17. Ontsnapping
Peter legt zijn oor nog eens tegen de deur. Hij heeft al even niets meer gehoord. Tim staat ook weer bij hem, maar keft nu niet. Het is en blijft helemaal stil.
Peter loopt naar Teunis en zegt zacht: ‘Ik hoor niets meer. Misschien zijn ze weg.’
Teunis kijkt hem aan en antwoordt: ‘We wachten nog een paar minuten. Luister nog eens even.’
Peter doet wat hem wordt opgedragen, maar het blijft stil aan de andere kant van de deur.
‘Goed’, zegt Teunis dan. ‘We gaan het proberen. Help je even?’
Samen zetten ze de tafel recht onder het luik. Teunis loopt terug en pakt ook de twee stoelen op. De ene plaatst hij op de tafel, de andere ernaast.
‘Het is een stevige tafel’, gaat hij verder. ‘Daar kunnen we allebei wel op staan.’
‘Doe je voorzichtig’, klinkt benauwd de stem van Maaike uit de hoek.
‘Vanzelf … vanzelf’, stelt Teunis haar gerust.
Hij vraagt Peter op de tafel te klimmen en volgt zijn voorbeeld.
Even later staan ze allebei dicht bij elkaar op de tafel.
Met zijn handen omhoog kan Teunis aardig goed bij het plafond.
‘Als jij nu op de stoel gaat staan en het luik openduwt, dan zal ik het daarna vasthouden en kun jij omhoogklimmen. Afgesproken?’
Peter knikt. Dat moet makkelijk gaan, denkt hij.
Maar het valt nog niet mee. Het pak hooi boven op het luik weegt zwaar en eerst krijgt Peter er bijna geen beweging in. Hij zet zich schrap met zijn benen en duwt met zijn schouders tegen het luik. De stoel kraakt ervan.
Peter verplaatst zijn voeten nog eens, zodat ze recht boven de poten van de stoel staan. Hij spant zijn spieren weer. Nu kraakt de stoel niet meer. Het luik gaat een klein beetje omhoog.
Teunis probeert mee te duwen, maar hoe hoger het luik komt des te minder kracht hij nog kan zetten.
Ineens gaat het veel lichter. Het pak hooi is tussen de andere uit geduwd en rolt opzij. Nu kan Peter het luik helemaal rechtop zetten.
Teunis zet zijn twee forse knuisten tegen het onderste gedeelte.
Peter laat los, maar het luik blijft staan.
‘Zo, klim er nu maar uit. Ik houd het luik wel vast’, gebiedt Teunis.
Het is voor de lenige Peter een klein kunstje en even later staat hij hoog boven Teunis op de pakken hooi naast het gat.
‘Als je nu het luik weer voorzichtig wilt laten zakken?’ vraagt Teunis beneden hem.
Peter pakt het luik bovenaan vast en laat het terugzakken in de opening.
‘Ga snel hulp halen en doe voorzichtig’, is het laatste wat hij nog van Teunis hoort.
Even twijfelt Peter of hij het pak hooi dat op het luik lag weer terug zal leggen, maar hij vindt dat eigenlijk niet nodig. Ineens beseft hij dat hij vrij is en dat geeft een geweldig gevoel, maar hij is natuurlijk nog niet weg.
In het duister sluipt hij naar het luik aan de achterzijde van de loods. Bij het schaarse maanlicht ziet hij dat het nog openstaat. Hij voelt de staaflamp in zijn broekzak, maar durft die nu niet te gebruiken. Bij het luik aan de achterzijde loert hij voorzichtig over de rand. Niemand te zien. Hij buigt wat verder naar buiten. De ladder staat er ook nog. Hij kijkt naar de grond. Jawel hoor, Tor is er nog.
De hond kijkt omhoog. Hij heeft Peter, ondanks dat hij alles heel stil heeft gedaan, toch gehoord. Tor springt op, kijkt omhoog en lijkt te denken: Kom nu maar eens naar beneden. Het heeft lang genoeg geduurd.
Peter besluit inderdaad om via de ladder naar beneden te klimmen. Als er iemand in de buurt zou zijn, dan had Tor dat allang gemerkt.
Even later staat hij onder aan de ladder en kijkt nog eens om zich heen. Tor duwt zijn kop tegen Peters been. Peter klopt een paar keer op de rug van het dier. Waar zou Eddy uithangen? denkt hij. Het laatste contact was bij de deur van hun gevangenis. Daarna heeft hij niets meer vernomen dan alleen de stemmen van die andere mannen. Zou Eddy ook kans gezien hebben te ontsnappen? Als dat zo is zou hij weleens naar de fietsen kunnen zijn gegaan. Hij zal ook naar de fietsen gaan. Dan weet hij het zo.
Tor staat nog bij de ladder als Peter wegloopt. Peter kijkt even om. Die hond staat nog op zijn baas te wachten. Zou Eddy dan niet weg zijn? Peter twijfelt. Dan had hij natuurlijk ook zijn hond opgehaald. Afijn, als hij nu eerst naar de fietsen gaat, wordt het waarschijnlijk wel duidelijker.
‘Kom’, fluistert hij naar Tor.
De hond kijkt hem even aan en kijkt een keer naar het luik.
Slim dier, denkt Peter. Hij denkt dat z'n baas ook nog door het gat moet komen.
‘Kom’, roept hij nog eens zacht.
Dan volgt Tor hem langzaam.
Peter loopt al om de hoek van de loods. Ineens schrikt hij geweldig. Hij hoort iets tegen de wand van de loods. Het lijkt wel of er water langs loopt. Hij ziet een donkere schim, die met zijn gezicht naar de muur gekeerd staat. De man kijkt om en krijgt Peter in de gaten. Hij worstelt met de rits van zijn gulp.
Peter rent de wei in. Gelukkig is hier geen schrikdraad zoals aan de kant waar de ladder lag.
‘Hé daar!’ hoort hij achter zich. ‘Stop!’
Maar er is geen haar op Peters hoofd die daaraan denkt. Hij rent zo hard hij kan. Zijn ogen spieden door het duister om niet tegen een hek aan te lopen.
Snel werpt hij een blik achterom en ziet tot zijn schrik dat de man hem achtervolgt.
Ineens staat hij voor een hek. Met twee handen grijpt hij het hek vast en slingert behendig zijn benen erover. Achter het hek ligt een verse koeienvlaai. Met de eerste voet die de grond weer raakt stapt hij er middenin. Zijn voet schuift weg en hij verliest zijn evenwicht. Peter gaat onderuit.
De man is ook al bij het hek en doet precies hetzelfde wat Peter zojuist deed.
Peter is al weer opgekrabbeld en sprint weg, voordat de man grommend de grond raakt.
Er zit slechts een paar meter tussen hen. Peter hoort de man vlak achter zich hijgen. Zijn eigen ademhaling heeft hij ook niet meer onder controle. Snel wijkt hij uit naar links om de graaiende hand van de man te ontwijken.
De afstand is weer even iets groter geworden, maar Peter raakt uitgeput. Hij doet alsof hij weer naar links uitwijkt, maar draait snel naar rechts. Er is echter geen ontkomen aan.
Ineens voelt hij dat de man z'n shirt te pakken heeft.
‘Laat me los’, gilt Peter.
‘Dat dacht … ik niet…’ hijgt de man.
Peter rukt en trekt, maar rolt daardoor ondersteboven.
Nu heeft de man hem helemaal in zijn greep. Hij zit boven op Peter en draait ruw een arm op zijn rug.
Peter kermt van pijn.