5. Nachtelijk bezoek

Vera ligt te draaien in haar bed. Ze kan niet meer slapen. Zou Edwin Tim echt vinden? Wat zou dat toch fijn zijn. Maar het is ook mogelijk dat haar broer straks zonder Tim thuiskomt. Die kans is net zo groot, misschien nog wel groter.

Ze houdt het niet langer uit in bed. Voorzichtig sluipt ze uit haar kamer, de trap af naar beneden. Het is helemaal stil in huis. Vader en moeder zijn vast diep in slaap, denkt ze. Op haar tenen loopt ze naar de keuken. Daar staat de lege mand van Tim. Het is alsof er iets brandt vanbinnen. De mand ernaast is ook leeg. Tor! Waar is Tor? Wacht, zou hij met Edwin mee zijn? Dat moet haast wel. Edwin heeft er niets van gezegd.

Ineens hoort ze kuchen in de kamer. Er komt iemand deze kant op. Het is vader, zo te horen. Die moet natuurlijk naar het toilet. Maar dan komt hij door de keuken. Gelukkig heeft ze het licht niet aangedaan. Het licht van de maan, dat door de ramen naar binnen schijnt, is voldoende om niet overal tegen aan te lopen. Ze moet zich snel verstoppen, anders zal vader vragen wat ze hier doet en dan heeft ze het een en ander uit te leggen. Ze kruipt snel onder de keukentafel en hoopt dat vader het licht niet aan zal doen.

Daar is hij al. Schuifelend sloft hij richting het toilet in het gangetje bij de achterdeur.

Als Vera de toiletdeur op slot hoort gaan, slaakt ze een zucht van verlichting. Ze durft nu niet snel naar boven te gaan, want vader kan ieder moment weer uit het toilet komen en dan is ze het haasje. Ze blijft muisstil zitten.

Plotseling schiet haar iets te binnen. Haar hart begint weer te bonzen. Als vader maar niet ziet dat Tor er ook niet is, want dan staat zo de hele boel toch nog op stelten.

De toiletdeur gaat weer open en dicht. Vader sloft de keuken weer in. Vera ziet alleen zijn voeten en de helft van zijn benen. Vader stopt. Nu komt het, denkt ze en ze houdt haar adem in.

Maar dan loopt vader verder en verdwijnt via de kamer weer naar de slaapkamer. Als de deur dicht is, slaakt Vera een zucht van verlichting. Vader heeft hoogstwaarschijnlijk niet gezien dat Tor niet in zijn mand lag. Gelukkig maar.

Snel komt ze onder de tafel uit en sluipt weer naar boven naar haar kamer. Even later ligt ze weer onder haar dekbed, maar van slapen komt niets. Ze is klaarwakker. Kwam Eddie nu maar terug.

Op de zolder boven de loods van Teunis heeft Edwin de deur snel dichtgetrokken. ‘Ik hoop maar dat ze het licht van onze staaflamp niet hebben gezien’, fluistert hij.

Ze horen dat de buitendeur beneden van slot wordt gedraaid en dat er mensen naar binnen komen. Er wordt gesproken, al kunnen ze niet verstaan wat er gezegd wordt.

Gaan die mannen nu echt midden in de nacht aan het werk? vraagt Edwin zich af. Misschien hebben ze een klus die snel af moet, bedenkt hij.

Van Tim horen ze niets meer. Ze horen wel dat er beneden een deur wordt geopend. Dat is niet de buitendeur. Het lijkt vlak onder hen. De deur gaat weer dicht.

De stemmen klinken nu niet meer in de werkplaats, maar recht beneden hen. Door de pakken hooi wordt het geluid van de stemmen nog meer gedempt. Ze kunnen nu geen woord meer verstaan.

‘Wat doen we?’ vraagt Peter zacht.

Edwin moet even nadenken. ‘We kunnen twee dingen doen’, zegt hij fluisterend. ‘We wachten tot die lui zijn vertrokken, maar wie weet hoelang dat nog duurt? Of we gaan zelf weer weg. In de achterkant van de loods zitten geen ramen, behalve het luik. Dus ik denk dat we gemakkelijk zonder gezien te worden weg kunnen komen.’

‘Zonder Tim thuiskomen is niet leuk,’ zegt Peter zacht, ‘zeker niet nu we weten waar hij is.’

‘Laten we dan nog even wachten,’ stelt Edwin voor, ‘misschien dat die kerels zo weer weggaan. Als het te lang duurt, kunnen we altijd nog vertrekken.’

Ineens schiet Edwin te binnen dat Tor er ook nog is. Voorzichtig sluipt hij over het hooi naar het luik dat nog openstaat. Het licht van de maan valt naar binnen, zodat de opening goed te zien is. Hij kijkt over de rand en ziet dat Tor nog steeds geduldig zit te wachten.

‘Is hij er nog?’ fluistert Peter.

‘Alles oké.’

Beneden blijft het stil. Af en toe horen ze een geluid dat ze niet thuis kunnen brengen en soms wordt er gesproken, maar verder gebeurt er weinig.

Na een halfuur wordt Edwin ongeduldig. ‘We kunnen hier wel wachten tot we een ons wegen’, zegt hij.

‘Tja,’ zucht Peter, ‘maar wat moeten we dan?’

‘Ik denk dat we morgen gewoon naar Teunis moeten gaan’, zegt Edwin. ‘We weten nu toch waar Tim is.’

‘Wil je hem dan gaan vertellen dat we vannacht op de zolder van z'n loods hebben gezeten?’ vraagt Peter zich af.

Daar heeft Edwin niet aan gedacht. ‘We moeten iets, maar ik weet nog niet wat. Daar ga ik nog eens diep over nadenken. Maar nu wil ik naar huis. We kunnen in ieder geval Vera vertellen dat we weten waar Tim is.’

‘Oké’, zegt Peter zacht en volgt z'n vriend voorzichtig naar het luik.

Achter elkaar klimmen ze via de ladder naar de begane grond. Tor staat hen kwispelend op te wachten. Behoedzaam leggen ze de ladder weer naast de loods en maken zich door de wei uit de voeten.

Hun fietsen liggen nog aan de slootkant.

Edwin kijkt op zijn horloge en trekt vervolgens zijn fiets omhoog. ‘Kwart voor drie.’

Even later rijden ze weer richting het dorp. Bij de boerderij slaat Peter af.

‘We kijken morgen wel verder. Ik laat het je weten als ik een nieuw plan heb’, zegt Edwin.

‘Oké, welterusten dan.’

‘Doei.’