21. Vera's ontdekking
Alles gaat heel snel. Met man en macht gaat de brandweer aan de gang. Vliegensvlug worden er slangen uitgerold. Met een pomp halen ze bluswater uit een sloot en spuiten het met een grote boog naar binnen. De vlammen komen al door het dak. De hooizolder heeft duidelijk ook vlam gevat.
De brandweermensen rennen heen en weer. Maar hoe ze ook hun best doen, de loods lijkt niet meer te redden. Ondertussen spuiten ze het woonhuis van Teunis en Maaike ook nat. Gelukkig zit het niet vast aan de loods, maar het staat er wel dicht genoeg bij om misschien ook in brand te vliegen.
Vera is even buiten geweest, maar ze heeft het koud gekregen. Het vuurgeweld maakt een diepe indruk op haar en ze is snel weer in de veilige en warmere auto gekropen. De auto staat vlak voor het woonhuis.
Het vuur houdt de blik van Vera gevangen, maar af en toe wil ze er even niet naar kijken. Dan dwingt ze zichzelf in het rond te kijken.
Het is inmiddels kwart over zes. Maar het is nog steeds donker en er valt op de weg, zowel links als rechts, niet veel te zien. Waar zouden die oude mensen toch zijn die hier wonen? vraagt ze zich bezorgd af. Vader heeft al tegen haar gezegd dat ze niet meer in de loods waren.
In de auto wordt het achter het glas steeds warmer. Of is het de spanning? vraagt Vera zich af. Ze draait haar portierraam een klein stukje omlaag. Nu hoort ze de vlammen duidelijk knetteren. Niet zo'n prettig geluid, vindt ze. Het zijn allerlei tikkende en ploffende geluidjes.
Het lijkt wel of het dichtbij ook tikt. Het huis zal toch geen vlam vatten, denkt ze verschrikt. Ze richt haar blik op het huis, maar kan niets ontdekken wat op vlammen lijkt. Ineens ziet ze iets bewegen bij een bovenraam. Dan is het weer weg.
Vera blijft naar het raam staren. Kijk, daar is het weer. Het is te donker om te onderscheiden wat het is. Tegelijkertijd hoort ze weer tikken. Daar … daar is iemand binnen.
Vlug stapt ze uit de auto en rent naar vader, die met Peter bij een brandweerman staan. ‘Het lijkt niet waarschijnlijk dat Teunis en Maaike nog in de loods zijn’, zegt vader. ‘Maar waar zijn ze dan wel? En waar is Edwin? Peter heeft verteld dat Edwin ook in de loods was. Alles stond open. Het lijkt erop dat iedereen zo naar buiten heeft kunnen vluchten. Ook het hok achterin was leeg.’
‘Pap, kom eens vlug mee kijken!’ zegt Vera.
‘Hoezo?’ vraagt vader.
‘Kom nu maar’, dringt Vera ongeduldig aan.
Samen lopen ze naar de voorkant van de woning.
Vera wijst omhoog. ‘Daar tikte iemand op het raam. Echt waar!’
‘Maar ik zie nu niets’, zegt vader.
‘Wacht even’, zegt Vera en grijpt de arm van haar vader vast.
Geduldig blijft vader wachten. Ineens ziet hij het ook. ‘Inderdaad, je hebt gelijk. Er tikt iemand tegen dat hoge raam. Ik denk dat het een badkamerraam is.’
Vader loopt weer naar achter, waar hij zojuist bij een brandweerman stond.
‘Er is iemand in het huis. Ik heb hem tegen een bovenraam zien tikken.’
‘Is dat zo?’ vraagt de brandweerman. ‘Waarom komen ze dan niet gewoon naar buiten?’
‘Ja vreemd, inderdaad’, moet vader toegeven.
Peter mengt zich in het gesprek: ‘Achter de loods staat een ladder. Misschien kunt u daarmee bij het raam.’
‘Oké’, zegt vader.
‘Wil u daar dan even gaan kijken?’ vraag een van de brandweermannen.
Vader loopt meteen naar achter. Peter loopt achter hem aan.
Met een wijde boog lopen ze om de brandende loods heen.
‘Ik hoop wel dat we nog bij de ladder kunnen’, zegt vader De Jongh. Aan de achterzijde kronkelen de vlammen uit het luik. Vader loopt naar de ladder en kijkt omhoog. De hitte slaat hen tegemoet en de vonken vliegen over hen heen. Als vader De Jongh de aluminium ladder vastpakt, voelt hij dat het metaal al flink warm is. Snel trekt hij de ladder achterover.
Peter pakt het andere einde en samen lopen ze snel weg van de achtermuur. Ze voelen de vonken op hun huid branden. Op een drafje rennen ze naar voren.
Even later trekt vader De Jongh de ladder weer overeind en plaatst deze onder het hoge raam van het huis. Hij klautert meteen naar boven en tuurt naar binnen.
Het klapraam gaat een stukje open en dan horen Vera en Peter vader De Jongh spreken. ‘Hoe komen jullie hier terecht?’
Er antwoordt iemand, maar ze kunnen het niet goed verstaan.
‘Hebben jullie mijn zoon gezien?’ gaat vader verder.
Er volgt een lang antwoord.
‘Zit die deur op slot dan?’ vraagt vader.
Binnen klinkt weer een mannenstem.
‘Oké, dan zal ik even kijken wat ik voor je kan doen.’
Vader De Jongh komt weer naar beneden.
‘Teunis en Maaike zitten opgesloten in de badkamer. We moeten op de een of andere manier zien binnen te komen.’
Even is het stil.
Vader De Jongh kijkt om zich heen en ziet dat alle brandweermannen druk in de weer zijn.
Dan zegt Peter: ‘Ik weet wel een manier … aan de achterkant.’
‘O, hoe dat zo?’
‘Eh … Eddy en ik zijn al binnen geweest vannacht.’
Edwins vader kijkt hem verbaasd aan.
‘Afijn, dat leg je later maar uit.’
Samen lopen ze met de ladder naar de achterkant van de woning.
Vera is weer in de auto gekropen en kijkt hen na. Ze voelt zich ellendig.