe dat zo? Heeft hij dat gezegd?’

‘Nou … dat niet echt, maar hij liet het wel duidelijk merken … of niet, Veer?’

Vera knikt. ‘Hij was niet zo vriendelijk als de vorige keren.’

‘Vreemd’, mompelt Peter.

‘Maar ik heb een ander plan’, begint Edwin. ‘En ik wil eerst weten of jij meedoet.’

‘Ja, dat kan ik zo ook niet zeggen’, antwoordt Peter. ‘Ik zal eerst meer moeten weten.’

Edwin komt een beetje geheimzinnig bij Peter staan en zegt dan zacht: ‘Wat zou je ervan denken als we vannacht eens stiekem in die loods van Teunis gingen kijken? Teunis slaapt en die John en die Falko zullen dan ook niet werken.’

‘Maar hoe wil je daar binnenkomen?’ vraagt Peter zich hardop af.

‘Ik heb, toen we naar Tim aan het zoeken waren, aan de achterzijde van de loods een luik gezien. Het zit wel hoog, maar bij de loods lag een ladder, dus dat moet wel lukken.’

‘En als dat luik op slot zit?’ vraagt Peter zich af.

‘Het zit niet op slot, want gisteren stond het op een kier’, zegt Edwin.

Vera heeft alles kunnen verstaan en mengt zich in het gesprek. ‘Denk je dat Tim binnen in die loods zit?’ vraagt ze bedrukt.

‘Ik zou niet weten waar hij anders moet zijn’, antwoordt Edwin. ‘Maar je begrijpt dat ik niet aan dat stelletje moppermonteurs ga vragen of ik daar mag gaan zoeken, want dan weet ik het antwoord al.’

Peter knikt en denkt nog even na.

‘En als onze ouders merken dat we weg zijn vannacht?’ vraagt Peter zich af.

Edwin is even stil.

Dan zegt hij: ‘Vera blijft thuis. Dus als ze bij ons iets merken, kan zij vertellen dat ze zich niet ongerust hoeven te maken.’

‘Maar mijn ouders dan?’ vraagt Peter wat verongelijkt.

‘Ehm … Als ze erachter komen, mag je mij de schuld geven. Het is onze hond waar we naar op zoek zijn.’

Peter moet even om Edwin lachen, maar zegt dan: ‘Oké, ik ga mee. Hoe laat spreken we af?’

‘Tja, wat zullen we doen?’ vraagt Edwin. ‘Half één vannacht, bij jou hier?’

‘Is goed. Ik zal dan aan de straat staan.’

‘Maar tegen niemand iets zeggen’, fluistert Edwin. ‘Ook jij niet, Veer. Het gaat tenslotte om jouw hond.’